De Decamerone van Boccaccio

Chapter 66

Chapter 664,091 wordsPublic domain

Op den bruiloftsdag steeg Gualtieri op de helft van het derde uur te paard en sprak tot iedereen, die gekomen was om hem eer aan te doen: Heeren, het is tijd de bruid te halen. Hij begaf zich met allen naar het dorp en toen zij het huis van den vader van het meisje bereikt hadden, ontmoetten zij haar met water van de fontein in grooten haast terugkeerende. Toen Gualtieri haar ontwaarde, riep hij haar bij haar naam Griselda en vroeg, waar haar vader was. Zij antwoordde bedeesd: Mijnheer, hij is in huis. Gualtieri steeg af en na iedereen bevolen te hebben op hem te wachten, trad hij in de arme hut, waar hij haar vader Giannucole vond en sprak: Ik ben gekomen om Griselda te huwen, maar eerst wil ik in haar bijzijn iets van u weten. Ik vroeg haar of zij altijd, als ik haar tot vrouw genomen heb, haar best zou doen te behagen en over niets kwaad zou worden en gehoorzaam zou zijn, hetgeen zij alles toestemde. Toen leidde Gualtieri haar bij de hand naar buiten en in tegenwoordigheid van het geheele gevolg liet hij haar naakt uitkleeden, en na de bestelde gewaden te hebben laten komen, liet hij haar snel kleeden en schoeien en op de nog losse haren een krans zetten. Toen iedereen zich verwonderde, sprak hij: Heeren, dit is degene, die ik tot vrouw begeerde, en tot haar, die bloosde en verward was: Griselda, wilt gij mij tot man? Zij antwoordde: Mijn heer, ja. Hij zeide: En ik wil u tot vrouw; en in aller bijzijn huwde hij haar. Hij liet haar op een sierpaard stijgen en eervol begeleid voerde hij haar naar huis. Daar was de bruiloft schoon en groot en het feest niet minder dan alsof hij de dochter van den koning van Frankrijk genomen had. Het scheen, dat de jonggehuwde met de kleeren ook van ziel en gewoonten veranderde. Zij was schoon van gestalte en gelaat, even voorkomend, lieftallig en welgemanierd als mooi, niet als een dochter van Giannucole en een herderin, maar van een edel heer, waarmee zij al haar kennissen verbaasde. Bovendien was zij zoo gehoorzaam en gedienstig aan den echtgenoot, dat hij zich voor den best beloonden man ter wereld hield en evenzoo was zij tegen zijn onderhoorigen zoo genadig en welwillend, dat ieder haar beminde en eerde en haar welzijn, gezondheid en voorspoed wenschte. Zij zeiden, dat Gualtieri wijs had gehandeld als weinigen en de scherpzinnigste man ter wereld was, daar niemand anders haar hooge deugd verborgen onder haar arme kleeren en haar dorpsgewoonten had bespeurd. Kortom zij wist niet slechts in haar markgraafschap maar overal weldra zoo te handelen, dat zij over haar goedheid deed spreken en het tegendeel deed beweren, indien men iets gezegd had tegen haar man, toen hij haar trouwde. Zij leefde niet lang met Gualtieri of zij werd ernstig ziek en beviel van een dochter, waarover Gualtieri zeer verheugd was. Maar kort daarop kreeg hij een nieuwe gedachte en wel om haar lijdzaamheid aan een onverdragelijke proef te onderwerpen. Hij toonde zich toornig en zeide, dat zijn vazallen zeer ontevreden waren met haar lage afkomst en zij treurig waren, dat zij een dochter had gekregen en niets deden dan mompelen. Toen de donna dit hoorde, zeide zij zonder van gelaat te veranderen of van goed voornemen bij iedere daad: Mijn heer, doe met mij, wat gij gelooft dat uw eer en vrede is, want ik zal mij met alles vergenoegen, omdat ik weet, dat ik minder ben dan zij en dat ik de rang niet waardig ben, waartoe gij mij door uw hoffelijkheid gebracht hebt. Dit antwoord was Gualtieri zeer aangenaam, omdat zij volstrekt niet trotsch was geworden, nadat hij haar gezegd had, dat zijn leenmannen haar dochter niet mochten lijden. Hij gaf aan een zijner knechten bevelen, zond haar die en deze sprak met zeer treurig gelaat: Madonna, als ik niet wil sterven, moet ik dat doen, wat mijn heer mij beveelt. Hij heeft mij bevolen uw kind te nemen en dat ik ... meer zeide hij niet. De donna begreep, dat hem bevolen was het te dooden. Zij nam het uit de wieg, kuste en zegende het, hoewel zij groot hartzeer gevoelde en zonder een spier te vertrekken legde zij het in de armen van den knecht en sprak: Zie, doe geheel, wat uw en mijn heer u heeft opgedragen, maar zorg, dat de wilde dieren en vogels het niet verslinden, of het moet u bevolen zijn. De knecht nam het meisje mee en vertelde aan Gualtieri, verwonderd over haar standvastigheid, wat de donna gezegd had. Hij zond hem naar Bologna naar een bloedverwant, die zonder ooit te zeggen, wie het meisje was, het met zorg grootbracht.

Toen werd de donna op nieuw ziek en beviel van een zoon, die Gualtieri zeer dierbaar was. Maar daar het hem niet genoeg was, wat hij gedaan had, trof hij de donna nog pijnlijker en met geveinsden toorn zeide hij haar eens: Donna, nu gij een knaap hebt gekregen, heb ik het niet met de mijnen kunnen uithouden, zoo hard verwijten zij mij, dat een kleinzoon van Giannucole na mij hun heer moet worden, zoodat ik, indien ik niet verjaagd wil worden, een andere vrouw moet nemen. De donna antwoordde lijdzaam niet anders dan: Mijnheer, bekommer u niet om mij, daar niets mij dierbaar is dan uw wil. Kort daarop zond Gualtieri op dezelfde wijze zijn zoon weg, deed ook of hij die had laten dooden, doch stuurde hem om hem op te voeden naar Bologna. De donna zweeg weer, waarover Gualtieri zich zeer verwonderde en in zich zelf beweerde hij, dat geen andere had kunnen doen als zij. En als hij niet gezien had, dat zij verzot op haar kinderen was, had hij ondersteld, dat zij om hen niet gaf, maar hij wist, dat zij gewoon was verstandig te handelen. Zijn onderhoorigen, denkend, dat hij zijn kinderen had laten ombrengen, spraken veel kwaad van hem, noemden hem wreed en hadden veel medelijden met haar. Zij zeide tot de donna’s niets meer dan, dat haar alleen hetzelfde behaagde als hun vader. Toen reeds vele jaren voorbij gegaan waren sinds de geboorte van haar dochter en het Gualtieri tijd scheen de uiterste proef te nemen met haar lijdzaamheid, zeide hij, dat hij Griselda niet meer tot vrouw wenschte, dat hij slecht en lichtzinnig had gehandeld door haar te nemen en dat hij daarom van den Paus verlof wilde erlangen voor een andere, waarover hij door vele goede mannen gelaakt werd. Hierop antwoordde hij alleen, dat het hem aanstond. Toen de donna duchtte naar het huis van haar vader terug te keeren en misschien weer de schapen te moeten hoeden en hem met een andere vrouw te zien, wien zij slechts goed had gedaan, had zij in stilte zeer groot verdriet. Maar toch gelijk zij de andere slagen van het lot verdroeg, besloot zij met strak gelaat ook dit te verduren.

Kort daarop liet Gualtieri valsche brieven van Rome komen en liet aan zijn leenmannen zien, dat de Paus hem verlof gaf een andere vrouw te nemen. Daarom riep hij haar tot zich en sprak: Vrouw, door dispensatie, mij vanwege den Paus verleend, kan ik een andere vrouw nemen; omdat mijn voorvaderen groote heeren en edellieden in deze streken waren en de uwen altijd dorpers, wil ik u niet langer tot vrouw. Keer naar het huis van Giannucole terug met uw bruidschat en dan zal ik een andere hierheen voeren. De donna, die dit niet zonder groote spanning aanhoorde, weerhield tegen de natuur der vrouwen haar tranen en sprak: Mijn heer, ik heb altijd geweten, dat mijn lage afkomst volstrekt niet met uw adel overeenstemde en wat ik met u geweest ben, erkende ik altijd door God en door u mij te zijn gegeven. Het behaagt u dit terug te nemen en dus aan mij dit terug te geven. Zie hier uw trouwring. Gij beveelt mij u de bruidschat terug te geven. Daarvoor hebt gij niet noodig mij te betalen met geld of vee, omdat ik niet vergeet, dat gij mij naakt hebt genomen. En indien gij het eerbaar oordeelt, dat dit lichaam, waarin ik uw kinderen heb gedragen, door allen gezien wordt, zal ik naakt heengaan, maar ik bid u, dat gij in ruil voor mijn maagdelijkheid, die ik hier bracht en niet meenam, mij tenminste een enkel hemd geeft buiten de bruidschat, die ik niet kan wegvoeren. Gualtieri, die meer lust had om te huilen dan in iets anders, zeide toch met hard gelaat: Gij krijgt er een. De aanwezigen baden hem, dat hij haar een gewaad gaf, opdat men niet zou zien, dat zij, meer dan dertien jaar zijn vrouw, zoo arm en zoo schandelijk zijn kasteel verliet, maar te vergeefs. De donna, die allen Gode aanbeval, keerde in een hemd, barrevoets en zonder hoofddeksel tot haar vader terug onder tranen en klachten van alle aanwezigen. Giannucole (die nooit had kunnen gelooven, dat Gualtieri zijn dochter werkelijk als vrouw hield en dit elken dag verwachtte) had de kleeren bewaard, die zij had uitgedaan op den morgen, dat Gualtieri haar trouwde. Hij ontving haar en kleedde haar weer aan. Zij wijdde zich weer aan de kleine zorgen voor zijn huis en verdroeg met sterke ziel den wreeden aanval van het vijandige lot.

Hierop berichtte Gualtieri aan de zijnen, dat hij een dochter had genomen van de graven van Panago en terwijl hij groote toebereidselen maakte voor de bruiloft, ontbood hij Griselda en zeide haar: Ik breng deze donna, die ik pas heb genomen en wil, dat zij van het begin af aan geëerd wordt. Gij weet, dat ik in huis geen vrouwen heb, die de kamers weten in te richten noch wat voor zulk een feest vereischt wordt. Daarom moet gij, die dit alles kent, dit doen. Noodig uit, wie u goeddunkt en ontvang ze, of gij hier meesteres zijt. Dan kunt gij na de bruiloft naar huis terugkeeren. Hoewel elk woord een messteek was in het hart van Griselda, die van de liefde voor hem niet zoo licht had kunnen afstand doen als van de fortuin, antwoordde zij: Mijn heer, ik ben geheel bereid. Zij ging met haar kleeren van grof en dik laken van Romagna door dat huis, waar zij kort te voren in haar hemd uit was gegaan, begon de kamers te reinigen en te ordenen, behangsels en tapijten in de zalen te brengen, de keuken in orde te maken en zich met alles bezig te houden, alsof zij een dienstmeisje was. Na aan Gualtieri te hebben medegedeeld, dat zij al de edelvrouwen uit den omtrek uitnoodigde, wachtte zij het feest af. Toen de bruiloftsdag aanbrak, ontving zij, hoewel zij zeer armelijke kleeren aan had, met een voorname geest en houding al de dames en met blij gelaat. Gualtieri had zijn kinderen met zorg te Bologna laten opvoeden bij zijn verwante, die gehuwd was in de familie der graven van Panago. Zijn dochter was al twaalf jaar oud en de schoonste, die men ooit had gezien en zijn zoon was zes jaar. Hij verzocht den verwant te Bologna met de kinderen naar Saluzzo te komen en een fraai en voornaam gezelschap mee te brengen en allen te zeggen, dat hij het meisje meebracht als zijn vrouw zonder aan iemand te openbaren, wie zij was. De edelman, die handelde gelijk de markgraaf het verlangde, ging op reis en kwam kort na het etensuur te Saluzzo, met de dochter en haar broeder en met een nobel geleide, waar hij al de boeren en vele andere buren uit den omtrek vond, die de nieuwe bruid van Gualtieri verwachtten. Toen zij door de donna’s ontvangen was en in de zaal gekomen, waar de tafels waren, trad Griselda haar blijmoedig tegemoet en sprak: Madonna, wees welkom. De edelvrouwen (die vaak, maar vergeefs, Gualtieri hadden verzocht, dat Griselda in een kamer zou blijven of dat hij haar een van haar vroegere gewaden leende, opdat zij zoo niet voor de vreemdelingen zou verschijnen) werden aan tafel gezet en bediend. Het meisje werd door iedereen bekeken en ieder zeide, dat Gualtieri een goeden ruil had gedaan, en met de anderen prees Griselda haar zeer en ook haar broeder. Gualtieri, dien het scheen, dat hij alles gezien had, wat hij van de lijdzaamheid van zijn vrouw begeerde en dat zij in ’t geheel niet door de nieuwe gebeurtenissen veranderde en zeker was, dat dit niet voortkwam uit domheid, vond het tijd haar van die bitterheid te bevrijden, welke hij meende, dat zij onder een onbewogen gelaat verborgen hield. Nadat hij haar dus had laten komen, zeide hij in aller bijzijn glimlachend: Hoe lijkt u onze bruid! Mijn heer, antwoordde Griselda, zij komt mij zeer goed voor en als zij zoo wijs is als mooi—want dat geloof ik—twijfel ik niet, dat gij met haar bepaald als de gelukkigste ridder ter wereld zult leven. Maar zoo ik kan, bid ik u, dat gij haar niet de smarten veroorzaakt als de andere, vroeger de uwe, want ik geloof, dat zij die nauwelijks kan verdragen, zoowel omdat zij een jong meisje is, als omdat zij beter en voornamer is opgevoed, terwijl de andere van jongs af voortdurend hard moest werken. Gualtieri, die zag, dat zij die bepaald zijn vrouw waande en toch niet ongunstiger sprak, zette haar naast zich en zeide: Griselda, het is thans tijd, dat gij de vruchten plukt van uw langdurige lijdzaamheid en dat zij, die mij vroeger wreed en onrechtvaardig en dom hebben genoemd, weten, dat ik dit deed met een voorop gezet doel. Ik wilde u leeren vrouw te zijn en hun de hunne leeren kiezen en te behouden en mij een voortdurende rust veroveren voor geheel mijn leven. Ik was hier, toen ik u tot vrouw nam, zeer bang en om er de proef van te nemen, heb ik u op zooveel manieren geschokt en gekwetst. Daar ik gezien heb, dat gij u in woord en daad nooit tegen mijn wil hebt verzet, en het mij voorkwam, dat ik van u zou hebben, wat ik verlangde, wil ik u in een één uur teruggeven, wat ik u in velen ontnomen heb en ik zal met de hoogste vreugde de veroorzaakte wonden herstellen. Neem daarom haar met blij gemoed, die gij mijn vrouw waant en haar broeder als uw en mijn kinderen weer aan. Zij zijn het, van wie gij en vele anderen lang meenden, dat ik ze wreed liet vermoorden en ik ben uw echtgenoot, die u boven alles bemin en die gelooft zich er op te kunnen beroemen, dat er geen is, die zoo met zijn vrouw tevreden kan zijn. Toen omhelsde en kuste hij haar en hij stond op met haar, die schreide van vreugde en zij gingen samen naar de dochter, die toen geheel overbluft zat, en toen zij haar en ook den broeder innig had omhelsd, waren zij en de vele andere aanwezigen bevrijd van hun waan. De donna’s, zeer verheugd van de tafels opgestaan, gingen met Griselda in de kamer, ontdeden haar onder de beste voorteekens van de grove dracht, kleedden haar opnieuw en leidden haar als edelvrouw, wat zij zelfs onder haar lompen scheen, naar de zaal. Daar maakte men met de kinderen een wonderbaar feest, daar ieder er vroolijk over was en vermeerderde men de blijdschap en de feestelijkheid en verlengde die vele dagen en noemden zij Gualtieri zeer wijs, hoewel zij de proeven met zijn donna genomen voor al te wreed en ondragelijk hielden en bovenal vonden zij Griselda zeer verstandig. De graaf van Panago kwam na eenige dagen van Bologna terug en Gualtieri, die Giannucole uit zijn werk had gehaald, behandelde hem als zijn schoonvader, zoodat hij met eere en zeer gelukkig voortaan op zijn ouden dag leefde. Gualtieri, die zijn dochter voornaam uithuwde, leefde lang en gelukkig met Griselda en eerde haar steeds, zooveel hij kon.

Wat kan men hier anders zeggen dan, dat engelengeesten in armelijke harten afdalen, gelijk men in de koninklijke paleizen er vindt, die eerder waard zijn zwijnen te hoeden dan adelsrechten uit te oefenen over de menschen? Wie anders dan Griselda zou met een niet alleen strak maar blij gelaat de harde en ongehoorde proeven hebben verduurd van Gualtieri? Het zou voor hem misschien niet kwaad zijn geweest, als hij er eene getroffen had, die, nadat hij deze in haar hemd uit het huis had gejaagd, zich door een ander de peluw had laten schudden om er slechts een mooi gewaad voor te krijgen.

Het verhaal van Dioneo was uit en de donna’s, zeer verschillend van meening, prezen en laakten. De koning, met het gelaat ten hemel, ziende, dat de zon al laag was op het uur van den vesper zonder zich van zijn zetel te verheffen begon aldus te spreken: Schoone donna’s. Naar ik geloof, weet gij, dat het verstand der stervelingen niet alleen daarin bestaat de vroegere dingen in het geheugen te bewaren en het tegenwoordige te begrijpen, maar door beide de toekomstigen te kunnen voorzien, waarvoor groote mannen befaamd waren. Het zal morgen veertien dagen zijn, dat wij uit Florence gingen om ons te vermaken tot behoud van onze gezondheid en ons leven en tot de verslagenheid en de smarten en de angsten, door de pest in onze stad, weken. Dit hebben wij naar mijn oordeel eerbaar gedaan. Daarom, als ik wel heb gezien, hoezeer de histories vroolijk waren en misschien tot den bijslaap aantrekken, ook het voortdurend eten en drinken en het spelen en zingen, alles dingen, die zwakke zielen tot minder eerlijke dingen leiden, heeft men geen daad, geen woord, niets van uwe of onze zijde kunnen laken. Voortdurende eerbaarheid, eendracht en broederlijke welwillendheid heb ik hier gekend, wat zeker u tot eer en nut en mij zeer aangenaam is. Maar opdat er uit een al te lange gewoonte geen verveling ontstaat en opdat een al te lang verblijf niet tot twist leidt en daar ieder gedurende zijn dag dat deel van de eer heeft gehad, dat ik nog geniet, oordeel ik, wanneer het u mocht behagen, dat het goed zou zijn terug te keeren. Anders, indien gij er wel over denkt, zou ons gezelschap, reeds bij vele anderen in den omtrek bekend, zich zoo kunnen vermeerderen, dat al ons genoegen zou ophouden en als gij mijn raad goedkeurt, zal ik mijn kroon tot ons vertrek bewaren, wat ik morgen wensch te doen. Als gij er anders over denkt, ben ik al gereed te kiezen, wie ik voor den volgenden dag moet kronen.

De redeneeringen tusschen de donna’s en de jongelieden waren velen, maar ten slotte beschouwden zij den raad des konings als nuttig en rechtmatig en zij besloten aldus te doen. Zij lieten dus den hofmeester roepen en men sprak met hem af, hoe men den volgenden morgen zou handelen. Nadat het gezelschap vrijaf had gekregen tot het uur van het avondmaal, stond men op. De donna’s en de anderen gaven zich als steeds, deze aan dit, gene aan dat vermaak over. Op het uur van het avondmaal zaten zij met het grootste genoegen aan en daarna begonnen zij te zingen, te spelen en te dansen. En terwijl Lauretta een dans leidde, beval de koning aan Fiammetta een lied te zingen, dat zij zeer bekoorlijk begon:

Indien Amor zonder ijverzucht zou komen Weet ik niet, of er één donna ter wereld zou wezen Meer verheugd dan ik.

Indien blijde jeugd Met een schoonen minnaar een donna gelukkig maken moet Of waarde van deugd Of moed of dapperheid, Verstand, fraaie manieren of sierlijke taal Of volmaakte bekoorlijkheden Ben ik die, zeker want tot mijn heil Verliefd zag ik Die allen in hem, die mijn hoop is.

Maar omdat ik bemerk, Dat andere donna’s even wijs zijn als ik, Beef ik van angst En vrees ik voor erger. Want ik zie bij de anderen dezelfde begeerte, Die mij de ziel ontneemt; En wat mij het hoogste geluk is, Maakt mij troosteloos, Doet mij diep zuchten en ellendig leven.

Als ik zoo vertrouwde In mijn heer als ik zijn waarde besef, Zou ik niet jaloersch zijn; Maar men ziet er zooveel, Wie het ook zij—die den minnaar verlokken, Dat ik ze allen voor schuldig houd. Dit bedroeft mij en ik zou gaarne sterven, En van elk, die hij aanziet, Vermoed ik en vrees ik, dat zij hem meesleept.

Bij God, dat elke donna Gewaarschuwd zij, dat zij niet overlegt Mij hiermee te grieven Want als er een zou wezen, Die met woorden of teekens of liefkoozingen Mij hierin zou schaden, Of die veroorzaken en ik het zou weten Zou ik misvormd willen worden, Als ik haar niet bitter die dwaasheid deed beweenen.

Toen Fiammetta haar zang had geëindigd, sprak Dioneo lachend aan haar zijde: Madonna, het zou een groote beleefdheid zijn Uw minnaar aan al de donna’s te doen kennen, opdat men niet door onwetendheid U zijn bezit ontrooft, daar gij er toornig om zoudt kunnen worden. Vervolgens zongen vele anderen hierover en toen het haast middernacht was, gingen allen, naar het den koning behaagde, rusten. En toen de nieuwe dag verscheen en de hofmeester al het noodige reeds vooruit had gestuurd, stonden zij op en gingen onder de leiding van den verstandigen koning op weg naar Florence. Nadat de drie jongelieden de zeven donna’s in de Santa Maria Novella hadden achtergelaten, de kerk, waaruit zij met hen waren vertrokken en zij van hen verlof hadden gekregen, gaven zij zich aan hun andere genoegens over. Wat de donna’s betreft, die gingen, toen het hun tijd scheen naar huis.

BESLUIT VAN DEN SCHRIJVER.

Zeer edele donna’s, voor wier genoegen ik mij zulk een langdurigen arbeid heb opgelegd, ik geloof, bijgestaan door de goddelijke Genade—verkregen, naar ik denk, door uw vrome gebeden en niet door mijn verdiensten—geheel dat te hebben verricht, wat ik in het begin van dit werk beloofd heb, waarop ik na eerst God en dan u te hebben bedankt mijn veder en mijn hand rust moet geven. Maar voordat ik hun die schenk, wil ik eerst eenige dingen beantwoorden, welke misschien eenigen onder u of anderen, bewogen door geheime drijfveeren zouden kunnen zeggen, hoewel het mij schijnt, dat deze verhalen niet meer voorrecht moeten hebben dan anderen, wat ik mij ook herinner aangetoond te hebben bij het begin van den Vierden Dag.

Er zouden er onder u toevallig kunnen zijn, die zullen zeggen, dat ik bij het schrijven al te vrij ben geweest, bijvoorbeeld waar ik aan de donna’s dingen laat zeggen en zeer vaak hooren, die voor eerbare dames niet welvoegelijk zijn. Dit ontken ik, omdat er niets oneerbaars in is, waarover niet elk kan spreken in fatsoenlijke termen. Maar laten wij voorop stellen, dat het zoo is—ik wil dit niet met u bespreken, want gij zoudt mij verslaan—dan zeg ik om te verklaren, waardoor ik zoo gehandeld heb, dat er veel aanleiding toe was. Ten eerste, indien er zich iets van dien aard in bevindt, heeft de soort der verhalen het vereischt en ieder, die met onpartijdig oog dit beschouwt, zal klaar inzien, dat zij niet anders zijn te vertellen, zonder dat ik hun vorm veranderde. En indien er misschien een stukje in dezen is, een woord misschien vrijer dan aan huichelaarsters past, die de woorden zwaarder wegen dan de daden en die meer goed trachten te schijnen dan het te zijn, moet men minder mij het recht ontzeggen ze te schrijven dan te verbieden aan heeren en dames te zeggen: gat en pen, stamper en vijzel, saucijs en metworst en al zulke dingen meer. Buitendien moet aan mijn veder evenveel gezag worden toegestaan als aan het penseel van den schilder, die zonder eenig verwijt en terecht—daargelaten, dat hij Sint Michaël de slang doet treffen met den degen of lans en Sint George den draak, naar het hem bevalt—Christus mannelijk en Eva vrouwelijk voorstelt en dan eens met een, dan eens met twee spijkers Hem zelf aan het kruis nagelt, waaraan Hij voor het heil der Menschheid wilde sterven. Behalve dat kan men er in den Bijbel vinden, waarin van die dingen met zeer reine taal en ziel moet worden gesproken, en velen nog anders staan dan in mijn werk. Ook worden zij niet verteld in de scholen der wijsgeeren, waar de eerbaarheid niet minder dan elders vereischt wordt, noch waar ook onder geestelijken of denkers maar in tuinen bij wijze van verstrooiïng onder jongelieden, hoewel reeds rijp en niet gemakkelijk van keus voor verhalen, in een tijd, waarin het aan de eerbaarsten geoorloofd was met de broek op het hoofd te loopen om hun leven te redden.