De Decamerone van Boccaccio

Chapter 64

Chapter 643,128 wordsPublic domain

Het was al nacht en hij nuchter, zonder geld, en zonder te weten, waarheen te gaan, bovenal verlangend te sterven kwam op een zeer eenzame plaats, waar hij een groote grot zag. Hij ging er in om te slapen; op den naakten bodem en slecht gekleed, sluimerde hij in, overwonnen door de langdurige smart. Hierheen kwamen ’s morgens twee mannen, die op roof waren uitgegaan met hun buit. Er ontstond twist en de een doodde den ander en ging weg. Gisippos zag dit en vond hierin een middel tot zelfmoord. Hij bleef zoolang tot de politiemannen, die het feit al hadden vernomen, er kwamen en Gisippos woedend meenamen. Na een verhoor bekende hij het te hebben gedaan. Daarom werd door den praetor Marcus Varro bevolen, dat hij aan het kruis zou sterven, gelijk toen gewoonte was. Toevallig kwam Titus toen in het praetorium, die den ongelukkigen veroordeelde zag en de reden van het vonnis hoorde, hem herkende en zich verbaasde over zijn rampspoed en zijn komst aldaar. Hij verlangde zeer hem te helpen en zag er niets anders op dan zich zelf te beschuldigen, drong naar voren en riep: Marcus Varro, roep den armen man terug, dien gij veroordeeld hebt, want hij is onschuldig. Ik heb met genoeg schuld de Goden beleedigd door dengeen te vermoorden, die uw wachters vanmorgen vonden, dat ik ze nu niet met den dood van een onschuldige wil tarten. Varro verwonderde zich en betreurde het, dat het geheele praetorium het gehoord had en daar hij zich niet met eere aan de wetten kon onttrekken, liet hij Gisippos terugkeeren en sprak tot hem: Hoe waart gij zoo dwaas zonder door de pijnbank te zijn gedwongen te bekennen, wat gij nooit hebt gedaan en wat u het leven zou kosten? En nu komt deze man hier en zegt, dat hij het bedreef? Gisippos zag, dat dit Titus was en begreep wel, dat die het tot zijn redding had gedaan, dankbaar voor den hem bewezen dienst. Daarom zeide hij schreiend van aandoening: Varro, ik heb hem werkelijk gedood en het medelijden van Titus komt te laat om mij te redden. Titus van zijn kant sprak: Praetor, gelijk gij ziet, dit is een vreemde, die zonder wapens naast den doode aangetroffen werd en gij kunt zien, hoe zijn ellende hem reden geeft te willen sterven. Laat hem daarom vrij en straf mij, die het verdiend heb. Varro verwonderde zich over de standvastigheid van die twee en vermoedde al hun beider onschuld en toen hij dacht aan een middel tot vrijspraak, kwam daar een verloopen jonkman, Publius Ambustus, een bij alle Romeinen bekende dief, die het werkelijk gedaan had en wist, dat geen van beide schuldig was en hij werd daardoor zoo bewogen, dat hij voor Varro trad en zeide: Praetor, mijn misdaden voeren mij er toe dit pijnlijke vraagstuk op te lossen. Jupiter drijft mij aan om mijn misdaad te openbaren. Weet dan, dat geen van beide schuldig is. Ik ben werkelijk degeen, die gisteren bij den dageraad dien man doodde en dezen ongelukkige zag ik daar dóórslapen, terwijl ik den gemaakten buit deelde met hem, dien ik vermoordde. Het is niet noodig, dat ik Titus vrijspreek; zijn goede naam is overal bekend genoeg en ontlast hem voor mij van de straf, die de wetten opleggen.

Reeds had Octavianus dit gehoord en hij liet alle drie bij zich komen. Hij liet de twee als onschuldig en de derde om hunnentwil vrij. Titus gaf Gisippos de hand en laakte hem zeer over zijn verlegenheid en zijn wantrouwen, betuigde hem groote vreugde en leidde hem naar huis, waar Sophronia met tranen van ontroering hem als een broeder ontving. Nadat hij wat hersteld was en verkleed en terug gekeerd in de dracht passend bij zijn deugd en adel, deelde hij met hem eerst elken rijkdom en bezitting en gaf hem daarna een jonge zuster Fulvia tot vrouw en sprak vervolgens: Gisippos, gij kunt naar verkiezing altijd bij mij blijven of met al het geschonkene naar Griekenland terugkeeren. Gisippos gedwongen aan den eenen kant door de ballingschap en aan den anderen door de vriendschap voor Titus, besloot Romein te worden. Sinds leefde hij langen tijd met zijn Fulvia en Titus met zijn Sophronia steeds in één huis gelukkig en werden zij zoo mogelijk nog meer bevriend. De vriendschap is dus een zeer heilige zaak en niet alleen bijzondere eerbied waard, maar eeuwige lof als de zeer wijze moeder van de grootmoedigheid en de eerbaarheid, als de zuster van de dankbaarheid en de weldadigheid, en de vijandin van haat en gierigheid, altijd zonder verzoek bereid voor anderen goed te handelen als voor zich zelf. Haar goddelijken invloed ziet men thans weinig bij twee menschen door de ellendige hebzucht en tot schande der stervelingen, die alleen op eigen belang lettend haar buiten de uiterste einden der aarde tot eeuwige ballingschap hebben gedoemd. Welke liefde, welke rijkdom, welke verwantschap dan deze zou de kracht hebben gehad de tranen en de zuchten van Titus zoo aan Gisippos te doen gevoelen, dat hij daarvoor zijn schoone en door hem beminde vrouw die van Titus liet worden? Welke wetten, bedreigingen, vrees hadden de jeugdige armen van Gisippos op eenzame en donkere plaatsen, in zijn eigen bed kunnen terughouden van de omhelzingen van het mooie meisje, misschien vaak daartoe uitnoodigend dan alleen deze? Welke grootheden, waardigheden, voordeden zouden Gisippos er toe gebracht hebben er niet om te geven zijn ouders en die van Sophronia te verliezen, onverschillig te zijn voor de schandelijke praatjes van het gepeupel zich niet te bekommeren om spot en hoon om den vriend te bevredigen dan alleen deze? En van den anderen kant: wie zou Titus zonder eenig overleg (daar hij met eere doen kon of hij niets zag) geheel bereid hebben gemaakt zich zelf den dood aan te doen om Gisippos van het kruis te halen, wat hij zich zelf oplaadde, dan deze? Wie zou Titus zonder eenige aarzeling zich hebben doen beijveren zijn zuster aan Gisippos af te staan, die hij zeer arm en in de uiterste ellende zag dan deze? Laten de menschen dus maar een menigte bloedverwanten, veel broeders en kinderen verlangen en met hun geld hun dienaren vermeerderen en er niet op letten, hoe elk van dezen bij het minste eigen gevaar meer vrees hebben dan ijver bij groote onheilen van vader, broeder of heer om die te beschermen, terwijl men juist het tegengestelde ziet bij een vriend.

NEGENDE VERTELLING.

Saladin vermomd als koopman wordt ontvangen door messer Torello, die een Kruistocht medemaakt. Messer Torello stelt voor zijn vrouw een termijn om weer te mogen huwen. Hij wordt gevangen genomen en door den Sultan opgemerkt als valkenier. De Sultan herkent hem en wordt herkend en ontvangt hem zeer goed. Messer Torello wordt ziek en wordt door tooverkunst in één nacht naar Pavia overgebracht op de bruiloft, welke men voor zijn hertrouwde vrouw maakte, door haar herkend en keert met haar naar huis terug.

Fiametta eindigde en de grootmoedige dankbaarheid van Titus werd door allen gelijkelijk geprezen, toen de koning de laatste vertelling bewarend voor Dioneo aldus begon te spreken: Begeerenswaardige donna’s. Filomena sprak over de vriendschap de waarheid en met recht beklaagde zij zich aan het einde, dat die zoo weinig door de stervelingen gewaardeerd wordt. En als wij hier waren om de gebreken der wereld te verbeteren of toch ze te laken, zou ik met langer gesprek haar woorden vervolgen, maar omdat ons doel een ander is, viel het mij in u met een vrij lange geschiedenis, maar toch aardig, een grootmoedigheid van Saladin te verhalen, opdat gij daaruit zult hooren, dat, zoo men niet de gansche vriendschap van iemand door onze ondeugden kan winnen, men althans er genoegen in kan hebben een dienst te bewijzen, hopend, dat—hoe ook—daaruit een belooning volgen zal.

Ten tijde van keizer Frederik den Eerste ondernam men een algemeenen kruistocht om het Heilige Land te veroveren. Saladin, een zeer waardig heerscher en toen Sultan van Babylon [191], die daar al van te voren iets van hoorde, nam zich voor zelf de toebereidselen er van te aanschouwen om beter gereed te staan. Hij regelde al zijn zaken in Egypte, gaf voor een pelgrimstocht te doen en begaf zich met twee van zijn grootste en wijste mannen en slechts drie dienaren als koopman vermomd op weg. Zij zwierven door vele christelijke landen en door Lombardije rijdend om de bergen over te gaan, ontmoetten zij op weg van Milaan naar Pavia een edelman, messer Torello d’Istria van Pavia, die met zijn knechten, honden en valken zich naar zijn landgoed begaf aan den Tessino. Zoodra Torello ze zag, begreep hij, dat zij edellieden en vreemden waren en wenschte hij ze te onthalen. Toen Saladin aan een van zijn dienaren vroeg, hoever Pavia nog af was en of hij er bijtijds kon binnenkomen, liet Torello den knecht niet antwoorden, maar hij zelf sprak: Heeren, gij kunt Pavia niet bijtijds binnentreden. Dan, vroeg Saladin, behage het u ons te wijzen, waar wij het best verblijven, omdat wij vreemdelingen zijn. Torello sprak: Dat zal ik gaarne doen; ik was juist op het punt een der mijnen in de buurt van Pavia te sturen. Ik zal hem u meegeven en hij zal u leiden naar een plaats, waar gij zeer goed kunt verblijven. Hij gelastte de verstandigste van zijn onderhoorigen, wat hij te doen had en zond hem met dezen weg. Hij ging naar zijn landgoed en liet snel een goed avondmaal gereed maken en de tafels in zijn tuin zetten en daarna wachtte hij ze aan de deur. De knecht sprak met de edellieden over verschillende dingen en voerde ze langs bepaalde wegen om naar het landgoed van zijn heer, zonder dat zij het merkten. Toen Torello hen zag, ging hij ze te voet tegemoet en sprak lachend: Heeren, wees allen welkom. Saladin, die zeer hoffelijk was, bemerkte, dat deze ridder er aan twijfelde, dat hij de uitnoodiging niet zou hebben aangenomen, als hij dit gedaan had, toen hij hem op weg aantrof, en hij ze met overleg naar zijn huis geleid had, opdat ze niet konden weigeren den avond met hem door te brengen en den groet beantwoordend, sprak hij: Messer, indien men zich kon beklagen over de hoffelijkheid van de menschen, moesten wij het over u doen, die, daargelaten, dat gij ons belet hebt onzen weg te vervolgen, ons gedwongen hebt, en die, terwijl uw welwillendheid voor ons slechts een groet waard was, zoo hoffelijk waart. De wijze en welsprekende ridder antwoordde: Heeren, wat gij van ons ontvangt, zal bij hetgeen voor u passen zou, naar uw uiterlijk te oordeelen, een povere ontvangst worden, maar werkelijk buiten Pavia zoudt gij het nergens goed treffen en daarom moge het u niet hinderen, dat gij wat zijt omgeloopen om wat meer geriefelijkheid te hebben.

Zoo sprekend hadden zijn bedienden de reizigers omringd, die afgestegen waren en voerden de paarden weg en Torello leidde de drie edellieden naar hun kamer, waar hij ze de laarzen liet uittrekken en verfrisschen met zeer jongen wijn. Hij hield ze in aangename gesprekken tot het maal. Saladin en zijn metgezellen en alle bedienden kenden Latijn, zoodat ze elkaar zeer goed verstonden en het scheen aan hun allen, dat die ridder de aardigste en beleefdste man was en beter praatte dan wie ze ook kenden. Messer Torello schenen zij edele mannen en veel meer dan hij eerst had gedacht, waarom hij het in stilte betreurde, dat hij ze niet met gezelschap en een statiger gastmaal dien avond kon onthalen. Daarom wilde hij dit den volgenden morgen herstellen en na een van zijn bedienden gezegd te hebben, wat hij doen wilde, zond hij hem naar zijn vrouw, die zeer verstandig en grootmoedig was, te Pavia, bij wie men de poorten nooit sloot. Daarna leidde hij de edellieden in den tuin en vroeg ze hoffelijk, wie zij waren. Saladin antwoordde: Wij zijn cyprische kooplieden en gaan voor onze zaken naar Parijs. Torello ging voort: Mocht het God behagen, dat onze streek zulke edellieden voortbracht, als Cyprus kooplieden oplevert. En toen men hierna over meer had gesproken, werd het tijd om te avondmalen. Hij noodigde ze uit het maal eer aan te doen. Toen de tafel was opgeheven, zag Torello spoedig, dat zij moede waren en liet ze in zeer schoone bedden slapen.

De knecht deed de boodschap te Pavia aan de donna, die niet met vrouwelijke maar met koninklijke ziel dadelijk een groot aantal vrienden en dienaren van Torello liet roepen, alles voor een grootsch gastmaal liet gereed maken en bij toortslicht vele der edelste burgers liet uitnoodigen. Ze liet lakens halen en zijden stoffen en eekhoren-vellen en daarmee alles opsieren. Bij den dageraad stonden de edellieden op, waarna Torello te paard steeg. Hij liet zijn valken komen, leidde ze naar een naburig moeras en liet hun zien, hoe ze vlogen. Maar toen Saladin iemand verlangde, die hem naar Pavia en naar de beste herberg zou leiden, zeide Torello: Dat doe ik, daar ik er heen moet. Zij waren daarmee tevreden en gingen tegelijk met hem op reis en toen het al drie uur was en zij bij de stad waren gekomen en meenden, dat zij naar de beste herberg waren gegaan, bereikten zij het huis van Torello, waar wel vijftig van de edelste burgers waren om de ridders te ontvangen, die dadelijk hun toomen en paarden omringden. Saladin en zijn gezellen begrepen al te wel, wat dit beteekende en zeiden: Messer Torello, dat hebben wij niet gevraagd; gij hebt den vorigen nacht genoeg gedaan en meer dan wij verlangden. Hij antwoordde: Heeren, wat gisteravond gedaan werd, weet ik, is meer te danken aan het toeval dan aan u, zoodat gij noodzakelijk in mijn klein buiten moest komen. Wat dat van morgen betreft, ben ik aan u verplicht en met mij al die edele burgers, die u omringen, aan wien gij, als het u beleefd schijnt, kunt weigeren met u te ontbijten.

Saladin en zijn metgezellen werden overreed, stegen af en werden door de edellieden ontvangen, en naar de kamers geleid, die zeer rijk voor hen waren versierd. Nadat zij hun reisgewaad hadden afgelegd en zich wat hadden verfrischt, kwamen zij in de zaal, waar alles prachtig gereed was gemaakt.

Toen het water voor de handen was aangereikt en men zich aan tafel had gezet, werden zij rijkelijk met vele spijzen bediend, zoodat, als de keizer er gekomen was, men hem niet meer eer had kunnen bewijzen. En hoewel Saladin en zijn metgezellen groote heeren waren en gewoon groote dingen te zien, verwonderden zij zich toch zeer en het scheen hun des te fraaier, daar zij wisten, dat de ridder een burger was en geen vorst. Toen men na den eten over andere dingen wat gesproken had, gingen de edellieden van Pavia, daar het zeer warm was, naar Torello’s wensch wat rusten en hij bleef met hun drieën achter en trad met hen in een kamer, opdat alles wat hem dierbaar was, door hen gezien werd en liet daarom zijn waardige vrouw roepen. Deze groot en schoon van gestalte en rijk gekleed trad tusschen haar twee zoontjes, die engeltjes geleken, op hen toe en groette ze bekoorlijk. Zij stonden op en ontvingen haar met eerbied en na haar tusschen zich geplaatst te hebben vleiden zij haar zeer met haar twee zoontjes. Maar toen zij met hen een aangenaam gesprek had aangeknoopt en Torello een oogenblik was heengegaan, vroeg zij lieftallig, waar zij vandaan kwamen en heengingen. Zij antwoordden daarop als aan Torello. Toen sprak de donna met blij gelaat: Nu zie ik, dat vrouwelijk doorzicht nuttig kan zijn en daarom bid ik u, dat gij mij de bijzondere gunst bewijst deze kleine gift niet te weigeren noch dit kwalijk te nemen, dat ik die liet komen, maar omdat de donna’s naar hun kleinen geest kleine geschenken geven moet gij hierbij meer letten op de goede gezindheid dan op de hoeveelheid. Zij liet voor hen twee paar gewaden komen, het een geborduurd met zijde en het andere met eekhoornvel niet passend voor burgers of kooplieden maar voor ridders en drie rokken van taf en linnen en zeide: Neem die, ik heb u gekleed met de gewaden van mijn heer. Wanneer gij er acht op geeft, dat gij ver van uw vrouwen zijt en op de lengte van de gemaakte reis en op die, welke gij nog maken moet en dat de kooplieden zindelijke en gemakzuchtige menschen zijn, zullen zij u van nut wezen, hoewel ze weinig waarde hebben.

De edellieden verwonderden zich en bemerkten, dat Torello in geen enkel opzicht zijn hoffelijkheid jegens hen wilde verwaarloozen en zij twijfelden er aan, terwijl zij de voornaamheid van de koopvrouw zagen, dat Torello hen niet kende. Maar toch antwoordde een van hen: Madonna, dat zijn prachtige kleederen en dat is niet licht aan te nemen, indien uw beden er ons niet toe dwongen. Daarna keerde messer Torello terug en de donna beval ze Gode aan en vertrok en liet hun bedienden ook van dergelijke gewaden voorzien. Torello verzocht hen met veel aandrang, dat zij dien ganschen dag bij hem bleven. Daarom na te hebben geslapen en in hun gewaden gekleed gingen zij met hem wat door de stad rijden en toen het uur van het avondmaal gekomen was, aten zij met voorname dischgenooten zeer overvloedig. Toen het tijd was, gingen zij rusten en bij dageraad stonden zij op en vonden in plaats van hun vermoeide knollen drie zware en goede ridderpaarden en ook nieuwe en sterke dieren voor hun knechten. Saladin keerde zich hierbij tot zijn metgezellen en sprak: Ik zweer bij Allah, dat ik nooit een beschaafder, hoffelijker en voorkomender man gezien heb als deze en als de christelijke koningen zoo vorstelijk zijn als deze ridderlijk is, zal de sultan van Babylon niet hoeven te verwachten, dat een hunner, nog minder zoovelen als er zijn, hem zullen aanvallen om niet te spreken van hen, die zich gereed maken. Maar wetend, dat hij tevergeefs zijn geschenken zou weigeren, bedankten zij daarvoor zeer beleefd en stegen te paard. Messer Torello begeleidde hen een heel eind en hoezeer het scheiden van Torello Saladin moeite kostte, zooveel vriendschap had hij voor hem opgevat, toch gedwongen voort te gaan, verzocht die hem terug te keeren. Deze, hoe hard het hem ook viel te scheiden, zeide: Heeren, ik wil het doen, omdat het u behaagt, maar dit zeg ik u: ik weet niet, wie gij zijt, noch wil ik er meer van weten, dan gij verkiest; maar wie gij ook zijt, gij zult mij geen oogenblik doen gelooven, dat gij kooplieden zijt en ik beveel u Gode aan. Saladin, die reeds van alle bedienden van Torello afscheid had genomen, antwoordde hem: Messer, het zal nog kunnen voorkomen, dat wij u onze koopwaar kunnen toonen, waardoor wij uw geloof zullen bevestigen en ga met God.