Chapter 63
Na eenige maanden waren de vrienden en verwanten van Gisippos bij hem, spoorden hem met Titus aan een vrouw te nemen en vonden voor hem een meisje van wonderbare schoonheid en van zeer edele ouders en burgeres van Athene, Sophronia, misschien vijftien jaar oud. Toen de tijd van de bruiloft naderde, verzocht Gisippos eens Titus om haar te komen zien, wat nog niet was geschied. Toen zij in haar huis waren en zij tusschen beide in zat, beschouwde Titus de schoonheid van de vrouw van zijn vriend zeer aandachtig en daar zij hem uitermate behaagde, werd hij, zonder het aan iemand te toonen zoo verliefd als ooit een minnaar ontgloeide voor een donna. Maar toen zij eenigen tijd samen waren geweest, vertrokken zij en gingen naar huis terug. Hier dacht Titus aan het bekoorlijke meisje en ontvlamde hoe langer hoe meer. Toen hij dit merkte, sprak hij voor zich na vele heete zuchten: Ach, uw ellendig leven, Titus! Waar en in wat stelt gij uw liefde en uw hoop? Of weet gij niet zoowel door de gastvrijheid van Cremetes en zijn huisgenooten als door de groote vriendschap tusschen u en Gisippos, wiens vrouw zij is, dat gij dit meisje moet eerbiedigen als een zuster? Wie bemint gij dan? Waartoe laat gij u vervoeren met uw bedriegelijke liefde? Waarheen met valsche hoop? Open de oogen des geestes en ken, o ellendige, u zelf; geef plaats aan de rede, beteugel de begeerte tot bijslaap, matig de ongezonde verlangens en richt uw gedachten op iets anders. Weersta van af het begin uw lust en overwin u zelf, terwijl gij den tijd hebt. Wat gij wilt, past niet; dat is niet eerlijk en zelfs wanneer gij zeker zijt te slagen in wat gij doen wilt (wat gij niet zijt), moet gij het vermijden en acht geven op wat de ware vriendschap van u eischt. Wat wilt gij dus doen, Titus? Laat de onpassende liefde varen, indien gij behoorlijk wilt handelen. En toen aan Sophronia denkend, tot het tegengestelde gezind, veroordeelde hij al het gesprokene en zeide: De wetten der liefde zijn van meer kracht dan alle anderen; zij breken niet slechts die der vriendschap maar zelfs de goddelijke. Hoeveel keeren heeft reeds de vader de dochter bemind, de broer de zuster, de schoonmoeder haar schoonzoon! Die dingen veel monsterachtiger dan dat de eene vriend de vrouw van den ander lief heeft, hadden al duizend maal plaats. Bovendien ben ik een jonkman en vooral de jeugd is onderworpen aan de liefdewetten. Wie dus aan Amor behaagt, bevalt mij. De eerbaarder dingen passen rijpere mannen; ik kan niets anders willen dan Amor. Haar schoonheid verdient door iedereen bemind te worden en indien ik het doe, die jong ben, wie zal mij dit terecht kunnen verwijten? Ik heb haar niet lief, omdat zij van Gisippos is, maar ik bemin haar zelfs, die ik, al behoorde zij aan wie ook, zou beminnen. Hier zondigt de fortuin, die haar eerder aan mijn vriend Gisippos heeft gegeven dan aan mij, en als zij bemind moet worden (wat zij door haar schoonheid verdient) moet Gisippos eerder tevreden zijn, als hij het weet, dat ik haar lief heb dan een ander. En op die wijze zichzelf bespottend, naar het tegengestelde en van het een naar het ander draaiend, bracht hij niet alleen dien dag maar ook den volgenden nacht door zoo, dat hij eet- en slaaplust had verloren en uit zwakte gedwongen was te gaan liggen.
Gisippos, die hem meermalen vol gedachten en nu ziek zag, treurde daarover zeer en zonder een oogenblik van hem vandaan te gaan, deed hij zijn best hem te sterken en vroeg hem vaak en met aandrang de oorzaak van zijn gedachten en zijn ziekte. Maar nadat Titus hem meermalen met verzinsels had geantwoord en Gisippos dit had bemerkt, voelde hij zich toch gedwongen en antwoordde hem met klachten en zuchten aldus: Gisippos, als het aan de goden behaagd had, zou het mij aangenamer wezen dood te zijn dan te leven, als ik bedenk, dat het noodlot mij gebracht heeft tot een uiterste, waarin ik mijn deugd moest bewijzen en mij tot mijn groote schaamte overwonnen zie. Maar zeker verwacht ik spoedig het loon, dat ik verdien: den dood, die mij liever zal zijn dan het leven door de herinnering aan mijn lafheid, omdat ik aan u niet kan noch mag verbergen, wat ik u niet zonder groote schaamte openbaren zal. Hij bekende alles en beweerde, dat hij wetend, hoezeer hem dit niet paste, tot straf had willen sterven en geloofde, dat het spoedig zou gebeuren. Gisippos, die zijn tranen zag, bleef eenigen tijd in zich zelf gekeerd, alsof hij gelijk deze door de schoonheid van het jonge meisje maar kalmer bevangen was. Doch dadelijk bedacht hij, dat het leven van zijn vriend hem dierbaarder moest zijn dan Sophronia. Hij antwoordde, tot schreiens toe bewogen: Titus, indien gij niet zooveel behoefte hadt aan versterking, zou ik mij bij u over u zelf beklagen, daar gij onze vriendschap geschonden hebt door dien zeer ernstigen hartstocht zoo lang voor mij verborgen te houden. Want hoewel u die oneerbaar schijnt, moet men dien evenmin als de eerbare zaken voor een vriend verbergen, omdat wie behagen schept in de eerbare daden van een vriend, zijn best doet hem af te houden van de schandelijke, maar wij zullen dit nu laten varen en ik wil komen tot wat ik moet weten. Indien gij vurig Sophronia bemint, verwondert dit mij niet, omdat ik haar schoonheid en uw zielenadel ken, een feit, dat te meer een hartstocht kweekt, naarmate het voorwerp er van door meerdere uitnemendheid behaagt. Hoe meer gij Sophronia werkelijk bemint, des te meer beklaagt gij u ten onrechte over het noodlot, al uit gij u daar niet over, dat het haar mij heeft afgestaan. Want het schijnt u, dat gij haar eerbaar zoudt beminnen, als zij aan een ander had behoord. Maar indien gij verstandig zijt als gewoonlijk: aan wien zou de fortuin haar beter kunnen afstaan, opdat gij er haar dankbaar voor zoudt zijn? Wie het ook geweest ware, zou, hoe eerbaar uw liefde ook is, haar meer voor zich zelf hebben lief gehad dan voor u, wat gij van mij niet behoeft te vreezen. Alles heb ik u toevertrouwd; stond het er zoo mee, dat het niet anders kon, dan sou ik ook zoo handelen als de anderen, maar daar het nog niet zoo ver is, zoo dat ik haar nog tot de uwe kan maken, zal ik dit ook doen. Wat zou mijn vriendschap u waard zijn, als ik met eere haar niet de uwe liet worden? Sophronia is mijn verloofde en ik heb haar zeer lief en wacht met groote vreugde onze bruiloft af. Maar omdat gij gevoeliger zijt en met meer vuur zulk een dierbaar voorwerp verlangt dan ik, kunt gij er zeker van zijn, dat zij niet als mijn maar als uw vrouw in mijn kamer zal komen. Verjaag dus de neerslachtigheid, roep de verloren gezondheid terug en verheug u, dat van nu af aan uw verdiensten veel meer liefde waard zijn dan de mijnen.
Toen Titus Gisippos zoo hoorde spreken, deed zooveel als de bedriegelijke hoop, die hij hem gaf, hem verheugde, de juiste reden hem zich schamen en hij vond, dat hoe grooter de edelmoedigheid van Gisippos was, het voor hem ongepaster was daarvan gebruik te maken. Hij antwoordde klagend aldus: Gisippos, uw grootmoedigheid en ware vriendschap toont mij klaar genoeg, wat ik moet doen. Zeus verhoede, dat ik ooit haar, die hij u als de waardigste gaf, aanneem en zoo hij gezien had, dat zij mij paste, zou niemand moeten gelooven, dat hij u haar had afgestaan. Maak dus verheugd van zijn keuze gebruik en laat mij in smart doen verteren, die hij mij—zooveel goeds onwaardig—bereid heeft. Mijn verdriet zal ik te boven komen en ik zal u dierbaarder zijn of het zal mij overwinnen en dan ben ik uit mijn lijden.
Gisippos antwoordde: Titus, indien onze vriendschap mij zooveel vrijheid geeft, dat ik u dwingen kan tot mijn besluit, zal ik er nu ten volle van gebruik maken. En als gij niet goedschiks gehoorzaamt, zal ik met geweld, dat men ten goede voor een vriend moet gebruiken, Sophronia tot de uwe maken. Ik ken de macht der liefde en weet, dat zij vaak de minnenden tot een ongelukkig einde voerde en ik zie u daar zóó dichtbij, dat gij niet kunt teruggaan om de smarten te overwinnen, maar voortgaande u overwonnen zult zien, en ik zou weldra volgen. Want om zelf te leven is uw leven mij dierbaar. Sophronia wordt dus de uwe; want gij zoudt niet licht een andere vinden, die u meer zou behagen. Ik zou niet zoo vrijgevig zijn, als de vrouwen zoo zeldzaam en moeilijk te vinden waren als vrienden; ik wil haar eerder ruilen, niet verliezen,—wat ik haar aan u schenkend niet doe,—dan u verliezen.
Als mijn beden iets op u vermogen, verzoek ik u, u van die smart te bevrijden en troost tegelijk u en mij en bereidt u er op voor met goede hoop die vreugde te genieten, welke uwe warme liefde van het beminde voorwerp verlangt.
Daar Titus zich schaamde er in toe te stemmen, dat Sophronia zijn vrouw werd en nog weigerde, doch de liefde en de bemoedigingen van Gisippos hem deden weifelen, zeide hij: Kijk, Gisippos, ik weet niet, of ik mijn genoegen of het uwe zal doen, wanneer ik doe, wat gij mij vraagt. Maar omdat uw grootmoedigheid zoo is, dat zij mijn schaamte overwint, geef ik toe, maar wees er zeker van, dat ik het niet zal doen als een man, die hiermee meent alleen de beminde donna te ontvangen maar zijn leven. Mogen de Goden maken, dat ik u met eer en rijkdom kan toonen, hoe aangenaam mij dit is, dat gij jegens mij barmhartiger handelt dan ik zelf.
Toen sprak Gisippos: Titus, wij moeten dezen weg inslaan: gelijk gij weet, is na den langen omgang van onze ouders, Sophronia mijn verloofde geworden en daarom als ik nu zeg, dat ik haar niet tot vrouw zou willen, zouden er groote twisten uit voortkomen. Als ik haar daardoor de uwe zag worden, zou ik daar niet om geven, maar ik vrees, als ik haar zoo laat gaan, dat haar ouders haar niet dadelijk aan een ander zouden geven en zeker niet aan u en zoo zoudt gij die verloren hebben, die ik niet zal hebben gewonnen. En daarom zal ik doorzetten, wat ik begonnen ben en als de mijne haar naar huis voeren en de bruiloft vieren. Daarna zult gij in ’t geheim met haar als uw vrouw slapen. Dan zullen wij op het goede oogenblik de zaak bekend maken, wat, als het hun bevallen zal, zal lukken; zoo niet, dan zal het toch gebeurd zijn en moeten zij er in berusten. Die raad beviel aan Titus en na een groot feest bij nacht lieten de vrouwen de pasgehuwde in het bed van haar man achter.
De kamer van Titus was naast die van Gisippos en men kon van de eene in de andere komen. Toen elk licht was uitgedaan en Gisippos stil naar Titus gegaan was, zeide hij, dat die met zijn donna zou slapen. Toen Titus dit zag, werd hij door schaamte overwonnen en weigerde, maar Gisippos, die zoowel met daden als met woorden tot alles bereid was, bracht hem er toe na een lang verzet. Toen hij in het bed lag, nam hij het meisje en haar liefkoozend vroeg hij haar heimelijk of zij zijn vrouw wilde zijn. Deze meenend, dat het Gisippos was, zeide van ja, waarop hij haar een schoonen en rijken ring aan den vinger stekend zeide: En ik wil uw echtgenoot zijn. Nadat aldus het huwelijk gesloten was, had hij een lang liefdegenot met haar, zonder dat zij het bemerkte, dat Titus naast haar lag. Toen het aldus met dit huwelijk stond, stierf Publius, Titus’ vader, waardoor hem geschreven werd dadelijk naar Rome terug te keeren om zijn zaken waar te nemen en daarom besloot hij met Gisippos en Sophronia er heen te gaan. Hij kon dit niet doen zonder haar te toonen, hoe het met de zaak gesteld was. Zij riepen haar eens in een kamer en verklaarden haar alles en Titus verklaarde haar, wat er had plaats gehad. Zij zag verontwaardigd den een na den ander aan, weende en beklaagde zich over het bedrog van Gisippos en voor zij er verder een woord over sprak, ging zij naar haar vaders huis en vertelde haar ouders het bedrog van Gisippos. Dit was voor den vader van Sophronia zeer grievend en ook de oorzaak van grooten twist tusschen beider ouders. Ook Gisippos was kwaad met de families en ieder verklaarde hem niet alleen een berisping maar een zware kastijding waard. Maar hij beweerde een eerbare daad te hebben verricht en dat de ouders van Sophronia hem er dankbaar voor moesten zijn, daar hij haar beter dan aan zich zelf had uitgehuwd. Titus wist alles en verduurde het met groote ergernis. Daar hij het karakter van de Grieken kende, die veel rumoer maken, zoolang men draalt met hun te antwoorden, maar die dan nederig en kruiperig worden, meende hij, dat het niet goed was zonder antwoord hun praatjes te verdragen. Daar hij een romeinsch hart had en een atheenschen geest, liet hij onder een handig voorwendsel de ouders van Gisippos en Sophronia in een tempel komen en alleen door Gisippos vergezeld, sprak hij aldus tot de aanwezigen:
Vele wijsgeeren gelooven, dat wat door de stervelingen gebeurt de beschikking en de voorzienigheid der onsterfelijke Goden is en daarom meenen zij, dat wat gebeurt of gebeuren zal, noodzakelijk is, hoewel er anderen zijn, die alleen die noodzakelijkheid aannemen, voor wat gebeurd is. Als men die verschillende meeningen met eenige aandacht beschouwt, zal men duidelijk zien, dat het afgeven op een zaak, die niet meer te keeren is, niets anders is dan zich wijzer te willen toonen dan de Goden, van welken wij moeten gelooven, dat zij met eeuwige rede en zonder eenige dwaling over ons en onze zaken beschikken en heerschen. Dus kunt gij licht begrijpen, welk een dwaze en domme aanmatiging het is hun werken te laken en ook hoedanige en welke ketenen zij verdienen, die zich hierin door hun vermetelheid laten meesleepen. Tot dezen behoort gij allen, indien het waar is, wat gij steeds zegt, omdat Sophronia mijn vrouw is geworden, terwijl gij haar aan Gisippos hadt gegeven niet in aanmerking nemend, dat in der eeuwigheid beschikt was, dat zij niet de zijne maar de mijne moest worden, wat gij nu pas weet. Maar omdat het spreken over de geheime voorzienigheid en bedoeling der goden voor velen moeilijk te begrijpen is, zal ik maar aannemen, dat zij zich om ons lot niet bekommeren en behaagt het mij tot de overwegingen der menschen af te dalen. Hiervan sprekend zal ik twee dingen moeten doen zeer tegen mijn gewoonten: het eerste mijzelf te prijzen, het tweede: anderen een weinig te laken of te verlagen. Maar omdat ik zoowel in het een als in het ander niet van de waarheid wil afwijken en de tegenwoordige aanleiding dit eischt, zal ik het toch doen. Uw klachten, meer door woede dan door redeneering ontstaan, en het voortdurend gemompel en rumoer schandvlekken, kwellen en schaden Gisippos, omdat hij mij die vrouw tot echtgenoote gaf, welke gij aan hem hadt willen geven, waarvoor ik vind, dat hij zeer te prijzen is, en wel hierom: ten eerste, omdat hij het uit vriendschap moest doen, ten tweede, omdat hij wijzer heeft gehandeld dan gij. Ik wil nu niet uiteenzetten, wat de heilige wetten van de vriendschap eischen, maar zal tevreden zijn u te herinneren, dat de band der vriendschap veel meer bindt dan die des bloeds, omdat wij vrienden hebben naar keuze en verwanten, naar het toeval ze ons geeft. Als Gisippos daarom mijn leven meer lief heeft dan uw welgezindheid, omdat ik zijn vriend ben, moet dat volstrekt niet verbazen. Maar laat ons tot de tweede reden komen, waarin ik u met nog meer nadruk moet aantoonen, dat hij wijzer is geweest dan gij zijt, hoewel gij niets van de voorzienigheid der Goden schijnt te weten en nog minder den invloed kent van de vriendschap. Ik zeg, dat uw verstand, uw raad en uw overleg Sophronia hadden gegeven aan Gisippos, een jonkman en wijsgeer; die van Gisippos gaven haar aan een jonkman en wijsgeer. Uw raad gaf haar een Athener en die van Gisippos aan een Romein, de uwe aan een rijken jongeling, die van Gisippos aan een zeer rijken, de uwe aan een jonkman, die haar niet alleen niet liefhad, maar haar nauwelijks kende, die van Gisippos aan een jonkman, die boven alle geluk en zijn eigen leven haar lief had. Opdat dit waar blijkt en daar dit meer te prijzen is dan wat gij hebt gedaan, beschouw daartoe punt voor punt. Dat ik jonkman en wijsgeer ben als Gisippos: mijn gelaat en mijn studies, zonder langer te praten, kunnen het bewijzen. Zijn en mijn leeftijd zijn dezelfden en met gelijken tred voortgaande studeerden wij. Het is waar, dat hij Athener is en ik Romein. Indien men over den roem van onze stad zou twisten, zal ik zeggen, dat ik van een vrije stad ben en hij van een schatplichtige; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben: heerscheresse der gansche aarde en hij van eene aan de mijne gehoorzaam; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben zeer beroemd door zijn wapenfeiten, zijn macht en zijn scholen, terwijl de zijne slechts op zijn scholen kan roemen. Behalve dat, hoewel gij mij hier ziet als een nederig leerling, ben ik niet geboren uit de heffe van het Romeinsche volk; mijn huizen en de openbare plaatsen van Rome zijn vol antieke beelden van mijn voorvaderen en men zou de romeinsche annalen op het romeinsche Capitool vol vinden van veel triumfen behaald door de Quintiië. De glorie van onzen naam is niet door ouderdom vervallen maar schittert er thans te meer door. Ik zwijg uit schaamte over mijn rijkdommen, als ik er acht op geef, dat de eerlijke armoede het oude en overgroote erfdeel was der edele burgers van Rome. Indien deze meening door het plebs geminacht en de rijkdom geprezen wordt, bezit ik dien niet als begeerig man maar als bemind door de fortuin. Ik weet wel, dat het u aangenaam was en moet zijn Gisippos tot verwant te hebben, maar ik moet u te Rome om geenerlei reden minder dierbaar zijn, als ik in aanmerking neem, dat gij daar in mij een zeer goed gastheer zult hebben, nuttig en zorgzaam en een machtig beschermer zoowel in openbare als in bijzondere aangelegenheden. Wie dan, die zijn begeerte ter zijde stelt en met reden beschouwt, zal uw besluiten meer prijzen dan dat van Gisippos? Zeker niemand. Sophronia is dus goed gehuwd met Titus Quintius Fulvius, een edel, oud en rijk burger van Rome en vriend van Gisippos; daarom, zoo gij er over treurt of klaagt, doet gij niet, wat gij doen moet, en weet gij niet, wat gij doet. Er zijn er misschien eenige, die zullen zeggen, dat zij er niet over klagen, dat Sophronia de vrouw is van Titus, maar te treuren over de wijze, waarop zij het geworden is, in ’t geheim, steels, zonder dat een vriend of verwant er iets van wist. En dat is geen wonder, noch iets nieuws.
Ik laat gaarne hen terzijde, die tegen den wil van hun vaders mannen hebben genomen en die hun minnaars ontvlucht zijn en die eerst vriendinnen, daarna vrouwen geweest zijn en die eerst hun huwelijk hebben doen kennen door hun zwangerschap en hun bevalling en daarna door hun mond en het noodzakelijk hebben gemaakt. Dat alles is niet gebeurd met Sophronia, maar zij is vrijwillig, verstandig en eerlijk door Gisippos aan Titus geschonken. Anderen ook zullen zeggen, dat het niet paste, dat hij haar aan deze uithuwde. Dit zijn dwaze en vrouwelijke klachten en uit weinig verstand voortgekomen. Is het dan iets nieuws, dat de fortuin thans verschillende wegen gebruikt en nieuwe middelen om de zaken tot bepaalde gevolgen te voeren? Wat heb ik er mee te maken of een schoenmaker eerder dan een wijsgeer met zijn oordeel over mijn zaken tot een goed einde beschikt heeft, in ’t geheim of openlijk? Ik moet slechts oppassen, als de schoenmaker niet verstandig is, dat hij het niet weer doet en hem voor de gedane zaak bedanken. Als Gisippos Sophronia goed gehuwd heeft, is het klagen over de wijze van te werk gaan een overtollige dwaasheid. Indien gij niet op zijn verstand vertrouwt, pas dan op, dat hij niet weer zal trouwen en bedank hem er voor. Gij moet ook weten, dat ik niet zocht noch door list, noch door valschheid eenige smet te werpen op de eer en de waarde van uw bloed in de persoon van Sophronia en al heb ik haar in het geheim tot vrouw genomen, kwam ik niet als een dief deze haar maagdelijkheid ontnemen, noch wilde ik haar als een vijand oneerbaar bezitten en verwantschap met u weigeren. Maar hevig ontvlamd door haar begeerenswaardige schoonheid en haar deugd wist ik, dat, als ik haar op de wijze, die gij wilde, gevraagd had, ik haar, die zeer door u bemind wordt, uit vrees, dat ik haar naar Rome had geleid, niet had gekregen. Ik gebruikte dus een geheim middel en ik heb Gisippos doen toestemmen in mijn naam. Daarna, hoezeer ik haar vurig beminde, zocht ik niet als minnaar maar als man haar omhelzingen, omdat ik haar niet naderde, gelijk zij zelf kan getuigen, voor ik haar met den ring had getrouwd en met de vraag of zij mij tot man wilde, waarop zij toestemde. Indien het haar schijnt, dat zij bedrogen is, ben ik niet te berispen, maar zij, die mij niet vroeg, wie ik was. Dit is dus het groote kwaad, de groote zonde begaan door Gisippos als vriend en van mij als minnaar, dat Sophronia in stilte de vrouw van Titus Quintius is geworden; daarom verscheurt, dreigt en beleedigt gij hem. En wat zoudt gij doen, als hij haar aan een bedelaar, een landlooper, een slaaf had gegeven? Welke ketenen, welke kerkers, welke kruisen zouden dan voldoende zijn? Maar laten wij dit nu ter zijde: mijn vader stierf onverwachts en ik moet naar Rome terugkeeren. Omdat ik Sophronia wilde meenemen, heb ik u bekend, wat ik anders misschien u nog had verborgen. Dit zult gij, als gij verstandig zijt, met blijmoedigheid dragen, omdat ik, als ik u had willen bedriegen of beleedigen, haar als misleide had achtergelaten. Maar Zeus verhoede, dat in een romeinsche ziel ooit zulk een laagheid kan huizen. Sophronia is dus met goedvinden der Goden, door de kracht der menschelijke wetten, het lofwaardig verstand van mijn Gisippos en mijn liefdelist de mijne, wat gij, die u toevallig wijzer waant dan de Goden en de andere menschen, in mij op twee manieren veroordeelt.
De eene is, dat gij Sophronia hier houdt, waartoe gij niet meer recht hebt dan ik wil toestaan; de andere: dat gij Gisippos als vijand behandelt, dien gij naar recht verplicht zijt. Ik wil u thans niet uiteenzetten, hoe dwaas gij daarmee handelt maar als vriend u raden, dat gij uw toorn laat varen en al uw haat en dat Sophronia mij wordt teruggegeven, opdat ik blijmoedig als uw bloedverwant vertrek en leef. Wees er zeker van, dat, of het gebeurde u behaagt of niet, indien gij anders hadt willen te werk gaan, ik Gisippos daaraan zou onttrekken en als ik te Rome kom, zal ik zeker haar terug hebben, die met recht de mijne is, en wat de verontwaardigde ziel van een Romein vermag, als die u steeds vijandig blijft, zal ik u—hoop ik—doen ondervinden. Toen Titus zoo gesproken had, stond hij met verstoord gezicht op, nam Gisippos bij de hand en toonde, dat het hem weinig kon schelen, hoevelen er ook in den tempel waren en ging het hoofd schuddend tot bedreiging er uit. Zij, die daar binnen bleven ten deele verschrikt door zijn laatste woorden, vonden eenstemmig, dat het beter was Titus tot familielid te hebben, omdat Gisippos het niet had willen wezen, dan Gisippos als verwant te hebben verloren en Titus tot vijand te krijgen. Zij gingen daarom weg, vonden Titus terug en keurden goed, dat Sophronia de zijne werd, hem tot familie te hebben en Gisippos tot goed vriend. Zij vierden samen een huiselijk feest, namen afscheid en gaven hem Sophronia terug. Zij maakte verstandig van den nood een deugd, richtte de liefde voor Gisippos spoedig naar Titus en ging met hem naar Rome, waar zij met groote eer werd ontvangen. Gisippos bleef in Athene bij allen weinig in tel en werd niet lang daarna door zekere stadskuiperijen met al de zijnen arm en ellendig uit zijn huis te Athene verjaagd en tot eeuwige ballingschap veroordeeld. Zoo zelfs als bedelaar ging Gisippos naar Rome om te zien, of Titus zich hem herinneren zou, en daar hij wist, dat die in den gunst van alle Romeinen stond, ging hij na gehoord te hebben, waar zijn huizen waren, daar afwachten tot Titus er kwam, waar hij zich voornam niet te spreken van zijn ellende maar zijn best deed zich hem te vertoonen, opdat Titus hem herkennen zou en roepen. Maar toen Titus voorbij ging en Gisippos geloofde, dat die hem gezien had en vermeden en zich herinnerde, wat hij voor hem had gedaan, vertrok hij verontwaardigd en wanhopig.