Chapter 62
De een zocht op de plaatsen, waar zij wist, dat de visschen zich verscholen en de ander hield het net gereed tot groot genoegen van den koning, die met aandacht toezag, en zij vingen er in korten tijd vele. Zij wierpen ze toe aan den knecht, die ze levend op den oven legde en daarna vingen zij er van de schoonsten, die zij op tafel den koning, graaf Guido en hun vader toewierpen. Die sprongen op tafel, waarin de koning wonder veel genoegen had en terwijl hij er op zijn beurt van ving, wierp hij ze hoffelijk naar hen terug en zoo schertsten zij eenigen tijd, tot de knecht de zijnen gebakken had en die eer als een toespijs dan als een duur of keurig gerecht, gelijk messer Neri beval, den koning werden voorgezet. De meisjes, die de gebakken visch zagen en genoeg gevischt hadden, kwamen uit den vijver het witte en lichte kleed geheel klevend aan hun huid, zoodat niets van den fijnen vorm van hun lichaam verborgen bleef en nadat zij de voorwerpen weer hadden opgenomen, gingen zij beschaamd langs den koning naar huis terug. De koning, de graaf en de anderen hadden die meisjes heel mooi en welgemaakt, aardig en welgemanierd gevonden, maar bovenal hadden ze aan den koning behaagd. Hij had zoo aandachtig elk deel van hun lichaam beschouwd, toen zij uit het water kwamen, dat hij, als men hem geprikt zou hebben, het niet gevoeld had. Steeds meer aan hen denkende voelde hij in het hart een brandende begeerte groeien ze te bezitten en dat hij verliefd zou worden, als hij zich niet in acht nam. Hij wist zelf niet, wie van de twee hem het meest beviel. Na eenig nadenken wendde hij zich tot Neri en vroeg hem, wie de twee jonge dames waren, die antwoordde: Mijnheer, dat zijn mijn dochters, beide op denzelfden dag geboren, waarvan de eene Ginevra, de Schoone, en de andere Isotta, de Blonde, heet. De koning prees ze zeer en spoorde hem aan ze uit te huwen, waarover Neri, omdat hij dit niet kon, zich verontschuldigde. Er bleef niets meer dan het fruit op te disschen en de twee meisjes kwamen in twee rokken van zeer fraai taf met twee zeer groote zilveren schotels in de hand vol verschillende vruchten en zetten dien voor den koning op tafel. Daarna gingen zij wat achteruit en begonnen een lied te zingen, dat aldus aanving:
Hoever gij, Amor, mij hebt gebracht, Lang kan men daar niet van verhalen ....
met zooveel zachtheid en zoo lief, dat het den koning, die met genoegen toekeek en luisterde, scheen, dat alle engelenkoren daar waren neergedaald. Vervolgens knielden zij en vroegen eerbiedig verlof aan den koning, die, hoewel hun vertrek hem hinderde, het hun toch schijnbaar welwillend gaf. Het maal eindigde, de koning steeg met zijn metgezellen te paard, ze lieten messer Neri achter, spraken over een en ander en keerden naar de koninklijke woning terug. Hier hield de vorst zijn genegenheid verborgen, maar kon, welke ernstige zaak ook voorviel, de schoonheid en bekoorlijkheid van de schoone Ginevra niet vergeten, waarvan hij ook de zuster liefhad, die op haar geleek en hij raakte zoo vast aan den lijmstok der liefde, dat hij aan niets anders kon denken. Hij greep andere voorwendsels aan om met messer Neri een innige vriendschap te sluiten en bezocht zeer vaak in den tuin de schoone Ginevra. Reeds kon hij het niet meer uithouden en was hij op de gedachte gekomen, daar hij er niets anders op zag om niet één maar beide meisjes te schaken, toen hij zoowel zijn liefde als zijn plan bekende aan graaf Guido, die, omdat hij een waardig man was, hem zeide: Mijn heer, ik verwonder mij er zeer over, wat gij mij zegt en meer dan wie ook, daar het mij voorkomt, dat ik uw gewoonten van af uw jeugd tot heden toe beter gekend heb dan ieder ander. Omdat gij in uw jeugd, waarin de liefde lichter u in haar banden moest boeien, nooit zulk een hartstocht gekend hebt, vind ik het haast een wonder, dat gij, de ouderdom al nabij, lief hebt. En als het mij paste u er over te laken, weet ik wel, wat ik u zou zeggen, als ik in aanmerking neem, dat gij in een pas veroverd rijk het harnas nog aan hebt bij een onbekend volk vol bedrog en verraad, en terwijl gij geheel belast zijt met zeer groote zorgen en gewichtige zaken en met nog geen tijd om te gaan zitten, ruimte hebt gegeven aan zulk een bedriegelijke liefde.
Dit is geen daad van een groot koning, maar van een kleinmoedig jonkman. Behalve dat, zegt gij, wat erger is, dat gij hebt overlegd de twee meisjes aan den armen ridder te ontrooven, die u in zijn huis boven zijn middelen heeft ontvangen en om u nog meer te eeren ze u haast naakt heeft getoond, op die wijze betuigend, hoeveel vertrouwen hij in u heeft en dat hij in u bepaald een koning ziet en geen roofzuchtige wolf. Is het u dan zoo spoedig ontgaan, dat de geweldenarijen van Manfred jegens de vrouwen u den toegang tot dit rijk hebben ontsloten? Welk verraad, als het ooit werd gepleegd, zou meer een eeuwige straf waard zijn dan hem zijn eer te ontnemen en zijn hoop en zijn troost? Wat zou men dan van u zeggen? Gij denkt misschien, dat het een genoegzame verontschuldiging is: Ik deed dit, omdat hij een ghibellijn is. Is dit nu de rechtvaardigheid des konings, dat zij, die bij hem hun toevlucht zoeken, wie ze ook zijn, zoo worden behandeld? Ik herinner u, o koning, dat het een zeer groote glorie is Manfred te hebben overwonnen, maar nog grooter zich zelf te overwinnen. Overwint gij, die anderen moet verbeteren, daarom u zelf en bedwing dien lust en bezoedel niet met zulk een vlek, wat gij met eere hebt veroverd.
Deze woorden troffen de ziel des konings bitter en bedroefden hem te meer, naarmate hij beter haar waarheid besefte. Hij antwoordde na eenige heete zuchten: Graaf, ik vind zeker, dat ieder ander vijand, hoe sterk ook, gemakkelijker en sneller te overwinnen is voor een goed geoefend krijgsman dan zijn eigen hartstocht, maar hoe groot het verdriet ook is en de vereischte kracht, uw woorden hebben mij zoo aangespoord, dat ik, voor te veel dagen verstrijken, u door mijn daden zal toonen, dat ik als anderen ook mij zelf kan vermeesteren. Kort daarop, toen de koning naar Napels was teruggekeerd, zoowel om zich zelf te beletten iets slechts te doen als om den ridder te beloonen voor de genoten gastvrijheid, stelde hij vast, hoe hard het ook voor hem was een ander tot den bezitter te maken van wat hij het meest voor zich zelf verlangde: de twee meisjes uit te huwen en niet als de dochter van messer Neri maar als van hem zelf. Met goedvinden van dezen schonk hij een prachtige bruidschat, gaf de schoone Ginevra aan messer Maffeo van Palizzi en de blonde Isotta aan messer Guiglielmo della Magna, beide edele ridders en groote baronnen. Na ze hun te hebben toegevoerd, begaf hij zich met onnoemelijke smart naar Apulië en met voortdurende vermoeienissen vernietigde hij, zoo goed hij kon, zijn wreede begeerte, opdat hij na de liefdeboeien te hebben verbroken, voor de rest van zijn leven van zulk een hartstocht vrij bleef.
Er zullen er misschien zijn, die zeggen, dat het niet veel is voor een koning om twee meisjes uit te huwen en dat wil ik toegeven, maar ik zou zeggen, dat het een groot, een zeer groot ding is, wanneer een verliefd vorst dit doet met haar, die hij lief heeft zonder van haar liefde blad, bloem of vrucht te hebben geroofd. Zoo handelde dus de grootmoedige koning en beloonde den edelen ridder op nobele wijze, eerde de beminde meisjes loffelijk en overwon met kracht zich zelve.
ZEVENDE VERTELLING.
Koning Peter, die gehoord heeft van de vurige liefde, die de zieke Lisa hem toedraagt, maakt haar beter en huwt haar daarna aan een jong edelman uit, kust haar het voorhoofd en noemt zich sedert voor altijd haar ridder.
Toen Fiametta aan het einde van haar vertelling gekomen was en de mannelijke grootmoedigheid van koning Carlo zeer was geroemd, hoewel een enkele donna, die ghibellijnsch was hem niet wilde prijzen, begon Pampinea op last des konings aldus: Hooggeachte donna’s. Er is geen verstandig man, die niet zou spreken als gij over koning Carlo behalve wie om anderen reden hem kwaad gezind is; maar omdat mij iets invalt misschien lofwaardiger en gedaan door een van zijn tegenstanders jegens een onzer Florentijnsche meisjes, behaagt het mij u dit te vertellen.
Tijdens den Siciliaanschen Vesper werden de Franschen verdreven en leefde er in Palermo als apotheker een onzer Florentijnen: Bernardo Puccini, een zeer rijk man, die slechts één zeer schoone en al verloofde dochter van zijn vrouw had. Koning Peter van Aragon, heer van dit eiland geworden, hield daar met zijn baronnen een wonderbaar feest en op Catalonische wijze een steekspel. De dochter van Bernardo: Lisa, zag hem uit een venster, waar zij met andere donna’s zat, en hij beviel haar zoo, dat zij vurig op hem verliefd werd. Toen het feest geëindigd was en zij zich in het huis van haar vader bevond, kon zij aan niets anders denken dan aan deze heerlijke en hooge liefde. En wat haar hierbij het meest hinderde was: het besef van haar nederigen stand, die haar geen hoop liet op een heugelijk einde, maar toch hield zij vol den koning lief te hebben en uit vrees voor meer verdriet, durfde zij het niet bekennen. De koning merkte het niet, wat haar meer dan men denken kan, ondragelijk pijnigde. Zoo, doordat haar liefde voortdurend aanwies en er zwaarmoedigheid bij kwam, werd zij ziek en zij kwijnde weg als sneeuw voor de zon. Haar ouders deden hun best haar met versterkingen en doktoren en medicijnen te helpen, maar niets baatte, omdat zij niet langer wou leven. Het kwam haar in de gedachte, als het op passende wijze kon, haar liefde en haar voornemen, eer zij stierf, aan den koning mede te deelen en daarom verzocht zij haar vader Minuccio d’Arezzo bij haar te brengen. Minuccio werd destijds voor een uitstekend zanger en fluitspeler gehouden en was zeer gezien bij koning Peter. Bernardo dacht, dat Lisa hem wat wilde hooren spelen en zingen; daarom liet hij hem zeggen dadelijk bij haar te komen en toen hij als aardig mensch haar met liefdewoorden gesterkt had, begon hij op zijn viool zacht een sonate te spelen en zong daarna eenige liederen; dezen waren voor het meisje vuur en vlam, terwijl hij haar geloofde te troosten.
Hierna wilde het meisje aan hem alleen iets zeggen en zij sprak: Minuccio, ik zal u een geheim toevertrouwen, dat gij alleen moogt mededeelen, wien ik u aanwijs om mij zooveel mogelijk te helpen. Ik zag, Minuccio, toen koning Peter zijn groot kroningsfeest gaf, hem bij het steekspel en werd daardoor zóó getroffen, dat dit mij in den toestand bracht, waarin gij mij ziet. Daar ik weet, hoe slecht mijn liefde een koning past en ik die niet kan verjagen maar wel verminderen en die voor mij zeer zwaar te dragen is, heb ik om minder smart verkozen te sterven. Ik zou ongetroost sterven, als hij het niet eerst zou weten en daar ik niet weet aan wien ik het beter kan mededeelen dan u, draag ik dit aan u op en ik smeek u dat gij mij het niet weigert en als gij het gedaan zult hebben, laat het mij dan weten, opdat ik bevrijd van die smarten getroost sterf en na dit schreiend gezegd te hebben, zweeg zij. Minuccio verwonderde zich over haar trots en wreed voornemen en berispte haar daarover. Het viel hem in, hoe hij haar met eere kon dienen en zeide: Lisa, ik verpand u mijn woord, en gij zult er nooit door bedrogen worden. Ik prijs u, dat gij uw liefde gericht hebt op zulk een groot koning en bied u mijn hulp aan, waarmee ik hoop zoo te werk te gaan—wat u moet sterken—dat, voor de derde dag voorbij is, ik geloof tijdingen te hebben, die u zeer welkom zullen zijn. Om geen tijd te verliezen, wil ik dadelijk beginnen. Lisa, die hem dit opnieuw smeekte en beloofde zich goed te houden, wenschte, dat hij ging met God. Minuccio ging een zekeren Mico van Siena opzoeken, een goed rijmer van dien tijd en overreedde hem op haar verzoek het volgende lied te maken:
Liefde, ga en ijl tot mijn Heer, Spreek hem van de pijnen die ik draag: En zeg hem, dat ik sterven zal, Als mijn begeerte door vrees blijft verborgen.
Amor, ik smeek u met gevouwen handen, Dat gij gaat, waar mijn Heer verblijft, Zeg, dat ik vaak hem begeer en bemin, Zoo zoet verliefd is mijn harte: En door het vuur, dat mij geheel ontvlamt, Vrees ik te sterven en toch weet ik niet het uur, Dat ik vrij zal zijn van zoo wreede smart, Die ik verduur in verlangen naar hem In vrees en in schaamte. Ach! Om Gods wil, doe het hem weten.
Sinds ik, Amor, op hem werd verliefd, Hebt gij niet zooveel moed als vrees gegeven, Zoodat ik geen enkele maal Hem mijn hartewensch kon openbaren, Die mij zoo in spanning houdt. Het is wreed zoo te sterven. Misschien dat het hem zou behagen, Als hij wist, hoeveel pijn ik gevoel En als gij mij den moed hadt gegeven Om mij het hem te doen weten.
Daar dit, Amor, u niet behaagde, Mij die beslistheid te geven, Dat mijn Heer mijn hart kent, Hetzij door een boodschap of door een teeken, Vraag ik u de genade, mijn zoete heer, Dat gij tot hem gaat en hem te herinneren, Den dag, toen ik hem zag met schild en lans Met andere ridders in strijd, Toen ik hem bleef aanschouwen. Zoo verliefd, dat mijn hart er van vergaat.
Minuccio toonzette die woorden dadelijk op een zachte en klagende wijze, gelijk de stof dit eischte in die dagen; later ging hij naar het hof, terwijl koning Peter nog aan tafel zat en hem verzoeken liet wat op zijn viool te spelen. Hij deed dit zoo, dat allen in de koninklijke zaal buiten zich zelf waren, en zij stonden allen zwijgend en gespannen te luisteren, de koning nog meer dan de anderen. Toen Minuccio zijn zang had geëindigd, vroeg de koning, hoe het kwam, dat hij die niet vroeger had gehoord. Mijn heer, antwoordde Minuccio de woorden en de muziek zijn nog geen drie dagen geleden gemaakt. Toen de koning vroeg door wien, antwoordde hij: Ik zou het niet durven openbaren dan aan u alleen. De koning hiernaar verlangend liet hem, toen de tafel was opgeheven, in zijn kamer komen, waar Minuccio hem alles vertelde. Hierover was de koning zeer verheugd, prees het meisje zeer en zeide, dat hij zich over zulk een waardige jonkvrouw wilde ontfermen en dat hij daarom namens hem naar haar toe ging en zeggen zou, dat hij haar stellig dien dag tegen den vesper zou bezoeken.
Minuccio verheugd zulk een aangename tijding aan het meisje te brengen, ging onverwijld weg met zijn viool en vertelde háár alleen alles en zong daarna het lied met zijn vioolspel. Het meisje was hierover zoo verheugd, dat er dadelijk teekens van herstel verschenen en met verlangen zonder dat iemand in huis het wist, wachtte zij. De koning, die een zeer vrijgevig en goed man was, had er meermalen aan gedacht en daar hij het meisje en haar schoonheid zeer goed kende, kreeg hij nog meer medelijden en op het uur van den vesper te paard gestegen, deed hij of hij voor zijn genoegen uitreed en kwam aan het huis van den apotheker. Daar liet hij een zeer schoonen tuin voor zich openen, waarin hij afsteeg en na eenigen tijd Bernardo vroeg, hoe zijn dochter het maakte en of die al gehuwd was. Bernardo antwoordde: Heer, zij is nog niet gehuwd, maar zij was en is integendeel zeer ziek: het is waar, dat zij sinds vanmiddag verbazend hersteld is. De koning begreep wel, wat die verbetering beteekende en zeide: Het zou waarlijk jammer zijn, als zulk een mooi schepsel zoo spoedig van de wereld zou verdwijnen; wij zullen haar gaan bezoeken. Met slechts twee metgezellen en Bernardo begaf hij zich naar haar kamer en toen naderde hij het bed, waarop het meisje half opgerezen hem met verlangen verwachtte en sprak haar bij de hand nemend: Madonna, wat beteekent dat? Gij zijt jong en moest anderen troosten en laat u door het kwaad overwinnen. Wij verzoeken u, dat het u zal behagen uit liefde tot ons spoedig beter te worden. Toen het meisje zich de hand voelde drukken door hem, dien zij boven alles lief had en zij zich eenigszins schaamde, verheugde zij zich zoo, of zij in het Paradijs was en antwoordde: Mijn heer, de oorzaak van die ziekte is, dat ik mijn te zwakke krachten te zware lasten wilde doen dragen, van welke gij mij, dank zij u, spoedig genezen zult zien. Alleen de koning verstond de bedekte taal van de jonkvrouw en hij achtte er haar steeds meer om. In stilte vervloekte hij het lot, dat haar tot de dochter had gemaakt van zulk een man en nadat hij eenigen tijd bij haar gebleven was en haar had getroost, ging hij weg. Deze menschlievendheid van den koning werd zeer geprezen en als een groote eer beschouwd voor den apotheker en zijn dochter en door de beste hoop gesteund was zij in weinige dagen genezen en schooner dan ooit. Maar toen zij hersteld was en de koning met de koningin had behandeld, welk loon hij haar voor die liefde moest geven, steeg hij eens te paard met velen van zijn baronnen, begaf zich naar het huis van den apotheker en in den tuin gegaan, liet hij dien roepen en zijn dochter. Ook de koningin kwam er met vele donna’s en zij ontvingen het meisje wonder goed. Nadat de koning wat met de koningin gesproken had, riep hij Lisa en zei: Meisjelief, de liefde, die gij mij hebt toegedragen, heeft u groote achting bij ons verschaft en wij willen, dat gij uit liefde voor ons tevreden zult zijn. Wij schenken u de eer, dat gij, als gij huwt, nemen zult, dien wij u geven, altijd wel te verstaan, dat wij ons uw ridder noemen, zonder meer liefde van u te verlangen dan een enkelen kus. Het meisje, dat van schaamte geheel rood was geworden, stelde den koning tevreden en sprak met gedempte stem: Mijn heer, ik ben er zeker van, dat, indien men wist, dat ik verliefd op u was, de meeste menschen mij gek zouden verklaren, maar God, die alleen in de harten der stervelingen leest, weet, dat ik op het uur, dat gij voor het eerst mij bekoorde, besefte, dat gij de koning waart en ik de dochter van den apotheker Bernardo en dat het mij kwalijk paste naar zulk een hoogen rang den brand van mijn ziel te richten. Gij weet veel beter dan ik, dat niemand naar verplichte keus verliefd wordt, maar naar begeerte en welbehagen; tegen die wet verzetten zich mijn krachten en niet meer kunnend, beminde ik u, bemin ik u en zal ik u altijd beminnen. Het is waar, dat ik, sinds ik door liefde tot u bevangen werd, besloot van uw wil steeds den mijne te maken. Daarom zal ik niet slechts gaarne tot man nemen en lief hebben, dien het u behaagt mij te geven naar mijn eer en volgens mijn stand, maar indien gij zoudt zeggen, dat ik in de hel moest leven, zou het mij aangenaam zijn. U tot ridder te hebben, u die koning zijt, gij weet, hoeveel dit mij waard is, en daarom spreek ik daar niet meer over. En de kus, die gij vraagt van mijn liefde, zal u met toestemming van mevrouw de koningin gegeven worden. Voor zulk een goedheid als de uwe en die van mevrouw de koningin geve God u genade en loon, want ik kan het niet.
Haar antwoord behaagde de koningin zeer en zij scheen haar even verstandig, als de koning gezegd had. De koning ontbood een jonkman, een arm ridder, Perdicone, en na hun ringen aan de vingers geplaatst te hebben huwde hij hem, die zich niet verzette, met Lisa. De koning en de koningin gaven hun behalve vele en dure juweelen, Ceffalu, en Calatabellotto (een kleine stad niet ver van de haven Sciacca), twee zeer goede en vruchtbare landgoederen en hij sprak: Dezen geven wij u als bruidschat; wat wij verder voor u zullen doen, zult gij later zien. En toen zei hij tot het meisje: Thans willen wij die vrucht van uw liefde hebben, die ons verschuldigd is; hij kuste haar het voorhoofd. Perdicone en de ouders van Lisa en zij zelf zeer gelukkig, maakten een blijde bruiloft.
Naar hetgeen velen bevestigen, hield de koning de belofte aan het meisje gedaan, omdat hij zich, zoolang hij leefde, haar ridder noemde en nooit ging strijden, zonder dat hij de baanderol droeg, die hem door het meisje was gezonden. Aldus handelend worden de harten der onderdanen gewonnen, men geeft zich gelegenheid aldus goed te handelen en verwerft zich eeuwigen roem. Maar weinigen hebben daarheen thans den boog des geestes gespannen, daar de meeste heeren wreed en despotiek zijn geworden.
ACHTSTE VERTELLING.
Sophronia geloovend de vrouw te zijn van Gisippos wordt die van Titus Quintius Fulvius en gaat met hem naar Rome, waar Gisippos zelf arm aankomt. Hij meent door Titus vergeten te worden en beschuldigt zich zelf een man te hebben vermoord om dan ter dood te worden gebracht. Titus herkent hem, verklaart, dat hij de dader is om hem te redden, waarop de ware schuldige zich zelf aanklaagt. Dan worden zij allen door Octavianus in vrijheid gesteld en Titus geeft zijn zuster aan Gisippos tot vrouw en deelt met hem al zijn goederen.
Toen Pampinea ophield met spreken en ieder koning Peter al geprezen had, vooral de Ghibellijnsche, begon Filomena op bevel des konings aldus: Grootmoedige donna’s. Wie weet niet, dat de koningen allerlei groote dingen kunnen doen, wanneer zij het willen en dat men van hen in het bijzonder eischt zich edelmoedig te toonen? Die dus doen kan, wat hij moet doen, doet goed. Maar men moet zich daarover minder verwonderen noch ze met den hoogsten lof prijzen zooals anderen, van wien het bij minder macht geëischt werd en die dit dan zouden doen. En als gij daarom zoo de daden der koningen hebt verheerlijkt, twijfel ik er niet aan, dat die van onze gelijken u nog meer moeten behagen, wanneer zij de daden der koningen evenaren of overtreffen. Daarom wil ik u de lofwaardige en grootmoedige daad vertellen van twee medeburgers en vrienden.
In den tijd, dat Cesar Octavianus, toen nog niet Augustus genoemd, het Romeinsche Rijk regeerde als lid van het Triumviraat, leefde er in Rome een edelman Publius Quintius Fulvius, die een zoon van hem, Titus Quintius Fulvius, wonderbaar begaafd, naar Athene zond om philosophie te studeeren en hem zeer aanbeval bij een edel man Cremetes, zijn oudsten vriend. Deze hield Titus in diens eigen huis met diens zoon Gisippos en onder de leiding van een wijsgeer Aristippos. Titus en Gisippos moesten gelijkelijk door bemiddeling van Cremetes leeren. Daar de jongelieden samen omgingen, vonden zij elkaars gewoonten zoo gelijk, dat er een groote broederschap en vriendschap tusschen hen ontstond, die sinds slechts door den dood kon verbroken worden. Geen van hen had vreugde of rust, als zij niet weer samen waren. Zij hadden de studies begonnen en beiden met den hoogsten geest begaafd stegen naar de roemvolle hoogte der wijsbegeerte met gelijken tred en met wonderbaren lof en aldus hielden zij drie jaar vol tot het grootste genoegen van Cremetes, die ze beide als zijn zoons beschouwde. Op het einde van dezen tijd stierf Cremetes al oud; hierover droegen zij met gelijke smart rouw als over een vader en de vrienden en verwanten van Cremetes wisten hen niet over het gebeurde te troosten.