Chapter 61
Jonge donna’s. De verhalen waren prachtig en het schijnt mij, dat er niets voor ons overblijft te vertellen, zoo grootsch waren die. Alleen liefdesgeschiedenissen geven nog voor elk onderwerp de overvloedigste stof tot spreken. En zoowel hierdoor en omdat onze leeftijd ons daartoe hoofdzakelijk leidt, behaagt het mij U de grootmoedigheid van een minnaar vertellen, welke wel beschouwd U niet minder zal schijnen dan een der verhaalde feiten, indien het waar is, dat men de schatten geeft, dat men de vijandigheden vergeet en dat men het leven, de eer en den roem, die veel meer waard zijn in duizende gevaren brengt om het beminde voorwerp te bezitten.
Er leefde dan in Bologna, die zeer edele stad van Lombardije, een ridder zeer gezien om zijn deugd en den adel van zijn bloed, Gentil Carisendo, een jonkman, die verliefd werd op een edelvrouw, madonna Catalina (Catharina), de echtgenoote van een zekeren Niccoluccio Caccianimico. Omdat zijn liefde door haar slecht werd beantwoord, vertrok hij, tot baljuw van Modena benoemd, wanhopig. In dien tijd, terwijl Niccoluccio te Bologna was en de donna op een harer bezittingen misschien drie mijlen van de stad, waar zij voor haar zwangerschap heenging, werd zij door zulk een ernstige ongesteldheid getroffen, dat zij door elken dokter voor dood werd gehouden. Daar haar naaste verwanten uit haar eigen mond hadden vernomen dat het kind nog niet rijp kon zijn, begroeven zij haar met veel geklaag in een tombe van een kerk daar in de buurt zonder zich verder ongerust te maken. Dit werd dadelijk door een vriend bericht aan messer Gentil, die, hoewel hij zeer weinig van haar welwillendheid had genoten, er zeer bedroefd over was en dacht: Zie, mevrouw Catalina, gij zijt dood; zoolang gij leefde, heb ik nooit één blik van U gehad, daarom nu gij U niet meer kunt verzetten, moet ik een kus van U hebben. ’s Nachts gaf hij zijn bevelen, opdat zijn vertrek geheim bleef, steeg met een bediende te paard en zonder oponthoud bereikte hij de tombe, opende die, waarin hij binnenging, legde zich naast haar zijn gelaat bij het hare en kuste het meermalen met vele tranen. Daar wij de wenschen der mannen nooit bevredigd zien, maar die steeds vermeerderen en in het bijzonder die der minnaars en hij besloten had er niet langer te blijven, zeide hij: Wel, waarom zou ik haar niet even de borst aanraken? Ik mag die nooit meer beroeren en raakte die nooit aan. Door dit verlangen overwonnen legde hij de hand op haar boezem en toen hij die daar eenigen tijd gehouden had, scheen het hem, dat haar hart nog sloeg. Toen hij alle vrees van zich verjaagd had, bevond hij, dat zij zeker niet dood was, hoe gering en zwak hij haar leven ook achtte; daarom trok hij haar zoo zacht hij kon met behulp van zijn bediende uit de tombe en na haar voor zich op het paard te hebben gelegd, bracht hij haar heimelijk in zijn huis in Bologna. Daar was zijn moeder, een waardige en wijze vrouw, die, nadat zij van haar zoon alles vernam, door medelijden bewogen langzaam met groote hitte en een bad het verzwakte leven terug riep. Toen zij tot zich zelf kwam, stiet zij een grooten zucht uit en zeide: Wee mij! Waar ben ik? Waarop de waardige donna antwoordde: Houdt U goed, je bent op een goede plaats. Tot bezinning gekomen en niet goed wetend, waar zij was en messer Gentile voor zich ziende, vroeg zij vol verbazing zijn moeder haar te zeggen, hoe zij daar kwam, waarop messer Gentil alles vertelde. Zij, hierover bedroefd, bedankte hem, zooveel zij kon en bad hem bij de liefde, die hij haar vroeger toedroeg en uit beleefdheid, dat er niets zou gebeuren, wat tegen haar eer en die van haar man ging en haar, als het dag werd, naar haar eigen huis te laten terugkeeren. Messer Gentile antwoordde: Madonna. Hoedanig mijn verlangen ook eertijds was, ik ben thans niet van plan noch voortaan (daar God mij die genade schonk U uit den dood aan het leven terug te geven dank zij de liefde, die ik U vroeger toedroeg) U noch hier noch elders anders dan als geliefde zuster te behandelen maar de dienst, dien ik U vannacht bewees, verdient een belooning en daarom wil ik, dat gij mij die schenkt. De donna verklaarde zich hiertoe bereid, mits die gunst eerbaar was. Messer Gentil sprak toen: Madonna, al Uw verwanten en alle Bologneezen gelooven stellig, dat gij gestorven zijt. Ik verlang van U, dat gij hier zult blijven met mijn moeder, tot ik spoedig van Modena terugkeer. De reden hiervan is, dat ik U in tegenwoordigheid der beste burgers een duur en feestelijk geschenk wil geven. De donna, die zich verplicht gevoelde, stemde toe, hoezeer zij ook verlangde haar familie te verheugen en beloofde het hem op haar woord. Kort daarna meende zij te moeten bevallen en met zorg geholpen door de moeder van messer Gentile beviel zij weldra van een schoonen knaap, wat de vreugde van messer Gentil en van haar zeer verhoogde. Messer Gentile beval, dat zij van alles werd voorzien, behandeld als zijn eigen vrouw en keerde in ’t geheim naar Modena terug. Toen daar de tijd voor zijn baljuwschap om was, keerde hij naar Bologna terug. Den ochtend, dat hij zou binnen komen, beval hij voor vele edele lieden van Bologna een groot gastmaal te bereiden, waarbij Niccoluccio Caccianimico tegenwoordig zou zijn. Toen hij zich bij hen bevond, zag hij de donna schooner en gezonder terug dan ooit en het zoontje welvarend, zette met opgeruimdheid zijn gasten aan tafel en liet ze van allerlei spijzen bedienen. Toen het maal haast geëindigd was, begon hij, die met de donna alles geregeld had, aldus te spreken: Heeren, ik herinner mij eens te hebben gehoord, dat er in Perzië een aardig gebruik bestond namelijk, wanneer iemand zijn vriend ten hoogste wilde onthalen, hem bij zich uit te noodigen en hem vrouw, vriendin of dochter te toonen of wat hem het dierbaarst was met het verzoek, dat ook deze zou zeggen, wat hem het liefst was en ik doe dit nu hier in Bologna. Gij hebt mijn gastmaal eer aangedaan en wil u op zijn perzisch ontvangen door u het dierbaarste te toonen, wat ik op de wereld heb. Maar eer ik dit doe, bid ik u mij te zeggen, wat gij denkt van den twijfel, dien ik in mij omdraag. Iemand heeft een goed en trouw dienaar, die ernstig ziek wordt; zonder het einde van den zieke af te wachten, laat hij hem midden op straat dragen en zorgt niet meer voor hem; er komt een vreemde en bewogen door medelijden verzorgt hij hem en met groote kosten wordt hij weer gezond. Nu zou ik willen weten of, als hij dien in zijn dienst houdt, zijn eerste meester zich terecht kan beklagen over den tweede, indien die, als hij den dienaar terugvraagt, dezen niet afstaat. De edellieden kwamen tot één besluit en droegen Niccoluccio Caccianimico op, omdat hij een goed spreker was, te antwoorden. Deze prees het perzisch gebruik en meende als de anderen, dat de eerste meester geen recht meer op zijn dienaar had, omdat hij hem in dit geval niet alleen had verlaten maar zelfs verstooten en dat het, voor de diensten door den tweeden bewezen, rechtvaardig was, dat hij diens knecht werd, en hij, door hem te houden, den eerste geweld noch beleediging aandeed. Alle aanwezigen zeiden hetzelfde. De ridder hierover tevreden beweerde, dat hij van een andere meening was en zeide daarentegen: Het is tijd, dat ik u volgens mijn belofte eer bewijs. Hij liet door twee knechts de donna halen, die hij rijk had getooid, en verzocht haar om de edellieden met haar tegenwoordigheid te vereeren. Met haar mooi knaapje op den arm kwam zij in de zaal en ging naast een waardig man zitten. Hij sprak: Heeren, dit is het dierbaarste, wat ik heb. Ben ik in mijn recht? De edellieden vierden haar zeer en zeiden den ridder, dat hij haar moest liefhebben. Er waren er verscheidene, die hem gezegd zouden hebben, wie zij was, als zij haar niet dood hadden gewaand. Maar vooral Niccoluccio keek haar aan, die, toen de ridder even heen ging, daar hij brandde om te weten of ze het was, zich niet houden kon, en haar vroeg of zij uit Bologna was of een vreemde. De donna, door haar echtgenoot ondervraagd, zweeg om de afspraak te houden. Een ander vroeg of dit haar zoontje was en gene of zij de vrouw was van messer Gentile of met hem verwant; hierop antwoordde zij niets. Maar toen messer Gentile terug kwam, zeide een der gasten: Messire, zij is schoon, maar zij schijnt mij stom. Is zij dit? Heeren, sprak messer Gentile, dat zij tot nu toe niet gesproken heeft, is geen klein bewijs van haar deugdzaamheid. Zeg dan, wie zij is. De ridder sprak: Dat zal ik gaarne doen, mits gij mij belooft, dat niemand van zijn plaats zal bewegen, voor ik geëindigd heb en hierna, toen de tafel al was opgeheven, sprak messer Gentile, die naast de donna ging zitten: Heeren, deze donna is die eerlijke dienaar, waarover ik U sprak, deze werd geminacht en als gemeen en nutteloos op de straat geworpen, en door mij opgenomen. Door mijn zorg heb ik haar uit den dood opgehaald en God, die lette op mijn barmhartigheid, heeft haar van een afschrikwekkend lichaam weer schoon doen worden. Maar ik zal U in het kort verklaren, wat mij is overkomen, Hij vertelde van zijn verliefdheid af alles uitvoerig tot aller groote verbazing en voegde er nog aan toe: Als gij dus niet sinds zooeven van gevoelen zijt veranderd en vooral Niccoluccio, is die donna met recht de mijne en kan niemand haar met reden van mij weer opeischen. Niemand antwoordde, maar alle wachtten af. Men weende van ontroering; messer Gentile stond op, nam den kleinen jongen in zijn armen en de donna bij de hand en sprak tot Niccoluccio: Sta op, peetvader, ik geef U deze niet als Uw vrouw terug door Uw familie en haar verwanten verstooten maar als mijn petemoei en dit knaapje, waarvan ik zeker ben, dat het van u is, dat ik ten doop hield en Gentile heb genoemd. Ik bid u, dat zij, daar zij drie maanden in mijn huis is geweest, u niet minder dierbaar zal zijn. Want ik zweer u bij dien God, die mij op haar verliefd maakte, misschien om haar te redden, dat zij nooit eerbaarder bij haar ouders of u heeft geleefd dan bij mijn moeder in mijn huis. Hierbij wendde hij zich naar de donna en sprak: Madonna, ik ontsla u van elke belofte mij ooit gedaan en geef u over aan Niccoluccio en hij sloot de donna en het kind in diens armen. Niccoluccio ontving verlangend zijn donna en haar zoontje en des te meer verblijd, naarmate hij meer wanhopend was geweest en zoo goed hij kon, bedankte hij den ridder. Al de anderen weenden van ontroering en prezen hem zeer en ieder, die het later hoorde. De donna werd met groote vreugde tehuis ontvangen en zij werd met verbazing langen tijd door de Bologneezen beschouwd. Messer Gentile leefde steeds als vriend van Niccoluccio en zijn verwanten en die der donna.
Wat zult gij hier zeggen, welwillende donna’s? Zoudt gij denken, dat een koning, die zijn schepter en kroon geeft en een abt, die zonder schade een misdadiger met den Paus verzoende of een oude, die zijn keel biedt aan het mes van een vijand, vergeleken kunnen worden met de daad van messer Gentile, die jong en vurig, te recht meenend te bezitten, wat de dwaasheid van anderen had weggeworpen en wat hij door goed geluk had gevonden, niet alleen zijn liefde matigde maar ook terug gaf, wat hij langen tijd begeerd had en zocht te rooven. Zeker schijnt niets van het verhaalde mij hieraan gelijk.
VIJFDE VERTELLING.
Madonna Dianora eischt van messer Ansaldo een tuin in Januari even schoon als in Mei. Messer Ansaldo geholpen door een toovenaar, geeft haar dien. De echtgenoot staat toe, dat zij messire Ansaldo ter wille is, die dit hoorend haar van haar belofte ontslaat en de toovenaar, zonder iets van hem te verlangen, beschouwt hem als vrij van schuld.
Ieder van het vroolijk gezelschap verhief messer Gentile tot in de wolken, toen de koning beval Emilia te volgen, welke onbeschroomd verlangend te spreken, aldus begon: Teedere donna’s, Niemand kan ontkennen, dat messer Gentile ridderlijk gehandeld heeft, maar als men wilde beweren, dat men het niet noch schooner kan, zou het niet moeilijk zijn dit te weerleggen. Dit wil ik u in mijn verhaal toonen.
In Frioli, een koud land, maar vroolijk door schoone bergen, vele rivieren en heldere bronnen, leefde in een stad Udine, een mooie edelvrouw madonna Dianora, de gade van een voornaam, rijk man Gilberto, aardig en van knap uiterlijk. De donna won de liefde van een edelen en grooten baron, messire Ansaldo Gradense, een man van ondernemingsgeest en door zijn wapenfeiten en hoffelijkheid bij allen bekend. Hij deed alles, wat hij kon, om door haar bemind te worden en zond haar daartoe vaak boodschappen maar vergeefs. En daar de verzoeken van den ridder de donna hinderden en zij zag, dat hij niet ophield door haar weigeren noch haar te beminnen noch haar te bidden, bedacht zij door een naar haar meening onmogelijken eisch zich van hem te ontdoen en sprak tot een vrouw, die dikwijls zijnentwege tot haar kwam, aldus: Goede vrouw, gij hebt dikwijls beweerd, dat messer Ansaldo mij boven alles liefheeft en gij hebt wonderbare geschenken uit zijn naam aangeboden, die ik niet aannam, maar indien ik er zeker van ben, dat hij mij zóó liefheeft, als gij zegt, zou ik zeker trachten hem lief te hebben; indien hij wil beloven, wat ik hem zal vragen, zal ik tot zijn beschikking zijn. De goede vrouw zeide: Wat verlangt gij van hem? Zij antwoordde dit: Ik wil in de komende maand Januari bij deze stad een tuin vol groen gras, bloemen en boomen met bladeren evenals in Mei; als hij dit niet geeft, laat hij u dan niet meer sturen, omdat, als hij mij weer zal hinderen, ik mij bij mijn man en familie zal beklagen, wien ik tot nu toe alles verborg.
De ridder, die het voorstel van de donna hoorde, nam zich toch voor, hoe moeilijk en onmogelijk het hem scheen, het te beproeven en ging in vele deelen der wereld iemand zoeken om hulp en raad. Hij ontmoette iemand, die aanbood voor veel geld het te bewerkstelligen door tooverij. Toen messer Ansaldo voor een zeer groote som het met hem eens werd, wachtte hij verheugd den hem gestelden tijd af. Het was toen zeer koud en alles vol sneeuw en ijs en de waardige man handelde in een zeer schoone weide vlak bij de stad in den nacht voor één Januari zóó, dat op den morgen volgens ooggetuigen, een der schoonste tuinen verscheen met gras en boomen en vruchten van allerlei soort. Toen messire Ansaldo dit gezien had, liet hij zeer verheugd er de schoonste vruchten en bloemen plukken, liet die in ’t geheim zijn donna aanbieden en haar uitnoodigen den tuin, door haar geëischt, te zien, en dat zij zich de belofte zou herinneren en die zou houden.
De donna hoorde door velen over den wonderbaren tuin spreken, en kreeg berouw. Maar daar zij begeerig was wonderen te zien, ging zij er met vele andere donna’s van de stad heen, prees die niet zonder verbazing, en ging, bedroefder dan eenige vrouw, naar huis denkend aan wat zij verplicht was. Zij kon haar smart niet verbergen; de echtgenoot merkte dit en wilde de reden weten. De donna zweeg uit schaamte; ten laatste vertelde zij hem alles. Gilberto werd eerst heel kwaad. Toen de reine bedoeling van de donna in aanmerking nemend, gaf hij zijn besten raad na zijn toorn te hebben verdreven: Dianora, het is geen daad van een wijze of eerbare donna zulk een boodschap aan te hooren noch op eenige voorwaarden haar eerbaarheid aan een verdrag te wagen. Woorden in het hart opgenomen, hebben grooter kracht dan velen denken en bijna alles wordt voor minnaars mogelijk; gij hebt dus slecht gehandeld. Maar omdat ik de reinheid van uw ziel ken, zal ik om u van uw belofte te ontslaan, u dat toestaan, wat wellicht geen ander zou veroorloven ook, omdat ik bang ben voor den toovenaar, waardoor misschien messer Ansaldo, als gij met hem spot, ons schade zou doen. Ik wil, dat gij naar hem toe gaat en u best doet, zooveel gij kunt, dat gij met het oog op uw eerbaarheid van die belofte bevrijd wordt. Zoo het niet anders kan, geef hem dan ditmaal uw lichaam maar niet uw ziel. De donna weende en weigerde hem zulk een gunst toe te staan. Gilberto, hoezeer de donna zich ook verzette, wilde, dat het geschiedde. De donna ging, toen het daagde, zonder veel opschik met twee dienaren en een kamervrouw naar messere Ansaldo. Toen deze dit hoorde, verbaasde hij zich zeer, liet den toovenaar roepen en sprak: Zie, hoeveel goeds uw kunst mij verschafte! Hij ontving haar met eerbied, beteugelde zijn begeerte, en nadat hij haar en de anderen in een fraaie kamer met een groot vuur had laten plaats nemen, zeide hij: Madonna, ik smeek u, indien de langdurige liefde, die ik u heb toegedragen, eenig loon verdient, dat het u niet zal hinderen mij de ware reden mede te deelen van uw vroege komst met dit geleide.
De donna beschaamd en met de tranen in de oogen, antwoordde: Messere, geen liefde, noch de gegeven belofte leidden mij hier, maar het bevel van mijn echtgenoot, die meer lettend op de smarten van uw onbeteugelde liefde dan op zijn en mijn eer, mij hierheen stuurde en daarom ben ik voor deze keer tot uw beschikking. Messer Ansaldo, die eerst over de donna verwonderd was, verbaasde zich nu nog meer en door de gezindheid van Gilberto bewogen veranderde zijn hartstocht in medelijden en hij zeide: Madonna, God verhoede, dat ik de eer schend van hem, die zich over mijn liefde ontfermt en daarom zult gij hier zijn als mijn zuster en als het u aangenaam is, kunt gij vrij vertrekken op voorwaarde, dat gij aan uw man voor zooveel beleefdheid die gunsten schenkt, die gij goed zult achten en gij mij altijd in de toekomst tot broeder en dienaar wilt hebben. De donna blijder dan ooit sprak: Als ik op uw gewoonten let, had ik niets anders van u verwacht, waarvoor ik u altijd verplicht zal zijn. En na afscheid te hebben genomen, ging zij eervol begeleid terug naar Gilberto en vertelde hem het gebeurde. Daaruit kwam tusschen hem en messer Ansaldo een innige en trouwe vriendschap voort. De toovenaar, voor wien messer Ansaldo zich gereed maakte de beloofde som te geven, zeide, toen hij de mildheid van Gilberto jegens Ansaldo en die van messer Ansaldo jegens de donna zag: God beware mij, dat ik, die de edelmoedigheid van Gilberto jegens u bemerkte, niet even mild zou zijn en daarom wil ik, dat het uwe blijft, wat ik weet, dat u te pas kan komen. De ridder schaamde zich en deed zijn best hem alles of een deel te betalen, maar tevergeefs. Na drie dagen deed de toovenaar zijn tuin verdwijnen en beval hem Gode aan. Ansaldo na zijn overspelige liefde te hebben overwonnen bleef ontgloeid in een eerlijke vriendschap voor haar.
Wat zullen wij zeggen, verliefde donna’s! Zullen wij de dood gewaande donna en de liefde reeds verkoeld door de verloren hoop tegenover die edelmoedigheid van messer Ansaldo kunnen stellen, die meer dan ooit liefheeft en door meer hoop ontbrand is en in zijn handen de zoo lang gevolgde prooi houdt? Het schijnt mij dwaas te gelooven, dat die edelmoedigheid daarmee is te vergelijken.
ZESDE VERTELLING.
De oude koning Carlo, de Zegevierende, wordt op een jong meisje verliefd; beschaamd over zijn dwaze gedachte huwt hij haar en haar zuster eervol uit.
Wie zou de verschillende redeneeringen der donna’s kunnen navertellen over wie de grootste edelmoedigheid toonde: Gilberto of Ansaldo of de toovenaar tegenover het gedrag van madonna Dianora? Na dezen beval de koning naar Fiammetta ziende, dat zij een einde aan het redetwisten zou maken en zij begon zonder verwijl aldus:
Schitterende donna’s. Altijd was ik van meening, dat men in een gezelschap als het uwe alles zóó breedvoerig moet verklaren, dat er geen aanleiding voor anderen meer kan zijn om over te twisten. Dit past beter op de hoogeschool dan voor ons, die ternauwernood geschikt zijn voor het spinnewiel en den weefstoel. En daarom zal ik, die misschien een zaak met tweeledige opvatting in het hoofd had en u door het verhaalde in twist zie, die laten varen en u er een vertellen, niet van een man van weinig beteekenis, maar van een waardig koning, die zeer ridderlijk te werk ging. Ieder van u heeft dikwijls gehoord van koning Karel den Oude of ook den Eerste door zijn prachtigen tocht en zijn roemrijke overwinning behaald op koning Manfred, waardoor de Ghibellijnen uit Florence werden verjaagd en de Guelfen er terugkeerden. Daardoor wilde een ridder, messer Neri degli Uberti [190], met al zijn bedienden en veel geld gevlucht uit de stad, nergens anders terugkomen dan onder de bescherming van koning Karel. Om op een eenzame plaats te leven en zijn dagen in rust te eindigen ging hij naar Castello da Mare di Distabia.
Op een voetboogs-pijlschot afstand van de stad te midden der olijven en notenboomen en kastanjes, waarvan de streek vol is, kocht hij een landgoed, waarop hij een schoon en gemakkelijk huis liet zetten en daarnaast een aardigen tuin aanleggen, te midden van welke hij naar ons gebruik een fraaien en helderen vijver liet graven en vulde die met veel visschen. Hij gaf om niets anders dan om zijn tuin zoo mooi mogelijk te maken. Eerst in den heetsten tijd begaf koning Karel om wat uit te rusten zich naar Castello da Mar. Hij wilde dien schoonen tuin zien. Nadat hij vernomen had van wie deze was, dacht hij, daar de ridder tot de hem vijandige partij behoorde, dat hij hem op een vriendelijker manier moest behandelen en liet hem melden, dat hij met vier metgezellen den volgenden avond in stilte bij hem in den tuin wilde komen eten. Dit was messer Neri zeer aangenaam en hij regelde alles om den koning zoo goed hij kon te ontvangen.
Toen die den heelen tuin en het huis van messer Neri gezien en geprezen had, zette de koning zich aan een der tafels, die aan den vijverkant geplaatst waren, na zich te hebben gewasschen en beval aan graaf Guido di Monforte, een van de metgezellen, naast hem plaats te nemen en messer Neri eveneens en aan de overige drie, die mee waren gekomen, dienst te doen, gelijk Neri het had vastgesteld. Er kwamen uitgezochte spijzen en zeer fijne en kostbare wijnen en de bediening was lofwaardig. Terwijl hij opgewekt avondmaalde en zich verheugde over de eenzame plaats, kwamen in den tuin twee jonge meisjes, waarvan de eene misschien vijftien jaar was, met losse haren blond als gouddraad en daarover een kleinen, lichten krans van maagdenpalm gewonden, wier oogen die van engelen schenen. Zij hadden de huid bedekt met een kleed van zeer fijn en sneeuwwit linnen, aan den gordel het nauwst en dat van daar omlaag, breed als een voorhangsel, tot op de voeten viel. Zij, die voorop ging, droeg op haar schouders een paar vischnetten, die zij met de linkerhand vasthield en in de rechter een langen stok. De tweede had op den linkerschouder een oventje en onder den linkerarm een bundel hout, in de hand een drievoet en in de andere hand een potje olie en een aangestoken fakkeltje. De koning verwonderde zich bij dien aanblik en wachtte gespannen af, wat dat beteekende. De meisjes traden eerbaar en beschaamd vooruit en maakten voor den koning een buiging. Zij, die de kachel droeg, plaatste die op den grond en toen het overige, nam den stok van haar gezellin en beide traden in den vijver, waarvan het water hun tot de borst steeg. Een der bedienden van Neri stak haastig het vuur aan en na de kachel op den drievoet te hebben geplaatst en er de olie op te hebben gegoten begon hij af te wachten, dat de meisjes hem visch zouden toewerpen.