De Decamerone van Boccaccio

Chapter 60

Chapter 604,165 wordsPublic domain

De bediende onthield die woorden en hoewel hij er veel opving, daar hij den ganschen dag met hem reisde, hoorde hij hem verder alles zeggen tot den hoogsten lof des konings. Toen hij den volgenden dag naar Toscane wilde rijden, meldde de bediende hem het vorstelijk bevel. De koning hoorde, wat hij van den muilezel gezegd had, liet hem roepen, ontving hem met blij gelaat en vroeg hem, waarom hij hem met zijn muilezel had vergeleken of liever den muilezel met hem. Messer Ruggieri zei ronduit: Mijn heer, omdat gij op hem gelijkt, want gij geeft, wanneer het niet moet en niet, wanneer het wel moet, evenals het dier waterde, toen het niet behoorde en niet, toen het wel behoorde. Toen sprak de koning: Messer Ruggieri, dat ik U niets heb geschonken, terwijl ik het velen deed, die bij U vergeleken niets zijn, komt niet daarvan, dat ik U niet erken als dapper en een groot geschenk waardig, maar het is Uw noodlot, dat hierin gezondigd heeft, daar dit mij niet in de gelegenheid liet en dat ik U de waarheid zeg, zal ik U duidelijk toonen. Hierop antwoordde messer Ruggieri: Mijn heer, ik ben niet verstoord, omdat ik geen geschenk ontvangen heb, maar omdat ik van U in geen enkel opzicht een getuigenis ontving van mijn waarde. Niettemin houd ik Uw verontschuldiging voor eerlijk en ben bereid te zien, wat gij mij wilt toonen, hoewel ik U zonder bewijzen geloof. De koning leidde hem toen in een groote zaal, waar, gelijk hij het van te voren besloten had, twee groote, gesloten koffers waren en in veler tegenwoordigheid zeide hij: Messer Ruggieri in een van die koffers is mijn kroon, de koninklijke schepter en de rijksappel en vele van mijn schoone gordels, ketens, ringen en verdere juweelen; de andere is vol aarde. Neem er een van en welke gij ook kiest, zal de Uwe zijn en gij zult kunnen zien, wie ondankbaar is geweest jegens Uw dapperheid: ik of het lot. Messer Ruggierri koos er een, welken de koning beval te openen en men vond, dat die vol aarde was. Hierop sprak de koning lachend: Gij kunt wel zien, messer Ruggieri, dat het waar is, wat ik U zeg van het lot, maar zeker verdient Uw dapperheid, dat ik mij tegen zijn krachten verzet. Ik weet, dat gij geen lust hebt Spanjaard te worden en daarom wil ik U hier noch kasteel noch stad geven, maar dien koffer, welken de fortuin U ontnam, wil ik U ondanks haar schenken, en gij kunt dien naar Uw land medenemen en U als bewijs van Uw moed bij Uw makkers beroemen op mijn geschenken. Messer Ruggieri nam dien aan en na die dankbetuigingen te hebben geschonken, bij zulk een gift passend, keerde hij met dezen verheugd naar Florence terug.

TWEEDE VERTELLING.

Ghino di Tacco neemt den abt van Cligny gevangen, geneest hem van maagziekte en laat hem daarna vrij. Deze, naar het Hof van Rome teruggekeerd, verzoent hem met Paus Bonifacius en doet hem tot Prior der Hospitaal-Ridders benoemen.

Reeds was de grootmoedigheid van koning Alphonso jegens den Florentijnschen ridder geprezen, toen de koning, aan wien de geschiedenis zeer had behaagd, Elisa beval te volgen, die haastig aldus begon: Teedere donna’s. Het kan slechts als een lofwaardige en grootsche zaak beschouwd worden, dat een koning zich grootmoedig toont en die gulheid gebruikt jegens iemand, die hem gediend heeft. Maar wat zullen wij het noemen, als men ons verhaalt, dat een geestelijke een bewonderenswaardig mildheid heeft toegepast jegens iemand, waar geen mensch het gelaakt had dien als vijand te behandelen? Zeker niet anders dan bij den koning een deugd, maar bij den geestelijke een wonder, daar zij allen gieriger zijn dan de vrouwen en geslagen vijanden van alle vrijgevigheid. Hoewel iedereen wraak verlangt voor ontvangen beleedigingen, zoeken de geestelijken, hoezeer zij lijdzaamheid prediken en ten zeerste de vergiffenis voor beleedigingen, die met veel meer vuur dan de andere menschen. Dat een priester grootmoedig was, zult gij duidelijk uit mijn volgende geschiedenis begrijpen.

Ghino di Tacco, een man berucht om zijn wreedheid en zijn rooftochten, die uit Siena was weggejaagd en een vijand der graven van Santa Fiore, deed Radicofani opstaan tegen de Roomsche Kerk en terwijl hij daar woonde, liet hij door zijn volgelingen ieder, die in de omstreken voorbijging, uitplunderen. Toen nu Bonifacius VIII Paus was, kwam de abt van Cligny aan zijn Hof, dien men geloofde een der rijkste prelaten van de wereld te wezen. Daar hij er zijn maag had bedorven, werd hem door de doktoren aangeraden zich naar de baden van Siena te begeven.

Nadat de Paus hem dit had toegestaan, ging hij zonder zich om de faam van Ghino te bekommeren met praal van lastdieren, paarden en bedienden op reis. Ghino di Tacco, die zijn aankomst gewaar werd, spande zijn valstrikken en zonder zelfs een schildknaap te verliezen sloot hij den abt met zijn heele personeel op een enge plaats in. Hierop zond hij naar den abt een der zijnen, den best bespraakten, die hem uit zijn naam op zeer beminnelijke wijze, vroeg of het hem zou behagen met hem naar het kasteel van Ghino te gaan. Toen de abt dit hoorde, antwoordde hij verwoed, dat hij het niet wilde, omdat hij niets met Ghino te maken had, maar dat hij voortging en zou zien, wie het hem zou beletten. Hierop sprak de bode op nederigen toon:

Messire, gij zijt op een plaats gekomen, waar wij buiten Gods toorn niets vreezen en waar de excommunicaties en de banvloeken allen zelf in den ban zijn gedaan en daarom zou het het best zijn hiermee Ghino een genoegen te doen. Reeds was bij dit gesprek de gansche plaats door snorrebaarden omringd, zoodat de abt, die zich gevangen zag met de zijnen, zeer verontwaardigd met den bode den weg insloeg naar het kasteel en zijn heele gevolg. Hij werd in een kleine kamer van een zeer donker en ongeriefelijke verblijf gebracht maar ieder ander werd naar zijn rang vrij goed in de sterkte gehuisvest en de paarden en de heele bagage veilig geborgen. Toen begaf Ghino zich naar den abt en zeide: Messire, Ghino, wiens gast gij zijt, verzoekt U, dat het U behage hem te zeggen, waar gij heen gaat en waarom. De abt, die verstandig zijn trots had afgelegd, beduidde hem, waar hij heen ging en waartoe. Ghino ging daarop weg, en besloot hem zonder bad te genezen en nadat hij steeds in het kamertje een groot vuur liet branden en het goed liet onderhouden, kwam hij eerst den volgenden morgen terug en bracht hem in een blanke doek twee sneden geroosterd brood en een grooten beker witten wijn van Cornaglia, van denzelfden, dien de abt had en sprak aldus tot deze: Messer, toen Ghino jonger was, studeerde hij in de medicijnen en hij beweert, dat er geen beter genezing tegen maagpijn is dan hij U zal klaar maken, waarvan dit het begin is; neem dit dus en versterk U. De abt, die meer honger had dan lust om te schertsen, at, hoewel hij verontwaardiging voorgaf, het brood en dronk den wijn en sprak uit de hoogte, praatte veel, gaf veel raad en vroeg in het bijzonder om Ghino te zien. Ghino liet een deel daarvan ijdel maar waaien, maar op een en ander antwoordde hij zeer beleefd en beweerde, dat die hem zoo gauw mogelijk zou bezoeken. Toen ging hij heen en kwam pas den volgenden dag terug met een ander geroosterd brood en anderen, witten wijn en zoo onderhield hij hem verscheidene dagen, tot hij merkte, dat de abt droge boonen had gegeten, die hij in ’t geheim mee had gebracht. Daarom liet hij hem zijnentwege vragen, hoe het met zijn maag was. De abt antwoordde: Die zou mij in orde schijnen, als ik uit zijn handen was en verder heb ik in niets trek dan te eten, zoo goed hebben zijn medicijnen mij genezen.

Ghino, die vervolgens voor hem met zijn eigen bagage en zijn eigen bedienden een mooie kamer had laten inrichten en een groot gastmaal had laten maken, waar met vele mannen van het slot het heele personeel van den abt aanzat, ging den volgenden morgen naar hem toe en sprak tot hem: Messer, daar gij U zoo wel voelt, is het tijd uit het gasthuis te vertrekken. Hij leidde hem bij de hand naar zijn gereed gemaakte kamer, bracht hem bij zijn gevolg en liet een prachtig gastmaal aanrichten. De abt vermaakte zich met de zijnen en vertelde hun, hoe zijn leven geweest was, terwijl zij integendeel allen mededeelden, dat zij wondergoed door Ghino waren ontvangen. Maar op het etensuur werden de abt en al de anderen behoorlijk van goede spijzen en wijnen voorzien, zonder dat Ghino zich nog aan den abt deed kennen. Toen de abt eenige dagen zoo had doorgebracht, liet Ghino in een zaal zijn heele bagage brengen en op een binnenplaats daaronder al zijn paarden tot den ellendigsten knol toe, ging naar den abt en vroeg hem, hoe hij het maakte en of hij zich sterk genoeg geloofde om op te stijgen. Hierop antwoordde de abt, dat hij flink genoeg was en zijn maag goed genezen en gaarne uit de handen van Ghino zou raken. Toen leidde Ghino hem in de zaal, waar zijn bagage was en zijn geheele personeel en naar een venster, waar hij al zijn paarden kon zien en sprak: Heer abt, gij moet weten, dat het geen boosheid van ziel geweest is, die Ghino di Tacco er toe bracht—en die ben ik—straatroover te worden en een vijand van Rome’s Hof, maar dat hij edelman is en arm uit zijn huis verjaagd en vele en machtige vijanden heeft en zoo zijn leven en zijn adel moet verdedigen.

Maar omdat gij mij een waardig heer schijnt en ik U hier de maag heb genezen, ben ik niet van plan U anders te behandelen dan ik het een ander zou doen van wien ik, als hij in mijn handen was, dat deel van het zijne tot het mijne zou maken, dat mij zou behagen, maar ik wensch, dat gij dit deel van het Uwe tot het mijne maakt, wat gij zelf verkiest. Hier ligt alles en Uw paarden kunt gij uit dat venster op de binnenplaats zien. Neem daarom of een deel of alles en blijf of ga van nu af, gelijk het U bevalt. De abt verbaasd, dat de woorden van een straatroover zoo edelmoedig waren, onderdrukte dadelijk zijn toorn en verontwaardiging, en veranderde die daarentegen in welwillendheid, werd van harte met Ghino bevriend, wilde hem omarmen en zeide: Ik zweer bij God, dat om de vriendschap te winnen van zulk een man als gij, ik een veel grooter beleediging zou dulden. Vervloekt zij het noodlot, dat U tot zulk een afkeurenswaardig beroep dwingt! Daarna liet hij van zijn vele zaken er zeer weinig en slechts de noodige meenemen en eveneens van de paarden. Na hem al de anderen te hebben gegeven keerde hij terug naar Rome. Daar de Paus de gevangenneming van den abt had vernomen en dit hem zeer verdroot, vroeg hij hem, toen hij hem zag, of de baden hem goed hadden gedaan. De abt antwoordde lachend: Heilige Vader, ik heb dichterbij een beter dokter gevonden en hij vertelde hem het middel, waarover de Paus lachte. Hierop vroeg de abt volgens zijn belofte uit edelmoedigheid een gunst. De Paus denkend, dat hij wat anders zou verzoeken, stond hem dit gul toe. Toen sprak de abt: Heilige Vader, wat ik U wil vragen, is, dat gij genade schenkt aan Ghino di Tacco, mijn dokter, omdat hij van de waardige mannen, waarvan ik er velen ontmoette, zeker een van de beste is en welk kwaad hij ook doet, dit is, meen ik, veel meer een zonde van zijn lot dan van hem zelf. Verander dus zijn lot en maak dat hij naar zijn rang kan leven en ik twijfel er dan niet aan, dat het binnen kort U zoo zal voorkomen als aan mij. De Paus, die groot van ziel was en veel van waardige mannen hield, wilde dit gaarne doen, mits het was, gelijk de abt meldde. Ghino kwam zoo onder vrijgeleide ten hove en spoedig hield de Paus hem voor een waardig man en na zich met hem verzoend te hebben gaf hij hem een groot prioraat van de Hospitaal-Orde, van welke hij hem Tempelridder maakte. Dit ambt behield hij, zoolang hij leefde, als vriend en dienaar der heilige Kerk en van den abt van Cligny.

DERDE VERTELLING.

Mithridanes jaloersch op de edelmoedigheid van Nathan wil hem dooden en zonder deze te kennen, ontmoet hij dien zelf; onderricht door dezen over het middel daartoe, ontdekt hij hem in een boschje, dat die er voor had aangewezen, schaamt zich, als hij hem erkent en wordt zijn vriend.

Het scheen allen een wonder, dat een geestelijke een zaak grootmoedig behandelde, maar toen de de donna’s al met praten ophielden, beval de koning aan Filostrato voort te gaan, die haastig begon: Edele donna’s. Groot was de mildheid van den koning van Spanje en ook die van den abt van Cligny, maar het zal U nog wonderlijker voorkomen, dat een grootmoedig man jegens een ander, die zijn bloed en zijn leven begeerde, wijs besloot het hem te geven. En hij zou het geschonken hebben, als de ander het had willen aannemen, hetgeen ik U zal vertellen.

Het is zeer zeker, (als men geloof kan hechten aan de woorden van eenige Genueezen en eenige anderen, die in die streken geweest zijn) dat er vroeger in zekere gedeelten van Cattajo [189] een man leefde van edel geslacht en onvergelijkelijk rijk, Nathan, die een bezitting had bij een straatweg, waar noodzakelijk haast iedereen passeerde, die van het Westen naar den Levant of van het Oosten naar het Westen wilde gaan en daar hij grootmoedig en mild was en dit wilde toonen, liet hij er, daar hij over vele kunstenaars kon beschikken, in korten tijd het schoonste en rijkste paleis bouwen, dat ooit was aanschouwd en liet dit voorzien van al wat noodig was om edellieden te onthalen. Hij had een groot en schoon dienstpersoneel, en liet er met welwillendheid en eer elk, die kwam onthalen. Hij hield die lofwaardige gewoonte zóó vol, dat niet alleen het Oosten, maar ook heel het Westen hen door de faam kende. Toen hij al oud was, zonder dat zijn gulheid was verzwakt, bereikte zijn roem een jongeling Mithridanes uit een land niet ver van het zijne, die wetend, dat hij niet armer was dan Nathan, zoo jaloersch was geworden op zijn roem en zijn deugd, dat hij zich voornam die met grooter vrijgevigheid of te vernietigen of te overschaduwen. Na een paleis te hebben laten bouwen gelijk aan dat van Nathan begon hij de buitensporigste mildheid te betuigen aan ieder, die daar kwam en hij werd in korten tijd beroemd. Terwijl hij eens geheel alleen in den hof van zijn paleis was, vroeg een vrouwtje door een der poorten binnengetreden hem een aalmoes en ontving die en door een tweede poort weer bij hem gekomen, kreeg zij er nog een en zoo vervolgens twaalf maal maar de dertiende maal sprak Mithridanes; Vrouwtjelief, gij zijt niet vlug tevreden, maar niettemin gaf hij haar de aalmoes. Het oudje zeide: O milddadigheid van Nathan, wat zijt gij wonderbaar! Want ik werd nooit na door de twee en dertig poorten van zijn paleis te zijn binnengetreden en hem een aalmoes te hebben gevraagd door hem herkend, zóó dat hij het toonde, en kreeg die altijd en hier ben ik er nog geen dertien door gegaan of ik word herkend en berispt. Zonder terug te keeren ging zij heen. Mithridanes, die hoorde, dat de roem van Nathan den zijne verminderde, zei in woedende gramschap ontbrand: O ongeluk over mij! Wanneer zal ik de mildheid van Nathan in groote dingen bereiken, als ik hem zelfs nog niet in de kleinsten kan nabij komen? Waarlijk, ik vermoei mij tevergeefs, als ik hem niet van de wereld stuur, wat ik, daar de ouderdom hem niet weg voert, zonder twijfel met eigen handen zal moeten doen. Zonder zijn plan aan iemand mede te deelen en met weinig geleide te paard gestegen, kwam hij na drie dagen, waar Nathan woonde en na aan zijn metgezellen bevolen te hebben te doen of zij hem niet kenden, zeide hij hun een herberg te zoeken tot nader order. Hij trof tegen den avond alleen gebleven niet ver weg Nathan voor het schoone paleis, die zonder pronkkleed eenzaam wandelde. Daar hij hem niet kende, vroeg hij hem te zeggen, waar Nathan woonde. Nathan antwoordde blijmoedig: Mijn zoon, niemand in deze streek weet het U beter te zeggen dan ik en daarom zal ik U, als het U behaagt, er heen leiden. De jongeling zeide, dat dit hem zeer aangenaam zou zijn, maar dat hij zoo mogelijk door Nathan noch gezien noch gekend wilde worden. Nathan sprak toen: Dit zal ik doen, omdat U dat wilt. Toen Mithridanes was afgestegen, ging hij met Nathan in aangenaam gesprek naar diens prachtig paleis. Hier liet Nathan door een van zijn bedienden het paard van den jonkman vasthouden en fluisterde hem in, dat hij haastig aan allen in het paleis zou mededeelen, dat niemand aan den jongeling zou zeggen, dat hij zelf Nathan was. Hij liet Mithridanes in een zeer schoone kamer, waar niemand hem zag uitgezonderd zij, wien zijn bediening was opgedragen, liet hem prachtig onthalen, en hield hem zelf gezelschap. Terwijl Mithridanes bij hem bleef, vroeg hij hem toch, hoewel hij hem vaderlijk eerbiedigde, wie hij was. Nathan antwoordde: Ik ben een geringe dienaar van Nathan: ik ben van af mijn jeugd met hem oud geworden en hij gebruikte mij nooit voor iets anders dan voor wat gij ziet, zoodat, hoewel ieder ander hem zeer prijst, ik het slechts weinig kan doen. Deze woorden gaven aan Mithridanes hoop met meer overleg en sluwheid zijn verraderlijk plan uit te voeren. Nathan vroeg hem zeer beleefd, wie hij was en wat hem daarheen voerde en bood hem zijn raad en zijn hulp aan, waarin hij dit kon.

Mithridanes wachtte een oogenblik en besluitend zich hem toe te vertrouwen, vroeg hij met een lange omhaal zijn woord en daarna raad en hulp, zei, wie hij was en waarom hij kwam. Nathan was waarlijk hierbij geheel onthutst maar zonder te lang te dralen antwoordde hij met een gerust hart en een onbewogen gelaat: Mithridanes, Uw vader was een edel mensch, van welken gij niet moogt ontaarden, nu gij zulk een trotsch besluit genomen hebt jegens allen grootmoedig te zijn en ik prijs U zeer om Uw afgunst op de deugd van Nathan. Als er meer zoo waren, zou de wereld die nu zeer ellendig is, spoedig goed worden. Uw voorstel zal geheim blijven, maar ik kan er eer nuttigen raad dan groote hulp voor verleenen, en wel deze: Gij kunt van hier misschien op een halve mijl afstand een boschje zien, waarin Nathan elken morgen geheel alleen voor ontspanning een lange wandeling doet; daar is hij gemakkelijk te treffen. Ga, indien gij hem doodt, opdat gij zonder hindernis naar huis terugkeert, niet denzelfden weg terug, maar dien gij links uit het bosch ziet komen, omdat deze een weinig meer ongebaand dichter bij Uw huis is en veiliger. Daarna liet Mithridanes in ’t geheim aan zijn metgezellen weten, waar zij hem den volgenden dag moesten wachten. Nathan ging onveranderlijk in zijn gevoelens volgens den raad, dien hij had gegeven, naar het boschje om te sterven. Mithridanes nam zijn boog en zijn degen,—want andere wapens had hij niet,—ging er te paard heen en zag Nathan van verre alleen wandelen. Voor hij hem aanviel, wilde hij hem zien en spreken, liep op hem toe, greep hem bij den doek op het hoofd en zeide: Grijsaard, gij zijt des doods! Nathan antwoordde er niets op als: Dan heb ik dien verdiend. Mithridanes, die hem aan stem en gelaat herkende, als degene, die hem welwillend had ontvangen en trouw had geraden, liet opeens zijn woede varen en zijn toorn veranderde in schaamte. Daarop steeg hij af na den degen te hebben weggeworpen, viel klagend Nathan te voet en zeide: Nu ken ik Uw gastvrijheid, dierbare vader, nu ik zie hoe, gij hier gekomen zijt om mij Uw leven te geven, wat ik zonder rede toonde te begeeren. Maar God, die meer nauwgezet is op mijn plicht dan ik, heeft op het ware oogenblik mijn oogen geopend, die gesloten waren door ellendigen nijd. En ik verdien te meer straf voor mijn dwaling, naarmate gij meer bereid waart, mij te dienen. Neem die wraak, welke gij voor mijn zonde eischt. Nathan hief hem op, omhelsde en kuste hem teeder en sprak: Mijn zoon, voor uw plan of gij het misdaad of hoe ook noemen wilt, behoeft gij geen vergeving te vragen, omdat gij het niet uit haat hebt gevolgd maar om voor braver door te gaan. Leef ongestoord voort en wees er zeker van, dat er niemand is, die zooveel van U houd als ik, want ik begrijp den trots van Uw ziel, die er zich aan wijdde niet slechts te verzamelen, gelijk de ellendigen doen, maar het verzamelde te besteden. Evenmin behoeft gij U te schamen mij uit roemzucht te dooden noch te denken, dat ik mij er over verwonder. De beroemdste keizers en de grootste koningen hebben niet anders dan door moorden niet één man, zooals gij het wilde, maar oneindig veel menschen gedood, de landen plat gebrand en de steden vernield om hun rijken te vergrooten en bijgevolg hun roem. Als gij om U meer beroemd te maken mij hebt willen dooden, hebt gij niets wonderlijks of nieuws gedaan, maar iets zeer gewoons.

Mithridanes, die zijn boos plan niet verontschuldigde, maar die de vereerende verontschuldiging van Nathan zeer prees, zeide, dat hij zich zeer verwonderde over den raad, dien bij hem gaf. Hierop zei Nathan: Mithridanes, verwonder U niet, omdat ik, sinds ik mijn eigen wil had en besloot hetzelfde te doen als gij, niemand ooit in mijn huis ontving, dien ik niet voldeed, wat hij ook vergde. Gij zijt hier gekomen begeerig naar mijn leven, daarom, opdat gij ook niet onbevredigd zoudt weggaan, besloot ik het U te schenken. Ik gaf U den raad, dien ik, geschikt achtte; U mijn leven te geven en U het Uwe niet te doen verliezen. Gij kunt het nog nemen, daar ik het niet beter weet te besteden. Ik heb het al tachtig jaar voor mijn genoegens en voor mijn weldadigheid gebruikt en ik volg den loop der natuur, die mij nog maar weinig tijd overlaat. Daarom acht ik het veel beter dat te offeren, gelijk ik steeds mijn schatten gegeven en verteerd heb, dan dit te bewaren tot het tegen mijn wil mij door de natuur wordt ontnomen. Het is een klein geschenk honderd jaar te geven; hoeveel minder is het dan niet de zes of acht te schenken, die ik nog heb te leven? Neem het dus, als dit U bevalt, bid ik U, omdat ik, terwijl ik hier geleefd heb, niemand vond, die het heeft begeerd, en ik ook niemand zal vinden, die het wenscht. En mocht ik nog iemand vinden, dan weet ik, dat hoe langer ik het houd, hoe minder het waard zal zijn; en omdat het minder waard wordt, bid ik U het te nemen. Mithridanes zeide beschaamd: God verhoede, dat ik uw zoo kostbaar leven neem of dat ik er de begeerte toe krijg als voor kort, wat ik niet met zijn jaren wil verminderen maar gaarne met de mijne verlengen. Nathan sprak snel: Wel, gij kunt het verlengen en schenk mij uw leven, die nooit iets van anderen nam. Goed, zeide Mithridanes. Dan, sprak Nathan, handel, gelijk ik zeg. Blijf als jongeling in mijn huis en noem U Nathan en ik zal naar het Uwe gaan en Mithridanes heeten. Toen antwoordde Mithridanes: Indien ik nu wist te handelen als gij, zou ik het aannemen, maar omdat mijn handelwijzen den roem van Nathan zouden verminderen en ik niet bij anderen wil bederven, wat ik bij mezelf niet wist te verkrijgen, zal ik dit niet aannemen. Bij deze geestige woorden gingen zij naar het paleis terug, waar Nathan Mithridanes prachtig onthaalde en hem met al zijn vernuft en wetenschap in zijn grootsch plan versterkte. Mithridanes ging met zijn gezelschap huiswaarts, nadat Nathan hem wel had doen ondervinden, dat hij hem nooit in mildheid zou kunnen overtreffen.

VIERDE VERTELLING.

Messer Gentil de’ Carisendi haalt teruggekeerd van Modena een donna door hem bemind, die voor dood is begraven, uit het graf, welke hersteld een zoon baart en messer Gentile geeft haar en den zoon terug aan Niccoluccio Caccianimico, haar echtgenoot.

Het scheen allen een wonder, dat iemand zoo vrijgevig was met zijn eigen bloed en zij erkenden, dat Nathan werkelijk den koning van Spanje en den abt van Cligny overtrof. Toen er over een en ander genoeg gezegd was, beduidde de koning Lauretta, dat zij zou spreken, die opgewekt begon: