Chapter 6
De markies van Montferrat [13], een man van grooten moed, een banierdrager der Kerk, was bij een kruistocht der Christenen over zee getrokken. Toen men aan het Hof van koning Philippus den Eenoogigen, die zich voorbereidde uit Frankrijk denzelfden tocht te maken, over zijn moed sprak, werd er door een ridder beweerd, dat er onder de sterren geen paar bestond gelijk aan dat van den markies en zijn vrouw. Want even als de markies onder de ridders om iedere deugd beroemd was, was de markiezin onder alle dames der wereld de schoonste en de waardigste. Deze woorden troffen den koning van Frankrijk zóó, dat hij zonder haar ooit te hebben gezien, haar dadelijk hartstochtelijk begon te beminnen en hij nam zich voor bij den kruistocht waar hij aan meedeed, nergens anders in zee te steken dan te Genua, opdat hij, door over land te gaan, een eerlijk voorwendsel had, om de markiezin noodzakelijk te zien. Hij overlegde in stilte, dat, als de markies er niet was, hij aan zijn begeerte kon voldoen. Zoo gezegd, zoo gedaan. Hij ging na alle manschappen vooruit gestuurd te hebben met weinig volk en edellieden op weg en toen hij de landgoederen van den markies naderde, liet hij één dag te voren aan de donna berichten, dat zij hem den volgenden morgen aan het middagmaal moest verwachten. De edelvrouw, wijs en voorzichtig, antwoordde vriendelijk, dat dit een gunst was hooger dan ieder andere en dat hij welkom zou wezen. Zij dacht er over na, wat het beteekende, dat een koning, van zoo’n karakter, terwijl haar echtgenoot er niet was, haar kwam bezoeken. Het idee bedroog haar dan ook niet, dat haar schoonheid hem aantrok. Niettemin als een waardige vrouw was zij bereid hem te ontvangen. Zij had die goede mannen tot zich laten roepen, die achter gebleven waren volgens wier raad zij bij iedere gelegenheid orders liet geven, maar zij wilde de bevelen voor het gastmaal en de spijzen zelf geven. Zonder verwijl liet zij zooveel kippen als er in de streek maar te krijgen waren bijeen brengen en liet uitsluitend daarvan door de koks de verschillende gerechten voor het koningsmaal bereiden. De koning kwam dan ook op den bepaalden dag en werd met groote feestelijkheid en eer door de donna ontvangen. Zij scheen hem, terwijl hij haar aanschouwde schooner, waardiger en hoffelijker dan hij uit de woorden van de ridders had opgemaakt. Hij bewonderde haar uitermate en vleide haar zeer. Het wakkerde des te meer zijn begeerte aan, omdat hij vond, dat zij zijn vroegere voorstelling nog overtrof. Nadat hij eenige rust had genomen in de kamers, die versierd waren gelijk dit behoort om zulk een koning te ontvangen, zetten zich de vorst en de markiezin, toen het uur van het middagmaal geslagen had, aan een disch en de andere werden naar hun rang aan andere tafels onthaald. Daar de koning van vele spijzen bediend werd en van zeer goede en kostbare wijnen en hij bovendien telkens de zeer schoone markiezin aanzag, genoot hij buitengewoon. Maar toch toen het eene gerecht na het andere kwam, begon de koning zich te verbazen, toen hij gewaar werd, dat, hoe verscheiden die ook waren, zij toch uit niets anders bestonden dan kip.
Daar de koning de plaats kende, waar hij was en wist, dat er overvloed van wildbraad moest zijn en hij van zijn komst van te voren de donna had verwittigd, had hij haar tijd gegeven om te laten jagen. Hoewel hij zich daar zeer over verwonderde, wilde hij haar over niets anders laten spreken dan over haar kippen en zich met vriendelijk gezicht tot haar wendend, zeide hij: “Worden er in dit land, mevrouw, alleen kippen geboren zonder één haan?”
De markiezin, die de vraag maar al te wel verstond, en daar het haar scheen, dat God haar volgens haar verlangen nu de gunstige gelegenheid had gegeven om haar opzet te doen blijken, antwoordde den koning en keerde zich naar hem in trotsche houding: “Neen, Sire, maar de vrouwen, hoewel zij als de kippen in tooi en rangorde verschillen, zijn hier van nature evenals elders.” Toen de koning die woorden begrepen had, doorzag hij al te wel de reden van het gastmaal met kippen en de beteekenis verborgen in dit antwoord. Hij werd er van overtuigd, dat aan zulk een dame alle woorden verspild waren en dat geweld hier niet gebruikt kon worden. Daarom vond hij het wijs zijn slecht ontvangen hartstocht bij hem te kwader ure ontbrand, tot zijn eigen eer te beteugelen. Zonder haar verder met opmerkingen te vervolgen, at hij bevreesd voor haar antwoorden, zonder eenige hoop op succes. Toen het afgeloopen was, bedankte hij haar voor de bewezen eer en wilde met een spoedig vertrek zoo gauw mogelijk zijn trouweloos bedoelde komst herstellen. Hij beval haar Gode aan en begaf zich naar Genua.
ZESDE VERTELLING.
Een oprechte leek straft door een aardige zet de huichelarij van de monniken.
Toen allen de waardigheid van de markiezin en de aardige kastijding van den Koning van Frankrijk geprezen hadden, begon Emilia, die naast Fiametta zat, en naar het de koningin behaagde, vrijmoedig te vertellen: Ik zal op mijn beurt spreken over een geestig en lofwaardig woord door een leek gericht tot een gierigen monnik.
Er leefde dan, o waarde jongelieden, nog niet lang geleden in onze stad een Minderbroeder [14], Inquisiteur van kettersche misdaden, die alles deed om heilig te schijnen en een hechte liefde te koesteren voor het christelijk geloof. Maar hij onderzocht even goed wie een volle beurs had als wien hij verdacht van ongeloof. Daarnaar strevende trof hij toevallig een man aan, die rijker aan geld was dan aan verstand, en die, niet door gebrek aan geloof, maar misschien door wijn en overgroote vroolijkheid verhit, er toe kwam tot zijn dischgenooten botweg te zeggen, dat hij zulk een goeden wijn had als zelfs Christus nooit had gedronken. Dit gezegde werd den Inquisiteur overgebracht en deze wist, dat het vermogen van den schuldige zeer groot was. Met de grootste gestrengheid viel hij daarom op hem aan met het doel hem een vreeselijk proces op den hals te schuiven, niet zoozeer met het plan om zijn ongeloof bij het verhoor te verminderen als wel om diens florijnen in handen te krijgen. Hij liet hem roepen, en vroeg hem, of het waar was, wat hem ter ooren was gekomen. De goede man bekende en verklaarde zijn bedoeling. Hierop antwoordde de zeer heilige en vrome Inquisiteur van Sint Johannes Goudmond: Je hebt dus Christus voor een drinker uitgemaakt en een liefhebber van de heilige wijnen, alsof hij een Cinciglione [15] was, zoo’n soort dronkelap en kroeglooper als jij. En nu wil je met ootmoedig praten beweren, dat dit niets beteekent. Het is niet zoo min als het jou schijnt, want je hebt er den brandstapel mee verdiend, indien we handelden naar onze plicht. Met deze en andere woorden en het gezicht van een strijder voor het geloof of die man Epicurus geweest was, welke onsterfelijkheid der zielen ontkent, sprak hij hem toe. In korten tijd joeg hij hem zulk een vrees aan, dat de brave man hem met een goede hoeveelheid der genademiddelen van Johannes Goudmond [16] de handen wou zalven. Dit hielp veel voor de ziekte der hebzucht van de geestelijken en speciaal voor de Minderbroeders, die geen geld mogen aanraken, opdat hij barmhartig jegens hem te werk zou gaan. Die zalving, die zeer krachtig werkt, hoewel Galienus er nergens in zijn medische werken van spreekt, had zooveel invloed, dat de brandstapel door die genade verminderde tot het dragen van een kruisteeken. [17] En alsof hij hem tot een kruistocht wilde noodzaken gaf hij hem om er mooier uit te zien een geel kruis op zijn zwart goed. Buitendien hield hij hem na het geld ontvangen te hebben, enkele dagen bij zich gevangen, en legde hem als straf op, dat hij elken morgen een mis in Santa Croce moest hooren en ’s middags bij hem moest komen. De rest van den dag kon hij doen, wat hij wou. Terwijl hij dit stipt deed, lette hij op een goeden morgen, bij een mis op een evangeliumtekst, waarin de volgende woorden werden gezongen: U zal honderdvoudig vergolden worden, en gij zult het eeuwige leven deelachtig worden. Dit prentte hij stevig in het geheugen en naar het gegeven bevel op het uur van het tweede ontbijt bij den Inquisiteur gekomen, vond hij hem daar aan het middagmaal. Deze vroeg hem of hij dien morgen de mis had gehoord. Hij antwoordde daarop: Ja. Toen hernam de Inquisiteur: Hoorde je daarin niets, waaraan je zoudt twijfelen of waarover je iets wilde vragen? Heelemaal niet, hernam de brave kerel, aan niets wat ik hoorde, twijfel ik, en alles houd ik voor zeker en waar. Maar ik heb één ding gehoord, dat mij zeer groot medelijden heeft gegeven en zal geven met U en Uw andere broeders, toen ik dacht aan den slechten toestand, waarin gij hiernamaals komen zult. Toen sprak de Inquisiteur: Wat was het woord, dat Uw medelijden met ons opwekte? De goede man antwoordde: Monseigneur, het was dat woord van het Evangelium, dat zegt: U zal honderdvoudig vergolden worden en gij zult het eeuwige leven deelachtig worden. De Inquisiteur zei: Dat is zoo, maar waardoor heeft dat woord U geroerd? Monseigneur, hernam de goede man, ik zal het U zeggen: sinds ik hier kom, heb ik elken dag buiten aan arme lieden, dan een, dan twee groote ketels met soep zien geven, welke men voor de broeders van dit klooster en voor U van te voren toch als overtollig ter zijde zet. Daarom, indien men voor elkeen er honderd hiernamaals U teruggeeft, dan zult gij er zooveel ontvangen, dat gij allen zult moeten verdrinken. Terwijl de anderen, die aan de tafel van den Inquisiteur zaten, allen moesten lachen, merkte deze, dat de soep-huichelarij gehekeld werd en verschoot geheel van kleur en als hij zich niet voor zichzelf geschaamd had, had hij hem een ander proces op den hals geschoven. Met die grap waren hij en de andere schelmen zóó geraakt, dat hij in zijn kwade bui hem beval weg te gaan en niet meer terug te komen.
ZEVENDE VERTELLING.
Bergamino straft op een bedekte manier met een verhaal van Primasseau en den abt de Cligny een plotse aanval van gierigheid van monseigneur Cane della Scala. [18]
De bekoorlijkheid van Emilia en haar vertelling bewoog de koningin en alle anderen om over het nieuwe bijbelsche inzicht van den man met een kruis gebrandmerkt, te lachen en het te prijzen. Maar toen de lachbui eindelijk bedaard was, begon Filostrato, aan wien de beurt tot verhalen kwam, aldus te spreken: Het is een verdienstelijke zaak, waarde dames, met een teeken dat te brandmerken, wat nooit verandert, maar ook is het wonderlijk, wanneer iets ongewoons opeens zich voordoet en dan dadelijk door een boogschutter wordt geraakt. Het verdorven en liederlijke leven van de geestelijken, vaak een vast bewijs van voortdurende slechtheid, geeft gemakkelijk genoeg stof tot spreken. Die brave man deed goed, omdat hij den Inquisiteur en de huichelachtige weldadigheid der broeders geeselde, wien het goed dunkte die gift aan de armen te schenken, welke zij net zoo goed aan een zwijn hadden kunnen geven of weg smijten. Maar ik acht den man nog meer te prijzen, van welke ik moet spreken, wanneer ik hierbij aan de voorgaande vertelling denk. Deze heer, Cane della Scala, een best man, werd voor een plotseling opwellende gierigheid gestraft met een verhaal, dat zoowel op hem als op anderen sloeg, namelijk dit:
Gelijk de faam door de heele wereld het doet hooren, was die heer Cane della Scala, die in vele dingen zeer fortuinlijk was, een der meest geziene en vrijgevigste lieden, die men sinds Keizer Frederik de Tweede in Italië kende. Hij had het plan opgevat voor een merkwaardig en wonderbaar feest in Verona. Toen er vele lieden uit alle streken waren bijeengekomen en zeer velen van het hof van allerlei rang, zag hij (wat de reden er ook van zij) ineens van het feest af; ten deele onthaalde hij nog, die gekomen waren en liet ze weer heengaan. Slechts een, Bergamino genaamd, een man van wiens sierlijkheid en vaardigheid in het spreken men zich geen denkbeeld kon vormen zonder hem te hooren, bleef achter zonder iets te krijgen of verlof tot heengaan te ontvangen, en hoopte dat het feest nog zou plaats hebben en dat hij er nog bij zou noodig zijn. Maar monseigneur Cane wist, dat al wat men Bergamino gaf, net zoo goed in het vuur kon worden gegooid. Toch liet hij hem er niets van blijken door woord of daad. Bergamino, die na eenige dagen bemerkte, dat hij noch genoodigd noch gevraagd werd voor de zaak, waartoe hij gekomen was en die bovendien in het logement met zijn paarden en zijn knechts zijn geld verteerde, begon misnoegd te worden. Maar toch wachtte hij af, daar het hem nog niet goed scheen te vertrekken. Hij had drie kostbare kleedingstukken meegebracht, die hem door andere heeren gegeven waren om met eere op dat feest te verschijnen. Toen zijn waard betaling vroeg, gaf hij hem eerst één kleedingstuk, en toen besloot hij, indien hij nog langer bij zijn waard zou logeeren, hem het tweede te geven. Daarna begon hij op kosten van het derde geld te verteren, bereid nòg zoo lang te blijven als dat toereikend was.
Terwijl hij ten koste van het derde kleedingstuk bleef, stond Bergamino, terwijl monseigneur Cane middagmaalde, met een vrij misnoegd gezicht voor hem. Toen Cane dit zag, zei hij meer uit spotzucht dan om het genoegen een geestig woord van hem te hooren: “Wat heb je Bergamino? Je ziet er zoo kwaad uit; zeg mij het eens?” Daarop vertelde Bergamino zonder een oogenblik zich te bedenken, alsof hij echter lang had gepeinsd, naar aanleiding van zijn eigen geval, deze historie: “Gij moet weten, mijnheer, dat Primasseau een man was zeer bedreven in het Latijn en bovendien een zeer groot en vaardig dichter, wat hem zoo geëerd en beroemd maakte, dat, waar nog niet iedereen hem op het gezicht kende, door naam en faam elkeen toch wist wie Primasseau was. Eens bevond hij zich te Parijs in armelijken toestand, waarin hij meestentijds verkeerde, omdat zijn talent weinig gewaardeerd werd door lieden, die het wel konden doen. Hij hoorde daar van den abt van Cligny en men vertelde, dat hij meende na den Paus de rijkste prelaat aan inkomsten te zijn, die Gods Kerk had. Hij hoorde van hem wonderbare en zeer goede dingen vertellen, dat hij een hofhouding had en dat hij nooit had geweigerd te laten eten en drinken wie er ook om vroeg, mits het op zijn etensuur was. Toen Primasseau dat vernam, maakte hij plan, daar hij een man was, die gaarne menschen en edellieden van beteekenis zag, om de weelde van dien abt in oogenschouw te nemen en vroeg hoe ver hij van Parijs woonde. Men antwoordde hem hierop een mijl of zes vandaar op zijn landgoed. Primasseau meende er te kunnen zijn op het etensuur, als hij ’s ochtends vroeg wegging. Nadat hij zich dus den weg had laten wijzen, en niemand vond, die hem vergezelde, vreesde hij, te verdwalen en op een plaats te komen, waar hij niet zoo makkelijk te eten zou krijgen. Daartoe nam hij, om van den honger geen last te hebben, drie brooden mee en dacht, dat hij water, hoewel hij er niet van hield, wel overal zou vinden. Toen hij de brooden in den zak had gestopt, begaf hij zich op weg en de reis ging zoo goed, dat hij voor het etensuur kwam dáár, waar de abt woonde. Hij ging binnen en zag overal rond. Toen hij de groote menigte gedekte tafels had gezien en de kolossale toebereiding in de keuken en de andere dingen gereed voor het middagmaal, zei hij tot zichzelf: Dat is werkelijk prachtig, zooals beweerd wordt. Terwijl hij op dat alles lette, beval de hofmeester van den abt water aan te reiken voor de handen, omdat het etenstijd was. Hierna ging iedereen aan tafel. Toevallig werd Primasseau juist tegenover de deur geplaatst, waar de abt moest doorgaan om in de eetzaal te komen. Het was in dat huis gewoonte, dat men nooit aan tafel wijn of brood of iets anders te eten of te drinken opdroeg, voor de abt zich aan den disch had neergezet. Toen de hofmeester de tafel gedekt had, liet hij den abt zeggen, dat, wanneer het hem behaagde, het middagmaal gereed stond. De abt liet zijn kamer openen om in de zaal te gaan en zag toevallig onder het binnentreden als de eerste, die hem in het oog viel, Primasseau, die er tamelijk armelijk uitzag en dien hij van aanzien niet kende Toen de abt hem had opgemerkt, kwam hem onverwachts een slechte gedachte in den geest, die daarin nog nooit was opgerezen. Hij zei bij zich zelf: Kijk, wat voor lui, wien ik geef van het mijne! Hij keerde weer terug, beval, dat de kamer gesloten zou worden en vroeg aan hen, die bij hem waren of iemand dien vagebond kende, welke tegenover den uitgang van de kamer aan tafel zat. Iedereen antwoordde van neen. Primasseau had eetlust als iemand, die geloopen heeft en die niet gewoon was te vasten. Hij had al eenigen tijd gewacht en zag, dat de abt niet terug kwam. Toen haalde hij een der drie brooden uit zijn zak, die hij meegenomen had en begon te eten. Nadat de abt eenigen tijd weg was geweest, beval hij een van zijn lieden te zien of Primasseau was vertrokken. De bediende antwoordde: Neen, monseigneur, en hij eet brood, dat hij zeker mee heeft gebracht. De abt hernam: Als hij zijn brood nu eet, zal hij van het onze niets krijgen. De abt had gewild, dat Primasseau van zelf zou zijn weggegaan, maar wilde hem er niet uit laten gooien, Primasseau had al één brood gegeten, maar de abt kwam nog niet. Daarop begon hij het tweede te eten; dat werd ook aan den abt verteld, die weer had laten kijken of hij vertrokken was. Daar de abt maar niet kwam, begon Primasseau het derde brood te eten, wat ook aan den priester werd gemeld, die bij zich zelf begon te denken en te zeggen: Kijk, wat voor nieuwen inval heb ik gekregen? Wat een gierigheid! Wat een onwil! En om wien! Ik gaf het mijne te eten, reeds vele jaren, aan ieder, die wilde zonder op te letten of die edelman was of dorper, arm of rijk, koopman of afzetter en tal van bandieten heb ik voor mijn oogen zien zwelgen zonder dat ooit in mijn ziel de gedachte opkwam, die bij dezen man in mij rees. Die gierigheid zou mij zeker niet hebben overvallen, als hij geen bijzonder mensch was. Hij lijkt mij een bandiet, maar het moet een man van gewicht zijn, waar het mogelijk is, dat mijn geest zich zóó verzet hem aldus te ontvangen. Na deze gedachte wilde hij weten wie die man was en hoorde, dat hij Primasseau heette, daar gekomen om zijn weelde te zien, waarvan hij had vernomen. De abt, die hem al lang als een begaafd man had hooren noemen, schaamde zich en verlangend alles goed te maken, deed zijn best hem op allerlei wijze te onthalen. Na hem te laten eten, deed hij, gelijk het voor Primasseau behoorde, hem voornaam kleeden en na hem geld en paarden te hebben gegeven, kon hij gaan en staan, waar hij wilde. Primasseau hierover tevreden, dankte hem zooveel hij kon en keerde te paard naar Parijs terug, waaruit hij te voet was vertrokken.” Monseigneur Cane, die veel doorzicht had, begreep zonder verdere aanwijzing zeer goed, wat Bergamino bedoelde en zeide glimlachend: “Bergamino, je hebt mij genoeg je schade, je talent en mijn gierigheid doen kennen en, ook wat je van mij begeert en heusch, het is de eerste maal, dat ik een opwelling had van gierigheid, maar ik zal haar met den stok verjagen, dien jij mij hebt gegeven.” Na den waard van Bergamino betaald te hebben en hem met een zeer voornaam gewaad te hebben bekleed en hem geld en paarden te hebben gegeven, liet hij het aan hem over naar welgevallen heen te gaan of te blijven.
ACHTSTE VERTELLING.
Guiglielmo Borstere straft met een grappig woord de gierigheid van monseigneur Ermino de’ Grimaldi.
Naast Filostrato zat Lauretta, die, nadat zij de handigheid van Bergamino had hooren prijzen en merkend, dat aan haar de beurt van vertellen was, zonder eenig bevel af te wachten, aldus op bekoorlijke wijze begon te spreken:
Waarde metgezellen. De vorige vertelling drijft mij er toe U er mee te willen bekend maken hoe een waardig hoveling eveneens niet zonder vrucht de hebzucht van een zeer rijk koopman strafte. Mijn vertelling lijkt, wat de strekking betreft, op de voorgaande historie. Zij moet U er echter niet minder om wezen, als gij bedenkt, dat er ten slotte goeds uit voortkomt.
Er leefde dan in Genua lang geleden een ridder, Ermino de’Grimaldi genaamd, welke (naar hetgeen door allen geloofd werd) door zeer groote rijkdommen en gelden ver de rijkdom van alle andere zeer welgestelde burgers overtrof, die men toen in Italië kende. Gelijk hij elk overtrof met schatten, die Italiaan was, zoo was hij ook in gierigheid en karigheid iederen anderen schraper en vrek, die er op de wereld bestond, de baas. Niet alleen voor het onthalen van anderen hield hij de beurs gesloten maar bij zaken voordeelig voor hem zelf, stelde hij zich, om niets te verteren, aan groote ontberingen bloot tegen de gewoonte der Genueezen, die zich voornaam kleedden. Evenzoo deed hij met eten en drinken. Hierdoor en terecht was de eigennaam der Grimaldi’s vervallen en werd hij door ieder monseigneur Ermino Avarizia (Gierigheid) genoemd.
Terwijl hij door niets te verteren, het zijne vermenigvuldigde, kwam er eens te Genua een waardig, welgemanierd en welsprekend hoveling, Guiglielmo Borsiere genaamd, in niets gelijk aan de tegenwoordige ridders, die edellieden genoemd willen worden en als zoodanig bekend willen zijn zonder groote schaamte over hun verdorven en schandelijk leven.
Ze moesten liever ezels genoemd worden, omdat ze veeleer in de laagheid en slechtheid der gemeenste lui zijn opgevoed dan aan hoven. Het was in die tijden hun streven moeite te doen tot het sluiten van vrede, waar strijd of twisten tusschen edellieden waren ontstaan, huwelijken, familieverbindingen en vriendschap te doen sluiten, met schoone en aardige woorden de zielen der bedroefden te troosten, de hofkringen te amuseeren en met ernstige vermaningen vaderlijk de slechte lieden te onderhouden en dit belangeloos. Thans leggen zij er zich op toe hun tijd zoek te brengen met kwaad van elkaar te spreken, twist te zaaien, slechte en treurige dingen te vertellen en wat nog erger is ze openlijk te bedrijven en hun booze daden, schandalen en laagheden, waar of niet, elkaar voor de voeten te gooien en met drogredenen de goede menschen tot gemeene en schelmsche dingen te verleiden. En hij wordt het meest gewaardeerd en het meest door die ellendige en ontaarde heeren geëerd en met de grootste belooningen begiftigd, die de laagste woorden zegt of de gemeenste daden doet, tot groote schande en blaam voor de tegenwoordige wereld en als duidelijk bewijs, dat de deugden al op dit ondermaansche verdwenen zijn en de schelmsche en ellendelige stervelingen in een poel hebben achtergelaten.
Maar opdat ik den draad weer opvat, van welke ik door rechtmatige verontwaardiging verder ben afgeweken dan ik wilde, vertel ik U thans, dat voornoemde Guiglielmo door alle edellieden in Genua geëerd werd en zeer gezien was. Hij was daar eenigen tijd en hoorde veel van de schraperigheid en gierigheid van Ermino en was nieuwsgierig om hem te ontmoeten. Monseigneur Ermino had al gehoord, dat de heer Borsiere een voortreffelijk man was en daar hij bij al zijn gierigheid toch een vonkje wellevendheid bezat, ontving hij hem met zeer vriendelijke woorden en met een opgeruimd gezicht, liet zich over verschillende dingen met hem in en leidde gedurende het gesprek hem en eenige Genueezen, die mede waren gekomen, in een fraai, nieuw huis, dat hij had laten bouwen en toen hij hem dit alles vertoond had, sprak hij tot hem: Monseigneur Guiglielmo, U hebt toch veel gezien en gehoord, kunt U mij één ding toonen, dat men nog nooit zag om het in mijn huis te laten schilderen?
Guiglielmo antwoordde hem op zijn wonderlijke vraag: Mijnheer, ik geloof niet U iets te kunnen noemen, wat men nog nooit heeft gezien behalve het niesen of zoo iets; maar ik zou U wat willen noemen, dat U zelf (naar ik geloof) nog nooit hebt gezien.
En wat zou dat dan zijn? vroeg Ermino.
Laat de Hoffelijkheid uitschilderen, antwoordde Guiglielmo.