De Decamerone van Boccaccio

Chapter 59

Chapter 594,129 wordsPublic domain

Twee jongelieden vragen raad aan Salomo, de een: hoe hij bemind kan worden, de ander: hoe hij zijn weerspannige vrouw kan verbeteren. Aan den een antwoordt hij lief te hebben, aan den ander naar de Ganzenbrug te gaan.

Er bleef voor niemand te vertellen over dan de koningin, want zij wilde het voorrecht voor Dioneo behouden, en zij begon, toen de donna’s genoeg hadden gelachen om den ongelukkigen Biondello, vroolijk aldus: Beminnelijke donna’s. Als men met een goeden geest de orde der dingen beschouwt, zal men gemakkelijk zien, hoe de meerderheid der vrouwen door de natuur en de gewoonten en de wetten onderworpen is aan de mannen en dat zij zich moeten regelen en gedragen naar hun besluiten. En om rust, troost en vrede te hebben met een man moet zij nederig, geduldig en gehoorzaam zijn en zeker eerbaar wezen, wat de hoogste schat is van elke verstandige vrouw. En wanneer de wetten, die het algemeen belang op het oog hebben, het ons niet leerden, de gewoonten en de gebruiken, wier krachten groot en eerbiedwaardig zijn, zou de natuur het ons duidelijk bewijzen; zij schiep ons met fijne en broze lichamen, met verlegen en schuchtere zielen, maakte onze lichaamskrachten gering, onze stemmen bekoorlijk en onze bewegingen bevallig. Dit bewijst duidelijk, dat wij door anderen geregeerd moeten worden. En wie daaraan behoefte heeft, moet gehoorzaam en eerbiedig zijn jegens zijn meester. Wie hebben wij anders tot heeren en helpers dan de mannen? Dus moeten wij ze vereeren en ons onderwerpen. Wie van dien regel afwijkt, acht ik een ernstige berisping waard en een harde kastijding. Tot deze beschouwing voert mij, wat Pampinea van de weerspannige vrouw van Talano verhaalde, aan welke God die kastijding zond, die haar man haar niet kon geven en daarom acht ik allen een strenge en harde straf waard, die er van afwijken bekoorlijk, welwillend en onderworpen te zijn.

Het behaagt mij U een oordeel van Salomo te vertellen als een goed middel om hen te genezen, die met deze kwaal behept zijn. Geen goede vrouw behoeft te denken, dat het voor haar is gezegd, hoewel de mannen dit spreekwoord gebruiken: een goed en een slecht paard heeft de sporen noodig, een goede en een slechte vrouw den stok. Wie in scherts deze woorden wilde uitleggen, geeft men licht toe, dat ze waar zijn. Wie ze ernstig zou willen opvatten, zeg ik, dat ze moet erkennen. Alle vrouwen zijn van nature bewegelijk en buigzaam en daarom is het noodig, dat men ze met den stok straft. Wie te veel buiten de termen gaan verdienen er straf mee en opdat de deugd van de goeden versterkt wordt, moet de stok ze steunen en bang maken. Maar ik zal nu het preeken ter zijde laten om te komen tot, wat ik wil zeggen.

Door de geheele oude wereld was de roem van de wonderbaarlijke wijsheid van Salomo al verbreid en de mildheid, waarmee hij ieder de bewijzen er van gaf, die dit met zekerheid wilde weten. Velen van verschillende deelen der aarde kwamen bij hem voor hun moeilijkste en neteligste zaken om raad en onder anderen vertrok daartoe een zeer rijk en adellijk jongeling, Melisso uit de stad Lajazzo. Terwijl hij te paard naar Jeruzalem toog, verliet een ander jonkman Jozef Antiochië langs denzelfden weg. Gelijk het de gewoonte der reizigers is, knoopte hij met hem een gesprek aan. Nadat Melisso van Jozef zijn toestand had vernomen en vanwaar hij was, vroeg hij hem, waar hij heenging en waarom, en Jozef antwoordde, dat hij naar Salomo ging om hem raad te vragen over zijn echtgenoote, die meer dan eenige andere vrouw weerspannig en boosaardig was en die hij noch met gebeden noch met liefkoozingen noch hoe ook van haar onwil kon afbrengen. Daarna vroeg hij ook hem, vanwaar hij was en waar hij heenging en waarom, waarop Melisso antwoordde: Ik ben van Lajazzo en zoo’n ongeluk heb ik ook. Ik ben een rijk jonkman en ik verteer mijn bezit door mijn medeburgers aan tafel te noodigen en te ontvangen en het is zonderling te moeten denken, dat ik toch geen mensch vind, die mij goed wil doen en daarom ga ik mij raad schaffen om bemind te worden. Aldus reisden zij te samen en in Jeruzalem gekomen werden zij door een der baronnen [188] van Salomo voor den koning geleid. Melisso verklaarde zijn toestand. Hem antwoordde Salomo: Heb lief. En toen dit gezegd was, werd Melisso dadelijk buiten gebracht en Jozef zeide, waarom hij gekomen was. Hierop antwoordde Salomo niets anders dan: Ga naar de Ganzenbrug. Na die woorden werd Jozef eveneens zonder verwijl uit de tegenwoordigheid des konings geleid en vond Melisso terug en zeide hem, welk antwoord hij kreeg. Toen zij de bedoeling noch het voordeel er van konden begrijpen, gingen zij, of ze misleid waren, terug. Nadat zij eenige dagen voortgetrokken waren, kwamen zij bij een rivier, waarover een schoone brug spande en daar er een groote karavaan van muilezels en paarden met lasten overging, moesten zij wachten. Toen haast alles voorbij was, werd een muildier opeens schichtig en het wilde niet voort. De drijver nam een knuppel en sloeg het hevig. Maar de muilezel liep rechts, links en terug, doch wilde volstrekt niet vooruit. De verwoede drijver gaf hem overal nog duchtiger slagen, maar het gaf niets. Melisso en Jozef zeiden meermalen tot den drijver: Zeg, stommeling, wat doe je? Wilt gij hem dooden? Waarom doet gij Uw best niet hem vriendelijk en zachtjes te leiden! Hij zal dan eerder gaan dan door hem te ranselen. De drijver antwoordde: Gij kent Uw paarden en ik mijn muildier; laat mij dus met hem gaan. En hierna begon hij hem opnieuw te ranselen en gaf hem zooveel slaag, dat de ezel vooruit ging en de drijver dien bleek te kennen. Toen de jongelieden wilden vertrekken, vroeg Jozef aan een man, die aan den ingang van de brug zat, hoe of die plaats heette. De man antwoordde: Messere, zij heet de Ganzenbrug. Toen Jozef dit gehoord had, herinnerde hij zich de woorden van Salomo en sprak tot Melisso: Nu ik zeg U, kameraad, dat de raad mij door Salomo gegeven goed en waar kan zijn, omdat ik nu duidelijk inzie, dat ik mijn vrouw niet genoeg sloeg. Deze muilezeldrijver heeft mij getoond wat ik doen moet. Toen zij na eenige dagen te Antiochië waren aangekomen, hield Jozef Melisso eenigen tijd bij zich om uit te rusten en hij werd zeer koeltjes door de vrouw ontvangen. Jozef zeide haar het avondmaal gereed te maken, gelijk Melisso zou vaststellen. Toen Melisso zag, dat dit Jozef beviel, gaf hij dit met weinig woorden te kennen. De donna, als naar gewoonte, deed het niet, gelijk Melisso het aangaf, maar bijna geheel tegenovergesteld. Toen Jozef dit zag, zeide hij woedend: Was het U niet gezegd, hoe gij het avondmaal moest gereed maken? De donna, die zich trots omkeerde, sprak: Wat wil dat zeggen? Zeg, waarom eet gij niets als gij wilt avondmalen? Het is mij wel zoo gezegd, maar het beviel mij niet het zoo te doen. Als het U bevalt, des te beter; zoo niet, laat het staan. Melisso verwonderde zich over het antwoord van de donna en laakte haar zeer. Jozef sprak: Vrouw, gij zijt nog steeds dezelfde, maar geloof me, dat ik je zal veranderen. Tot Melisso gekeerd, sprak hij: Vriend, spoedig zullen wij den raad van Salomo beproeven; laat het U niet hinderen en houdt niet voor een spel, wat ik zal doen; denk aan het antwoord van den drijver. Melisso sprak hierop: Ik ben in Uw huis en zal U daarin niet lastig vallen. Jozef, die een gladden stok had gevonden van een jongen eikentak, begaf zich in de kamer, waar de donna brommend heen was gegaan. Hij nam haar bij de haren, wierp haar op den grond en begon hard te slaan. De donna schreeuwde en dreigde, maar jozef hield niet op en zij begon geheel gebroken om genade te vragen, opdat hij haar niet zou vermoorden en zeide, dat zij nooit iets meer tegen zijn zin zou doen. Jozef hield niet op, maar sloeg integendeel nog met meer woede dan eens op de zijden, op de heupen, op de schouders en ranselde, totdat hij moede was. Geen been en geen deel van haar rug bleef ongedeerd.

Daarna ging hij naar Melisso en sprak: Morgen zullen wij zien welk gevolg de raad van het Ga naar den Ganzenbrug gehad heeft. Na eenigen tijd gerust te hebben en zich de handen te hebben gewasschen, avondmaalde hij met Melisso en toen het tijd was, gingen zij slapen. De boosaardige vrouw stond met groote moeite op en wierp zich te bed; ’s ochtends zeer vroeg opgestaan, liet zij Jozef vragen, wat zij zou klaar maken. Hij, die om deze vraag met Melisso lachte, gaf dit op en daarop vonden zij op den bepaalden tijd teruggekeerd alles en in de opgegeven orde gereed. Toen prezen zij den vernomen raad ten zeerste. Na eenige dagen vertrok Melisso en teruggekeerd, vertelde hij aan een wijs man, wat hij van Salomo had gehoord. Deze sprak tot hem: Ik kan U geen waarder noch beter raad geven. Gij weet, dat gij niemand lief hebt en de eerbewijzen en de diensten, die gij verstrekt, schenkt gij niet uit naastenliefde maar uit praalzucht. Heb dus lief, gelijk Salomo zeide, en men zal U lief hebben. Aldus werd de weerspannige vrouw gekastijd en de jongeling werd bemind.

TIENDE VERTELLING.

Donno Ganni betoovert op aandringen van zijn peet Pietro de vrouw van deze, zoodat ze in een merrie verandert. Wanneer hij er een staart aan wil hechten, verstoort peet Pietro, omdat hij er geen staart bij wil hebben, de geheele betoovering.

De novelle door de koningin verhaald, deed de donna’s een weinig mompelen en de jongelieden lachen, maar toen zij ophielden begon Dioneo aldus te spreken: Lieve donna’s. Tusschen witte duiven schijnt een zwarte raaf schooner dan een vlekkelooze zwaan. Evenzoo vermeerdert te midden van vele wijzen een minder verstandige de glans en de schoonheid van hun verstand, hun genoegen en vermaak. Aldus moet ik, daar gij allen zeer bescheiden en gematigd zijt, te meer waard zijn, ik, die integendeel weinig geest heb en Uw deugd meer doen schitteren door mijn minderwaardigheid. Bijgevolg moet ik grooter vrijheid hebben om mij te toonen, gelijk ik ben. Ik moet met meer geduld door U worden aangehoord, wat niet zou moeten gebeuren, indien ik wijzer was. Ik zal U een niet al te lange historie vertellen, waaruit gij kunt begrijpen, hoezeer zij moeten oppassen, die iets door tooverkracht willen gedaan krijgen en hoe een kleine fout alles bederft.

Het vorige jaar was er te Barletta een priester, donno Gianni van Barolo, die slechts een arme parochie had om van te leven en daarom op een merrie hier en daar op de jaarmarkten in Apulië zaken deed. Aldus reizend sloot hij intieme vriendschap met zekeren Pietro van Tresanti, die hetzelfde vak met een ezel uitoefende en tot teeken van genegenheid noemde hij hem op de Apulische manier peet Pietro; zoo vaak hij in Barletta aankwam, leidde hij hem altijd naar zijn kerk, hield hem daar bij zich in huis en ontving hem zoo goed als hij kon. Peet Pietro, die zeer arm was en een huisje had in Tresanti, ternauwernood groot genoeg voor hem, zijn dochter, zijn schoone vrouw en zijn ezel, ontving donno Gianni, zoo dikwijls die in Tresanti was, in zijn woning uit erkentelijkheid voor het onthaal bij dezen in Barletta genoten. Maar peet Pietro had niets anders tot logies dan een klein bed, waarin hij met zijn vrouw sliep, en kon hem niet huisvesten, gelijk hij wilde, maar hij legde hem te slapen op een weinig stroo in een kleinen stal, waar het paard van den heer Gianni naast zijn ezel stond. De donna wist, hoe de priester haar man te Barletto ontving en had meermalen, wanneer de priester bij hen kwam, willen gaan slapen bij een buurvrouw, Zita Carapresa van Giudice Leo, opdat de priester bij haar echtgenoot in het bed zou slapen, maar hij wilde het nooit. Eens sprak hij tot haar: Petemoeder Gemmata, stel U over mij gerust, want als het mij bevalt, verander ik dit paard in een mooi jong meisje en slaap daarmee. Wanneer ik het wil, wordt zij weer merrie en daarom wil ik er niet van scheiden. De jonge vrouw verwonderde zich, geloofde hem, vertelde dit aan haar man en voegde er bij: indien hij zoo Uw vriend is, waarom laat gij U dan die tooverij niet leeren, want dan kunt gij van mij een paard maken en zaken doen met den ezel en de merrie en wij zullen het dubbele winnen. Wanneer wij naar huis zullen terugkeeren, kunt gij mij dan niet weer de vrouw maken, die ik ben? Peet Pietro, die zeer onnoozel was, vereenigde zich met dien raad en verzocht donno Gianni hem dit te leeren. Donno Gianni deed zijn best hem die dwaasheid uit het hoofd te praten, maar daar hij dit niet kon, zeide: Kijk, omdat gij het toch wilt, zullen wij morgen opstaan, voor het dag is en ik zal U dit toonen. Het moeielijkste is er de staart aan te hechten. Peet Pietro en petemoeder Gemmata sliepen ’s nachts nauwelijks; met zooveel verlangen wachtten zij. Zij stonden kort voor den dageraad op en riepen donno Gianni, die in zijn hemd in de kamer van peet Pietro kwam en zeide: Ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor U. Gij moet nakomen, wat ik U zal zeggen. Zij zeiden, dat zij zouden doen, wat hij zou gelasten.

Donno Gianni gaf aan peet Pietro een kaars en zeide: Let wel op, wat ik doe en onthoud goed, hoe ik spreek en pas op, als gij er op gesteld zijt, niet alles te bederven, dat gij, bij wat gij ook hoort of ziet, geen enkel woord spreekt. En bidt God, dat de staart er goed wordt aangehecht. Peet Pietro nam de kaars aan en zeide, dat hij alles zou doen. Daarop liet donno Gianni petemoeder Gemmata uitkleeden, zoo naakt als ze geboren was, en liet haar de handen en de voeten op den grond zetten gelijk de paarden en onderrichtte haar ook, dat zij bij al, wat er zou gebeuren, niets zou zeggen. Hij begon haar de handen, het gezicht en het hoofd aan te raken en sprak: Dit zij de schoone kop van het paard en na haar de haren te hebben beroerd, zeide hij: Dat zullen de schoone manen van het paard zijn. Daarna de armen aanrakend, zeide hij: Dit zullen de mooie pooten en de hoeven van de merrie zijn. Daarna betastte hij haar de borst en daar hij die hard en rond vond, voelde hij ontwaken, wat niet genoemd kan worden en zeide: En dit zij de schoone borst van het paard. En zoo deed hij met de ruggegraat en de buik, met de achterste, met de dijen en met de beenen.

Ten slotte, toen er niets meer te tooveren was dan de staart, zeide hij geen weerstand meer biedend aan zijn hartstocht: En dit wordt de mooie staart van de merrie. Peet Pietro, die aandachtig tot nu toe bij alles had toegezien en die ook dit zag en wien dit niet goed scheen, sprak: O donno Gianni, ik wil er geen staart bij, ik wil er geen staart bij! Maar de vruchtbare stamper, waardoor alle planten wortel schieten, was er al, toen donno Gianni zeide: O wee, peet Pietro, wat hebt gij gedaan! Zei ik U niet, dat gij geen woord zou spreken bij al wat gij ziet? Maar gij hebt met praten alles bedorven en er is geen middel meer het over te doen. Peet Pietro zeide: Goed, dien staart wil ik er niet aan. Waarom hebt gij niet tegen mij gezegd: doet gij dit? en bovendien hebt gij dien er te laag aan gehangen. Donno Gianni sprak: Waarom hebt gij dien er niet eerst even goed aan kunnen hechten als ik? De vrouw, die deze woorden hoorde, stond op en zeide te goeder trouw tot haar man: Ezel, die je bent, waarom heb je Uw zaken en de mijnen bedorven? Welke merrie hebt gij ooit zonder staart gezien? Als God mij helpt: gij zijt arm, maar het zou jammer wezen, als gij niet nog veel armer zoudt worden. Daar er dus geen middel meer was om van de vrouw een merrie te maken, kleedde zij zich treurig en neerslachtig weer aan en peet Pietro legde er zich weer op toe met een ezel, gelijk hij gewoon was, zijn oud beroep uit te oefenen ging met donno Gianni te samen naar de jaarmarkt van Bitonto en vroeg hem nooit meer zulk een dienst.

Hoe zeer men om die geschiedenis lachte, beter door de donna’s begrepen dan Dioneo wilde, kan ieder denken, die er nog om zal lachen. Maar toen de verhalen geëindigd waren en de zon al begon te verkoelen, stond de koningin op, die het einde van haar heerschappij gekomen zag. Na zich den krans van het hoofd te hebben genomen, zette zij dien Pamfilo op het hoofd, die daarvoor alleen nog overbleef en glimlachend sprak zij: Mijn heer, een groote last valt U ten deel, die nu de laatste zijt om deze te vervullen, waarvoor God U de genade verleene gelijk aan mij om U koning te doen zijn. Pamfilo, die met blijdschap de hulde ontving, antwoordde: Uw deugd en die mijner andere onderdanen zal maken, dat ik eveneens te prijzen zal zijn. Na volgens de gewoonte van zijn voorgangers met den hofmeester over de noodige zaken te hebben beschikt, keerde hij zich tot de wachtende donna’s en zeide: Verliefde donna’s. De bescheidenheid van Emilia, die heden onze koningin is geweest, gaf U tot ontspanning vrije keuze te spreken over, wat U het meest zou behagen. Daar gij nu uitgerust zijt, acht ik het goed tot de gebruikelijke wetten terug te keeren en daarom wil ik, dat iedereen morgen spreken zal van hen, die door mildheid of grootmoedigheid iets hebben verricht om liefde of om andere dingen. Als gij dit vertelt, zal het Uw zielen zeker tot welgezind en verdienstelijk handelen stemmen. Want ons leven, dat in ons sterfelijk lichaam niet anders dan kort kan zijn, vereeuwigt zich door den roem. Iedereen, die niet gelijk de dieren slechts den buik dient, moet dit verlangen en ook met allen ijver dit doen. Het thema beviel aan het vroolijk gezelschap, dat met verlof van den nieuwen koning opstond en zich aan de gewone genoegens overgaf, elk naar zijn verlangen en zoo deden zij tot het avondmaal. Toen zij daar verheugd weer waren samengekomen en alle met ijver en orde waren bediend, stonden zij op voor hun gebruikelijke dansen en voor misschien duizend liederen, die aardiger van woorden dan meesterlijk van klank waren.

Hierna beval de koning aan Neifile, dat zij er een zou zingen.

Deze met klare en blijde stem begon bekoorlijk en zonder verwijl aldus:

Ik ben heel jong en gaarne Verheug ik mij en ik zing in het nieuwe seizoen. Dank zij de liefde en de zoete gedachten.

Ik ga door de groene weiden en aanschouw De witte en gele en roode bloemen, De rozen op de struiken en de blanke leliën, En allen ga ik vergelijken Met het gelaat van hem, die mij beminde, En mij nam en mij altijd zal houden als haar, Die geen andere gedachten heeft dan zijn genoegens.

Wanneer ik er van dezen een vind, Die, naar ’t mij schijnt, hem wel gelijkt Pluk ik die, kus ik die en spreek ik tot deze En, gelijk ik weet, openbaar ik die Geheel mijn ziel en al wat zij begeert; Dan met de anderen maak ik daarvan een krans Gewonden door mijn blonde en lichte haren.

En hetzelfde genot, dat de bloem van nature Schenkt aan de oogen, dit zelfde geeft het mij, Alsof ik de persoon zelf zag, Die mij met zijn zoete liefde heeft ontvlamd; Dat wat zijn zoete geur mij geeft, Zou ik niet met woorden kunnen uitdrukken, Maar mijn zuchten zijn er de oprechte getuigen van.

Zij verlaten nooit mijn gemoed Als van de andere donna’s, bitter noch zwaar, Maar zij ontsnappen dit warm en zacht En gaan tot mijn liefde’s aanschijn, Die, als hij ze voelt, om mij te behagen Zijn ziel naar mij beweegt en tot mij ijlt, Als ik op het punt sta te zeggen: O kom, dat ik niet wanhoop!

Het lied van Neifile werd zoowel door de koning als door de donna’s zeer geprezen en daar de nacht al ver was gevorderd, beval de koning toen, dat elk zou gaan rusten.

TIENDE DAG.

De negende dag der Decamerone eindigt. De tiende vangt aan. Onder het bewind van Panfilo spreekt men over hen, die door mildheid, of grootmoedigheid iets doen om liefde of andere dingen.

Nog waren enkele wolkjes in het westen rood en glansden die in het oosten reeds aan hun rand als het schitterendste goud, getroffen door de zonnestralen, welke naderden, toen Panfilo de donna’s en zijn metgezellen deed roepen. Toen hij met hen vastgesteld had, waar zij tot hun genoegen heen konden gaan, begaf hij zich met langzamen tred, vergezeld door Filomena sprekend over hun toekomstig leven vooruit op weg.

Na een grooten tocht keerden zij, toen de zon warmer werd, naar het verblijf terug en nadat zij de bekers om de fontein hadden gezet om zich te laven, gingen zij in verfrisschende schaduwen van den tuin zich vermaken tot aan het etensuur. En toen zij gegeten en geslapen hadden, verzamelden zij zich, waar het den koning behaagde en daar beval hij aan Neifile de eerste vertelling voor te dragen, welke blijmoedig aldus begon:

EERSTE VERTELLING.

Een ridder dient den koning van Spanje. Hij meent daar slecht voor beloond te zijn. De koning bewijst met zekerheid, dat het zijn schuld niet is, maar van zijn ongelukkig lot en geeft hem prachtige geschenken.

Eerbare donna’s. Ik moet het als een groote gunst beschouwen, dat onze koning mij gekozen heeft om het eerst te spreken over zulk een schoone zaak als de grootmoedigheid, welke evenals de zon de schoonheid en het sieraad van den ganschen hemel de klaarheid en het licht is van elke andere deugd. Hierover zal ik U een kleine geschiedenis vertellen, mijns inziens zeer aardig, en het zal zeker nuttig zijn zich die te herinneren. Onder de dappere ridders, die sinds lang in onze stad waren, was er een, misschien de de beste, messer Ruggieri dè’ Figiovanni, rijk en grootmoedig. De levenswijze en de gewoonten van Toscane beschouwend en ziende, dat, indien hij er bleef, hij weinig van zijn moed zou kunnen toonen, verkoos hij daarom eenigen tijd te vertoeven bij Alphonse, koning van Spanje, daar de faam van diens dapperheid die van elk ander heer in die tijden overtrof. Voornaam uitgerust met wapens, paarden en dienaren begaf hij zich naar Spanje en werd door den koning genadig ontvangen. Messer Ruggierri, die daar luisterrijk leefde en wonderbaarlijke wapenfeiten verrichtte, deed zich spoedig als een dapper man kennen. Toen hij er een heelen tijd vertoefd had en op de handelwijzen des konings lette, meende hij te bemerken, dat die dan aan deze dan aan gene zoo maar een kasteel, een stad of een baronie schonk, die het niet waard was. En omdat aan hem, die wist, wat hij beteekende, niets werd gegeven, meende hij, dat zijn roem er zeer door verminderde en daarom besloot hij te vertrekken en vroeg aan den koning verlof. De koning stond hem dit toe en gaf hem een der beste en schoonste muildieren, wat voor de lange reis, die hij te maken, had zeer door messer Ruggieri werd op prijs gesteld.

Vervolgens gelastte de koning aan een bescheiden bediende op handige wijze met messer Ruggieri mede te reizen, zoodat hem dit niet zou schijnen door den koning te zijn bewerkstelligd. Alles, wat hij zou zeggen, zou hij goed opvangen en het weten te herhalen en den volgenden morgen zou hij hem bevelen naar den koning terug te keeren. De bediende loerde er op, wanneer messer Ruggieri het grondgebied verlaten zou, kwam op slimme manier in zijn gezelschap en deed hem gelooven, dat hij naar Italië ging. Terwijl messer Ruggieri den muilezel bereed en hij over dit en dat sprak, zeide hij, toen het haast drie uur was: Ik geloof, dat het tijd is onze dieren te laten wateren en nadat zij in een stal waren gegaan, waterden zij allen behalve de muilezel. Zij gingen weer voorwaarts; terwijl de stalknecht lette op de woorden van den ridder, kwamen zij aan een rivier en toen daar hun beesten gedronken hadden, waterde het muildier daarin. Toen messer Ruggieri dit zag, zeide hij: Kijk, God make je bedroefd, want jij lijkt, leelijk beest, op den heer, die jou aan mij gaf.