De Decamerone van Boccaccio

Chapter 58

Chapter 584,282 wordsPublic domain

Na haar mantel te hebben aangedaan en met een vrouw in gezelschap, ging zij er snel met Nello heen. Toen Bruno haar van verre zag aankomen, zeide hij tot Filippo: Kijk, onze vriend. Filippo ging naar de plaats, waar Calandrino en de anderen werkten en sprak: Maestri, ik moet nu naar Florence gaan, werk hard door. En toen hij uit de kamer was gegaan, verborg hij zich om te zien, wat Calandrino zou doen. Calandrino, daar hij geloofde, dat Filippo zich verwijderd had, daalde dadelijk op de binnenplaats af, waar hij Niccolosa alleen vond en na haar te zijn genaderd, bewees hij haar wat meer vriendschap dan gewoonlijk. Daarop raakte Calandrino haar aan met het formulier en richtte zich zonder meer naar de schuur, waarheen Niccolosa hem volgde. Toen de deur was gesloten, omarmde zij Calandrino en wierp hem op het stroo, dat daar op den grond lag, sprong hem als te paard op den rug en legde hem de handen op de schouders zonder hem haar gelaat te doen naderen, keek hem aan als met groot verlangen en sprak: O mijn zoete Calandrino, hart van mijn lijf, mijn ziel, mijn schat, mijn rust, hoelang heb ik u begeerd! Gij hebt mij met uw bekoring smoorlijk verliefd gemaakt; gij hebt mij met uw ribeba het hart gestreeld Zou het mogelijk kunnen zijn, dat ik u krijg? Calandrino, die zich nauwelijks kon bewegen, zeide: Och, mijn lieve ziel, laat mij u kussen. Niccolosa sprak: O, gij hebt groote haast, laat mij mijn oogen verzadigen aan uw zoet gelaat.

Bruno en Buffalmacco waren naar Filippo gegaan en alle drie zagen en hoorden dit. En reeds wilde Calandrino Niccolosa kussen, toen daar Nello met monna Tessa aan kwam zetten, die zeide; Ik doe een belofte aan God, als ze niet samen zijn. Bij de deur van de schuur gekomen stiet de donna, die woedend was, er met de handen tegen en binnengetreden zag zij Niccolosa te paard op Calandrino zitten. Deze, zoodra zij de donna zag, stond op, vluchtte weg en ging daarheen, waar Filippo was. Monna Tessa vloog met de nagels aan het gelaat naar Calandrino, die nog niet opgestaan was, krabde hem overal en na hem bij de haren te hebben gerukt en hem heen en weer te hebben getrokken, zeide zij: Jou leelijke, gemeene hond. Waarom doe jij me dat? Oude gek, vervloekt zij het goed, dat ik je heb willen doen. Schijnt het je soms, dat je thuis niet genoeg hebt te doen, dat je op anderen verliefd wordt? Een mooie minnaar ben je me! Ken jij je zelf dan niet, stakker? Ken je je dan niet, dwaas, die je bent? Want als je je geheel zoudt uitpersen, zou er nog geen vocht genoeg uitkomen om er een saus van te maken. Bij het geloof in God, het was Tessa niet, die jou zwanger maakte; dat God haar straffe, wie het ook zij, want zij moet wel niet veel bijzonders wezen, die verliefd is op zulk een fijn juweel, als jij bent. Calandrino, die zijn vrouw zag komen, stond verstomd, en had den moed niet zich eenigzins tegen haar te verdedigen, maar geheel bekrabd, geplukt en geslagen, raapte hij zijn hoed op, stond op en begon zijn vrouw nederig te smeeken, dat zij niet zou schreeuwen, als zij niet wilde, dat hij heelemaal aan stukken zou worden gescheurd, omdat die vrouw, die bij hem was, van den heer van het kasteel hoorde. De donna sprak: Best. Dat God hem een treurig jaar geve. Bruno en Buffalmacco, die met Filippo en Niccolosa over die ontmoeting zich slap hadden gelachen, deden of ze op het spektakel afgingen en na met veel praatjes de donna tot rust te hebben gebracht, gaven zij aan Calandrino den raad naar Florence te gaan en niet meer terug te keeren, opdat Filippo, indien hij er iets van zou merken, hem geen kwaad zou doen. Zoo keerde Calandrino treurig en heelemaal geplukt en gekrabd naar Florence terug en had geen moed meer daarheen terug te komen, dag en nacht gekweld en gehinderd door de verwijten van zijn vrouw en maakte een einde aan zijn brandende liefde, nadat hij zijn metgezellen, Niccolosa en Filippo, veel had laten lachen.

ZESDE VERTELLING.

Twee jongelieden slapen bij een waard, waarvan de een bij de dochter gaat liggen en de vrouw van deze per ongeluk bij den ander in bed komt. Hij, die met de dochter is, gaat daarna naast den vader in bed en vertelt hem alles in de meening dit aan zijn metgezel toe te vertrouwen. Zij maken te zamen kabaal. De vrouw, die het gewaar wordt, gaat in het bed bij haar dochter en dan maakt zij met een paar woorden alles weer goed.

Calandrino, die meermalen het gezelschap had doen lachen, deed het ook ditmaal weer. Toen daarna de donna’s over zijn daden zwegen, gelastte de koningin, dat Panfilo zou voortgaan, die sprak: Lofwaardige donna’s. De naam van Niccolosa, door Calandrino bemind, heeft mij de geschiedenis van een andere Niccolosa in het geheugen geroepen, welke ik wil vertellen, omdat gij in deze zult zien, dat een plotselinge inval van een goede vrouw een groot schandaal voorkwam.

In de vlakte van de Mugnone was niet lang geleden een goed man, die voor hun geld aan reizigers te eten en te drinken gaf en daar hij arm was en een klein huis bezat, herbergde hij soms uit grooten nood niet iedereen maar wel bekenden. Deze had een zeer schoone vrouw, van wien hij twee kinderen had. De een was een schoon en lief jong meisje van vijftien of zestien jaar, die nog geen man had; de ander was een kleine knaap, nog geen jaar oud, dien de moeder zelf zoogde. Tot het jonge meisje had een knappe, aardige en adellijke jonkman van onze stad de oogen opgeslagen, die dikwijls door de straat kwam en haar vurig beminde. En zij, die er zich veel op beroemde door zulk een jonkman bemind te worden en die haar best deed hem door opvallende vriendelijkheden te boeien, werd ook op hem verliefd en meermalen zou door den wil van beide partijen die liefde gevolg hebben gehad, als Pinuccio (zoo heette de jonkman) niet de schande van het meisje en de zijne had willen ontwijken. Maar toch daar hun hartstocht van dag tot dag vermeerderde, kwam de begeerte bij Pinuccio op om toch met haar samen te zijn en het kwam hem in de gedachte een middel te vinden bij den vader zijn intrek te nemen, meenende, daar hij den bouw van haar huis wist, dat, indien hij dit deed, hij er toe kon komen met haar samen te zijn, zonder dat iemand het merkte. Hij bracht het zonder verwijl ten uitvoer. Met een vertrouwden metgezel, Adriano, die bekend was met deze liefde, nam hij twee huurpaarden en plaatste daarop twee valiezen vol stroo en zij gingen ’s avonds uit Florence. Na een omweg te hebben gemaakt kwamen zij, toen het al nacht was, op de vlakte van de Mugnone, en vandaar, alsof zij uit Romagna terugkeerden, gingen zij naar het huis en klopten bij den goeden man aan. Deze was gastvrij en opende haastig de deur. Pinuccio sprak tot hem: Gij moet ons dezen nacht herbergen; wij geloofden Florence te bereiken maar konden dit niet, zoodat wij op dit uur hier zijn gekomen. Hierop antwoordde de waard: Pinnaccio, gij weet wel, hoe moeilijk ik een man kan herbergen, maar omdat het geen tijd meer is elders heen te gaan, zal ik u naar mijn vermogen huisvesten.

De jongelieden stalden hun paarden, traden de herberg binnen, haalden hun avondeten voor den dag en aten met den waard te samen. De waard had niets dan een klein kamertje en had daarin, zoo goed hij kon, de kleine bedden gezet en daardoor was er weinig ruimte gebleven, daar twee bedden aan een zijde van de kamer geplaatst waren en zoo kon men niet anders dan moeilijk er tusschen door gaan. De waard liet het minst slechte der drie bedden voor de beide metgezellen gereed maken en liet hen ter ruste gaan. Toen zij na eenigen tijd veinsden te slapen, liet de waard in een van de twee bedden de dochter liggen en hij ging zelf in het andere met zijn vrouw, die naast het bed de wieg plaatste, waarin haar zoontje lag. Toen Pinuccio alles gezien had en meende, dat zij alle sliepen, stond hij op en begaf zich naar het bed, waarin het door hem beminde meisje lag en ging naast haar liggen. Hij werd door haar hoewel zij het angstig deed, blijde ontvangen en bleef en genoot, zooals zij verlangden. Terwijl Pinuccio bij het meisje was, liet een kat iets vallen, wat de vrouw des huizes, die wakker was geworden, merkte. Daarom vreezend dat er iets was, stond zij in het donker op en ging daarheen, waar zij het geluid had gehoord. Adriano moest toevallig opstaan voor een natuurlijke behoefte. Hij voelde de wieg en daar hij er niet langs kon zonder die op te heffen, nam hij die op en zette die naast het bed, waar hij zelf sliep. Toen hij voldaan had aan datgene, waarvoor hij was opgestaan, ging hij zonder zich om de wieg te bekommeren in bed. De donna, die gezocht had en bevond, dat er niet was, wat zij vreesde, dacht er aan een licht aan te steken, maar na tegen de kat gescholden te hebben keerde zij in het kamertje terug en op den tast ging zij recht op het bed af, waarin haar man sliep. Maar daar zij de wieg niet vond, zeide zij tot zich zelve: Wee mij, ongelukkige, zie wat ik deed! Ik ging recht in het bed van mijn gasten. Na de wieg te hebben gevonden ging zij in dat bed, waar die nu naast stond en legde zich naast Adriano neer. Adriano, die nog niet was ingeslapen, ontving haar goed en vriendelijk en deed zonder verder te spreken meer dan eens zijn plicht tot genoegen van de donna.

Pinuccio vreesde, dat de slaap hem zou overvallen na het genoegen, dat hij had gesmaakt. Hij stond naast haar op en keerde naar zijn bed terug. Daar gekomen en de wieg vindend, dacht hij, dat dit het bed van den waard was. Een weinig verder gaande, legde hij zich naast den waard, die door de komst van Pinuccio ontwaakte. Pinuccio, die waande, dat hij aan de zijde van Adriano lag, zeide: Ik zeg u, dat er niets heerlijker was dan Niccolosa; ik heb er het grootste genoegen van gehad, dat ooit een man met een vrouw kende en ik zeg u, dat ik meer dan zes mijlen heb afgelegd, voordat ik ben heengegaan. De waard, die de praatjes hoorde en wien dit niet erg beviel, zeide eerst tot zich zelf: Wat duivel, doet die hier? Daarna, meer geprikkeld dan voorzichtig, zeide hij: Pinuccio, gij hebt een groote laagheid gedaan en ik begrijp niet, waarom gij mij dat doet. Maar bij het Lichaam van God, ik zal het je betalen. Pinuccio, die niet zeer slim was en zijn dwaling niet bemerkte, beproefde zich niet te herstellen, maar zeide: Zeg, hoe zal ik het u vergoeden? Wat kunt gij mij doen? De vrouw van den waard sprak tot Adriano: Wee mij! Hoor de gasten, waarover hebben die samen woorden? Adriano sprak lachend: Laat gaan, dat God hun een slecht jaar geve; zij dronken gisteravond te veel. De donna, wien het scheen, dat zij haar man hoorde knorren, bemerkte opeens, waar zij was en met wien. Daarom als slimme vrouw, zonder een woord spreken, stond zij dadelijk op en na de wieg van haar zoontje te hebben opgenomen, droeg zij die met overleg naast het bed, waar hun dochter sliep en ging naast deze liggen. Daarna doende of zij ontwaakt was, vroeg zij hem, wat hij met Pinuccio sprak. De echtgenoot antwoordde: Hoort gij niet, dat hij vertelt, wat hij vannacht bij Niccolosa gedaan heeft? De donna sprak: Hij liegt als een ketter. Hij heeft niet bij Niccolosa geslapen, want ik legde mij naast haar en vanaf dat oogenblik heb ik niet geslapen en als gij het gelooft, zijt gij een beest. Gij drinkt ’s avonds zooveel, dat gij ’s nachts droomend hier of daar heengaat, en het schijnt u dan, dat gij wonderen doet. Het is jammer, dat gij den hals niet breekt, maar wat doet Pinuccio daar? Waarom is hij niet in zijn bed? Van den anderen kant zeide Adriano, die zag, dat de donna slim haar schande en die van haar dochter verborg: Pinuccio, ik heb het je honderd keer gezegd niet buitenshuis te gaan, want het gebrek van u in den droom op te staan en verzinsels als waar te vertellen, zullen u nog eens leelijk ongeluk bezorgen. Kom hier terug, dat God u een slechten nacht geve. De waard, die dit hoorde begon al te licht te gelooven, dat Pinuccio gedroomd had. Daarom hem bij den schouder vattend, en heen en weer schuddend riep hij: Pinuccio, sta op; ga terug naar uw bed. Pinuccio, die vernomen had, wat er gezegd was, begon als iemand, die droomde in andere fantasiën te vervallen, waarom de waard ten zeerste lachte. Toen hij zich hoe langer hoe meer voelde schudden, deed hij of hij ontwaakte en Adriano roepend, zeide hij: Is het al dag, dat gij mij roept? Adriano sprak: Ja, kom hierheen. Deze nog altijd veinzend zeer slaperig te zijn, stond op en ging te bed met Adriano. Toen het dag werd en hij was opgestaan, ging de waard met hem spotten. Zoo pratende maakten de beide jongelingen hun paarden gereed, en laadden hun valiezen op; na met den waard te hebben gedronken en te zijn opgestegen kwamen zij te Florence, Tevreden over de wijze, waarop de zaak had plaats gehad, over het gevolg en na opnieuw maatregelen te hebben genomen, kwam Pinuccio weer met Niccolosa te samen, die haar moeder had verzekerd, dat hij bepaald had gedroomd. Daarom zeide de donna, zich de omhelzingen van Adriano herinnerend, dat zij alleen had gewaakt.

ZEVENDE VERTELLING.

Talano van Molese droomt, dat een wolf de keel en het gelaat van zijn vrouw geheel verscheurt; hij zegt, dat zij op moet passen, zij doet het niet waarop het gebeurt.

Toen de geschiedenis van Pamfilo geëindigd was en de slimheid van de donna door allen was geprezen, zeide de koningin tot Pamfilo, dat zij de hare moest aanvangen, die aldus begon: Bekoorlijke donna’s. Vroeger is er reeds gesproken over de gebleken juistheid van droomen, waarover velen spotten. Hoewel er over gesproken is, zal ik niet nalaten er u een te vertellen, die zeer kort is, welke nog niet lang geleden een mijner buurvrouwen overkwam, omdat zij een droom, die haar man had, niet wilde gelooven.

Ik weet niet of gij hier Talano di Molese kent, een zeer eerbaar man. Deze had een meisje, Margarita genaamd, schoon boven alle anderen tot vrouw, maar meer dan elk was zij grillig, onaangenaam en zoo kregel, dat zij nooit iets naar het oordeel van anderen wilde doen, en hoe moeilijk dit ook voor Talano was te verduren, duldde hij dit, omdat het zoo moest. Op een nacht, toen Talano met zijn Margarita op een zijner landgoederen sliep, zag hij in een droom zijn vrouw door een zeer schoon bosch gaan, dat zij niet ver van hun huis hadden. Er kwam aan een kant een groote en wreede wolf te voorschijn, die snel haar naar de keel vloog en haar op den grond trok. Zij schreeuwde om hulp en trachtte zich aan hem te onttrekken. Toen zij uit zijn muil kwam, was haar gansche keel en gelaat verminkt. Toen hij den volgenden morgen opstond, zeide hij tot de vrouw: Vrouw, hoewel uw kregel karakter mij nooit heeft veroorloofd een goeden dag met u door te brengen, zou ik toch treurig zijn, wanneer u kwaad overkwam en daarom, indien gij naar mijn raad wilt luisteren, ga heden niet uit huis. Toen zij hem vroeg waarom, vertelde hij zijn droom. De donna, die het hoofd schudde, zeide: Wie u kwaad wil, droomt kwaad van u. Gij bekommert u zeer om mij, maar gij droomt van mij, wat gij wenscht en daarom zal ik er steeds voor oppassen u het genoegen te geven met dit of ander onheil. Daarop hernam Talano: Ik wist wel, dat gij zoo zoudt spreken, want wie iemand met hoofdzeer kamt, krijgt er geen dank voor, maar ik voor mij zeg u, dat om uw bestwil en nogmaals raad ik het u aan, dat gij vandaag thuis blijft of tenminste niet in ons bosch te gaan.

De donna sprak: Goed, ik zal het doen. En toen zeide zij in zich zelf: Hebt gij gezien hoe hij boosaardig gelooft mij bang te maken, als ik vandaag naar het bosch ga? Hij heeft daar zeker een slechte vrouw ontboden en wil niet, dat ik hem er vind. O, hij zou goed blinden kunnen misleiden en ik zou wel dwaas zijn, als ik het geloofde. Maar hij zal het niet gedaan krijgen. Ik ga toch kijken, al moest ik er den ganschen dag waken om te zien welken koop hij heden wil sluiten.

Toen de man aan den eenen kant het huis verliet, ging zij er aan den anderen kant uit en heimelijk ging zij dadelijk naar het dichtste gedeelte van het bosch, verborg zich en bleef opletten.

Terwijl zij wachtte zonder aan den wolf te denken, komt daar zoo’n groot en vreeselijk dier vlak bij haar uit dicht struikgewas en zij kon ternauwernood: God, help mij! roepen, toen de wolf haar al naar de keel was gevlogen. Na haar stevig te hebben beetgepakt droeg hij haar weg, of zij een lammetje was. Zij kon zich niet verweren noch schreeuwen, zoo was haar keel toegeklemd en terwijl de wolf haar droeg, had die haar zeker geworgd, als niet een paar herders hem door hun kreten hadden gedwongen haar los te laten. Ellendig en ontdaan werd zij door de herders herkend en naar huis gedragen en na langdurige zorg door de doktoren genezen. Haar keel en een deel van haar gelaat waren zoo verminkt, dat zij steeds misvormd bleef en leelijk. Daarna schaamde zij zich te verschijnen, waar zij vroeger gezien was en beklaagde zich dikwijls over haar nukkigheid en onwil, hoewel het haar niets zou gekost hebben geloof te hechten aan den droom van haar man.

ACHTSTE VERTELLING.

Biondello drijft den spot met Ciacco door een middagmaal, waarover Ciacco zich listig wreekt door hem, een schandelijk pak slaag te geven.

Iedereen in het vroolijk gezelschap zeide, dat, wat Talano gezien had, in den slaap geen fantasie was geweest, maar een visioen, zóó was het uitgekomen. Maar toen iedereen zweeg, beval de koningin, dat Lauretta zou volgen, die sprak: Zeer wijze donna’s. Gelijk zij, die voor mij hebben gesproken, allen zijn begonnen te praten over een reeds behandelde zaak, zoo beweegt mij de geduchte wraak gisteren door Pampinea verteld, welke de student uitoefende, er een te verhalen, die pijnlijk genoeg was, hoewel niet zoo wreed. En daarom wil ik U het volgende vertellen.

Er bevond zich te Florence iemand, die door allen Ciacco werd genoemd, de vraatzuchtigste man, die er ooit bestond. Daar hij de verteringen niet kon maken, die zijn gulzigheid vereischte en hij toch welgemanierd was en goed en geestig wist te antwoorden, deed hij zijn best in ’t geheel geen hoveling te zijn maar een tafelschuimer en bezocht hen, die rijk waren en die lekker aten. Bij hen ging hij dikwijls middag- en avondmalen, hoewel hij er nooit toe werd uitgenoodigd. Gelijktijdig leefde er iemand in Florence, die Biondello heette, klein van stuk, zeer keurig van kleeding en en schitterender dan een mot met zijn kapsel op het hoofd, zijn blonde dos, waarvan het eene haar niet langer was dan het ander, die hetzelfde vak als Ciacco (het zwijn) uitoefende. Toen hij op een morgen van de vasten zich daarheen had begeven, waar men de visch verkoopt en er twee zeer groote lampreien kocht voor messer Vieri de’ Cerchi, werd hij door Ciacco opgemerkt. Hij naderde Biondello en zeide: Wat beteekent dit? Biondello antwoordde hem: Men heeft er gisteren drie anderen gestuurd nog veel mooier dan dezen en een steur naar messer Corso Donati, die, daar zij niet voldoende waren om een paar edellieden te verzadigen, mij die twee anderen liet koopen. Zult gij er niet heengaan? Ciacco antwoordde, dat hij er komen zou. Toen het hem tijd scheen, begaf hij zich naar messer Corso en vond hem daar met enkelen van zijn buren, die nog niet waren gaan middagmalen. Hij antwoordde hun, toen deze hem vroeg, wat hij kwam doen: Mijnheer, ik kom met U en Uw gezelschap middagmalen. Messer Corso antwoordde hem: Gij zijt welkom en laat ons beginnen. Toen zij aan tafel zaten, aten zij eerst grauwe erwten en gezouten tonijn en gebakken visch uit den Arno. Ciacco, die het bedrog van Biondello bemerkt had en in stilte boos was, nam zich voor het hem te betalen. Kort daarop ontmoette hij hem, die reeds velen over den grap had doen lachen. Biondello, die hem zag, ontmoette hem en vroeg hem lachend, hoe de lampreien van messer Corso gesmaakt hadden, waarop Ciacco antwoordde: Voor acht dagen verstreken zijn, zult gij het mij nog veel beter weten te vertellen. En zonder het plan uit te stellen nam hij van Biondello afscheid, kwam met een slim makelaar den prijs overeen en na dien een glazen flesch te hebben gegeven, leidde hij hem in de buurt van de galerij der Cavicciuoli en wees hem daarin een ridder, messer Filippo Argenti, een groot, krachtig en sterk man, trotscher, driftiger en nukkiger dan wie ook en zeide tot hem: Gij zult naar dezen toegaan met die flesch in de hand en hem dit zeggen: Messer Biondello zendt mij tot U om U te verzoeken zoo goed te zijn die robijnkleur te geven met uw goeden rooden wijn, omdat hij zich wat met zijn vrienden vermaken wil, maar pas op, dat Argenti U niet bij de kladden neemt, want hij zou U een kwaden dag bezorgen en gij zoudt mijn plannen er mee bederven. De makelaar sprak: Hebt u nog iets anders te zeggen? Ciacco zeide: Neen, ga maar. En als gij dit zult gezegd hebben, kom dan hier terug bij mij met de flesch en ik zal U betalen. Toen de makelaar was heengegaan, deed hij de boodschap aan messer Filippo. Messer Filippo, die weinig hersens had en meende, dat Biondello, dien hij kende, hem voor den gek wilde houden, sprak met ontvlamd gelaat: Wat maakt gij robijnrood en welke vrienden zijn dat? Dat God U en hem een slecht jaar zal geven! Hij stond op en stak den arm uit om den makelaar beet te pakken, maar deze nam de vlucht en ging langs een anderen weg naar Ciacco, die alles had gezien en zeide hem, wat messer Filippo had geantwoord. Ciacco betaalde tevreden den makelaar en rustte niet, eer hij Biondello had gevonden, tot wien hij zeide: Zijt gij een dezer dagen niet in de galerij der Cavicciuoli geweest? Biondello antwoordde: Wel neen, waarom vraagt gij mij dit? Ciacco zeide: Omdat messer Filippo U laat zoeken; ik weet niet, wat hij wil. Toen sprak Biondello: Goed, ik zal hem spreken.

Toen Biondello was weggegaan, ging Ciacco hem achterna om te zien, hoe dat zou afloopen. Messer Filippo, die den makelaar niet had kunnen krijgen, verging in zich zelf van toorn en kon uit de woorden van den makelaar niets anders halen dan, dat Biondello op aandrang van wien dan ook, hem voor den mal hield. Terwijl hij zoo kwaad was, kwam Biondello nader; zoodra hij dien zag, ging hij hem tegemoet en gaf hem een hevigen vuistslag in het gelaat. Wee mij, messer, zeide Biondel, wat is dat? Messer Filippo nam hem bij de haren, trok hem de kap van hoofd en na zijn mantel ter aarde hebben geworpen en hem stevig te hebben geranseld zeide hij: Verrader! Gij zult ondervinden, wat dat: geeft U hem robijnkleur en die vrienden zijn, die gij zendt om dat te zeggen! Meent gij, dat ik een kind ben? En hij beukte hem op het gezicht met ijzeren vuisten, liet hem geen haar meer op zijn hoofd en na hem door den modder te hebben gesleurd, verscheurde hij al zijn kleeren. Hij deed dit met zooveel kracht, dat Biondello geen woord kon spreken. Hij had wel iets gehoord van geeft U hem robijnkleur en van vrienden, maar hij wist niet, wat dat beteekende. Ten slotte nadat messer Filippo hem leelijk had geslagen en er veel menschen om heen kwamen, trokken die hem met de grootste moeite verminkt en verbijsterd uit zijn handen.

Zij zeiden hem, waarom messer Filippo dat had gedaan en laakten hem om wat hij gezegd had en beweerden, dat messer Filippo geen man was om mee te spotten.

Biondello verontschuldigde zich klagend en zeide, dat hij messer Filippo nooit om wijn had gevraagd. Toen hij een beetje hersteld was, ging hij verslagen naar huis in de meening, dat dit het werk was van Ciacco. En toen na eenige dagen de schrammen op zijn gezicht verdwenen waren, ging hij weer uit en vond hij Ciacco, die hem lachend vroeg: Biondello, hoe lijkt U de wijn van messer Filippo? Biondello antwoordde: Hadden de lampreien van messer Corso U maar zoo bevallen. Toen sprak Ciacco: Het hangt voortaan van U af, dat, wanneer gij mij zoo wilt te eten geven, ik ook U zóó te drinken geef.

Biondello, die wist, dat hij bij Ciacco meer kwaad dan goed kon opdoen, bad God, dat die hem met vrede zou laten en paste voortaan op hem niet meer voor den mal te houden.

NEGENDE VERTELLING.