Chapter 57
Calandrino riep weeklagend: Wee mij! Ongelukkige, die ik ben! Hoe zal ik doen? Hoe zal ik van dat kind bevallen? Waar moet het uit komen? Ik ben verloren door de hartstocht van mijn vrouw; dat God haar zoo treurig make als ik vroolijk zou willen wezen. O, als ik gezond was, zou ik zeker opstaan en haar zoo’n pak slaag geven, dat ik haar heelemaal zou radbraken. Het komt mij toe, want ik had haar niet op mij moeten laten klimmen. Kom ik er goed af, dan kan zij van verlangen daarna sterven. Bruno en Buffalmacco en Nello moesten zoo lachen, dat zij haast stikten, maar zij hielden zich in. Meester Scimmione [185] echter lachte zoo gul, dat men al zijn tanden had kunnen trekken. Maar toen Calandrino zich aan den dokter toevertrouwde en hem vroeg raad en hulp te verschaffen, zeide de dokter tot hem: Calandrino, ik wil niet, dat gij u kwelt, want—God zij geloofd—hebben wij het feit zoo spoedig bemerkt, dat ik u met weinig moeite en binnen weinig dagen zal verlossen, maar het is noodig er wat geld voor uit te geven. Calandrino sprak: Wee mij, dokter! Om Gods wil! Ik heb hier tweehonderd lire, waarmee ik een landgoed wou koopen; als die noodig zijn, neem ze, opdat ik niet hoef te bevallen, want ik weet niet, hoe ik zou moeten doen. Ik heb de vrouwen zulk een leven hooren maken, als zij moeten bevallen, hoewel zij er ruimte genoeg voor hebben, dat ik geloof, indien ik barenswee zou krijgen, eer te sterven dan te bevallen. De arts sprak: Denk daar niet aan. Ik zal u een goeden, lekkeren, gedistilleerden drank geven, die in drie morgens alles zal doen verdwijnen en gij zult gezonder blijven dan een visch. Maar wees voortaan wijs en handel niet zoo dwaas meer. Wij hebben voor dien drank drie goede en vette kippen noodig en gij geeft aan elk van uw vrienden vijf lire, voor welke zij alles koopen en het naar mijn winkel zullen brengen en morgen zal ik u bij Gods heiligen naam van dien gedistilleerden drank sturen en gij moet er een goeden, grooten beker per keer van drinken.
Calandrino hoorde dit en sprak: Dokter, ik vertrouw op u; en na vijf lire te hebben gegeven aan Bruno en geld voor de drie paar kapoenen, verzocht hij hem zich die moeite te geven tot zijn dienst. De dokter, na te zijn vertrokken, liet voor hem een weinig chiarea [186] klaar maken en zond hem die. Nadat Bruno de kippen gekocht had en de verdere benoodigdheden om te smullen, aten zij die samen op. Calandrino dronk dien morgen van de chiarea en de medicus met de drie kameraden kwamen bij hem; na hem den pols te hebben gevoeld, zeide hij: Calandrino gij zijt zonder twijfel genezen; gij kunt weer naar uw zaken gaan. Calandrino, die verheugd opstond, ging naar zijn werk en prees overal de prachtige kuur, die maëstro Simone hem had laten doormaken. Bruno en Buffalmacco en Nello hadden genoegen met list de gierigheid van Calandrino te hebben bespot, hoewel mevrouw Tessa, die het gewaar werd, er met haar man hevig over twistte.
VIERDE VERTELLING.
Cecco van messer Fortarrigo verspeelt te Buonconvento al zijn goed en het geld van Cecco van messer Angiulieri, zijn meester. Hij loopt den ander in zijn hemd achterna en zeggend, dat die hem beroofd heeft, laat hij hem vangen door de boeren, doet diens kleeren aan en op zijn paard gesprongen, gaat hij er vandoor en laat den ander in zijn hemd achter.
De woorden van Calandrino tot zijn vrouw werden door het gezelschap met groot gelach aangehoord. Toen Filostrato zweeg, begon Neifile, naar het de koningin behaagde: Waardige donna’s. Indien het niet moeilijker was voor de menschen anderen hun verstand en hun deugd te toonen, dan hun dwaasheid of hun ondeugd, zouden velen zich te vergeefs inspannen hunne woorden te beteugelen. En dit heeft de domheid van Calandrino voldoende bewezen, die volstrekt niet noodig had te genezen van de kwaal, waaraan zijn simpelheid hem deed gelooven en in het publiek de geheime genoegens van zijn vrouw mede te deelen. Dit heeft mij een geheel tegengestelde zaak in het geheugen gebracht namelijk, hoe de boosaardigheid van den een met schade en schande het verstand van den ander overtrof.
Niet vele jaren geleden leefden er in Siena twee mannen van al rijpen leeftijd, beide Cecco genaamd, maar de een van messer Angiulieri en de ander van messer Fortarrigo. Zij kwamen in karakter overeen en vooral in één ding, namelijk, dat zij beiden hun vaders haatten, daardoor werden ze vrienden en zochten elkaar vaak op. Angiulieri was knap en welgemanierd en hij vond, dat hij slecht kon blijven in Siena van het pensioen hem door zijn vader verstrekt. Hij vernam, dat er een kardinaal als pauselijk gezant was gekomen in het markgraafschap Ancona bij wien hij zeer in den gunst stond, en besloot tot hem te gaan, daar hij geloofde zoo zijn toestand te verbeteren, Nadat hij zijn vader dit had doen weten, kwam hij met hem overeen te ontvangen, wat die hem anders gedurende zes maanden gaf, opdat hij zich kon kleeden, paarden kon aanschaffen en op weg gaan. Dat hij iemand zocht om hem van dienst te zijn, werd bekend aan Fortarrigo; deze bad, dat hij hem zou medenemen als bediende, onderhoorige of wat hij wilde zonder eenig loon maar alleen onderhoud. Angiulieri antwoordde hem, dat hij hem niet mede wilde nemen, omdat hij speelde en zich bedronk. Fortarrigo antwoordde daarop, dat hij zich daarvoor zou wachten en bevestigde dit alles met vele eeden en voegde er zooveel smeekbeden aan toe, dat Angiulieri overwonnen zeide, dat hij er vrede mee had.
Op een morgen gingen zij op weg en gebruikten te Buonconvento het middagmaal. Nadat Angiulieri gegeten had, had hij, daar het zeer warm was, een bed in de herberg laten opmaken en na zich te hebben ontkleed geholpen door Fortarrigo, ging hij slapen na hem gezegd te hebben hem om negen uur te wekken. Terwijl Angiulieri sliep, ging Fortarrigo in de taveerne; na wat gedronken te hebben, begon hij met eenige lieden te spelen. In korten tijd verloor hij zijn geld en al de kleeren, die hij aan had. Begeerig te herwinnen en in zijn hemd ging hij, waar Angiulieri stevig sliep en haalde zooveel geld, als hij bij zich had, uit zijn beurs en naar het spel teruggekeerd, verloor hij dit als het andere. Toen Angiulieri ontwaakte, vroeg hij naar Fortarrigo, die niet was te vinden. Angiulieri meende, dat hij in een of andere hoek dronken sliep, gelijk hij vroeger placht te doen. Daarom dacht hij er over hem te laten schieten, het zadel te laten opleggen en een valies op zijn rijpaard en nam zich voor te Corsignano een anderen bediende te nemen. Hij wilde den waard betalen, maar vond zijn geld niet. Hierover ontstond groot rumoer in het huis van den waard en hij dreigde ze allen gevankelijk naar Siena te laten brengen. Daar komt Fortarrigo in zijn hemd aanzetten om de kleeren te stelen, gelijk hij het geld had ontvreemd. Toen hij Angiulieri zag te paard stijgen, zeide hij: Wat is dat, Angiulieri? Willen wij al heengaan! Kom, wacht nog even. Er moet hier iemand komen, die mij op mijn wambuis achtendertig stuivers heeft geleend. Ik ben er zeker van, dat hij het voor vijf en dertig teruggeeft, als ik dadelijk betaal. Onderwijl kwam er iemand bij, die Angiulieri verzekerde, dat Fortarrigo hem zijn geld had ontstolen en toonde hem de som, die hij bij hem verloor. Hierdoor zeer verstoord beleedigde Angiulieri Fortarrigo zeer en als hij niet voor meer dan voor God alleen bang was geweest, zou hij hem leelijk hebben te pakken genomen en dreigde hem te laten ophangen of hem uit Siena te doen verbannen en steeg te paard.
Fortarrigo deed of Angiulieri dit niet hem maar tot een ander had gezegd en sprak: Angiulieri, laten wij die woorden voor een beter oogenblik bewaren, die niets waard zijn. Laat ons daaraan denken. Wij zullen het voor vijf en dertig stuivers terug hebben door het contant te betalen, terwijl, als wij tot morgen wachten, het niet minder dan acht en dertig zal komen, gelijk hij mij vroeg en doe mij toch genoegen, daar ik ze op zijn aanraden heb ingezet. Zeg, waarom zouden wij die stuivers niet uitwinnen? Toen Angiulieri hem zoo hoorde spreken, werd hij wanhopig en het meest, omdat hij zich beloerd zag door de lieden om hem heen, die niet schenen te gelooven, dat Fortarrigo het geld van Angiulieri had verspeeld, maar dat Angiulieri daar nog schuld aan had en hij sprak tot hem: Wat heb ik met uw wambuis te maken. Laten ze jou maar ophangen, die niet alleen het mijne geroofd en verspeeld hebt, maar bovendien mijn reis hebt belemmerd en nog den gek met mij scheert. Fortarrigo hield echter vol, alsof hij dit niet tot hem zeide en sprak: Zeg, waarom wilt gij mij die drie stuivers niet laten winnen? Gelooft gij, dat ik u niet nog kan dienen met geld? Kom, doe het, als gij nog wat om mij geeft. Waarom hebt gij zoo’n haast? Wij zullen van avond nog wel te Torrenieri aankomen. Doe het, trek de beurs open, weet, dat ik in heel Siena zou kunnen zoeken en er geen zou vinden, dat mij zoo goed stond als dit. En te moeten zeggen, dat ik hem dit voor acht en dertig stuivers moet laten! Het is wel veertig waard of nog meer, zoodat ge mij zoo op twee manieren schaadt. Angiulieri zeer wrevelig, dat hij door hem bestolen werd en hem zoo hoorde spreken, sloeg zonder hem te antwoorden, den weg in naar Torrenieri. Daarop begon Fortarrigo, die op een listige gedachte kwam, in zijn hemd hem na te loopen en na hem wel twee mijlen gevolgd te hebben en steeds om het wambuis vragend, ging Angiulieri er hard van door om zich het gezanik uit de ooren te houden. Toen werden er door Fortarrigo boeren in een veld nabij den straatweg gezien voor Angiulieri uit. Hij begon hard te schreeuwen: Houdt hem! Houdt hem! waarop de een met zijn houweel en de ander met zijn spade voor Angiulieri verschenen, in de meening, dat degeen, die in zijn hemd liep te schreeuwen, beroofd was en pakten hem beet. Het hielp weinig of hij hun zeide, hoe de zaak stond. Toen Fortarrigo daar aankwam, zeide hij met een kwaad gezicht: Ik weet niet, waarom ik je niet vermoord, gemeene dief. En tot de dorpelingen gewend, sprak hij: Ziet gij, heeren, hoe hij mij in de herberg heeft achtergelaten na eerst alles van mij te hebben verspeeld. Ik kan wel zeggen, dat ik door God en door u zooveel zal terugwinnen, dat ik u er altijd dankbaar voor zal zijn. Angiulieri vertelde het anders, maar er werd niet naar geluisterd. Fortarrigo wierp met behulp der dorpelingen het paard op den grond en na hem te hebben beroofd, deed hij zijn kleeren aan en te paard gestegen, liet hij Angiulieri in zijn hemd en blootsvoets achter, ging naar Siena en vertelde overal, dat hij het paard en de kleeren van Angiulieri had gewonnen. Angiulieri, die rijk naar den kardinaal in het markgraafschap hoopte te gaan, kwam arm en in zijn hemd te Buonconvento terug en durfde uit schaamte zich niet dadelijk naar Siena begeven, maar toen hem kleeren geleend waren, ging hij op den knol, dien Fortarrigo bereed, naar zijn verwanten te Corsignano, waar hij bleef tot zijn vader hem opnieuw hielp. Zoo bedierf de boosheid van Fortarrigo het goede voornemen van Angiulieri, terwijl hij toch ter plaatse en op tijd hem niet ongestraft liet loopen.
VIJFDE VERTELLING.
Calandrino wordt op een jong meisje verliefd. Bruno maakt voor hem een schriftelijken talisman, waardoor zij hem volgt, als hij haar daarmee aanraakt. Wanneer hij door zijn vrouw wordt betrapt, geeft het een grooten en ernstig en twist.
Toen het korte verhaal van Neifile geëindigd was, zonder dat het gezelschap er te veel om gelachen of over gesproken had, keerde de koningin zich naar Fiammetta en beval haar te volgen, welke zeer welgemoed antwoordde, dat zij gaarne wilde en aldus begon: Allerliefste donna’s. Gelijk ik meen, dat gij weet, zijn er dingen, die te meer behagen, naarmate men er meer van spreekt, mits men den tijd en de plaats, die dezen eischen, behoorlijk weet te kiezen, wanneer men ervan wil spreken. En daarom als ik beschouw, waarom wij hier zijn (want wij zijn hier om genoegen en goede tijdpasseering te hebben en voor niets anders) geloof ik, dat al wat vreugde en vermaak kan verschaffen, hier de vereischte plaats en tijd vindt. En hoewel er al duizende malen over gerept werd, is het niet noodig over iets anders te praten om zich te vermaken. Er is al dikwijls over de daden van Calandrino gesproken en indien ik er aan denk, gelijk voor kort Filostrato zeide, dat die allen vermakelijk zijn, durf ik u er nog wel een novelle van vertellen, die ik om van de waarheid af te wijken wel had kunnen samenstellen onder andere namen. Maar omdat dit het genoegen bij de hoorders zeer vermindert, zal ik u dit daarom in den echten vorm verhalen.
Niccolo Cornacchini was onze medeburger, een rijk man, en had onder anderen een schoone bezitting in Camerata, waar hij een voornaam en fraai kasteel liet bouwen en overeen kwam met Bruno en Buffalmacco het geheel te beschilderen. Dezen, omdat het werk groot was, namen Nello en Calandrino mee en begonnen te arbeiden. Elke kamer was voorzien van een bed en van andere benoodigdheden en een oude meid bleef huisbewaarster, omdat er geen ander dienstpersoneel was. Een zoon van genoemden Niccolo, die Filippo heette, een ongehuwd jonkman, bracht er soms voor zijn plezier een vrouw heen, hield die er een of twee dagen en stuurde haar dan weg. Eens bracht hij er een mee, die Niccolosa heette, welke een treurig sujet, Mangione genaamd, in een huis te Camaldoli onderhield en uithuurde. Zij was mooi en goed gekleed en voor een vrouw van haar soort welgemanierd en aardig in den omgang. Toen zij eens op een middag uit de kamer was gegaan in een witten rok met de haren om het hoofd gerold en zich aan een put op de binnenplaats van het kasteel de handen en het gezicht waschte, kwam Calandrino daar water halen en groette haar vriendelijk. Zij keek hem aan meer, omdat hij haar een rare kerel scheen dan door een ander verlangen. Calandrino zag haar aan en daar zij hem mooi leek, zocht hij voorwendsels en ging met het water niet naar de metgezellen terug; maar omdat hij haar niet kende, durfde hij haar niets te zeggen. Zij, die dit gewaar werd, keek hem soms aan om hem voor den mal te houden en slaakte een paar zuchten. Daardoor ontvlamde Calandrino dadelijk en ging niet van de binnenplaats weg, voor zij door Filippo in de kamer werd geroepen.
Calandrino deed niets dan zuchten, wat Bruno bemerkte, omdat hij hem dikwijls op de handen keek en groot vermaak schepte in diens doen en laten en zeide: Wat duivel, mankeert jou, kameraad? Je doet niets dan zuchten. Hierop sprak Calandrino: Vriend, als ik iemand had, die mij zou helpen, zou ik het goed maken. Hoe? zeide Bruno. Calandrino hernam: Gij moet het aan niemand zeggen, er is hier een jong meisje schooner dan een fee, welke zoo verliefd op mij is, dat het u een bijzonder geval zou schijnen. Ik merkte het pas, toen ik water ging halen. Wee mij! hernam Bruno, pas op, dat het niet de vrouw is van Filippo. Calandrino ging voort: Dat geloof ik, omdat hij haar riep en zij naar hem toeging, maar wat wil dat zeggen? Ik zou in die dingen Christus bedriegen en niet slechts Filippo. Ik zal u de waarheid zeggen, vriend, zij bevalt mij onuitsprekelijk. Toen sprak Bruno: Vriend, ik zal je wel vertellen, wie zij is en als zij de vrouw is van Filippo, zal ik uw zaken in twee woorden in orde krijgen, omdat zij met mij zeer bevriend is. Maar hoe zullen wij maken, dat Buffalmacco het niet weet? Ik zal haar nooit kunnen spreken, zonder dat hij er bij is. Calandrino hervatte: Ik bekommer mij niet om Buffalmacco, maar laat ons op Nello passen, want hij is een verwant van mijn vrouw Tessa en zou voor ons alles bederven. Bruno sprak: Goed zoo. Bruno wist heel goed, wie zij was en bovendien had Filippo het hem verteld. Daarom, toen Calandrino een oogenblik het werk had verlaten en naar haar was gaan zien, vertelde Bruno alles aan Nello en aan Buffalmacco en zij regelden, wat zij hem om zijn verliefdheid zouden leveren. Toen hij terugkeerde, zeide Bruno zachtjes: Hebt gij haar gezien? Calandrino antwoordde: Wee mij, ja, zij doet mij sterven. Bruno hervatte: Ik wil gaan kijken om te zien of zij de bedoelde is en laat mij dan maar gaan. Daarop ging Bruno in den hof en vond daar Filippo en haar en vertelde hun, wat Calandrino gezegd had, en regelde ook met hen, wat zij moesten doen en zeggen om pret te hebben.
En tot Calandrino teruggekeerd sprak hij: Zij is het en wij moeten dit zeer slim aanleggen, omdat, als Filippo het merkt, al het water van den Arno het niet kan afwasschen. Maar wat wilt gij, dat ik haar van uw kant zeg, als ik haar toevallig spreek? Calandrino antwoordde: Wel gij moet haar voor alles zeggen, dat ik haar van mij duizendmaal zwanger wensch en ik haar dienaar ben! Bruno zeide: Ja, laat mij maar gaan. Toen het uur van het avondmaal kwam en zij het werk hadden neergelegd, naar de binnenplaats afdaalden en Filippo en Niccolosa daar waren, bleven zij daar eenigen tijd. Daar begon Calandrino Niccolosa te beschouwen en haar zoo verstaanbare lonken toe te werpen, dat een blinde het moest merken. Zij van haar kant deed alles, wat zij moest om hem goed te ontvlammen en volgens de voorlichting, die zij van Bruno had gehad, nam zij de beste gelegenheid waar, terwijl Filippo met Buffalmacco en de anderen deden of zij praatten en er niets van merkten. Maar toch na eenigen tijd gingen zij heen tot grooten spijt van Calandrino en terwijl ze zich naar Florence begaven, zeide Bruno tot Calandrino: Ik zeg u, dat gij haar smelt als het ijs voor de zon, bij het Lichaam van Christus; als gij uw guitaar hier haalt en een beetje met haar uw liefdeliederen zingt, zult gij haar door de ramen doen springen. Calandrino zeide: Zou je denken, dat ik die moet halen? Ja, antwoordde Bruno. Hierop sprak Calandrino: Gij geloofde mij heden niet, toen ik het u zeide: Zeker, vriend, ik weet beter dan ieder ander man dat te doen, wat ik wil. Wie zou anders dan ik zoo spoedig zulk een donna verliefd hebben kunnen maken? Werkelijk, dat hadden die soort jongelieden, die alles rondbazuinen, niet kunnen gedaan krijgen, die den geheelen dag overal heen gaan en in duizend jaar nog niets winnen. Nu, ik wil, dat gij mij een weinig met mijn ribeba (mandoline) zult zien; gij zult mooi spelen hooren. Weet wel, dat ik niet zoo oud ben, als ik schijn; zij heeft dat wel gemerkt. Maar ik zal het haar doen merken, wanneer ik haar aan den scheepshaak sla; bij het ware Lichaam van God, ik zal haar voorspelen, dat zij mij naloopt als een gekkin haar kind. O zeide Bruno, gij zult haar besnuffelen als de zwijnen en het schijnt mij al, dat ik u haar rooden mond zie bijten met uw tanden als guitaarhoutjes [187] en haar wangen, die twee rozen schijnen en haar heelemaal opeten.
Calandrino, welke deze woorden hoorde, scheen er al mee bezig te zijn en liep zoo vroolijk te zingen en te dansen, dat hij uit zijn vel leek te springen. Toen hij den volgenden dag de ribeba haalde, zong hij tot groot vermaak van het heele gezelschap met haar verscheidene liederen. In korten tijd begon hij zoo naar haar te verlangen, dat hij bijna bijna niet meer werkte, maar duizend keer per dag naar het raam, de deur en op de binnenplaats liep om haar te zien. Zij ging handig volgens de voorschriften van Bruno te werk en gaf hem zeer dikwijls aanleiding. Bruno zelf gaf hem antwoord op zijn boodschappen en voor haar deed hij het ook menigmaal. Wanneer zij niet op het kasteel was, wat meestentijds gebeurde, zond zij hem brieven, waarin zij hem groote hoop gaf voor zijn verlangens en verklaarde, dat zij bij haar ouders was, waar hij haar toen niet kon vinden.
Op die manier hadden Bruno en Buffalmacca het grootste plezier en lieten zich, alsof het door zijn donna gevraagd werd, nu eens een ivoren kam en dan weer een beurs of een mesje en meer zulke snuisterijen schenken en gaven hem in ruil daarvoor valsche juweelen, waar Calandrino zeer blij mee was. Bovendien haalden zij er bij hem goede gastmalen en andere voordeelen uit, daar zij op zijn belangen letten. Nadat zij hem wel twee maanden op die wijze hadden bezig gehouden zonder er iets voor te hebben gedaan en Calandrino zag, dat het werk ten einde liep en meende, dat, als hij niet tot een resultaat kwam, zijn liefde zou eindigen, voor zijn taak was afgeloopen, begon hij Bruno aan te zetten. Daarom zeide Bruno tot Calandrino, toen het meisje eens was teruggekomen en hij eerst met Filippo en haar had afgesproken, wat er gedaan moest worden: Kijk, vriend, die donna heeft mij wel duizend maal beloofd te zullen doen, wat gij wilt en ten slotte doet zij niets en het schijnt mij, dat zij u bij den neus leidt en daarom zullen wij er haar toe nopen, of zij wil of niet. Calandrino antwoordde: Ja, om Gods wil, laten wij dit gauw doen. Bruno hernam: Zou Hij u dan moed geven haar met een schriftelijken talisman aan te raken, dien ik u zal geven? Calandrino ging voort: Goed. Dan, zei Bruno, laat mij dan een perkament brengen uit vel van een ongeboren kalf en een levende vleermuis en drie korrels wierook en een heilige kaars en laat mij gaan.
Calandrino bracht den ganschen avond door met zijn jachtwerktuigen om een vleermuis te vangen en toen hij er eindelijk een had, bracht hij die met de andere benoodigdheden naar Bruno. Deze, die zich in een kamer had begeven, schreef op dat perkament een paar dwaasheden van hem met wat tooverletters, bracht ze hem en zeide: Calandrino, gij moet haar met dit geschrift aanraken; zij zal u dadelijk volgen en doen wat gij wilt. En om kort te gaan, als Filippo heden ergens heen gaat, spreek haar toe, raak haar aan en ga in de schuur hiernaast, die de beste plaats is, omdat er nooit iemand komt. Gij zult zien, dat zij u zal volgen. Wanneer zij er is, weet gij wel, wat gij te doen hebt. Calandrino was zeer gelukkig en na het formulier te hebben opgenomen, zeide hij: Kameraad, laat mij gaan. Nello, voor welken Calandrino zich in acht nam, vermaakte zich hiermee ook en ging er mee voort hem voor den mal te houden en daarom gelijk Bruno hem gelast had, ging hij naar Florence naar de vrouw van Calandrino en zeide haar: Tessa, gij weet hoeveel slagen Calandrino u gaf zonder reden op den dag, dat hij met de steenen uit den Mugnone thuis kwam en daarom wensch ik, dat gij dit wreekt en als gij het niet doet, zult gij mij niet meer tot familie hebben noch tot vriend. Hij is daar ginds verliefd geworden op een donna en zij is zóó gemeen, dat zij zich dikwijls genoeg met hem opsluit. Niet lang geleden hadden zij een afspraak. Daarom wil ik, dat gij er heengaat en hem betrappen zult en kastijden. Toen de donna dit hoorde, scheen haar dit geen grapje, maar zij zeide: Wee mij, beruchte dief, doe jij mij dat? Bij het kruis van God, dat zal zoo niet gebeuren.