Chapter 56
De dageraad, welks glans den nacht doet vlieden, had reeds den licht-azuren tint van den achtsten [182] hemel in donkerblauw veranderd en de bloemkens richtten zich al op in de velden, toen Emilia haar gezellinnen en de jonge lieden deed roepen. Toen zij met langzame schreden de koningin waren gevolgd, begaven zij zich naar een boschje niet ver van het verblijf en toen zij daar in waren geloopen, zagen zij de dieren zooals geiten, herten en anderen beveiligd tegen jagers door de heerschende pestziekte hen afwachten, zonder vrees, alsof zij bevriend met hen waren geworden. En de dieren naderend, of zij ze wilden vangen, vermaakten zij zich door ze te doen rennen en springen. Maar toen de zon geheel op was, keerden allen terug. Zij waren met eikenloof bekransd en hadden de handen vol geurige kruiden of bloemen en wie ze zou ontmoet hebben, had niets anders kunnen zeggen dan: O dezen zullen niet door den dood overwonnen worden of het zal in vreugde zijn. Aldus gaande schrede na schrede, zingend en spelend en schertsend kwamen zij bij hun verblijf en vonden hun bedienden feestelijk gestemd. Toen zij wat uitgerust hadden, gingen zij niet aan tafel voor zes liederen, het een al aardiger dan het andere, waren gezongen. Vervolgens werd het water voor de handen aangereikt en plaatste de hofmeester ze aan tafel en allen aten vroolijk, gaven zich daarna over aan dans en fluitspel en op bevel der koningin ging, wie wilde, uitrusten. Maar toen het uur gekomen was, vereenigden allen zich op de gewone plaats om te vertellen, waarop de koningin naar Filomena ziende, zeide, dat zij een aanvang zou maken met de verhalen, welke glimlachend aldus begon:
EERSTE VERTELLING.
Madonna Francesca, bemind door een zekeren Rinuccio en een zekeren Alessandro en die geen van beide lieft heeft, bevrijdt zich handig van hen door den een als doode in een graftombe te stoppen en dezen door den ander er uit te laten halen, zoodat geen van beide het gestelde doel bereiken.
Madonna, het is mij zeer aangenaam, daar het u behaagt, dat ik de eerste moet zijn, die in dit open en vrije veld, waar Uwe Doorluchtigheid ons de gelegenheid geeft, mag beginnen met verhalen en zoo ik het goed zal doen, twijfel ik er niet aan, dat zij, die later komen het beter zullen volbrengen. In onze vertellingen, o genadige donna’s, is dikwijls genoeg aangetoond, hoe groot de kracht der liefde is. Toch geloof ik niet, dat er alles van gezegd is noch, dat men er alles van weet te zeggen, al zou men er een jaar over spreken. En omdat de liefde niet alleen de minnenden aan verschillende doodsgevaren bloot stelt, maar ze zelfs in de verblijven der dooden voert, trekt het mij aan u een geschiedenis te vertellen, waaruit gij niet alleen de macht der liefde, maar ook de slimheid van een waardige donna zult leeren kennen, en wat zij aanwendde om zich er twee van den hals te schuiven, die haar tegen haar verlangen lief hadden.
In de stad Pistoja leefde vroeger een zeer schoone weduwe, welke twee van onze Florentijnen, die er in ballingschap woonden, ten zeerste beminnen, Rinuccio Palermini en Alessandro Chiarmontesi genaamd, zonder dat zij iets van elkaar wisten. Elk van hen ging zoo voorzichtig mogelijk te werk om haar liefde te verwerven. En daar deze edelvrouw, die madonna Francesca de’ Lazzari heette, zeer dikwijls met boodschappen en smeekbeden van beide werd lastig gevallen en onverstandig er meermalen naar had geluisterd en er zich wijselijk aan wilde onttrekken, kwam bij haar een gedachte op om zich van hun vervolging te bevrijden. Zij wilde hun een dienst vragen, welke zij dacht, dat geen van beide haar zou doen, hoewel het mogelijk was, opdat zij, als ze het niet deden, een ware of schijnbare reden had hun verzoeken niet meer aan te hooren.
In Pistoja was iemand gestorven, die, hoe hoog zijn edele voorvaderen ook stonden aangeschreven, bekend was als de gemeenste kerel, die daar en overal had bestaan; hij was zoo mismaakt en van zulk een ongewoon uiterlijk, dat wie hem niet zou gekend hebben en hem zag, bang geworden zou zijn. Hij werd begraven in de graftombe bij de kerk der Minderbroeders. Dat zou een goede hulp voor haar plan zijn. Daarom zeide zij tot haar dienstmaagd: Gij kent den hinder en den angst, die ik den ganschen dag ondervind door die twee Florentijners, Rinuccio en Alessandro. Ik ben niet van zins hen met mijn liefde ter wille te zijn en om ze kwijt te raken, heb ik mij voorgenomen ze op de proef te stellen door een feit, waarvan ik zeker ben, dat zij het niet willen doen; zoo zal deze vervolging tegen mij ophouden. Luister: Gij weet, dat heden op het kerkhof der Minderbroeders Scannadio, (zoo heette die gemeene vent,) begraven werd, voor welken niet als doode maar als levende, de dapperste mannen bang waren. Gij zult eerst in ’t geheim naar Alessandro gaan en hem aldus toespreken: Madonna Francesca laat u weten, dat thans de tijd gekomen is, dat gij haar liefde kunt verkrijgen, die gij zoo hebt verlangd. Om een reden, dien gij later zult weten, moet een van haar verwanten het lijk van Scannadio bij haar thuis brengen, die van morgen begraven werd. Die dit moet doen is zeer bang voor hem als doode en wil niet; daarom verzoekt zij u bij wijze van grooten dienst van avond naar Scannadio’s tombe te gaan, dat gij zijn kleeren zult aantrekken en er blijven, of gij deze waart, totdat men zal komen en zonder dat gij iets zeggen of u verroeren zult, u er uit zult laten halen en naar haar huis laten brengen. Zij zal u dan ontvangen en met u blijven en gij zult, naar het u behaagt, kunnen vertrekken om het overige aan haar over te laten. En indien hij zegt dit te willen doen, is het goed; mocht hij niet willen, zeg hem dan namens mij, dat hij niet meer verschijnen moet, waar ik ben en dat hij, als zijn leven hem lief is, mij geen berichten of boodschappen stuurt. Daarna zult gij naar Rinuccio Palermini gaan en gij zult hem aldus toespreken: Madonna Francesca zegt, dat zij bereid is uw elk genoegen te doen, mits gij haar een grooten dienst doet, en dat is, dat gij vannacht naar de tombe gaat, waaronder van morgen Scannadio begraven is en hem zonder dat gij iets zegt er heimelijk uit haalt en bij haar thuis brengt. Dan zult gij zien, waarom zij dit wil en gij zult met haar uw genoegen hebben. Wilt gij het niet doen, dan bericht zij u haar nooit meer boodschappen te zenden.
De meid ging naar beide toe en vertelde aan elk, wat haar was opgedragen. Zij antwoordden beiden, dat zij voor haar niet in een graf maar in de hel zouden gaan, wanneer het haar zou behagen. De meid gaf het antwoord aan de donna, die wilde zien of zij gek genoeg zouden zijn het te doen. Toen de nacht gevallen was en het uur van den eersten slaap begonnen, kleedde Alessandro zich in een wambuis, ging het huis uit om in plaats van Scannadio in het graf te gaan liggen, maar terwijl hij er heenging, bekroop hem groote angst en hij begon tot zich zelf te zeggen: Zie, ben ik niet een groote ezel? Waar ga ik heen? Hoe weet ik, dat de verwanten van die donna, die misschien bemerkt hebben, dat ik haar bemin, haar dit niet laten doen om mij in dat graf te vermoorden. Indien dat zou gebeuren, zou ik er alleen de schade van hebben; of kan het zijn, dat misschien een vijand mij dit heeft op den hals geschoven, die haar wellicht lief heeft? En daarna zeide hij: Maar laat ons onderstellen, dat daar niets van waar is en dat haar verwanten mij naar haar huis brengen, dan geloof ik, dat zij niet de bedoeling hebben het lichaam van Scannadio weg te nemen om het voor het laatst te omhelzen of dit haar te laten doen maar het in stukken te hakken, omdat hij hun op eenigerlei wijze beleedigd heeft. Zij zegt mij, dat ik niet moet spreken van wat ik gewaar word. Maar als zij mij de oogen uitstaken, de tanden uittrokken, mij de handen afkapten of een spelletje van dit soort speelden, waar zou ik dan aan toe zijn? Hoe zal ik stil kunnen blijven? En indien ik spreek, zouden zij mij herkennen en kwaad doen of als zij mij geen kwaad doen, zal ik nog niets hebben, want zij zullen mij niet bij de donna laten. En de donna zal zeggen, dat ik haar gebod heb overtreden en nooit iets doen, wat mij zal behagen. Bij die woorden was hij haast naar huis gegaan, maar toch dreef de groote liefde hem voort met tegenstrijdige beweringen en met zooveel kracht, dat die naar het graf leidden. Nadat hij Scannadio had uitgekleed, zich zelf herkleed had en de tombe over zich had gesloten en op diens plaats was gaan liggen, begon hij na te denken wie deze geweest was en de dingen, die bij nacht plaats hadden niet alleen in de graven der dooden maar ook elders en al zijn haren rezen overeind en het scheen hem, dat opeens Scannadio zich recht op verhief en hem zou worgen. Maar versterkt door hevige liefde overwon hij die en andere gedachten en bleef liggen, of hij dood was en wachtte af.
Te middernacht ging Rinuccio het huis uit om te doen, wat hem door zijn donna was opgedragen en terwijl hij voortliep, kwam hij op verschillende gedachten over allerlei mogelijkheden: bijvoorbeeld, dat hij in de handen van de justitie zou vallen en dat hij als toovenaar zou verbrand worden of kwaad met Scannadio’s verwanten en meer wat hem weerhield. Maar van voornemen veranderend zeide hij: Zal ik neen zeggen op het eerste, waarom die edelvrouw mij vraagt, die ik zoo bemin, wanneer ik haar gunst moet winnen? Al moest ik er voor sterven, zou ik toch doen, wat ik heb beloofd. Hij kwam bij het graf en opende het zachtjes. Toen Alessandro bemerkte, dat het geopend werd, hield hij zich toch stil, hoewel hij zeer bang was. Rinuccio, die er in gegaan was en geloofde het lichaam van Scannadio aan te vatten, nam Alessandro bij de voeten en trok hem er uit, nam hem op de schouders en ging naar het huis van de donna; op niets anders lettend stootte hij dikwijls tegen een of andere plank langs den weg. De nacht was zoo donker, dat hij niet kon onderscheiden, waar hij heen ging. Toen Rinuccio aan den drempel van de deur was der edelvrouw, die aan de vensters met haar meid wachtte om te zien of hij Alessandro meebracht en zich er al op voorbereid had ze beide weg te sturen, kwamen de knechten van den schout, die in die straat zich hadden opgesteld en in stilte op den loer stonden om een bandiet te overvallen. Zij hoorden het gedruisch, dat Rinuccio met de voeten maakte, en haalden opeens een licht te voorschijn om te zien, waar ze heen moesten gaan en riepen met opgeheven schilden en lansen: Wie is daar? Daar Rinuccio wist, wat dat was en geen tijd had voor lang overleg, liet hij Allessandro vallen en vluchtte, zoover zijn beenen hem dragen konden. Alessandro, die snel was opgestaan, ging in de kleeren van den doode in andere richting aan den haal. De donna had door het licht, dat de knechten omhoog hielden, Rinuccio duidelijk gezien met Alessandro op den rug in het gewaad van Scannadio en verwonderde zich zeer over den grooten moed van beide, maar met al haar verbazing lachtte zij, toen zij Alessandro ter aarde zag werpen en vluchten. Hierover zeer vroolijk loofde zij God, dat Hij haar van dezen had bevrijd. Zij ging naar binnen en was het met haar meid eens, dat zonder twijfel beide haar zeer moesten liefhebben. Rinuccio, die zijn ongeluk vervloekte, ging niet naar huis, maar toen de dienaren van den schout uit die straat waren heengegaan, keerde hij terug, en begon hem op den tast zoeken om zijn plicht te vervullen, maar daar hij meende, dat de gerechtsdienaars hem vandaar moesten hebben opgenomen, ging hij toen treurig naar huis. Alessandro, in twijfel en zonder te weten, wie hem had gedragen en bedroefd over dit ongeval ging eveneens naar huis. Den volgenden morgen, toen de tombe van Scannadio open werd gevonden en men hem er niet in zag, omdat Alessandro hem in de diepte daarvan had gerold, sprak heel Pistoja daarover op allerlei manieren en meenden de dwazen, dat hij door duivels was weggevoerd. Niettemin vroeg elk der beide minnaars, die aan de donna hadden verteld, wat er gebeurd was en zich zoo verontschuldigden, dat haar bevel niet geheel nagekomen was, haar gunst en haar liefde. Maar daar zij deed of zij hun niet geloofde, maakte zij zich van hen vrij met het antwoord: nooit iets voor hen te willen doen, omdat zij niet hadden gedaan, wat zij had gevraagd.
TWEEDE VERTELLING.
Een abdis staat in groote haast en in het donker op om een harer nonnen met haar minnaar te betrappen. Daar zij zelf met een priester slaapt en gelooft haar sluierkap op het hoofd te hebben gezet, plaatst zij er de broek op van den priester. Als de betrapte non dat ziet en het haar doet bemerken, bevrijdt zij zich van straf en blijft daardoor bij haar minnaar.
Filomena zweeg en allen prezen de handigheid van de donna, terwijl daarentegen niet de liefde maar de vermetele aanmatiging der minnaars niet voor liefde maar voor dwaasheid werd gehouden, toen de koningin vol gratie tot Elisa zeide: Zeer geliefde donna’s. Madonna Francesca wist zich, gelijk gezegd is, zeer slim van haar last te bevrijden, maar een jonge non, welke de fortuin hielp, verloste zich zelf uit een dreigend gevaar door haar scherts. Gelijk gij weet, zijn er genoeg menschen, die zeer dwaas zijn en zich van anderen de meerderen en de kastijders maken; zooals gij door mijn novelle begrijpen zult, worden die door het toeval soms zelf terecht gebrandmerkt en dat gebeurde met de abdis, onder welks gezag de non stond, waarover ik zal spreken.
In Lombardië was een klooster, zeer beroemd om zijn heiligheid en zijn vroomheid, waarin, onder meerdere nonnen, een jong meisje was van edel bloed en begaafd met wonderbare schoonheid, welke Isabetta heette en die op een dag, toen zij een harer verwanten door de tralies naderde om te spreken, op een knap jonkman, die daarbij stond, verliefd werd. En deze, die zag, dat zij zeer schoon was, en uit haar oogen haar verlangen had begrepen, werd evenzoo op haar verliefd en niet zonder groote smart van beide verduurden zij dien hartstocht langen tijd zonder gevolg. Ten slotte: daar elk begeerig was, vond hij een weg om in het geheim naar zijn non te gaan, waardoor zij zeer gelukkig was en hij haar verscheidene keeren tot groot genoegen van beiden bezocht. Eens op een nacht zag een der schoone donna’s hem van Isabetta vertrekken zonder dat zij het merkte, wat zij aan anderen over vertelde. Zij wilden haar eerst bij de abdis beschuldigen, welke madonna Usimbalda heette, een goede en heilige donna volgens de meening der dames-nonnen en elk, die haar kende; daarop wilden zij, opdat geen ontkenning kon plaats hebben, hem met het jonge meisje door de abdis laten betrappen. Zij verdeelden in het geheim de nachtwaken en de wachten om ze te snappen. Daar Isabetta dat niet merkte, liet zij hem op een nacht komen, wat ook zij wisten, die daarop loerden. Dezen, toen het al laat in den nacht was, verdeelden zich in tweeën; een deel begaf zich op wacht bij de deur der cel van Isabella en een ander liep naar de kamer der abdis. Zij klopten aan de deur en zeiden tot haar, die al antwoord gaf: Mevrouw, sta gauw op, want wij hebben ontdekt, dat Isabella een jonkman in de cel heeft. De abdis was dien nacht samen met een priester, die zij dikwijls in een koffer liet komen. Toen zij dit hoorde en vreesde, dat de nonnen misschien door al te veel haast of door moedwil de deur zouden open stooten, stond zij haastig op en kleedde zich, zoo goed als het kon, in den donker. Terwijl zij geloofde zekere gevouwen sluiers aan te vatten, welke zij om het hoofd dragen en die zij het psalmboek noemen, kwam haar de broek van den priester in handen en zij had zooveel haast, dat zij zonder het te merken in plaats van het psalmboek zich die om het hoofd deed en naar buiten ging en na snel de deur achter zich te hebben toegetrokken sprak zij: Waar is die van God vermaledijde? En met de anderen, die van zulk een ijverzucht en nieuwsgierigheid brandden om Isabella op heeterdaad te zien betrappen, dat zij niet bemerkten wat de abdis om het hoofd droeg, ging deze naar de deur van de cel en wierp die, geholpen door een andere non tegen den vloer en toen zij binnen waren getreden, vonden zij op het bed de twee minnenden in elkaars armen. Door zulk een verrassing onthutst en niet wetend wat te doen, hielden zij zich stil. Het meisje werd dadelijk door de andere nonnen beetgepakt en op bevel van de abdis naar de kapittel-zaal gebracht. De jonkman, die was achtergebleven, had zijn kleeren weer aangedaan. Hij wachtte af, welk einde die zaak zou hebben met de bedoeling een kwaad spelletje te spelen, als men aan de jonge nieuwelinge iets zou doen en haar met zich mede te voeren. De abdis, die in het kapittel den hoofdzetel innam, begon in tegenwoordigheid van al de nonnen, die allen de schuldige aankeken, haar den grootsten smaad toe te voegen, daar zij de heiligheid, de eerbaarheid en den goeden naam van het klooster met haar schandelijke en laakbare daden had bevlekt. Bij de beleediging voegde zij de ernstigste bedreigingen. Het meisje beschaamd en verlegen als schuldige wist niet wat te antwoorden, maar zwijgend boezemde zij de anderen medelijden in.
Daar de abdis met verwijten voortging, hief het meisje het hoofd op en zag, wat die op haar hoofd had en de banden, die er links en rechts afhingen, waarop zij alles begrijpend, rustig sprak: Madonna, als God u helpt, maak dan uw kap in orde en zeg mij dan, wat gij wilt. De abdis, die haar niet begreep, zeide: Wat kap, slechte meid? Of hebt gij den moed om gekheid te maken? Schijnt het je soms, dat gij hier nog schertsen moogt? Toen sprak het meisje andermaal: Madonna, ik bid u, dat gij uw kap los knoopt en zeg dan aan mij, wat gij wilt. Daarop richtten verscheidene nonnen het oog naar de kap van de abdis en daar zij er de handen aan legde, bemerkte zij, waarom Isabella dat zeide.
Toen de abdis zich aldus betrapt zag, veranderde zij van toon en kwam tot het besluit, dat het onmogelijk was zich tegen de prikkelingen van het vleesch te verweren en daarom zeide zij, dat elk heimelijk, gelijk het tot dien dag gebeurd was, de kans moest waarnemen. Nadat het meisje was vrijgelaten, ging zij weer met haar priester naar bed en Isabella met haar minnaar, welken zij vaak ten spijt van hen, die jaloersch op haar waren, liet komen. De anderen, die zonder minnaar waren, zochten zoo goed zij konden in het geheim hun heil.
DERDE VERTELLING.
Meester Simone doet op aandringen van Bruno, Buffalmacco en Nello Calandrino gelooven, dat hij zwanger is. Deze geeft Bruno geld voor kapoenen en wordt beter zonder te bevallen. [183]
Toen Elisa haar vertelling eindigde en allen God hadden gedankt voor de blijde bevrijding der jonge non uit de beten harer ijverzuchtige gezellinnen, beval de koningin Filostrato te volgen, die zonder verdere orders af te wachten, begon: Zeer schoone donna’s. De ruwe, marchesaansche rechter, van wien ik gisteren sprak, dwingt mij een novelle van Calandrino te vertellen. En daar, wat van hem gezegd wordt, de vreugde zal vermeerderen, hoewel er van hem en zijn metgezellen al voldoende gesproken is, zal ik u vertellen, wat ik gisteren van plan was.
Het is vroeger al genoeg aangetoond, wie Calandrino was en de anderen, van welke ik in deze historie moet spreken. Een tante van Calandrino stierf en liet tweehonderd lire contant na. Calandrino zeide er een landgoed voor te willen koopen en met alle makelaaars van Florence onderhandelde hij of hij tienduizend goudguldens had te verteren, maar de zaak sprong af, toen men hem den prijs voor het landgoed gevraagd had. Bruno en Buffalmacco, die het wisten, hadden hem meermalen gezegd, dat hij het best zou doen zich met hen te vermaken inplaats grond te koopen, alsof hij kogels [184] moest fabriceeren, maar behalve hiertoe hadden zij hem er evenmin toe kunnen krijgen hen ten eten te vragen. Toen zij op een dag zich daarover beklaagden en er een metgezel van hen bijgekomen was, die Nello heette, een schilder, overlegden zij, om zich op kosten van Calandrino te goed te doen. Zonder uitstel, na geregeld te hebben, wat zij te doen hadden, beloerden zij den volgenden morgen, hoe laat de Calandrino uit huis ging. Nauwelijks was hij de deur uitgegaan, of Nello ging hem tegemoet en zeide: Goeden dag, Calandrino. Calandrino antwoordde hem, dat God hem een goeden dag en een goed jaar zou geven. Hierna hield Nello hem een weinig op en zag hem in het gelaat. Calandrino sprak tot hem: Waar kijkt gij naar? Nello zeide: Hebt gij vannacht niets gemerkt? Gij schijnt mij dezelfde man niet meer. Calandrino twijfelde en zeide: Wee mij! Wee mij! Wat zou ik hebben? Nello sprak: Dat weet ik niet, maar gij schijnt mij geheel veranderd; het zal misschien niets zijn en hij liet hem gaan. Calandrino liep argwanend door en voelde niet het minste. Maar toen trad Buffalmacco hem tegemoet en na hem gegroet te hebben, vroeg hij hem, of hij niets voelde.
Calandrino antwoordde: Ik weet het niet, maar toch zeide mij Nello zooeven, dat ik hem geheel veranderd scheen; zou het mogelijk zijn dat ik iets mankeer? Buffalmacco zeide: Gij zoudt wel iets kunnen mankeeren; gij schijnt half dood. Het scheen Calandrino, dat hij de koorts had. Toen kwam Bruno en het eerste wat hij zei was: Calandrino, wat ziet gij er uit! Het is, of gij dood zijt! Calandrino, die zoo hoorde spreken, dacht bepaald, dat hij ziek was en ongerust vroeg hij hem: Wat te doen? Bruno sprak: Ga naar huis en te bed, laat u goed toedekken en uw water naar onzen vriend, maëstro Simone, brengen. Hij zal u dadelijk zeggen, wat er gebeuren moet en als er iets te doen is, willen wij dat op ons nemen. En terwijl Nello zich bij hen voegde, gingen zij met Calandrino naar zijn huis en toen hij geheel onthutst in de kamer kwam, zeide hij tot de vrouw: Kom en dek mij goed toe, want ik voel mij erg ziek. Toen hij te bed ging, zond hij een kleine dienstbode met zijn water naar dokter Simone, die een winkel hield op de Oude Markt onder het uithangbord van de Meloen. En Bruno zeide tot zijn metgezellen: Blijft gij met hem hier; ik wil vernemen, wat de medicus zal zeggen en als het noodig zal zijn, hem hier brengen. Calandrino sprak toen: Ga, mijn vriend, en zie hoe het er mee staat, want ik weet niet, wat ik gevoel. Bruno, die naar meester Simone ging, kwam er voor de kleine meid, die het water droeg en had hem weldra op de hoogte gebracht. Toen de kleine meid binnentrad en de dokter de urine gezien had, zeide hij: Ga heen en zeg aan Calandrino, dat hij zich goed warm houdt en dat ik dadelijk bij hem kom. Het meisje bracht dit over en het duurde niet lang of de dokter en Bruno kwamen. Nadat de medicus naast hem was gaan zitten, voelde hij hem de pols en sprak in het bijzijn van de vrouw: Kijk Calandrino, om als vriend tot u te spreken hebt gij geen ander kwaad dan dat gij zwanger zijt. Toen Calandrino dit hoorde, begon hij smartelijk te schreien en te zeggen: Wee mij! Tessa, wat hebt gij mij gedaan, dat gij niet anders dan boven woudt liggen? Ik heb het je wel gezegd. De eerbare donna, die dit hoorde, werd heelemaal rood van schaamte en met gebogen voorhoofd zonder een woord te spreken ging zij de kamer uit.