De Decamerone van Boccaccio

Chapter 54

Chapter 544,329 wordsPublic domain

Maar boven alle genoegens zijn er schoone vrouwen, welke er dadelijk van alle deelen der wereld samen komen. Gij zoudt daar de heerscheresse der Barbaniechi zien, de koningin der Basken, de vrouw van den Sultan, de keizerin van Osbeck, de Ciancianfera van Nornieca, de Semistante van Berlinzone en de Scalpedra van Narsia. Maar waarom zou ik ze u opsommen? Alle koninginnen van de wereld zijn er, ik beweer tot zelfs de Schinchimurra van den priester Johannes [161], die, naar ik weet, van achteren horens draagt; zie het verder eenmaal zelf. Nadat men goed gedronken en gegeten heeft en een of twee dansen uitgevoerd, gaat elke dame met haar minnaar in haar kamer. De kamers schijnen een paradijs en zijn even welriekend als de bakken met kruiden in uw winkel [162], wanneer gij den komijn laat stampen. Er zijn bedden, die u schooner zouden schijnen dan dat van den doge van Venetië. Hoe de weefsters spinnen om het weefsel sterk te maken, laat ik alleen aan Uw verbeelding over, maar onder hen, die er het best aan toe zijn naar mijn meening, behooren Buffalmacco en ik, omdat Buffalmacco er meestal voor zich de koningin van Frankrijk laat komen en ik voor mij die van Engeland, welke twee de schoonste vrouwen van de wereld zijn en we hebben zoo weten te handelen, dat zij aan niets anders denken dan aan ons. Daarom begrijpt gij wel, dat wij vroolijker dan andere menschen leven en handelen bij het denkbeeld, dat wij de liefde bezitten van twee zulke koninginnen; buiten dat: als wij een- of tweeduizend florijnen van ze wenschen, dan hebben wij die niet. [163] En dat noemen wij in de volkstaal op strooptocht uitgaan; omdat wij als zeeroovers elkeen plunderen, maar wij verschillen daarin van hen, dat zij ze nooit teruggeven maar wij, als we er ons van bediend hebben. Nu hebt gij, mijn goede maëstro, gehoord, wat wij op strooptocht gaan noemen, maar gij kunt zien, hoe geheim gij dit moet houden. De dokter, wiens wetenschap zich waarschijnlijk niet verder uitstrekte dan het genezen van kinderen van het hoofdzeer, schonk zooveel geloof aan de woorden van Bruno, als men het voor welke begeerenswaardige zaak ook zou kunnen wenschen. Hij antwoordde Bruno, dat hij het waarlijk geen wonder vond, dat zij vroolijk waren, en met groote moeite bedwong hij zich hem te vragen hem dadelijk op te nemen, opdat hij na hem nog beter te hebben onthaald, hem die verlangens met meer vertrouwen kon mededeelen. Hij zette dus den omgang met hem voort, liet hem ’s avonds en ’s morgens bij zich eten, betuigde hem buitengewone vrienschap en die was zoo groot, dat de maëstro niet zonder Bruno kon leven. Opdat Bruno niet ondankbaar zou schijnen, schilderde hij in des dokters salon de Vasten en een Lam Gods aan den ingang en boven de deur van de straat een waterpot, opdat zij, die zijn raad noodig hadden, hem van zijn collega’s konden onderscheiden en in een kleine galerij had hij voor hem den Veldslag der Ratten en Katten geschilderd, welke den dokter al te mooi scheen. Hij zeide dikwijls tot den maëstro, als hij niet met hem avondmaalde: Ik was vannacht op de vergadering en daar ik een beetje moe was van de koningin van Engeland, liet ik mij Gumedra komen van den Khan van Tartarije. De dokter vroeg: Wat beteekent Gumedra? Ik begrijp die namen niet best, dokter, sprak Bruno, ik verwonder mij niet, want ik heb wel hooren zeggen, dat Porco grasso [164] en Vannacena er nooit van spreken. De dokter hernam: Gij meent Hippocras en Avicenna. Bruno ging voort: Bij God, ik weet het niet, ik versta uw namen even slecht als gij de mijnen, maar Gumedra in die taal van den grooten Khan beteekent in de onze: keizerin. O zij zou u een schoon vrouwtje schijnen en zou u de medicijnen en de recepten en elke pleister doen vergeten. Zoo sprak hij voort om hem te ontvlammen en toen de dokter hem op een avond goed onthaald had en het licht voor Bruno vasthield, die aan den veldslag der ratten en katten bezig was, besloot hij hem zijn gemoed te openen en sprak tot hem: Bruno, gelijk God weet, heb ik voor u alles over en ik zou als gij mij zegt naar Peretola [165] te gaan, dat doen. En daarom zult gij u niet verwonderen, indien ik u vriendschappelijk en in vertrouwen iets verzoek. Nog niet lang geleden hebt gij mij van de gewoonten van uw vroolijk gezelschap gesproken, waarnaar ik zoo verlangend ben geworden, dat ik nooit iets anders meer heb begeerd. En kunt gij mij uitlachen, indien ik er niet de mooiste dienstmeid laat komen, die gij in langen tijd gezien hebt, welke ik echter het vorige jaar te Cacavincigli [166] aanschouwde? Ik heb haar bij Christus’ Lichaam tien groote bologneezen aangeboden, als zij naar mij luisteren wilde, maar zij heeft niet gewild. Daarom bid ik u mij te leeren, wat ik doen moet om in dat gezelschap te komen; waarlijk gij zult in mij een goed en trouw metgezel hebben, die u eer zal aandoen. Gij hebt gezien, dat ik een knap man ben en hoe sterk mijn beenen zijn; ik heb een gelaat zoo frisch als een roos en bovendien ben ik dokter in de medicijnen en gij hebt er, meen ik, in uw gezelschap geen een zoo, Ik weet tal van schoone zaken, mooie liederen en hij begon een lied te zingen. Bruno lachte, dat hij bijna stikte, maar hield zich goed. Toen het lied uit was, vroeg de maëstro: Hoe vindt gij dit? Bruno sprak: Zeker de guitaren van turksch koren [167], hoe kunstig ook bespeeld, moeten het tegen u verliezen. De dokter hernam: Zoudt gij het ooit geloofd hebben, als gij mij niet hadt gehoord? Neen, nooit, sprak Bruno. De maëstro ging voort: Ik ken er nog meer, maar laten wij die ter zijde. Mijn vader was edelman, hoewel hij buiten woonde en ik ben door mijn moeder afkomstig van Vallecchio en gelijk gij weet, heb ik de schoonste boeken en de schoonste gewaden onder de medici van Florence. Bij het geloof in God; ik heb een kleed, dat alles bij elkaar gerekend bijna honderd lire in bagattini [168] kostte, meer dan tien jaar geleden. Daarom bid ik u mij spoedig er bij te brengen en bij het geloof in God, als gij mij dit doet, kunt gij ziek worden, maar nooit zal ik u een halfje rekenen. Bruno sprak: Maëstro, maak daar wat meer licht en wees niet ongeduldig, tot ik de staarten van die ratten heb afgemaakt en dan zal ik u antwoorden. Toen de staarten voltooid waren en Bruno deed of hij hem zeer hinderde, zeide hij: Waarde dokter, gij kunt groote dingen voor mij doen, maar hoe gering dit ook is in betrekking tot de grootte van uw geest, is het voor mij toch zeer groot, en ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor u. Ik houd zooveel van u als dit past, ook door uw woorden, welke vol zijn van zooveel verstand, dat zij de begijntjes uit hun schoenen zouden halen, zoo goed als zij mij van mijn voornemen afbrengen en hoe meer ik met u omga, hoe wijzer gij mij voorkomt. En dit zeg ik u ook nog, dat, als ik u niet zoo welgezind was, ik dit zou zijn, omdat ik zie, dat gij verlangt naar een zoo schoone zaak. Maar ik moet u zeggen: dat ik hierin niet zooveel macht heb, als gij meent en daarom kan ik voor u niet doen, wat noodig is, maar, als gij mij belooft bij uw groote, kwade trouw het geheim te houden, zal ik u een middel geven om het gedaan te krijgen en het schijnt mij zeker, daar gij zulke schoone boeken en andere zaken hebt, dat het zal gebeuren. De dokter sprak: Spreek zonder vrees; ik zie, dat gij mij niet goed kent en nog niet goed weet, hoe goed ik kan zwijgen. Toen messer Guasparruolo van Saliceto rechter was van den schout van Forlimpopoli, waren er weinig dingen, die hij deed, die hij mij niet gelastte te vertellen. En wilt gij zien, dat ik de waarheid spreek? Ik was de eerste man, aan wien hij vertelde, dat hij Bergamina zou trouwen; ziet gij het nu? Nu, sprak Bruno, als die zich aan u toevertrouwde, kan ik het ook. Het middel is dit: Wij hebben altijd aan het hoofd van ons gezelschap een kapitein met twee raadslieden, die om de zes maanden aftreden en de eerste van de volgende maand zal Buffalmacco kapitein worden en ik raadsman. Wie kapitein is, kan veel doen om binnen te leiden, wien hij wenscht. Maak u dus bevriend met Buffalmacco en ontvang hem goed. Hij is een man, die terstond met uw wijsheid ingenomen zal zijn en wanneer gij hem met de vele dingen, die gij bezit een weinig bevriend hebt gemaakt, kunt gij het hem vragen; hij zal U niet weigeren. Ik heb hem al over u gesproken en hij is u ten zeerste genegen en wanneer gij zoo hebt gehandeld, laat mij dan met hem gaan. Toen sprak de dokter: Uwe redeneering bevalt mij zeer en als hij een man is, die graag met de geleerden omgaat en met mij slechts een weinig spreekt, zal ik wel zorgen, dat hij mij steeds zal opzoeken, omdat ik wel zooveel verstand heb, dat ik er een heele stad van zou kunnen voorzien en zeer wijs zou blijven. Toen dit was afgesproken, vertelde Bruno alles aan Buffalmacco. Het scheen aan Buffalmacco, dat het nog wel duizend jaar zou duren, eer men kon doen, wat die maëstro Scipa [169] wilde.

De dokter, die boven alles verlangde op een strooptocht uit te gaan, had geen rust, voor hij bevriend werd met Buffalmacco, wat hem licht gelukte. Hij begon de schoonste avondmalen en ontbijten te geven en ook aan Bruno en dezen deden zich te goed als die heeren [170], welke de beste wijnen verzwelgend, de vette kapoenen en meer, zich aan hem vastklampten en zonder zich te laten bidden. Maar toch, toen het tijd scheen aan den dokter, richtte hij zijn vraag tot Buffalmacco, gelijk hij dit tot Bruno had gedaan. Buffalmacco toonde zich daarover zeer vertoornd en maakte Bruno groote verwijten: Ik zweer bij den verheven God van Pasignano [171], dat weinig mij weerhoudt, je niet zóó op het hoofd te slaan, dat de neus je op de hielen valt, verrader, die gij zijt, want geen ander dan gij heeft die dingen aan den dokter verteld. Maar de dokter verontschuldigde hem en zeide en zwoer, dat hij het van anderen kant had geweten en na vele van zijn wijze woorden deed hij hem toch bedaren. Buffalmacco tot den dokter gewend, zeide: Waarde maëstro, het schijnt wel, dat gij uit Bologna een gesloten mond hebt medegebracht en bovendien, dat gij het a. b. c. niet op een appel hebt geleerd, gelijk vele dwazen het willen doen, maar goed op een meloen [172], die zóó lang is, en als ik mij niet bedrieg, zijt gij op een Zondag gedoopt [173]. En daar Bruno gezegd heeft, dat gij daar in de medicijnen hebt gestudeerd, schijnt het mij, dat dit is geweest om de menschen in te pakken beter dan ik het ooit van iemand hoorde door uw verstand en uw gesprekken. De medicus, die hem in de rede viel, zeide tot Bruno: Wat is het goed om te gaan met geleerden! Wie zou zoo spoedig elke bijzonderheid van mijn geest hebben begrepen als deze waardige man? Gij hebt niet zoo spoedig gezien, wat ik waard was, als hij, maar zeg hem tenminste, wat ik u zeide, toen gij mij vertelde, dat Buffalmacco gaarne met geleerde mannen omging; schijnt het u, dat ik het goed gedaan heb? Beter, hernam Bruno. Toen zei de dokter tot Buffalmacco: Gij zoudt iets anders gezegd hebben, als gij mij te Bologna hadt gezien, waar groot noch klein was, dokter noch student, die mij niet mocht lijden, zoo wist ik allen te behagen door mijn redeneeren en mijn verstand. En ik zal u nog er bij vertellen, dat ik nooit een woord sprak of ik deed iedereen lachen, zoo beviel ik hun en toen ik er vandaan ging, klaagden allen om het hardst en allen wilden, dat ik toch maar gebleven was en het kwam zoo ver, dat zij mij alleen wilden laten les geven in de medicijnen aan al de studenten, maar ik wilde niet, daar ik bereid was hierheen te komen om het zeer groote erfgoed, dat altijd aan mijn familie behoorde.

Toen sprak Bruno tot Buffalmacco: Hoe vindt ge het? Gij hebt het niet geloofd, toen ik het zeide. Bij de Evangeliën! Er is hier geen dokter, die zoo’n verstand heeft van ezelspis als deze en zeker zult gij er geen aan hem gelijk vinden van hier tot aan de poorten van Parijs. Kom, weiger nu te doen, wat hij wil! De dokter zeide: Bruno zegt de waarheid, maar ik heb mezelf niet gekend. Gij zijt ook domme lieden als geen anderen, maar ik wou, dat gij mij onder de doktoren hadt gezien. Toen hernam Buffalmacco: Waarlijk, dokter, gij weet het veel beter dan ik het ooit had geloofd, en u toesprekend gelijk men spreekt tot geleerden als gij, zeg ik u beschaamd, dat ik mijn best zal doen, dat gij zonder twijfel in ons gezelschap zult komen. De gastmalen vermeerderden na die belofte; zij deden hem rondrijden op de geit van de grootste dwaasheden en zij beloofden hem tot vrouw de gravin van Civillari [174] te geven, die het schoonste ding was, wat men in al de bestekamers van het menschelijk geslacht kon vinden. De medicus vroeg, wie die gravin was; hierop zeide Buffalmacco: Mijn zaai-komkommer, zij is een maar al te groote dame en er zijn weinig huizen in de wereld, waarin zij geen grondgebied heeft en geen anderen dan de Minderbroeders bewijzen haar eer met trompetgeschal. Ik zeg u, dat, wanneer zij rondgaat, zij zich dan goed doet gewaar worden, maar meestal thuis blijft; toch is zij niet lang geleden langs Uw deur gegaan op een nacht, dat zij aan den Arno haar voeten ging wasschen en een weinig lucht ging scheppen. Het meest woont zij in Laterina. Vaak gaan daarom wachters van haar rond en allen als bewijs van haar macht dragen een riet en een lood [175]. Men ziet vele van haar baronnen als Tamagnino aan de poort, dan Meta, Manico di Scopa, Squacchera en anderen, die, geloof ik, uw vrienden zijn, maar gij herinnert u die niet. In de bekoorlijke armen van die groote dame willen wij u voeren, als ons plan niet faalt. De dokter, die te Bologna geboren en getogen [176] was, begreep hun uitdrukkingen niet en was met de donna tevreden.

Toen de dag was gekomen, waarna men in den volgenden nacht hem zou ontvangen, had de dokter ze beide aan het ontbijt. Toen ze gegeten hadden, vroeg hij ze, op welke wijze hij in dat gezelschap kon komen. Buffalmacco zeide hem: Zie, maëstro, gij moet moed bezitten, want anders zoudt gij geweigerd kunnen worden en ons zeer groote schade doen. Waarin gij zeer moedig behoort te zijn, zult gij vernemen. Wij moeten zorgen van avond in den tijd van den eersten slaap u op een der opgehoogde graven te vinden, welke voor kort gemaakt zijn rondom Santa Maria Novella, met een uwer schoonste gewaden aan, opdat gij de eerste maal voornaam verschijnt en ook omdat—naar wat ons gezegd is ... maar toen waren wij er niet—gij edelman zijt en de gravin van plan is u gedoopt ridder te maken op haar kosten [177]. Daar zult gij wachten, tot hij u komt halen, dien wij zenden. En nadat gij van alles onderricht zijt, zal er een zwart en gehorend beest tot u komen, niet zeer groot en dat om u heen zal gaan op het plein met groot geblaas en groote sprongen om u bang te maken, maar daarna, wanneer het zal zien, dat gij niet verschrikt, zal het u zachtjes naderen. Wanneer het bij u zal zijn, zult gij op zijn rug klimmen en zult gij zonder vrees afdalen van den grafsteen zonder God of de heiligen aan te roepen. Dan zult gij de handen op de borst leggen zonder het dier aan te raken en het zal u naar ons toe brengen. Maar, indien gij u God of de heiligen aanbeveelt of bang zijt, waarschuw ik u, dat het u wel zou kunnen afwerpen op een plaats, waar het zou stinken en daarom waant gij u te moedig, ga er dan niet heen, want gij zoudt u zelf nadeel doen zonder voordeel voor ons.

Toen antwoordde de dokter: Gij kent mij nog niet; gij zijt misschien bevreesd, omdat ik handschoenen en lange gewaden draag. Indien gij wist, welke nachten ik vroeger in Bologna heb doorgemaakt, wanneer ik soms met mijn metgezellen naar de vrouwen ging, dan zoudt gij u er over verwonderen. Eens op een nacht, dat er een niet met ons mee wou gaan—het was ook een ongelukkige, en erger: niet hooger dan de elleboog—gaf ik die eerst verscheidene stompen daarna, toen ik haar met geweld beetpakte, geloofde ik haar een pijlschot ver te dragen en toen kreeg ik haar toch mee. Op een andere keer herinner ik mij, dat ik niemand bij mij had dan een mijner knechts en kort na het Ave Maria ging ik langs het kerkhof der Minderbroeders, waar men denzelfden dag een vrouw had begraven en toch was ik heelemaal niet bang. Hebt daarom geen wantrouwen, want ik ben te moedig en vermetel. En om u eer aan te doen, zal ik mijn scharlaken rok aantrekken, waarmee ik tot dokter werd gepromoveerd. Ik wil zien of het gezelschap niet blij is, wanneer het mij aanschouwt en of ik niet spoedig kapitein zal worden. Gij zult eens kijken, hoe de zaak gaat, wanneer ik er ben, want voor de gravin mij gezien heeft, is zij al zóó verliefd op mij, dat zij mij tot gedoopt ridder wil slaan. Misschien zal de ridderschap mij slecht staan en ik die niet goed weten door te voeren of toch wel! Laat mij maar gaan. Buffalmacco zei: Gij spreekt maar al te goed, maar pas op, dat gij, den streek uithaalt niet te komen of dat gij er niet wordt gevonden, als wij u laten halen. Ik zeg u dit, omdat het koud is en gij heeren medici, er zeer bang voor zijt. Het behage niet aan God, zei de dokter, ik behoor niet tot die koukleumen. Wanneer ik ’s nachts dikwijls opsta voor zekere lichaamsbehoefte, doe ik niets anders over mijn wambuis dan mijn pels; daarom zal ik flink wezen. Toen zij dus vertrokken waren, vond de maëstro, zoodra de nacht aanbrak, een uitvlucht tegenover zijn vrouw en na in het geheim zijn beste gewaad te hebben aangetrokken, ging hij naar een der genoemde graven en op een steen, die zeer koud was, wachtte hij het beest af. Buffalmacco, die groot en forsch van gestalte was, schafte zich een masker aan, waarvan men zich pleegde te bedienen bij bepaalde spelen, die thans niet meer plaats hebben en deed zich een zwarte huid binnenste buiten om, zoodat hij op een beer geleek, als zijn gelaat niet dat van een duivel geweest was en met horens. Zoo toegetakeld ging hij naar het nieuwe plein van Santa Maria Novella. Toen hij bemerkte, dat mijnheer de dokter er was, begon hij hoog te springen en vreeselijk spektakel te maken, te blazen, te huilen en te knarsetanden of hij dol was geworden. Toen de dokter dit gewaar werd, gingen al de haren op zijn lichaam overeind staan en hij begon over het gansche lijf te beven, zoodat hij wel een bange vrouw leek en hij was toen liever thuis geweest. Maar omdat hij er eenmaal heen was gegaan, spande hij zich in zich rustig te houden, zoo beheerschte hem het verlangen die wondere dingen te zien. Maar terwijl Buffalmacco zich zoo aanstelde, bedaarde hij, en kwam die bij het graf, waarop de maëstro stond. De dokter, die van angst sidderde, aarzelde om op het beest te klimmen. Ten slotte bevreesd, dat het hem kwaad zou doen, als hij er niet op sprong, verjoeg hij met den tweeden angst den eerste, daalde van den grafsteen af en sprak zachtjes: Dat God mij helpe, sprong er op en na er zich goed op te hebben gezet en altijd nog bevend, kruiste hij de handen om recht op te blijven. Toen begon Buffalmacco zich zachtjes te richten naar Santa Maria della Scala en droeg hem als op vier pooten tot aan het klooster der nonnen van Ripoli. Er waren toen in die straat kuilen, waarin de boeren de gravin Civillari haar cijns lieten storten om hun akkers te bemesten. Toen Buffalmacco daar dichtbij was, naderde hij een der randen, sloeg de hand om een der beenen van den dokter en na hem zoo van zijn rug te hebben gerukt, wierp hij hem met het hoofd voorover er in, begon te knarsetanden, te springen en te duikelen en langs Santa Maria della Scala naar de Allerheiligen-weide te gaan, waar hij Bruno vond, die, omdat hij zich niet kon houden van het lachen, gevlucht was. Toen begonnen zij van verre te beloeren, wat de gemeste dokter zou doen. Mijnheer de medicus, die bemerkte, op wat voor afschuwelijke plaats hij zich bevond, deed zijn best zich op te heffen om er uit te komen, maar dan hier dan daar er in terugvallend, werd hij van het hoofd tot de voeten heelemaal kleverig, bedroefd en kwaadaardig en na er voor een paar drachmen van geslikt te hebben kwam hij er toch uit en liet er zijn kap bij in den steek. Hij veegde zich met de handen zoo goed hij kon en daar hij er niets anders op wist, keerde hij terug naar huis en klopte zoo lang, tot men hem open deed. Pas was hij zoo stinkend binnen getreden en had de deur gesloten, of Bruno en Buffalmacco waren daar om te hooren, hoe de maëstro door zijn vrouw ontvangen werd. Ze hoorden, hoe de donna hem op de grofste manier uitschold als ooit met een armen duivel geschied was en zeide: Kijk, wat staat het je mooi! Gij zijt naar een andere vrouw gegaan en wilde er heel voornaam verschijnen in uw scharlaken kleed. Was ik niet genoeg voor je? Ik kan heel wat mannen voldoen, vriendlief en niet alleen jou. Hadden ze je maar verdronken, waar ze je insmeten. Kijk, dat is me een waardige dokter, die een vrouw heeft en ’s nachts naar anderen gaat! Onder dezen overvloed van woorden waschte de dokter zich en hield de donna niet op hem te kwellen tot middernacht.

Den volgenden morgen kwamen Bruno en Buffalmacco, die zich de huid beschilderd hadden onder de kleeren met plekken, zooals de stokslagen die achterlaten, in het huis van den dokter en vonden hem op, en toen zij binnen waren, roken zij dat alles nog stonk. Toen de medicus ze zag, zeide hij, dat God hun een goeden dag zou geven. Maar Bruno en Buffalmacco antwoordden met een vertoornd gelaat: Dat zeggen wij niet aan u, maar wij bidden God, dat Hij u zooveel slechte jaren geeft, dat gij er van omkomt als de oneerlijkste en grootste verrader, die er leeft. Want het is uw schuld niet, terwijl wij ons best deden u eer en genoegen te bewijzen, dat wij niet als honden zijn vermoord. Door uw oneerlijkheid hebben wij zooveel slagen gehad, dat een ezel er voor minder naar Rome zou gaan, en bovendien waren wij aan het gevaar blootgesteld uit het gezelschap weggejaagd te worden. En als gij ons niet gelooft, zie dan naar ons vel. Na op een donkerder plaats hun kleeren te hebben losgemaakt toonden zij hem hun borsten, geheel beschilderd en bedekten die weer snel. De medicus wilde zich verontschuldigen door te vertellen, hoe en waar hij in was geworpen. Buffalmacco sprak tot hem: Ik zou willen, dat gij van de brug over den Arno af waart gegooid. Waarom hebt gij u God en de heiligen aanbevolen? Hebben wij u niet gewaarschuwd? De dokter antwoordde: Bij het geloof in God, ik heb er niet aan gedacht. Hoe, riep Buffalmacco: hebt gij er niet aan gedacht? Dan hebt gij u niet veel herinnerd, want onze bode zeide, dat gij beefde als een riet. Gij hebt het ons mooi geleverd, maar niemand zal ons dat weer doen en wij willen u de eer bewijzen, die u toekomt. De dokter vroeg vergeving, smeekte bij God, dat ze hem niets zouden verwijten en met de mooiste woorden poogde hij ze te verzoenen. En uit vrees, dat zij zijn schande zouden bekend maken, bewees hij hun van toen af nog meer eer en welwillendheid dan vroeger. Zoo leert men gezond verstand aan wie het niet opdeed te Bologna.

TIENDE VERTELLING.

Een Siciliaansche ontneemt op listige wijze aan een koopman geld, wat hij naar Palermo meegebracht heeft. Hij doet of hij terugkeert met nog meer koopwaren dan de eerste maal en na van haar geld te hebben geleend, laat hij haar water en henneppluis tot pand.

Hoe het verhaal van de koningin de donna’s had doen lachen, behoeft men niet te vragen. Er was er geen een bij wie niet van het uitgelaten lachen de tranen wel twaalf keer in de oogen kwamen. Maar toen het uit was, sprak Dioneo, aan wien nu de beurt was: Genadige donna’s. Het is duidelijk, dat de goede streken des te aardiger zijn, naarmate zij door fijner bedrog de bedriegers zelf misleiden. En daarom, hoewel gij allen zeer schoone dingen hebt verteld, ben ik van plan u er een te verhalen, dat u des te meer moet bevallen dan degenen, die al verhaald zijn, omdat dit geleverd werd aan een vrouw, die beter meesteres was in het misleiden van anderen dan de reeds besproken personen.