De Decamerone van Boccaccio

Chapter 53

Chapter 534,129 wordsPublic domain

De boeren waren allen door de hitte van de velden vertrokken, en er kwam bij, dat dien dag niemand daar in de buurt was gaan werken, omdat allen in hun huis aan het dorschen waren. Daarom hoorde zij niets anders dan den krekel en zag de Arno, die haar het verlangen schenkend naar zijn water, haar dorst niet leschte maar verergerde en op verschillende plaatsen zag zij bosschen, schaduwen en huizen, waar zij verlangde te wezen en die haar allen angst inboezemden. Wat zullen wij nog meer van de arme donna zeggen? De zon boven haar en de hitte van den bodem onder haar en de steken van de muggen en de vliegen rondom hadden haar van alle kanten in zulk een toestand gebracht, dat zij, die den vorigen nacht met haar blankheid de duisternis scheen te overwinnen, toen zoo rood was geworden als meekrap en nu bestreept met bloed, voor wie haar gezien zou hebben, de leelijkste vrouw ter wereld scheen en aldus niets anders dan den dood verwachtte. Toen de halve noen al voorbij was, stond de student uit zijn siësta op, dacht aan de donna en ging naar den toren terug om te kijken, hoe het met haar gesteld was en zond zijn knecht, die nog nuchter was, weg om te gaan eten. Toen de donna hem bespeurd had, zwak en angstig van de hevige kwelling, kwam zij op den rand van den ingang boven, ging zitten en begon schreiend te zeggen: Rinieri, gij hebt U wel verschrikkelijk gewroken, want indien ik U op mijn binnenplaats bij nacht deed bevriezen, hebt gij mij vandaag op dezen toren doen roosteren, zelfs verbranden en doen sterven van honger en dorst. Daarom bid ik U bij den eenigen God, dat gij naar boven komt en daar ik den moed niet heb mij zelf te dooden, schenk mij dien, want ik verlang dien meer dan iets anders, zoo groot en zoodanig is de marteling, die ik voel. En als gij mij die gunst niet wilt schenken, geef mij dan tenminste een beker water, dat ik mij den mond kan verkoelen, waartoe mijn tranen niet voldoen, zoo is de droogheid en de brand, die mij kwelt. De student herkende wel haar zwakheid aan haar stem en zag ook ten deele haar lichaam geheel geroosterd door de zon, zoodat hij door haar nederige gebeden wat medelijden met haar kreeg, maar toch antwoordde hij: Slechte vrouw, gij zult door mijn hand niet sterven, maar toch door de Uwe, als dit Uw wil is en gij zult zooveel water krijgen van mij voor de verlichting van Uw hitte als gij mij vuur hebt gegeven voor de verlichting van mijn koude. Een ding doet mij verdriet, dat de ziekte van mijn koude moest genezen met de hitte van vieze mest, terwijl Uw verhitting genezen zal met de koude van welriekend rozenwater en terwijl ik de spieren moest verliezen en het geheele lichaam, zult gij, verschroeid door die hitte zoo mooi blijven als de slang, die een oude huid heeft afgelegd.

O ongelukkige, die ik ben! zei de donna, mijn schoonheden gaf God nu aan hen, die mij kwaad willen doen, maar gij wreeder dan ieder wild dier, hoe hebt gij kunnen volhouden mij zoo te mishandelen? Ik zou niet anders te wachten hebben, als ik Uw familie onder de wreedste martelingen had vermoord. Welke ergere wreedheid zou men hebben aangewend jegens een verrader, die een heele stad aan een slachting had overgeleverd? Gij hebt mij in de zon laten roosteren en laten opeten door de muggen en bovendien hebt gij mij zelfs geen beker water willen geven; de moordenaars, die ter dood gebracht worden, geeft men dikwijls wijn te drinken, zoo zij er om vragen. Zie, daar ik merk, dat gij verhard blijft in Uw bittere wreedheid en mijn lijden U geenszins kan bewegen, bereid ik mij geduldig voor den dood te ontvangen, opdat God medelijden hebbe met mijn ziel, dien ik bid, dat Hij met rechtvaardige oogen Uw werk aanschouwe. En bij die woorden sleepte zij zich met groote moeite naar het midden van het terras, wanhopend de zoo brandende hitte te ontkomen en niet eens, maar duizend maal behalve van haar andere kwellingen, meende zij van dorst te sterven, schreide onophoudelijk weer en jammerde over haar ongeluk. Maar daar het al vesper was en de student meende genoeg te hebben gedaan, liet hij haar kleeren halen en in den mantel van den knecht wikkelen en ging naar het huis van de rampzalige donna, vond daar de meid mistroostig, treurig en radeloos aan de deur zitten, en sprak tot haar: Vrouw, wat is er met Uw donna? De meid antwoordde: Messire, ik weet het niet; ik geloofde haar vanmorgen in bed te vinden, waar zij gisteravond mij in scheen te zijn gegaan, maar ik vond haar noch hier, noch elders en ik weet ook niet, wat er van haar geworden is. Maar gij, messer, weet gij mij er niets van te zeggen? De student antwoordde daarop: Ik wou, dat ik U had, waar ik haar heb gehad, opdat gij voor Uw schuld zoo gestraft zoudt wezen, als ik het haar deed voor de hare. Maar gij zult zeker niet aan mijn handen ontsnappen, opdat ik U voor Uw werk betaal, zoodat gij nooit meer met een man zult spotten of gij zult aan mij denken. En toen zei hij tot den knecht: Geef haar die kleeren en zeg haar, dat zij naar haar toegaat, als zij wil. De knecht deed gelijk hem bevolen was; daarom vreesde de meid zeer, die ze had opgenomen en herkend en hoorde, wat haar gezegd was, dat zij haar hadden gedood en weerhield zich ternauwernood te schreeuwen. Dadelijk liep zij huilend, daar de student al vertrokken was, hiermee naar den toren. Bij toeval had dien dag een pachter van die donna twee varkens verloren en liep ze te zoeken. Kort na het vertrek van den student kwam hij bij den toren en overal rondstarend om zijn twee varkens te zien, vernam hij de jammerklacht, welke de ongelukkige donna uitte. Hij klom naar boven, en zoo hard hij kon schreeuwde hij: Wie huilt daar? De donna herkende de stem van haar pachter en na hem bij den naam geroepen te hebben, sprak zij: Zeg, ga naar mijn dienstmeid en doe wat mogelijk is om haar hier te laten komen. De boer, die haar kende, antwoordde: Wee mij, mevrouw, maar wie bracht U daarop? De meid zocht den heelen dag naar U, maar wie zou hebben gedacht, dat gij hier waart? En na de twee armen van den ladder te hebben gegrepen begon hij dien op te richten gelijk die staan moest en die te binden met koorden en dwarsstokken. Intusschen kwam de meid, die, in den toren gekomen, haar stem niet kon inhouden en met de hand voor het hoofd begon zij te schreeuwen: Wee mij, mijn goede mevrouw, waar is U? De donna hoorde haar en zeide zoo luid zij kon: O zusjelief, ik ben hierboven; huil niet, maar breng mij spoedig mijn kleeren. Toen de meid haar hoorde spreken, klom zij geheel bemoedigd op den ladder, dien de boer bijna geheel in orde had gemaakt en door hem geholpen, kwam zij op het terras en toen zij haar donna zag niet meer met een menschelijk lichaam maar eer als een verschrompeld blad van den wijnrank, geheel gebroken, geheel bleek en naakt op den grond liggend, begon zij met de nagels in het gezicht over haar te schreien of zij gestorven was. Maar de donna verzocht haar bij God te zwijgen en haar te helpen bij het aankleeden. En daar zij wist, dat niemand bekend was, waar zij zich bevond, behalve wie haar de kleeren hadden gebracht en de boer, die daar tegenwoordig was, bad zij bij God, dat zij er nooit iemand iets van zouden zeggen. De boer na veel praten, nam de donna, die niet loopen kon, op zijn nek en bracht haar veilig buiten den toren. De ongelukkige meid, die achter was gebleven en er minder voorspoedig af klom, gleed uit, viel van den ladder en brak zich de dij en door de pijn begon zij te brullen ais een leeuwin. De boer, die de donna had neergezet op op een weide, ging zien, wat de meid had en vond haar met gebroken dijbeen, legde haar ook op de weide en plaatste haar naast de donna. Toen zij zag, dat bij haar andere kwalen dit haar nog overkwam, dat die het dijbeen had gebroken, door welke zij hoopte geholpen te worden meer dan door anderen, begon zij bedroefd opnieuw zoo jammerlijk te weenen, dat niet alleen de boer haar niet kon troosten maar zelf van zijn kant begon te huilen. Daar de zon al laag stond, ging hij, opdat de nacht ze daar niet zou overvallen, gelijk het aan de mistroostige donna behaagde, naar zijn huis en na daar zijn twee broeders en zijn vrouw te hebben geroepen en met een plank te zijn teruggekeerd, legden zij de meid daarop en droegen haar naar huis en na de donna met frisch water te hebben versterkt en met goede woorden, nam de boer haar op zijn nek en droeg haar in haar kamer. De vrouw van den boer gaf haar gedrenkt brood te eten en na haar te hebben ontkleed, bracht zij haar te bed en zij spraken af, dat zij en de meid ’s nachts naar Florence zouden gebracht worden en zoo geschiedde het. Daar deed de donna, die een grooten voorraad leugens bij de hand had, haar broeders en zusters en iedereen gelooven, dat hun dit door duivelsstreken overkomen was. De doktoren werden geroepen en niet zonder zeer grooten angst en gevaar voor de donna, wier huid meermalen kleven bleef aan de lakens, genazen zij haar van een hevige koorts en van de andere ongelukken en evenzoo het dijbeen van de meid. Hierdoor behoedde zich de donna, die haar minnaar vergat, voortaan wijselijk zoowel voor misleiding als voor liefde. De student vernam, dat de meid het dijbeen gebroken had, wat hem een genoegzame wraak scheen. Dat geschiedde met de dwaze, jonge dame door haar grappen, die gedacht had met een geleerde te kunnen spelen als met ieder ander, niet beseffend dat zij—ik zeg niet allen—maar het meerendeel weten, waar Abraham de mosterd haalt. En daarom, donna’s, neemt u in acht, om in het bijzonder geen geleerden te misleiden.

ACHTSTE VERTELLING.

Twee mannen zijn bevriend; de een slaapt met de vrouw van den ander; degene, die dit merkt, maakt, dat die door zijn vrouw in een koffer wordt gesloten, waarop hij, terwijl die daarin zit, met de vrouw van deze de schade inhaalt.

De lotgevallen van Elena waren treurig en bedroevend geweest voor de donna’s om aan te hooren, maar omdat zij meenden, dat die haar ten deele met recht waren overkomen, hadden zij die met meer getemperd medelijden gevolgd, hoezeer zij den student hard en zelfs wreed vonden. Maar toen Pampinea tot het slot was geraakt, beval de koningin, dat Fiammetta zou voortgaan, die verlangend te gehoorzamen zeide: Bekoorlijke donna’s. Daar het mij schijnt, dat de strengheid van den student u eenigszins heeft ontstemd, vind ik het passend de bedroefde zielen een vroolijke, kleine geschiedenis te verhalen van een jonkman, die met zachtheid een beleediging ontving en zich met een gematigd middel wreekte. Daardoor zal het goed zijn te begrijpen, dat wie een ezel ontvangt een gelijke moet terug geven zonder te willen beleedigen, en waar men zich voor een ontvangen hoon moet wreken, niet boven het passende van de wraak te gaan.

Gij moet dan weten, dat er in Siena twee welgestelde jonge mannen waren van goede burgerfamilies, de een heette Spinelloccio Tanena en de ander Zeppa di Mino; zij waren buren in Camollia [158]. Zij gingen altijd samen om en naar wat zij toonden, mochten zij elkaar zoo gaarne lijden, alsof zij broeders waren. Ieder van hen had een schoone echtgenoote. Daar Spinelloccio veel in het huis van Zeppa kwam of die er was of niet, werd hij zoo met de vrouw van Zeppa bevriend, dat hij er mee ging slapen en aldus deden zij langen tijd zonder dat iemand iets merkte. Eens toen Zeppa thuis was en de donna het niet wist, kwam Spinelloccio. De donna zeide, dat hij niet thuis was, waarop Spinelloccio spoedig naar boven ging, de donna alléén in de zaal vond en daarop kusten en omhelsden zij elkander. Zeppa, verborgen, keek, hoe het spelletje liep, sprak geen woord, maar zag weldra, dat zijn vrouw en Spinelloccio gearmd naar hun kamer gingen en zich opsloten, waarover hij zeer boos werd. Maar hij wist, dat door eenig tumult te maken zijn smaad niet minder werd en de schande grooter en dat hij zich zóó moest wreken, dat men het buiten niet wist, maar zijn ziel tevreden zou zijn. Na lang denken vond hij het middel. Hij verborg zich zoo lang, als Spinelloccio met de donna bleef. Toen deze was weggegaan, trad hij in de kamer der donna; zij was nog niet gereed met haar sluier, welke Spinelloccio bij het stoeien had laten vallen en zeide: Vrouw, wat doet gij? Hierop antwoordde de donna: Ziet gij het niet? Zeppa zeide: O zeker, zeker, ik heb ook wat gezien, wat ik niet had willen zien. En over hetgeen gebeurd was, begon hij met haar te spreken en na met den grootsten angst en na veel omwegen bekend te hebben wat zij aangaande haar verhouding niet verbergen kon, vroeg zij hem schreiend om vergiffenis. Hierop sprak Zeppa: Gij hebt kwaad gedaan, en indien gij wilt, dat ik het U vergeef, dan moet gij geheel vervullen, wat ik U zal opdragen, en dat is: Dat gij zegt aan Spinelloccio, dat hij morgen op het uur der terza reden vindt om van mij heen te gaan en hier bij U te komen en wanneer hij hier zal zijn, zal ik terugkeeren en als gij mij bespeurt, zult gij hem in een koffer sluiten en dan zal ik U verder zeggen, wat gij doen moet. Aarzel niet het te doen, want ik zal hem in ’t geheel geen kwaad doen. De donna om hem tevreden te stellen, zeide, dat zij het zou doen. Den volgenden dag, toen Zeppa en Spinelloccio in de terza te samen waren, zeide Spinelloccio tot Zeppa: Ik moet vanmorgen met een vriend ontbijten, waar ik mij niet wil laten wachten en daarom ga met God. Zeppa antwoordde: Het is nog geen uur om te ontbijten. Spinelloccio antwoordde: Ik heb hem ook over een zaak te spreken, zoodat ik er vroeg moet zijn. Aldus ging Spinelloccio heen, maakte een omweg en kwam in het huis van diens vrouw en toen hij in de kamer was gekomen, duurde het niet lang of Zeppa kwam terug. De donna toonden groote angst en verborg hem in den koffer en ging daarna de kamer uit. Zeppa naar boven geklommen sprak: Vrouw, kunnen wij al ontbijten? De donna antwoordde: Ja, in een oogenblik. Toen sprak Zeppa: Spinelloccio is vanmorgen bij een vriend gaan eten en heeft zijn vrouw alleen gelaten. Ga aan het venster en roep haar om bij ons te komen ontbijten. De bevreesde donna gehoorzaamde en deed wat haar bevolen werd. De vrouw van Spinelloccio ging na lang aangezocht te zijn en gehoord te hebben, dat haar man niet kwam ontbijten. Toen zij daar was, gaf Zeppa haar zijn liefkoozingen, nam haar bij de hand en beval zijn vrouw zachtjes naar de keuken te gaan, nam haar mee naar zijn kamer en sloot die van binnen. Toen de donna dit zag, zeide zij: Wee mij, Zeppa, wat wil dat zeggen! Hebt gij mij daarom hier laten komen? Is dat vriendschap, die gij voor Spinelloccio gevoelt? Zeppa, die de koffer genaderd was, waarin haar man zat en die haar stevig vast hield, sprak: Voor gij boos wordt, moet gij luisteren: ik houd en hield van Spinelloccio als een broeder, maar gisteren vond ik, dat het vertrouwen, dat ik in hem gesteld had; zoover was gegaan, dat hij met mijn vrouw sliep als met U. Ik bemin U; ook daarom ben ik niet van plan een andere wraak te nemen dan de beleediging eischt; hij heeft mijn vrouw gehad, ik wil daarom U hebben. Als gij weigert, zal hij het zeker later betalen en daar ik niet van plan ben die beleediging ongewroken te laten, zal ik hem dan wat leveren, dat gij noch hij ooit weer vroolijk zult zijn.

De donna geloofde Zeppa en zeide: Mijn Zeppa, daar de wraak op mij moet vallen, ben ik tevreden, mits gij mij in vrede met Uw vrouw laat blijven, daar ik, ondanks wat zij mij gedaan heeft, met haar wil blijven omgaan. Hierop antwoordde Zeppa: Dat zal ik zeker doen en bovendien zal ik U zulk een mooi en duur juweel geven, als gij er nog geen ander bezit. Bij die woorden omhelsde en kuste hij haar, legde haar op den koffer, waar haar man in zat opgesloten en hierop verheugden zij elkander, zooveel het hun beviel. Spinelloccio, die in den koffer zat en de woorden van Zeppa en het antwoord van zijn vrouw gehoord had en daarna den dans van Treviso had bespeurd, die boven zijn hoofd werd uitgevoerd, gevoelde zulk een smart, dat hij dacht te sterven en als hij niet bang was geweest voor Zeppa, had hij zijn vrouw een groote beleediging toegevoegd. Daarna zich toch herinnerend, dat hij met den smaad begonnen was en dat Zeppa reden had te doen, wat hij deed en zich jegens hem menschlievend en als vriend had gedragen, zeide hij tot zich zelf, dat hij meer dan ooit de vriend van Zeppa wilde blijven. Zeppa, die met de donna zoolang was geweest als hij verkoos, kwam van den koffer af en toen de donna hem het beloofde juweel vroeg, maakte hij de kamer open, liet zijn vrouw komen, die niets anders dan lachend zeide: Madonna, gij hebt mij een brood gegeven voor een aschkoek. Hier voegde Zeppa aan toe: Open dien koffer en zij deed het. Daarin toonde Zeppa aan de donna haar Spinelloccio. En het zou lang duren om te zeggen, welke van de twee zich het meest schaamde. Zeppa sprak tot haar: Ziehier het juweel, dat ik u geef. Spinelloccio, uit den koffer gekomen, zeide zonder veel praatjes te maken: Zeppa, wij zijn quitte en daarom is het goed, gelijk gij zooeven tot mijn vrouw zeide, dat wij vrienden blijven en daar er geen ander verschil tusschen ons is geweest als van vrouwen, moeten wij die ons ook gemeen maken. Zij ontbeten alle vier te samen in vrede en Zeppa was voldaan. En van toen af hadden zij elk twee vrouwen, zonder dat zij er ooit twist of oneenigheid over hadden.

NEGENDE VERTELLING.

Docter Simon, door Bruno en Buffalmacco bij nacht op een plaats gebracht om deel uit te maken van een gezelschap, dat naar den heksen-sabbat gaat, wordt door Buffalmacco in een kuil met vuil geworpen en achtergelaten.

Toen de donna’s wat hadden geschertst over de gemeenschap van de vrouwen vastgesteld tusschen de twee Sieneezen, begon de koningin, die alleen nog vertellen moest, om Dioneo geen onrecht te doen: Verliefde donna’s. Spinelloccio betaalde heel goed dien streek van Zeppa. Daarom schijnt het mij, dat men niet scherp moet misprijzen, gelijk Pampinea kort te voren wilde aantoonen, wie spot met dengeen, die de misleiding zoekt of die zich deze op den hals haalt. Ik wil u van iemand vertellen, die er zich aan bloot stelde en meen, dat de daders niet te laken maar te loven waren. Degeen, wien dit geschiedde, was een dokter, die geheel bedekt met bont [159] van Bologna naar Florence ging en toch een ezel was.

Gelijk wij het iederen dag zien, komen onze medeburgers van Bologna terug als rechter, dokter en notaris met lange en breede scharlaken gewaden met bonten randen en andere onderscheidingen. Welke gevolgen dit heeft, zien wij elken dag. Voor kort kwam tot ons zekere maëstro Simone da Villa terug, rijker aan erfgoederen dan aan wetenschap, gekleed in scharlaken en met een kap tot over de schouders, dokter in de medicijnen, gelijk hij zelf zeide, gevestigd in de Via del Cocomero (Komkommer-Straat). Deze pas teruggekeerde dokter had onder zijn opmerkelijke gewoonten, die: aan wie zich bij hem bevond, den naam te vragen van iedereen, die door de straat ging en alsof hij naar de houding der menschen zijn medicijnen moest samenstellen, lette hij op allen en onthield ze. Onder hen, die hem bijzonder aantrokken, waren twee schilders, van welke heden reeds tweemaal gesproken is, Bruno en Buffalmacco, zijn buren. Het scheen hem, dat zij onbezorgder en vroolijker leefden dan wie ook, en hij vroeg vele menschen naar hun beroep.

Daar hij van iedereen hoorde, dat zij arme schilders waren, meende hij, dat het niet mogelijk was, dat zij van hun armoede zoo vroolijk konden leven, maar hij vermoedde, dat zij slimme kerels waren, die op onbekende wijze van anderen profiteerden en daarom wilde hij met beide of met een van hen zich bevriend maken. Hij kwam in kennis met Bruno. Bruno, die spoedig zag, dat die dokter een ezel was, begon zich te vermaken met zijn dwaasheden en de medicus van zijn kant had in hem wonderbaar genoegen. Nadat hij hem dikwijls tot ontbijten had uitgenoodigd, geloofde hij familiaar met hem te kunnen spreken en zeide, dat het hem verwonderde, dat zij zoo vroolijk leefden en hij verzocht het hem te leeren. Die vraag scheen Bruno één van de vele dwaasheden van den medicus. Hij lachte en antwoordde in overeenstemming met zijn domheid: Maëstro, alléén aan u wil ik zeggen, hoe wij dit doen, omdat gij een vriend zijt en omdat ik weet, dat gij het niet aan anderen zult zeggen. Mijn metgezel en ik leven zoo vroolijk en zoo goed als het schijnt en nog beter. Noch van onze kunst, nog van eenige rente, kunnen wij het water betalen, waarmee wij werken. Ik hoop niet, dat gij denkt, dat wij het stelen, maar wij gaan op avontuur uit en zoo krijgen wij alles.

De dokter geloofde het, verwonderde zich zeer en onmiddellijk kreeg hij het brandendste verlangen te weten, wat dat op avontuur uitgaan was en met groote volharding drong hij aan het hem te zeggen en verzekerde, dat hij er nooit over zou spreken. O wee, maëstro, zei Bruno, wat vraagt ge mij? Dat is een te groot geheim en zou de oorzaak zijn van mijn ondergang en mijn verbanning uit de wereld. Het zou mij zelf in den muil van den Lucifer van San Gallo [160] brengen, als anderen het weten. Maar zoo groot is de vriendschap, die ik voor uw eigenaardige ezelachtigheid van Legnaja gevoel en het vertrouwen, dat ik in u heb, dat ik het u niet kan weigeren, en daarom zal ik het u vertellen op voorwaarde, dat gij mij zweert bij het kruis van Montesone, dat gij het nooit aan iemand zult zeggen. De maëstro beloofde dit.

Welnu dan, doktertje, sprak Bruno, nog niet lang geleden bevond zich in onze stad een groot meester in de toovenarij, die Michele Scotto heette, omdat hij van Schotland kwam en wien door vele edellieden, van welke er nog maar weinige leven, groote eer werd bewezen. Toen hij van hier vertrok, liet hij op hun aandrang twee goed onderrichte leerlingen achter, aan wien hij gelastte tot elken dienst voor die ridders bereid te zijn. Aldus dienden zij hen welwillend bij zekere liefdesgeschiedenissen en meer dergelijke zaakjes. Toen de stad en de zeden hun bevielen, bleven zij en sloten een groote en nauwe vriendschap met enkele lieden en letten er alleen op, of hun gewoonte met de hunnen overeen stemden. Om die vrienden te behagen vormden zij een gezelschap van misschien vijfentwintig personen, die elkaar minstens tweemaal in de maand op een afgesproken plaats ontmoetten; dan zeide elk zijn verlangen en zij voldeden hieraan met spoed. Met die twee zijn Buffalmacco en ik bijzonder bevriend en wij zijn in dit gezelschap. En als wij samen kwamen, was het een wonder de tapijten te zien, in de zaal, waar wij aten, de koninklijke tafels, het aantal edelen en schoone bedienden, zoowel mannen als vrouwen, de spoelvaten, de lampetkannen, de flesschen, de bekers en ander vaatwerk van goud en zilver, waaruit wij aten en dronken en behalve dat de vele en verschillende spijzen. Het is niet mogelijk op te sommen hoedanig en hoeveel heerlijke tonen en klanken van tallooze instrumenten en zangen vol melodie er gehoord worden, noch hoeveel was men bij die gastmalen brandt, noch hoeveel meelspijzen er gegeten worden en hoe kostbaar de wijnen zijn, die men er drinkt. En gij moet niet gelooven, mijn braaf pompoenen-hoofd, dat wij daar blijven in dit gewaad; er is er daar geen, die er minder uitziet dan een keizer.