De Decamerone van Boccaccio

Chapter 52

Chapter 524,371 wordsPublic domain

Zoo goed als geheel verstijfd, ging hij, zoo gauw hij kon, naar huis; daar, vermoeid en stervend van slaap, wierp hij zich te bed om te rusten, en hij stond op of hij zijn armen en zijn beenen verloren had. Daarom zond hij om een dokter, vertelde hem van de koude, die hij doorleden had en liet hem voor zijn gezondheid zorgen. De dokter, die sterke en snel werkende middelen gebruikt had, kon hem ternauwernood na korten tijd de spieren genezen en maken, dat die zich zouden ontspannen en als hij geen jongeling geweest was en er geen warmte gevolgd was, zou hij veel te lijden gehad hebben. Maar toen hij weer sterk en flink was, verborg hij zijn haat en toonde zich meer dan ooit op zijn weduwe verliefd. Nu gaf de fortuin na een zeker verloop van tijd den student een gelegenheid om zijn verlangen te voldoen, omdat de jongeling, die door de weduwe bemind werd, (en die niet meer lette op de liefde, die zij hem toedroeg) op een andere donna verliefd werd en daar hij noch veel noch weinig wilde zeggen, noch in iets haar aangenaam wilde zijn, verging zij in tranen en in bitterheid. Maar haar meid, die zeer veel medelijden met haar had en geen middel vond om haar donna te troosten over de smart, die zij wegens den verloren minnaar voelde, zag den student op zijn gewone wijze door de straat gaan, kwam op een dwaze gedachte namelijk, dat de minnaar van haar donna door zwarte kunst haar opnieuw als vroeger zou liefhebben en dat de student hierin een groot meester was en zij vertelde haar dit. De donna dom, zonder te denken, dat, als de student de zwarte kunst had gekend, hij die voor zich gebruikt zou hebben, richtte haar geest naar die woorden en zeide haar meid, dat zij van hem zou te weten komen of hij dat wilde doen en beloofde stellig, dat zij om de verdienste daarvan voor haar zou doen, wat haar mocht behagen. De meid deed de boodschap goed en met ijver, en toen de student dit hoorde, zeide hij verheugd in zich zelf: God, wees geloofd; de tijd is gekomen, dat ik met Uw hulp de booze vrouw zal doen boeten voor de beleediging mij aangedaan. En tot de meid zeide hij: Zeg, aan mijn donna, dat, zoo haar minnaar in Indië was, ik die spoedig zou doen komen en genade laten vragen voor wat hij tegen haar mocht gedaan hebben, maar wat het middel betreft, dat zal ik haar zeggen, wanneer en waar het haar zal behagen.

De meid bracht het antwoord over en regelde het zoo, dat zij samen kwamen in Santa Lucia del Prato. Toen de donna met de student alleen was en zij samen spraken, herinnerde zij zich niet, dat zij hem haast vermoord had, vertelde hem alles, wat zij verlangde en smeekte hem om haar geluk. De student sprak tot haar: Madonna, het is waar, dat onder de dingen, die ik te Parijs leerde, de zwarte kunst behoort, die ik grondig ken, maar omdat die Gode zeer ongevallig is, heb ik gezworen die nooit voor mij noch voor anderen aan te wenden. Het is waar, dat mijn liefde voor u zoo sterk is, dat ik u niets kan weigeren en als ik naar het huis van den duivel moet gaan, ben ik om u bereid dit te doen. Maar ik herinner u er aan, dat dit een gevaarlijker zaak is dan gij denkt, wanneer een vrouw een man of een man een vrouw, haar of hem er weer toe brengt hem of haar lief te hebben zonder wederliefde en dat de ander zeker van zich zelf moet zijn, daar het bij nacht moet gebeuren en op eenzame plaatsen, waartoe ik niet weet of gij wel bereid zijt. Hierop antwoordde de donna meer verliefd dan verstandig: Amor prikkelt mij zoo, dat ik alles zou doen om hem terug te hebben, die mij ten onrechte verliet, maar in ieder geval zeg mij, welken moed ik moet hebben.

De student, die kwaad gezind was, sprak: Madonna, ik moet een beeld van tin van hem hebben om hem te heroveren; wanneer ik u dit terugzend, moet gij, als de maan zeer afneemt, naakt in een beek van stroomend water gaan in den tijd van den eersten slaap en geheel alleen en zeven maal moet gij dit met u baden en daarna naakt moet gij op een boom klimmen of op een onbewoond huis en naar het noorden gewend moet gij zekere woorden uitspreken, die ik u geschreven zal geven. Zoodra gij die gezegd hebt, zullen twee der schoonste jonge dames tot u komen. Zij zullen u groeten en bekoorlijk vragen, wat gij wilt. Aan hen zult gij al uw wenschen mededeelen en pas er voor op, dat gij niet den eenen in plaats van den anderen naam noemt. Zoodra gij die gezegd hebt, zullen zij heengaan en gij zult neerdalen naar de plaats, waar gij uw kleeren hebt gelaten, u aankleeden en naar huis terug keeren. En voorzeker, het zal niet de helft van den volgenden nacht worden of uw minnaar zal klagend hier komen om genade en dan zal hij u nooit om een andere vrouw verlaten. De donna, die hem vertrouwde, scheen haar minnaar al opnieuw in de armen te hebben en zei al half gelukkig: Ik twijfel er niet aan, of ik zal alles goed volbrengen en ik ben er geheel toe bereid, want ik heb een buiten boven den Val d’Arno, dat dicht genoeg bij den oever van de rivier is en het is juist Juli, wat voor het baden aangenaam zal zijn. En ik herinner mij, dat daar niet ver vandaan een eenzame toren is, waar soms de herders langs de treden van kastanjehout op een terras komen om naar hun verdwaalde beesten uit te zien, een zeer eenzame plek; daar zal ik opklimmen en hoop te doen, wat gij mij hebt bevolen.

De student, die het buiten en den toren kende en blij was zeker van haar voornemen te zijn, sprak: Madonna, ik was nooit in dien omtrek, en ik ken daarom noch het buiten noch den toren, maar als dat is, gelijk gij zegt, kan het niet beter. Als het tijd is zal ik u het beeld en de tooverspreuk zenden en ik zal u goed hebben gediend, zoodat gij aan mij zult denken en uw belofte aan mij zult houden. De donna zeide, dat zij dit zonder twijfel zou doen en nadat zij van hem afscheid had genomen, ging zij naar huis terug. De student verheugd, dat, wat hij overlegd had, zou slagen, maakte een beeld en schreef een verzinsel van tooverwoorden als bezwering, zond die aan de donna en liet haar berichten, dat zij den volgenden nacht zonder verwijl zou doen, wat hij gezegd had. Daarna ging hij met een van zijn bedienden naar het huis van een zijner vrienden, dat dicht bij den toren was om zijn plan ten uitvoer te brengen. Ook de donna begaf zich met haar meid naar haar buiten en toen de nacht was gekomen en zij deed of ze naar bed ging, zond zij de meid ter ruste en in het uur van den eersten slaap, stil uit het huis gegaan, begaf zij zich in de buurt van den toren naar den oever van de Arno. Nadat zij goed had rond gekeken, niemand zag of hoorde, ontkleedde zij zich, legde haar goed onder een struik, baadde zich zevenmaal met het beeld en daarop naakt, met het beeld in de hand, ging zij naar den toren. De student, die bij het aanbreken van den nacht met zijn knecht tusschen wilgen en andere boomen bij den toren verborgen was en alles zag, had toch medelijden, toen zij geheel naakt voorbij ging en haar aanschouwde, die met de blankheid van haar lichaam de duisternis van den nacht overwon en toen hij naderbij de borst en de onderdeelen van haar gestalte gewaar werd en zoo schoon vond en bedacht, wat daar mee zou gebeuren. Van den anderen kant overviel hem opeens de prikkeling van het vleesch, die hem deed oprijzen en hem dreef uit zijn schuilhoek te gaan, haar te nemen, zijn begeerte te bevredigen en hij was bijna door zijn gevoelens overwonnen. Maar toen hij zich herinnerde wie hij was en de ontvangen beleediging en waarvoor en door wie, ontvlamde zijn toorn weer, verjoeg hij het medelijden en de vleeschelijke begeerte en liet haar gaan. De donna, die op den toren was geklommen en zich naar het noorden had gekeerd, sprak de opgegeven woorden uit. De student klom kort daarop heimelijk in den toren, nam zachtjes den ladder weg, waarmee de donna op het terras was gekomen en wachtte. De donna begon nu de twee jonge meisjes af te wachten en bleef zoo lang, (zonder dat de koelte van den nacht haar langer scheen) tot ze de dageraad zag aanbreken. Bedroefd, omdat niet gebeurd was, wat de student haar had gezegd, sprak zij tot zich zelf: Ik vrees, dat die mij een nacht heeft willen bezorgen als ik aan hem, maar als hij dit heeft gewild, heeft hij zich slecht weten te wreken, want die duurt slechts het derde van den zijne, terwijl de koelte van een ander soort was. En opdat de dag haar daar niet zou vinden, wilde zij van den toren afdalen, maar vond er den ladder niet. Toen, alsof de wereld haar onder de voeten was weggerukt, viel zij bewusteloos op het terras van den toren neer. Nadat haar krachten terugkeerden, begon zij ellendig te weenen en te klagen en nu zij begreep, dat dit de toeleg van den student was geweest, herinnerde zij zich een ander beleedigd te hebben en hem daarna te veel te hebben vertrouwd, dien zij zeker als haar vijand had moeten beschouwen en zoo bleef zij daar langen tijd. Toen rondziende of er een weg was om af te dalen, dien zij niet vond, begon zij opnieuw te klagen en zeide tot zichzelf: O ongelukkige, wat zullen Uw broeders, en familie en buren en alle Florentijnen zeggen, wanneer men weet, dat gij hier naakt gevonden zijt? Uw eerbaarheid, tot hiertoe standvastig, zal men kennen als valsch en als gij hiervoor leugenachtige verontschuldigingen wilt zoeken, die er toch niet zijn, zal de vervloekte student U niet laten liegen. Ach ongelukkige, die gij zijt, die op hetzelfde oogenblik den vergeefs beminden jonkman en Uw eer hebt verloren. Zij werd zoo bedroefd, dat zij zich van den toren wou werpen. Maar daar de zon al op was, naderde zij dicht een der randen van den muur van den toren en keek of daar niet een herdersknaap met zijn kudde naderde, dien zij naar haar meid kon sturen. Maar de student, die aan den voet van een struik wat had geslapen, stond op, zag haar en zij hem. De student sprak tot haar: Goeden dag, mevrouw. Zijn de jonge dames nog gekomen? De donna begon opnieuw zeer te klagen en smeekte hem, dat hij in den toren kwam, opdat zij hem kon spreken. De student was daartoe beleefd genoeg. De donna, die zich plat op den buik had gelegd, stak alleen het hoofd over den rand van den uitgang en sprak weenend: Rinieri, indien ik U een slechten nacht heb bezorgd, hebt gij U wel op mij gewroken, omdat ik, hoewel het Juli is, dezen nacht, daar ik geheel naakt was, meende te bevriezen. Buitendien heb ik zoo gehuild over Uw bedrog en mijn dwaasheid, dat het een wonder is, hoe mijn oogen mij nog in het hoofd zijn gebleven. En daarom bid ik U niet om mij, die gij niet kunt liefhebben, maar om U zelve als edelman, dat dit U voldoende is als wraak over de beleediging, die ik U heb aangedaan. Laat mij mijn kleeren brengen, opdat ik hier afkom en ontneem mij niet, wat gij mij later niet kunt teruggeven, namelijk mijn eer. En als ik U er van heb beroofd dien nacht met mij samen te zijn, zal ik, wanneer gij wilt, U er velen voor dien eenen teruggeven. Laat het U als een waardig man genoeg wezen U te hebben gewroken en het mij te hebben doen gevoelen; oefen Uw kracht niet uit jegens een vrouw, want het is geen eer voor een adelaar een duif te hebben overwonnen; daarom bij de liefde van God en bij Uw eer, heb medelijden met mij.

De student, die met wreede ziel zich de ontvangen beleediging herinnerde en haar zag schreien en smeeken, had tegelijk vreugde en verdriet; vreugde over de wraak, die hij meer dan iets anders had verlangd en verdriet, daar de barmhartigheid hem bewoog medelijden met haar te hebben. Maar toch, daar deze niet de wreedheid van zijn begeerte kon overwinnen, antwoordde hij: Madonna Elena, indien mijn smeekbeden (welke ik weliswaar niet kon baden in tranen noch honingzoet kon maken als gij thans de Uwen) mij hadden doen bereiken in den nacht, dat ik in Uw hof vol sneeuw stierf van koude, dat ik alleen een weinig onder dak kwam, zou het mij nu licht vallen de Uwen in te willigen. Maar indien gij thans meer om Uw eer geeft dan vroeger en als het U zoo pijnlijk is daarboven naakt te blijven, richt dan die beden tot hem, in wiens armen gij geen vrees hadt gedurende den nacht, welke gij U herinnert, naakt te zijn gebleven, terwijl gij wist, dat ik klappertandend op Uw binnenplaats heen en en weer liep en in de sneeuw stampvoette en laat u door hem helpen, laat door hem uw kleeren halen, laat door hem den ladder aanbrengen om af te dalen, tracht hem barmhartigheid in te boezemen met uw eer, dien gij niet geaarzeld hebt zoowel thans als duizend andere keeren in gevaar te stellen. Waarom roept gij hem niet om u te hulp te komen? Gij zijt de zijne en wie zal hij beschermen of helpen, als hij u niet behoedt of van dienst is? Roep hem, gekkin, die gij zijt, en bewijs, dat de liefde, die gij hem toedraagt, en dat uw slimheid en de zijne u van mijn onnoozelheid kunnen bevrijden naar aanleiding van welke, toen gij u met hem verheugde, gij gevraagd hebt, wat hem grooter scheen: mijn dwaasheid of de liefde, die gij hem hebt toegedragen. Gij kunt thans niet welwillend zijn voor wat ik niet verlang, noch het weigeren, als ik het verlangen zou. Behoudt de nachten voor uw minnaar, als gij hier levend vandaan mocht komen. Uw nachten behooren aan hem: ik heb van één te veel en het is mij voldoende ééns te zijn bespot. En bovendien, gij gebruikt al uw slimheid met praten om mijn welwillendheid te verkrijgen door te vleien en gij noemt mij een ridder en heimelijk poogt gij mij te leiden, opdat ik als edelmoedig man zal ophouden u te straffen voor uw boosheid. Maar uw vleierijen zullen thans mijn geestesoogen niet verduisteren gelijk uw oneerlijke beloften vroeger het deden. Ik ken mijzelf; ik heb nooit zooveel daarvan geleerd, toen ik in Parijs was als gij mij in één enkelen nacht er van hebt doen ervaren. Maar ondersteld, dat ik toch edelmoedig zou zijn, zijt gij niet van degenen op wie edelmoedigheid invloed kan hebben. Het einde van de straf bij wilde dieren gelijk gij er een zijt en evenzoo van de wraak moet de dood zijn, waar bij menschen genoeg is, wat gij wilt. Daarom, hoewel ik geen adelaar ben, en gij geen duif, daar ik u ken als een vergiftige slang, wil ik als een zeer oude vijand u vervolgen met al mijn haat en al mijn kracht, met al datgene, wat ik u doe en wat men niet zoozeer wraak kan noemen, maar veeleer kastijding, in zooverre, dat de wraak de beleediging zou moeten overtreffen, wat hier niet zal gebeuren. Daarom als ik mij zou willen wreken, wanneer ik er aan denk, aan welk uiterste gij mij hebt blootgesteld, zou uw leven mij niet voldoende zijn, indien ik het u zou ontnemen noch honderd anderen aan het uwe gelijk, omdat ik een gemeen en verdorven en slecht vrouwspersoon zou dooden. En wat duivel—indien het beetje schoonheid van uw gelaat binnen weinig jaren door rimpels verdwenen zal zijn, zijt gij meer dan een of andere jammerlijke dienstmeid, die haast een edelman had doen sterven, wiens leven op één dag van meer nut kan zijn dan honderdduizend van uw soort het kunnen wezen, zoolang als de wereld zal bestaan. Ik zal u leeren door de smart, die gij hebt te verduren, wat het is mannen te bespotten, die een gevoel in hun hart hebben, en om studenten voor den gek te houden en ik zal u de gelegenheid geven niet meer tot zulk een dwaasheid te vervallen, indien gij er nu aan ontkomt.

Maar als gij zulk een groot verlangen hebt om af te dalen, waarom werpt gij u dan niet op de aarde? Dan zult gij tegelijk met Gods hulp uw hals brekend uit de kwelling raken, waarin gij zijt en mij tevreden stellen. Thans wil ik u niets meer zeggen; ik heb u naar boven laten klimmen, ziet gij thans maar naar beneden te komen, gelijk gij het spotten verstond. Terwijl de student dit zeide, schreide de ongelukkige donna voortdurend en de tijd verstreek met het stijgen van de zon. Maar toen hij zweeg, zeide zij: Zie, man zonder hart, als die vervloekte nacht zoo smartelijk voor je was en mijn misstap u zoo groot schijnt, dat noch mijn jeugdige schoonheid, noch mijn bittere tranen, noch mijn nederige smeekbeden uw medelijden opwekken, laat u dan tenminste bewegen en uw strenge hardheid verminderen daardoor alleen, dat ik mij u opnieuw heb toevertrouwd en u elk geheim heb geopenbaard, waarmee ik u de gelegenheid heb gegeven mij mijn zonde te doen beseffen, want had ik dat niet gedaan, dan hadt gij geen middel kunnen vinden u te wreken. Ach, laat die toorn varen en vergeef mij voortaan, ik ben, wanneer gij mij wilt vergeven, bereid den oneerlijke jonkman geheel te verlaten en u alleen tot minnaar te hebben en tot heer, hoewel gij mijn schoonheid hebt gelaakt en zeide, dat die van korten duur was en niet veel waard. Hoedanig mijn schoonheid ook is, ik weet, dat, als die van andere vrouwen, indien zij voor u om niets anders waarde heeft, deze toch een verlangen is en een tijdverdrijf en een genot voor de jeugd en gij zijt niet oud. En hoewel ik door u wreed ben behandeld, geloof ik niet, dat gij zulk een smadelijken dood wilt zien mij als een wanhopige hier af te werpen voor uw oogen, dien ik, als gij geen leugenaar zijt geworden, vroeger zoo heb bekoord. Ach, heb medelijden met mij om Gods wil. De zon begint al te heet te worden en gelijk de koelte van den nacht mij hinderde, begint mij de warmte zeer te kwellen.

Hierop antwoordde de student, die er genoegen in had dit gesprek te verlengen: Madonna, uw vertrouwen bleef niet in mijn handen om de liefde, die gij mij hebt toegedragen, maar om dien te herkrijgen, die gij hadt verloren en daarom verdient het nog grooter straf. En gij denkt dwaas, dat dit de eenige weg was, die voor mijn wraak open was. Ik had er duizend anderen en duizend strikken had ik om uw voeten gespannen, terwijl ik veinsde u lief te hebben, en het kon slechts kort duren, dat gij er niet in hadt moeten geraken. En gij zoudt door allen in grooter kwelling en schande zijn dan die u thans te beurt vielen. En ik heb deze gekozen niet om u te verlichten maar om eerder tevreden te zijn. En als alle deze mij hadden ontbroken, had mij de veder nog niet in den steek gelaten, waarmee ik op zoodanige wijze Uw daden zou beschreven hebben, dat gij ze u herinnert zóó, dat gij duizendmaal per dag zoudt wenschen niet geboren te zijn. De krachten van de pen zijn veel grooter dan zij meenen, die het niet uit ervaring weten. Ik zweer God (en Hij moge begeeren, dat deze wraak, die ik op mij neem, bij het eind er van verheugen zal en evenzoo als het begin), dat ik zoo over u zal schrijven, dat gij u niet alleen zult schamen voor anderen, maar ook voor u zelve en om u zelf niet te zien u de oogen zult willen uitsteken en verwijt daarom de zee niet aangegroeid te zijn uit een kleine beek. Dat gij de mijne wordt, daarom bekommer ik mij niet; behoor slechts aan hem, van wien gij geweest zijt, als gij kunt. Gelijk ik hem vroeger heb gehaat, ben ik hem nu welgezind om hetgeen hij u thans heeft gedaan. Gij wordt verliefd op jongelieden, omdat zij wat meer kleur hebben, wat donkerder baard, omdat zij meer rechtop loopen, dansen en wapenspelen uitvoeren; maar het is ook hun eigen, die wat ouder zijn en die weten, wat zij nog hebben te leeren. En bovendien acht gij hen beter ruiters, omdat zij meer mijlen per dag afleggen dan rijpere mannen, en ik weet wel, dat zij met meer kracht de rokken uitschudden, hoewel de ouderen beter de plaatsen weten, waar de vlooien zitten en het is veel beter het weinige en smakelijke te kiezen dan het vele en smakelooze en het harddraven breekt en vermoeit, hoe jong men ook is, terwijl het zacht gaan, hoewel wat later, rustig naar de herberg voert. Gij bemerkt niet evenals de dieren, hoeveel kwaad er onder zoo weinig uiterlijke schoonheid verborgen is. De jongelieden zijn met een niet tevreden, maar verlangen er zooveel zij zien als hunner waardig; daarom kan hun liefde niet standvastig zijn en gij kunt er thans een zeer ware getuigenis van geven. Het schijnt hun, dat zij waard zijn door de donna’s ontzien en geliefkoosd te worden en kennen geen grooter glorie dan zich te beroemen op degenen, die zij gehad hebben, welk gebrek er velen beneden de monniken stelt, die het tenminste niet weer over vertellen. Hoewel gij zegt, dat Uw liefde niet bekend is dan aan Uw meid en aan mij, weet gij dit slecht en gelooft het zelf ook niet. In haar straat en in de Uwe spreekt men van niets anders, maar de meeste keeren is de laatste, wiens ooren dit bereikt, degene, met wien dit plaats had. De jongelieden berooven U bovendien, terwijl de anderen U geschenken geven. Gij hebt dus slecht gekozen; behoor aan hem, aan wien gij U hebt gegeven en laat mij, dien gij bespot hebt, aan anderen over, want ik heb een veel beter donna dan gij gevonden, die mij beter kent. En opdat gij naar de andere wereld een grooter zekerheid van het verlangen van mijn oogen kunt meenemen dan gij in deze toont te bezitten uit mijn woorden, werp U daarvoor dadelijk naar beneden en Uw ziel, reeds opgevangen in de armen van den duivel, zal kunnen gewaar worden of mijn oogen vochtig zullen worden, indien ik U zie neerstorten. Maar daar gij mij dit genoegen niet zult aandoen, raad ik U, als de zon U begint te verhitten U te herinneren, welk een koude ge mij hebt doen lijden; dan zult gij de zon zonder twijfel matiger gevoelen.

De troostelooze donna ziende, dat de woorden van den student tot een hard einde voerden, begon opnieuw te weeklagen en zeide: Zoo gij geen medelijden hebt, laat dan de liefde U roeren, welke gij draagt voor een donna verstandiger dan ik, die gij hebt gevonden en door welke gij bemint wordt en vergeef mij om de liefde tot haar. Geef mij mijn kleeren terug, opdat ik mij kan aankleeden en laat mij gaan. Toen begon de student te lachen en ziende, dat het derde uur al voorbij was, antwoordde hij: Kijk, ik kan nu niet weigeren, omdat gij mij dit om die donna gevraagd hebt. Wijs mij die en ik zal er heen gaan en U hiervan doen afklimmen. De donna, die dit geloofde, kreeg een weinig moed en wees hem de plaats, waar zij de kleeren gelegd had. De student uit den toren gegaan, gelastte aan zijn knecht, dat hij daar niet vandaan zou gaan, en dat niemand daar in zou gaan, eer hij was terug gekeerd en bij die woorden keerde hij naar het huis van zijn vriend terug en ontbeet daar op zijn gemak en toen ging hij slapen. De donna op den toren, hoewel door dwaze hoop een weinig bemoedigd, ging heel treurig zitten en aan dien kant van den muur, waar een weinig schaduw was. Hopend en wanhopend aan den student en de kleeren en van de eene gedachte op de andere overspringend, sliep zij in, alsof zij door smart overwonnen was en of zij in den afgeloopen nacht niet had gerust. De zon, die brandend was en al tot de middaghoogte gestegen, trof recht haar naakt, teeder, fijn lichaam en haar hoofd door niets bedekt met zooveel kracht, dat niet alleen het vel verbrandde maar het langzaam open ging en de hitte was zoo, dat zij, die in diepen slaap was, gedwongen werd op te staan. Terwijl zij zich voelde blakeren en zich wat bewoog, scheen het haar daarbij, dat de geheele verschroeide huid openging en barstte, gelijk wij dat zien gebeuren met brandend perkament, als men het daarna wil uitrekken en haar hoofd deed vreeselijk pijn. Het terras van den toren was zoo gloeiend, dat zij er met de voeten noch met een ander lichaamsdeel plaats kon vinden, zoodat zij zonder stil te kunnen staan dan hier dan daar huilend rond liep. En bovendien, daar er in ’t geheel geen wind was, waren er tal van muggen en vliegen, die zich op de open huid neerzetten en haar zoo pijnlijk staken, dat elk haar een prik met een naald scheen te geven, zoodat zij met de handen geen oogenblik rust had en zich zelf, haar leven, haar minnaar en den student vervloekte. Door duizend kwellende gedachten beangst en geprikkeld en gekwetst ging zij op de teenen staan om te zien of zij in den omtrek iemand gewaar werd, bereid, wat er ook van zou komen, hulp te vragen. Maar ook dit had het vijandige noodlot haar ontroofd.