Chapter 51
Calandrino ging eens, toen zijn vrouw alleen was, alleen het zwijn slachten. Toen Bruno en Buffalmacco wisten, dat zijn vrouw niet mee ging, begaven zij zich naar een priester, een zeer goed vriend van hem, een buurman van Calandrino om een dag of wat bij hem door te brengen. Calandrino had den morgen, toen zij aankwamen, het varken gedood. Toen hij ze bij den pastoor zag, riep hij ze en sprak: Wees welkom en ziet, hoe goed ik het huishouden kan waarnemen. Na ze in huis te hebben geleid, toonde hij hun het varken. Zij zagen, dat het zeer mooi was en hoorden van hem, dat hij het voor zijn huishouden wilde inzouten. Bruno sprak: Wel, wat zijt gij dom! Verkoop het en laat ons van het geld plezier hebben en zeg aan Uw vrouw, dat men het gestolen heeft. Calandrino antwoordde: Neen, dat gelooft ze niet en ze zou mij het huis uitjagen; dat doe ik nooit. Zij praatten genoeg, maar het hielp niets. Calandrino noodigde hen gulweg tot het avondmaal uit; zij gingen evenwel weg. Bruno zeide tot Buffalmacco: Willen wij vannacht dat varken van hem stelen? Buffalmacco antwoordde: Och, hoe zullen wij dat kunnen? Bruno sprak: Hoe, dat weet ik wel, als hij hier maar niet weggaat. Buffalmacco zeide: Laten wij het dan doen? En later zullen we er met den pastoor plezier van hebben. De pastoor zeide, dat het hem zeer beviel. Toen sprak Bruno: Men moet hier een weinig listig te werk gaan; gij weet, Buffalmacco, hoe gierig Calandrino is en hoe hij gaarne drinkt, als een ander betaalt. Laat hem naar een taveerne brengen en daar zal de pastoor doen, of hij alles betaalt om ons en hem eer te bewijzen. Hij zal zich dronken drinken en dan zullen wij onze kans waarnemen, omdat hij alleen thuis is. Zoo gezegd, zoo gedaan. Calandrino, die zag, dat de priester betaalde, begon duchtig te drinken en hoewel hij er niet veel van noodig had, nam hij er toch een goede lading van in en daar het al laat was, toen hij de taveerne verliet, trad hij binnen zonder te eten, geloofde de deur gesloten te hebben, liet die open en ging naar bed.
Buffalmacco en Bruno gingen met den priester avondmalen en daarna namen zij zekere gereedschappen mede om heimelijk in het huis van Calandrino binnen te dringen, waar Bruno het had aangewezen. Toen zij de deur open vonden, haakten zij het varken af, droegen dit naar het huis van den pastoor, en gingen slapen. Calandrino, dien de wijn uit het hoofd was gegaan, stond ’s ochtends op en toen hij beneden was, keek hij, zag het varken niet en de deur open. Daarom vroeg hij aan iedereen of ze het varken gezien hadden en toen hij het niet vond, schreeuwde hij: Wee mij, ongelukkige! Bruno en Buffalmacco stonden op en gingen naar Calandrino om te hooren, wat hij van het varken zou zeggen. Zoodra hij hen zag, zeide hij klagend: Wee mij, mijn vrienden, het varken is mij ontroofd. Bruno sprak zachtjes: Het is een wonder, dat gij één keer wijs zijt geweest. Wee mij, riep Calandrino, want wat ik zeg, is waar. Vertel dit maar, sprak Bruno, en schreeuw het zoo hard, dat het schijnt, dat het zoo is gebeurd. Calandrino klaagde toen nog harder en zeide: Bij het Lichaam van God, ik zeg de waarheid, en Bruno hernam: Zeg dat maar en indien gij het zoo wilt vertellen, schreeuw dan hard en doe denken, dat het waar is. Calandrino sprak: Gij zult mij aan den duivel overleveren. Gij gelooft mij toch niet; ik zal opgeknoopt worden, als het niet geroofd is. Toen sprak Bruno; Kijk, hoe is dat mogelijk! Ik zag het nog gisteren. Meent gij mij te kunnen wijs maken, dat het gestolen is? Calandrino sprak: Het is, zooals ik u zeg. Hè, hernam Bruno, hoe kan dat zijn! Zeker, zeide Calandrino, zoo is het, en ik weet niet, hoe ik naar huis zal komen. Mijn vrouw zal mij niet gelooven en als zij het toch doet, zal ik het heele jaar geen vrede meer met haar hebben. Toen sprak Bruno: God beware mij, het is leelijk genoeg, maar gij weet, Calandrino: ik raadde u gisteren aan aldus te spreken en ik zou niet willen, dat gij tegelijkertijd uw vrouw en ons voor den mal houdt. Calandrino begon te schreeuwen: Wel, waarom maakt gij mij wanhopig en doet mij God en de heiligen en al, wat er is, lasteren. Ik zeg u, dat het varken vannacht van mij gestolen is.
Toen sprak Buffalmacco: Als het toch zoo is, moeten wij een middel zien te vinden om het terug te hebben. En welk middel, sprak Calandrino, is er dan? Buffalmacco hernam: Er is zeker niemand uit Indië gekomen om het varken van u te stelen; het moet dus een van uw buren geweest zijn en als gij die bijeenroept, zal ik de brood- en kaas-proef nemen en wij zullen dadelijk zien, wie het gestolen heeft. Ja, sprak Bruno, gij zult wel de proef kunnen doen, want een uit den omtrek moet het gestolen hebben, maar men zal het gewaar worden en niet hier komen. Hoe moeten wij dan doen? sprak Buffalmacco. Bruno antwoordde: We moeten ze uitnoodigen en goeden, witten wijn met gemberpillen te drinken geven. Ze zullen er dan niet aan denken en aldus zullen wij de gemberpillen kunnnen zegenen zoo goed als het brood en de kaas. Buffalmacco zeide: Dat is goed en gij, Calandrino, wat zegt gij er van? Wat zullen wij doen? Calandrino sprak: Ik bid U er om bij de liefde tot God. Want als ik wist, wie het gestolen heeft, zou ik al half getroost zijn. Goed, hernam Bruno, ik ben bereid daarvoor naar Florence te gaan, indien gij mij geld geeft. Calandrino had misschien veertig stuivers, welke hij hem gaf. Bruno, die naar een intiemen vriend te Florence ging, kocht een pond flinke gemberpillen en liet er twee van het soort voor honden maken, die hij in deeg van aloë liet doen. Hij liet ze vervolgens in suiker rollen evenals de anderen en om ze niet te verwarren gaf hij ze een merk. Hij kocht een flesch goeden witten wijn, keerde in het dorp naar Calandrino terug en zeide: Gij moet morgen degenen bij U te drinken vragen, tegen wien gij argwaan hebt; het lijkt dan een feest; iedereen zal gaarne komen en ik zal vannacht met Buffalmacco de bezwering over de pillen uitspreken en uit vriendschap voor U zal ik zelf alles uitvoeren. Calandrino deed dit.
Toen hij een heel gezelschap van florentijnsche jongelieden en van boerenarbeiders had verzameld, ging hij den volgenden morgen voor de kerk bij den olm staan, en kwamen Bruno en Buffalmacco daar met een schotel pillen en met den wijn en na ze in een kring geplaatst te hebben, zeide Brano: Heeren, ik moet U de reden zeggen, waarom gij hier zijt, opdat, als er iets onaangenaams voorvalt, gij U niet zult beklagen. Aan Calandrino werd gisteren een mooi varken ontstolen en men weet niet, wie het heeft gedaan en daar een van ons het moet hebben weggenomen, geeft hij om dien te ontdekken U deze pillen en dezen wijn. Wie het varken stal, zal de pil niet opeten, maar die zal hem bitterder smaken dan venijn. Hij zal haar uitspuwen en opdat die schande hem in tegenwoordigheid van zoovelen zal aangedaan worden, is het daarom misschien beter, dat diegene het boetvaardig aan den pastoor zegt. Elk van hen zeide, dat hij gaarne de pil wou slikken; daarom, nadat Bruno Calandrino tusschen hen geplaatst had en hij bij een der uiteinden van den kring aanving, gaf hij er ieder een. Toen hij tegenover Calandrino stond, nam hij een der hondenpillen en gaf hem die. Calandrino deed die snel in zijn mond en begon te kauwen, maar zoodra zijn tong de aloë proefde, die de bitterheid niet kon verdragen, spuwde hij die uit. Zij keken elkaar aan om te zien, wie de zijne zou uitspuwen en daar Bruno nog niet klaar was met het uitdeelen en deed of hij er niet op lette, hoorde hij achter zich zeggen: He, Calandrino wat is dat? Hij keerde zich snel om, zag, dat Calandrino de zijne had uitgespuwd en zeide: Wacht, misschien deed een andere reden hem die uitspuwen; neem een andere en nadat hij de tweede genomen had, stopte hij hem die in den mond en gaf de tweede rond, die hij nog had.
Zoo de eerste aan Calandrino bitter leek, scheen de tweede nog bitterder, maar toch schaamde hij zich die uit te spuwen. Hij hield haar kauwend in den mond hoewel met tranen in de oogen, daar het hem zeer pijnlijk scheen. Eindelijk kon hij het niet meer uithouden, en spuwde die ook uit. Buffalmacco liet het aan het gezelschap en Bruno drinken; dezen, die dit met de anderen te samen merkten, zeiden, dat Calandrino het zeker zelf had gestolen en er waren er onder, die hem dit hevig verweten. Maar toen Bruno en Buffalmacco met Calandrino waren achter gebleven, zeiden zij tot hem: Wij waren er wel zeker van, dat gij het zelf hebt gedaan en dat gij ons hebt willen wijs maken, dat het u ontstolen was om geen rondje te geven van het geld, dat gij daaruit geslagen hebt. Calandrino, die de bitterheid van de aloë nog niet had uitgespuwd, begon te zweren, dat hij het niet had gedaan. Buffalmacco zeide: Maar wat hebt gij er voor gehad, grappenmaker, te goeder trouw? Hebt gij er zes florijnen aan verdiend? Calandrino, die dit hoorde, begon te wanhopen. Hierop sprak Bruno: Hoor, Calandrino, in het gezelschap was er iemand, die zeide, dat gij hier een jonge vrouw tot uw beschikking hield en haar alles geeft en dat hij vast geloofde, dat gij dien het varken gestuurd hebt; gij kunt anderen goed misleiden. Gij hebt ons eens naar de Mugnone gebracht om zwarte steenen te verzamelen en toen gij ons op de galei hebt gezet zonder scheepsbeschuit, zijt gij er vandaan gegaan. Met uwe eeden gelooft gij op een andere manier ons wijs te maken, dat het varken, hetwelk gij hebt weggeschonken of verkocht hebt, u is ontstolen. Wij kennen nu uw grappen en gij zult ze ons niet meer leveren en daarom, om u de waarheid te zeggen, hebben wij die proefneming gedaan, daar wij wenschen, dat gij ons twee paar kippen geeft of wij vertellen alles aan monna Tessa. Calandrino, die zag, dat het niet werd geloofd en genoeg leed had, wilde niet den naijver van zijn vrouw op den koop toe hebben en gaf hun twee paar kippen. Toen zij het varken hadden gezouten, droegen zij het naar Florence en lieten Calandrino met de schade en misleid achter.
ZEVENDE VERTELLING.
Een student bemint een weduwe, welke op een ander verliefd, hem een geheelen winternacht in de sneeuw laat wachten. Hij laat haar door zijn toeleg daarna in het midden van Juli naakt op een toren blijven, blootgesteld aan de muggen en de paardenvliegen en aan de zon. [156]
De donna’s moesten erg lachen om dat ongeluk van Calandrino en zij zouden dit nog meer hebben gedaan, als het hen niet gespeten had, dat hem bovendien nog de kapoenen werden afgenomen. Bij het einde gelastte de koningin Pampinea te vertellen en zij begon aldus: Zeer geliefde donna’s. Het gebeurt heel dikwijls, dat list met list wordt overwonnen en daarom is het niet verstandig zich er in te verheugen anderen te misleiden. Wij hebben bij vele geschiedenissen over de uitgehaalde streken gelachen, maar nooit werd daarin gesproken van wraakoefening. Nu ben ik van plan met medelijden te spreken over een rechtvaardige boete, waarin een onzer burgeressen een grap haast met den dood moest betalen, daar deze zelf misleid werd en de list zich tegen haar keerde. Dat te hooren zal voor u van groot nut zijn, omdat gij u wel zult hoeden anderen te misleiden en voorzichtigheid te betrachten.
Kort geleden leefde er in Florence een jonge vrouw, schoon van lichaam en trotsch van ziel, van zeer edele geboorte, bekoorlijk en begiftigd met de goederen der fortuin, Elena genaamd. Zij bleef als weduwe achter en wilde niet hertrouwen, daar zij op een schoonen en naar haar keus aardigen jonkman verliefd was. Van elke zorg bevrijd verheugde zij zich met behulp van haar meid, waarin zij veel vertrouwen stelde, verscheidene malen met hem. Intusschen keerde een edele jonkman, Rinieri, uit onze stad, die lang te Parijs had gestudeerd, vandaar terug, niet om zijn wetenschap voor geld weer te verkoopen, gelijk velen doen, maar om de reden en de oorzaak der dingen te doorgronden, wat een edelman ten zeerste past. Hij leefde als burger en zeer geëerd om zijn adel en om zijn geleerdheid. Maar zooals dikwijls plaats heeft, dat zij, die de meeste kennis hebben, zich het lichtst door de liefde laten verdwazen, geschiedde dit met Rinieri. Toen hij tot ontspanning naar een feest was gegaan, verscheen daar Elena voor zijn oogen, in het zwart gekleed, gelijk onze weduwen loopen, naar zijn oordeel zoo schoon en bekoorlijk, als hij er nog nooit een scheen gezien te hebben en hij meende, dat hij zich gelukkig mocht noemen, aan wien God de gunst schonk haar naakt in de armen te sluiten. Hij zag haar dikwijls aan en daar hij wist, dat groote en dure dingen niet zonder moeite te verkrijgen zijn, besloot hij alles aan te wenden om haar te behagen, opdat hij daardoor haar liefde zou veroveren en ten volle genieten. De jeugdige donna, die de oogen niet steeds naar de hel hield gericht [157] maar die, zich hooger achtend dan zij was, ze gekunsteld deed rondstaren, merkte spoedig genoeg op, wie in haar behagen schepte. Toen zij Rinieri gewaar werd, sprak zij lachend in zichzelf:
Ik ben hier heden niet vergeefs gekomen, want als ik mij niet vergis, zal ik een haantje bij den snavel hebben genomen. Zij begon hem te begluren en deed haar best hem te toonen, dat zij op hem gesteld was. Want zij dacht, dat hoe meer zij hem inpakte en behagen in hem toonde, hoe meer haar schoonheid op prijs zou worden gesteld. De geleerde student, die de wijsgeerige gedachten terzijde had gesteld, richtte zijn gansche ziel tot haar meenend, dat hij haar bekoorde. Hij wist er verschillende redenen voor te vinden haar huis voorbij te gaan. De donna door de al genoemde oorzaak was er zoodoende zeer trotsch op en liet blijken, dat zij hem gaarne zag. De student vond aldus een middel zich met haar dienstmeid te verstaan, openbaarde haar zijn liefde en bad haar, dat zij zoo zou te werk gaan, dat hij de gunst der donna zou verwerven. De meid beloofde dit, vertelde het haar donna, die haar met het grootste gelach aanhoorde en zeide: Ziet, waar die zijn verstand ging verliezen, dat hij van Parijs heeft meegebracht! Laten wij hem geven, wat hij zoekt en gij moet hem zeggen, dat ik hem veel meer bemin dan hij mij, maar dat het mij past mijn eerbaarheid te bewaren, zoodat ik niet als de andere donna’s met ontbloot gelaat kan loopen en hij zal, als hij zoo wijs is, als hij zegt, mij zeer op prijs stellen. O die ongelukkige! Zij wist niet goed, mijn donna’s, hoe gevaarlijk het is zich met de studenten in verbinding te stellen.
De meid vond hem, en zeide, wat de donna haar had gelast. De student richtte verheugd warmer smeekbeden tot haar en schreef brieven, zond geschenken en dat alles werd goed ontvangen, maar hij kreeg slechts een vaag antwoord en zoo hield zij hem langen tijd aan het lijntje. Toen zij ten slotte alles aan haar minnaar had bekend, die er een weinig boos en jaloersch over was, zond de donna om te toonen, dat zijn wantrouwen ongegrond was, haar meid naar den student, die het haar zeer lastig maakte en berichtte uit haar naam, dat zij nooit gelegenheid had gehad zijn verlangen te bevredigen, sinds hij haar van zijn liefde had verzekerd, maar dat hij den volgenden avond—het was Kerstfeest—als het donker was, op haar binnenplaats zou komen en dat zij dan, zoo gauw zij kon, naar hem toe zou komen. De student meer dan welgemoed ging op den vastgestelden tijd naar het huis van de donna en werd door de meid op de binnenplaats gelaten; zij sloot die en hij wachtte de donna af. De donna had dien avond haar minnaar laten komen om aangenaam met hem te vertoeven, vertelde hem, wat zij van plan was te doen en voegde er bij: Nu kunt gij zien, hoe groot de liefde is, die ik hem toedraag, op wien gij dwaas jaloersch zijt geworden. De minnaar hoorde die woorden met groot genoegen aan verlangend te zien door daden, wat de donna hem met woorden te verstaan gaf. Het had juist dien dag sterk gesneeuwd en alles was blank, zoodat de student nog pas kort op de binnenplaats zich kouder begon te gevoelen dan hem lief was maar in afwachting, dat hij zich zou herstellen, hield hij dit geduldig uit. De donna sprak na eenigen tijd tot haar minnaar: Laat ons in de kamer gaan om uit een venster te zien, wat hij doet op wien gij zoo jaloersch geworden zijt en wat hij aan de dienstmeid zal antwoorden. Beide gingen dus naar een klein venster en toeziende zonder zelf gezien te worden, hoorden zij de meid uit een ander tot den student spreken en zeggen: Rinieri, mevrouw is de bedroefdste donna van de wereld; vanavond is een van haar broeders gekomen en heeft druk met haar gesproken; daarna wilde hij met haar avondmalen en is nog niet weggegaan. Maar ik geloof, dat hij spoedig zal heengaan. Zij kan natuurlijk niet komen; zij zal het zoo vlug zij kan doen en zij bidt, dat het U niet hindert te blijven wachten. De student, die geloofde, dat dit waar was, antwoordde: Gij moet aan mijn donna zeggen, dat zij zich over mij niet bezorgd maakt, voordat zij op haar gemak bij mij kan komen, maar dat zij dit zoo spoedig doet, als zij kan. De meid begaf zich naar binnen en ging slapen.
Toen sprak de donna tot haar minnaar: Welnu, wat zegt ge? Gelooft gij, dat, ik als ik wilde, wat gij vreest, zou dulden, dat hij daar beneden bleef om te bevriezen? Na die woorden ging zij met haar minnaar, die al ten deele tevreden was, naar bed. Zij vierden samen feest, smaakten genoegen, lachten om den ongelukkigen student en maakten er grappen op. De student, die door den binnenhof op en neer ging, maakte bewegingen om zich te verwarmen, maar had niets om te gaan zitten of om zich te beveiligen tegen den ijzel en vervloekte het lang vertoeven van den broeder en bij elk geluid, dat hij hoorde, geloofde hij, dat het de donna was, die hem zou opendoen; maar hij hoopte tevergeefs. Zij, die zich tot op de helft van den nacht met haar minnaar had verheugd, zeide tot hem: Hoe lijkt het je, mijn ziel, met onzen student? Wat schijnt U grooter zijn verstand of de liefde, die ik U toedraag? Zal de koude, die ik hem heb doen lijden, U dat uit het hart doen gaan, wat er door mijn woorden eergisteren in is gekomen! De minnaar antwoordde: Hartedief, ja, ik erken nu, hoe gij mijn schat zijt, mijn rust, mijn vreugde en al mijn hoop, gelijk ik de Uwe ben. En de donna sprak: Kus mij duizendmaal om te zien of gij de waarheid zegt. De minnaar omhelsde haar daarna innig en kuste haar geen duizend, maar wel honderdduizend keer. En toen zij zoo eenigen tijd gesproken hadden, zeide de donna: Kom, laat ons een weinig opstaan en laat ons gaan kijken of het vuur al wat gebluscht is, waarvan mijn nieuwe minnaar schreef, dat hij den ganschen dag brandde. En opgestaan gingen zij naar het venster en keken op de binnenplaats, waar zij den student met korte passen, terwijl zijn tanden klapperden, door de sneeuw zagen loopen, wat bij hem door te veel koude veroorzaakt werd, en zoo voortdurend en snel, dat zij nog nooit iets dergelijks gezien hadden. Toen sprak de donna: Wat zegt gij nu, mijn zoete hoop? Schijnt het U, dat ik de mannen kan laten dansen zonder trompet of doedelzak. De minnaar sprak hierop lachend: Ja, mijn heerlijk genoegen. De donna hernam: Ik wil, dat wij beneden naar de deur gaan, gij zult U stil houden, ik zal met hem spreken en wij zullen hooren, wat hij zeggen zal en wij zullen misschien niet minder pleizier hebben dan straks door hem te zien. Zij maakte de kamer zachtjes open, daalde af tot de deur en daar zonder die te openen riep de donna hem met gedempte stem door een gat, dat zij er was. De student, die roepen hoorde, prees God en geloofde al te licht binnen te mogen komen en deur genaderd sprak hij: Hier ben ik, madonna; bij God, doe open, want ik sterf van koude. De donna sprak: O ja, ik weet, dat gij een koukleum zijt en de koude is ook zeer groot, omdat er wat sneeuw is gevallen. Ik weet ook, dat dit veel erger gebeurt te Parijs. Ik kan U nog niet open doen, omdat die verwenschte broeder van mij, die gisteravond hier bij mij kwam, nog niet vertrekt, maar hij zal spoedig gaan en dan zal ik U dadelijk open doen. Ik ben pas met groote moeite hem ontvlucht om U te bemoedigen, dat het wachten U niet zal hinderen. De student sprak: Och madonna, ik bid U bij God, dat gij mij open zult doen, opdat ik gedekt kan staan; er is sinds kort hier de dichtste sneeuw van de wereld gevallen en ik zal op U wachten, tot het U aangenaam zal zijn. De donna zeide: Wee mij, mijn zoetelief, ik kan niet, want die deur maakt zoo’n leven, als zij opengaat, dat gij allicht bemerkt zult worden door mijn broeder, als ik U open doe. Maar ik zal hem zeggen, dat hij weg gaat, opdat ik daarna kan terugkeeren om U te openen. De student hernam: Ga dan vlug, en ik smeek U een goed vuur aan te leggen, opdat ik, als ik binnen zal komen, mij kan verwarmen, daar ik zoo koud ben geworden, dat ik mij zelf ternauwernood gevoel. De donna sprak: Dat kan niet zoo wezen; als het waar is, wat gij mij meermalen hebt geschreven, dat gij geheel van liefde brandt. Maar ik ga nu weg, wacht en houdt goeden moed. De minnaar, die dit alles hoorde en het grootste genoegen had, ging met haar weer naar bed, maar zij sliepen weinig dien nacht; daarentegen brachten zij dien geheel door met hun genoegen en in het bespotten van den student. De ongelukkige student (die wel een ooievaar geleek, zoo klapperde hij met de tanden) bemerkte, dat hij voor den gek was gehouden en beproefde verschillende malen of hij de deur kon openen, maar toen hij geen middel zag en als een leeuw in de kooi rondliep, vervloekte hij de ruwheid van het weer, de boosaardigheid van de donna, de lengte van den nacht en zijn onnoozelheid er bij en zeer verwoed op haar veranderde de langdurige en vurige liefde, die hij haar had toegedragen in wreeden en bitteren haat en bedacht hij zich te kunnen wreken, wat hij nu evenveel meer verlangde, als hij de donna eerst had begeerd.
De nacht na een zoodanig en lang verblijf spoedde ten einde en de dageraad begon op te komen. Daarom ging de dienstmeid op bevel van de donna naar beneden, opende die half en medelijden met hem voorgevend, sprak zij: Dat hij, die gisteravond gekomen is, een ongeluk krijgt. Hij heeft ons den geheelen nacht in wanorde gebracht en U doen bevriezen. Maar weet gij wat? Draag het in vrede, want wat deze nacht niet heeft kunnen wezen, zal een andere keer gebeuren, daar het niet kon geschieden, wat zoo aangenaam is voor mevrouw. De verwoede student, die als verstandig man wist, dat bedreigingen slechts wapenen voor den bedreigde zouden zijn, verkropte, wat de onbeteugelde wil wenschte uit te storten en met zachte stem zonder zich kwaad te toonen, zeide hij: Ik heb werkelijk den ergsten nacht van mijn leven doorgebracht, maar ik heb wel gezien, dat de donna er geen schuld aan heeft, omdat zij uit medelijden naar beneden kwam om zich te verontschuldigen en mij te troosten en gelijk gij zegt, wat deze nacht niet gebeurd is, komt een andere keer; beveel mij haar aan en ga met God.