De Decamerone van Boccaccio

Chapter 50

Chapter 503,912 wordsPublic domain

Toen Calandrino de pijn voelde, trok hij den voet omhoog en begon te zuchten, maar zweeg toch en ging verder. Buffalmacco, die een van de keien in de hand genomen had, zeide tot Bruno: Zeg, kijk eens wat een mooie kei; hoe zal die Calandrino tegen de ribben komen en na hem te hebben weggeslingerd, kwam hij met kracht tegen zijn ribben. Op die wijze wierpen zij hem met steenen van de Mugnone tot aan de San Gallo-poort. Nadat zij de steenen, die zij verzameld hadden, hadden weggegooid, hielden zij een oogenblik stand bij de tolgaarders; deze ingelicht deden of ze niets zagen en lieten met het meeste plezier van de wereld Calandrino stil door. Zonder oponthoud begaf hij zich naar zijn huis bij de Canto alla Macina (Molenhoek). De fortuin was de grap zóó gunstig, dat, terwijl Calandrino langs de rivier ging en door de stad, hem niemand tegen kwam, daar elk aan het ontbijt was. Aldus beladen kwam Calandrino daar aan. Toevallig stond zijn echtgenoote, monna Tessa, een schoone en verstandige vrouw, boven aan den trap en een weinig boos over zijn lang uitblijven, zag zij hem aankomen en begon schimpend te zeggen: Broerlief, de duivel zal je nooit meer thuis brengen; iedereen heeft ontbeten, nu gij terugkeert. Calandrino merkte, dat hij gezien was en vol spijt zeide hij: Wee mij, slechte vrouw, zijt gij daar? Gij hebt mij ongeluk gebracht, maar bij God: ik zal het je betalen. Hij ging in een kleine kamer, ontdeed zich van de verzamelde steenen, liep naar zijn vrouw, wierp haar bij de haren aan zijn voeten en daar hij zijn armen en beenen nu goed bewegen kon, gaf hij haar overal schoppen en stompen zonder een haar op haar hoofd te laten of één plaats, die niet bezeerd was, en het hielp haar niets met gevouwen handen om genade te roepen. Buffalmacco en Bruno gingen Calandrino, nadat zij met de tolgaarders hadden gelachen, langzaam achterop en toen zij bij zijn deur waren, hoorden zij het wreede pak ransel, dat hij zijn vrouw gaf en veinzend pas te zijn aangekomen, riepen zij hem. Calandrino geheel bezweet en vuurrood vertoonde zich aan het venster en verzocht ze boven te komen. Zij hielden zich eenigszins verstoord, gingen naar boven en zagen de kamer vol steenen en in een der hoeken de vrouw met loshangende haren, gehavend, doodsbleek, het heele gelaat verminkt, droevig huilende en in een anderen hoek Calandrino met gescheurde kleeren en hijgend als een afgemat mensch. Toen zij dit een oogenblik hadden aanschouwd, zeiden zij: Wat is dat, Calandrino? Gaat gij bouwen, dat wij hier zooveel steenen zien? En wat scheelt monna Tessa? Het schijnt, dat gij haar hebt geslagen. Wat is dat voor fraais? Calandrino, vermoeid door het steenen dragen, de woede, waarmee hij zijn vrouw had geslagen, en door de smart over het geluk, dat hij meende te hebben verloren, kon zijn geest niet bedwingen te antwoorden. Buffalmacco ging voort: Calandrino, als gij een andere reden tot toorn hadt, hadt gij ons toch niet voor den gek moeten houden, want gij hebt ons er toe gebracht met U den kostbaren steen te zoeken, hebt ons zonder een woord tot God of den duivel te spreken in de Mugnone als een paar mallen achtergelaten en ge zijt naar huis gegaan, wat wij U zeer kwalijk nemen, maar zeker zal het de laatste grap zijn, die gij met ons uithaalt. Bij die woorden deed Calandrino zich geweld aan om te zeggen: Metgezellen, wordt niet boos, de zaak is anders. Ik, ongelukkige, had dien steen gevonden en wilt gij hooren, dat ik de waarheid spreek: Toen gij mij de eerste maal hebt geroepen, was ik op minder dan tien vademen afstand van U en daar ik zag, dat gij niet kwaamt en mij niet zaagt, ging ik voor U de stad in en ben ik voortdurend recht voor U uit gegaan. En nu vertelde hij hun tot het einde toe, wat zij hadden gedaan en gezegd en toonde hun den rug en de hielen evenals de kwetsuren en ging voort: Toen ik de poort inging met al die steenen, werd er niets gezegd en gij weet, hoe lastig die tolgaarders zijn om alles na te kijken. Ook kwam ik op straat verscheidene buren en vrienden tegen, die mij altijd aanspreken en tot drinken uitnoodigen en nu zelfs geen half woord zeiden, alsof zij mij niet zagen. Ten slotte, toen ik hier kwam heeft die duivelsche, vervloekte vrouw mij gezien en gij weet, de hoe vrouwen elk voorwerp hun kracht doen verliezen, zoodat ik, die mij den gelukkigsten man van Florence kon noemen, de ongelukkigste ben. Ik heb haar daarom zooveel geslagen, als ik maar kon en ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik haar niet de aderen open, want vervloekt is het uur, waarop ik haar zag en zij in mijn huis kwam! En toen zijn toorn weer aanwakkerde, wilde hij opstaan om haar opnieuw te slaan. Buffalmacco en Bruno deden, of zij zich zeer verwonderden en bevestigden, wat Calandrino zeide en hadden zoo’n grooten lachlust, dat zij haast stikten, maar toen zij hem zoo woedend zagen, dat hij weer zijn vrouw wilde slaan, stonden zij op en hielden hem tegen en zeiden, dat de donna er geen schuld aan had, maar hij zelf, die wist, dat de vrouwen van de voorwerpen alle kracht doen te loor gaan en haar niet gezegd had, op te passen bij hem dien dag niet te verschijnen en dat God hem dat geluk had ontnomen, hetzij, omdat het hem niet mocht te beurt vallen of omdat hij van plan was geweest zijn metgezellen te bedriegen. En na vele woorden werd met groote moeite de vrouw met hem verzoend en vertrokken zij hem neerslachtig achterlatend met het huis vol steenen.

VIERDE VERTELLING.

De provoost van Fiesole bemint een weduwe, die hem niet bemint. Hij gelooft met haar te slapen, doch doet dit met haar dienstmaagd en de broeders van de donna doen hem betrappen door den bisschop.

Toen Elisa aan het eind van haar novelle gekomen was en tot groot genoegen van het gezelschap had verteld, keerde de koningin zich naar Emilia en gaf haar aldus te kennen, dat zij na Elisa zou vertellen; deze begon: Waardige donna’s. Hoe de priesters, de broeders en alle geestelijken de heerschers over onze geesten zijn, is in vele novellen aangetoond, maar daar men er nooit zooveel van kan vertellen, of er blijft nog meer over, zal ik u een verhaal doen van een provoost, die ondanks alles wilde, dat een edelvrouw hem genoegen zou doen, doch, daar zij zeer slim was, hem behandelde, gelijk hij het verdiende.

Gelijk ieder uwer weet, was Fiesole, welks heuvel wij van hier zien kunnen, een zeer oude en groote stad; hoewel thans geheel vervallen, heeft zij toch nog een bisschop. In de buurt van de hoofdkerk bewoonde een edelvrouw, weduwe, monna Piccarda, een landgoed met een niet te groot huis, waar zij het grootste deel van het jaar vertoefde met haar twee broeders, welopgevoede en hoffelijke jongelieden. De provoost van de kerk werd, terwijl zij gewoon was daarheen te gaan en zij nog zeer jong, schoon en bekoorlijk was, op haar verliefd, zoodat hij zich niet bedwingen kon. Na eenigen tijd was hij zoo ontvlamd, dat hij haar dit mededeelde, smeekte met zijn liefde vrede te hebben en hem ook te beminnen. Deze provoost was al oud, maar van zeer jeugdigen temperament, vermetel, trotsch, had een hoog idee van zich zelf en manieren en gewoonten vol aanstellerij. Hij was zoo vervelend en hinderlijk, dat niemand hem welgezind was en als iemand een hekel aan hem had, was het die donna, want niet alleen dat zij hem niet mocht lijden, maar zij haatte hem meer dan kiespijn. Daarom zeide de slimme vrouw:

Messire, dat gij mij lief hebt, is mij zeer aangenaam en ik moet en zal u liefhebben, maar bij uw liefde en de mijne mag nooit iets oneerbaars voorkomen. Gij zijt mijn geestelijke vader en priester en reeds den ouderdom nabij, hetgeen u eerbaar en kuisch moet maken en ook ik ben geen kind, dien zulke verliefdheden passen. Ik ben weduwe en gij weet, hoe zeer men eerbaarheid van weduwen vereischt en neem mij dus niet kwalijk, dat ik u nooit zal lief hebben op de wijze, waarop u dit vraagt. De provoost, die van haar niets anders kon gedaan krijgen, toonde zich bij den eersten tegenslag noch verwonderd, noch overwonnen, maar hield zijn dwaze indringerigheid vol, viel haar vaak lastig met brieven en boodschappen en deed dit zelfs, als hij haar in de kerk zag komen. Zij vond deze vervolging te hinderlijk en te ergerlijk, en zij besloot hem zijn verdiende loon te geven maar niets te doen, voor zij er met haar broeders over had gesproken. Na hen gezegd te hebben, wat de provoost in het schild voerde, en ook wat zij van plan was te doen en na daarin van hen volkomen verlof te hebben gekregen, ging zij een paar dagen later naar de kerk. De provoost zag haar, ging toen dadelijk naar haar toe en en begon op een familiare manier met haar te spreken. Toen de donna hem zag aankomen en hem aankeek, zette zij een verheugd gezicht en na hem ter zijde te hebben getrokken en nadat hij haar veel had gezegd op zijn gebruikelijke wijze, sprak de donna na een diepen zucht: Messere, ik heb dikwijls gehoord, dat er geen kasteel bestaat zoo sterk, dat niet, als het elken dag bestormd wordt, eens wordt genomen, wat ik wel zie, dat mij gebeurd is. Gij hebt zoo om mij gedraaid met zoete woorden en hoffelijkheden, dat gij mij mijn voornemen hebt doen verbreken en dat ik bereid ben, zoo u dit behaagt, de uwe te willen zijn. De provoost zeide verheugd: Madonna, dank en om u de waarheid te zeggen, heb ik mij zeer verbaasd, dat gij zoo terughoudend waart, daar mij dit nog nooit was overkomen. Integendeel heb ik enkele malen gezegd: Als de vrouwen van zilver waren, zouden zij geen oortje waard zijn als munt, omdat er geen een aan den hamer weerstand biedt. Maar laten wij dit nu terzijde stellen: Wanneer kunnen wij samen zijn! Mijn lieve heer, wanneer het ons behaagt; ik heb geen echtgenoot, aan wien ik rekenschap moet geven. Maar waar zullen wij samen zijn? De provoost hernam: Niet in uw huis? De donna antwoordde: Messere, gij weet, dat ik twee broeders heb, die nacht en dag thuiskomen met hun vrienden en mijn woning is niet te groot; daarom kan dat daar niet gebeuren of gij moet u houden als een stomme en in het donker geen gerucht maken evenals de blinden. Als gij dit wilt doen, zal het gaan, omdat zij niet in mijn kamer doordringen, maar de hunne is zoo dicht bij de mijne, dat niet het minste woordje kan gezegd worden. De provoost zeide toen: Madonna, dat is goed voor een of twee nachten, maar dan zullen wij elders meer op ons gemak zijn. De donna sprak: Messere, dat staat toch aan u, maar één ding bid ik u, dat dit geheim blijft. Daarop ging de provoost voort: Madonna, twijfel daar niet aan en indien het kan, zorg dan, dat wij vanavond te zamen zijn. De donna sprak: Dat bevalt mij en na haar te hebben gezegd, hoe en wanneer hij zou komen, ging hij heen.

Deze donna had een meid, die lang niet jong was, en zij had het misvormdste gezicht dat men ooit zag; een platten neus, een scheeven mond, dikke lippen, slechte en groote tanden en zij keek loensch en had altijd pijn in de oogen en had een groene en gele kleur, zoodat zij den zomer niet scheen doorgebracht te hebben in Fiesole [153] maar in Sinigaglia. Behalve dat was zij mank en een weinig scheef aan den rechterkant. Zij heette Ciuta en omdat zij zulk een misvormd gezicht had, werd zij door elk man Ciutazza [154] genoemd. Hoewel zij leelijk was, was zij bovendien snibbig. De donna sprak tot haar: Ciutazza, als gij mij vanavond een dienst wilt doen, zal ik u een mooi hemd geven. Toen Ciutazza van een hemd hoorde spreken, antwoordde deze: Madonna voor een hemd zal ik mij in het vuur werpen en meer nog. Welnu, zeide de donna, ik wil, dat gij vannacht in mijn bed slaapt met een man en dat gij hem liefkoost en zóó, dat het niet wordt opgemerkt door mijn broeders, want gij weet, dat die vlak bij u slapen. Ciutazza zeide: Desnoods wil ik er wel met zes in plaats van een slapen. Toen de avond viel, kwam messere de provoost en de twee jongelieden waren in hun kamer en lieten zich wel hooren; daarom ging de provoost tersluiks en in het donker in die van de donna naar bed en van den anderen kant Ciutazza. Mijnheer de provoost, die waande de donna aan zijn zijde te hebben, nam Ciutazza in zijn armen en begon haar te kussen zonder een woord te spreken en Ciutazza hem en hij begon zich met haar te bevredigen na langdurige begeerte.

Toen de donna dit had gedaan, beval zij aan haar broers, dat zij de rest zouden doen van wat zij hadden afgesproken, die, heimelijk uit de kamer gegaan, zich naar het plein begaven en de fortuin was hun gunstiger, dan zij het zelf gewenscht hadden, want daar de warmte groot was, vroeg de bisschop om met hen naar hun huis te gaan en met hen te drinken. Zij vertelden hem hun bedoeling, begaven zich met hem op weg en na met hem op een zeer koele, kleine binnenplaats te zijn gegaan, waar veel lichten waren aangestoken, dronk hij met groot genoegen van een hunner goede wijnen. Na gedronken te hebben, zeiden de jongelieden: Messer, omdat gij ons zulk een gunst hebt bewezen, dat gij u verwaardigd hebt ons kleine huisje te bezoeken, wenschen wij, dat het u zal behagen een zaakje te zien, dat wij u zullen toonen. De bisschop antwoordde: Gaarne. Een van de jongelieden nam een toorts, ging voorop en de bisschop en de anderen volgden en wendden zich naar de kamer, waar mijnheer de provoost met Ciutazza lag. Deze had zich gehaast tot ruiterdienst en had dien al drie maal verricht en daardoor vermoeid en door de warmte sliep hij met Ciutazza in zijn armen. Toen de jongelieden in de kamer traden en daarna de bisschop, werd hem de provoost aangewezen met Ciutazza in dien toestand. Messer de provoost richtte zich op, zag het licht en de lieden rondom, schaamde zich, werd bang en stak het hoofd onder de lakens. De bisschop beleedigde hem zeer en liet zijn hoofd te voorschijn trekken en hem zien, met wie hij geslapen had. De provoost, die het bedrog ontdekte, werd ook door de schande de treurigste man ter wereld; na zich op bevel des bisschops gekleed te hebben, werd hij naar huis gezonden om een groote boete te doen onder goede bewaking. Later wilde de bisschop weten, hoe het kwam, dat hij met Ciutazza had geslapen. De jongelieden vertelden hem alles. Toen de bisschop dit had gehoord, prees hij de donna en ook de jongelieden, die zonder zich met het bloed van den priester te bevlekken hem hadden behandeld, zooals hij het verdiende. De bisschop legde hem veertig dagen kerkerstraf op, maar de liefde en de woede deden hem die negen en veertig dagen beklagen. Behalve dat kon hij sinds dien tijd nooit uitgaan zonder door de kinderen te worden bespot met: Kijk daar heb je hem, die met Ciutazza sliep, wat voor hem zoo hinderlijk was, dat hij er haast gek van werd. En op die manier raakte de donna den last van den vervelenden provoost kwijt en verdiende Ciutazza het hemd en een goeden nacht.

VIJFDE VERTELLING.

Drie jongelieden trekken een Marcezaansch rechter te Florence, terwijl hij zitting houdt, zijn broek uit.

Emilia had haar vertelling geëindigd, terwijl de weduwe door allen geprezen was, toen de koningin naar Filostrato ziende, sprak: Aan u is thans de beurt om te verhalen. Hierop antwoordde hij haastig, dat hij gereed was en begon: Verrukkelijke donna’s. De jongeling, waarvan Elisa u zooeven gesproken heeft, namelijk Maso del Saggio, herinnert mij aan een novelle van hem en eenige van zijn kameraden, welke, hoewel er uitdrukkingen in voorkomen, die u zullen doen blozen, niettemin zooveel stof tot lachen geeft, dat ik u die toch zal mededeelen.

Gelijk gij allen kunt gehoord hebben, komen in onze stad zeer dikwijls Marcezaansche schouten [155], die gewoonlijk menschen met weinig gevoel zijn en die zulk een bekrompen en ellendig leven leiden, dat het niets anders schijnt dan één schraperij en door hun armoe en hun ingeboren gierigheid, brengen zij rechters en notarissen mede, die menschen schijnen eer achter de ploeg vandaan gehaald of uit een touwslagerij dan uit de scholen der magistratuur. Toen een van hen als baljuw bij ons gekomen was, bracht hij een rechter mee, Niccola van San Lepidio, die naar het uiterlijk eerder een ketellapper scheen en die alleen aangesteld was om misdadige zaken te onderzoeken. En daar er dikwijls burgers kwamen, die niets in het gerechtshof te maken hadden, zocht Maso del Saggio daar op een morgen naar een vriend en keek naar den zetel van messer Niccola. Deze scheen hem een vreemde vogel en hij nam hem van het hoofd tot de voeten op. En terwijl hij hem zag met een zwart geworden baret van bont en een ganzenpen in den gordel en de toga langer dan het sleepend gewaad daaronder, aanschouwde hij onder andere vreemde dingen iets opmerkelijks en dat was een broek zoo wijd, dat het achterstuk tot op de helft van zijn beenen viel, als hij zat, terwijl de kleeren van voren van nauwheid open stonden. Zonder hem langer te beturen en niet verder zoekend, ging hij iemand anders opsporen en vond twee van zijn vrienden, Ribi en Matteuzzo, jongelieden even snaaksch als Maso en zeide tot hen: Als gij mij welgezind zijt, ga dan met mij mee naar het gerechtshof, waar ik jullie de gekste kerel van de wereld zal laten zien. Hij ging met hen daarheen en toonde hun dien rechter en zijn broek.

Zij begonnen er om te lachen, zoover ze die zien konden; na dichter bij de banken te zijn gekomen, waar mijnheer de rechter zetelde, zagen zij, dat zij er licht onder konden kruipen en bovendien, dat de planken, waarop deze de voeten zette, zoo gebroken waren, dat men er met gemak hand en arm door kon steken. Toen sprak Maso tot zijn kameraden: Laten wij hem zijn broek heelemaal uittrekken, want dat gaat best. Ieder van de gezellen had opgelet, hoe het mogelijk was. Den volgenden morgen kwamen zij terug en daar het gerechtshof vol menschen was, ging Matteuzo, wien niemand gewaar werd, onder de bank en begaf zich juist onder de plaats, waar de rechter de voeten zette. Maso, die den rechter aan den eenen kant genaderd was, nam hem bij een slip van zijn toga en Ribi, die van den anderen kant kwam, deed het zelfde en Maso sprak: Edelachtbare, o edelachtbare, ik bid u bij God, dat gij, eer die spitsboef, die daar aan uw zijde staat, weggaat, mij door hem een paar schoenen doet terug geven, welke hij van mij gestolen heeft en toch zegt hij van niet, en ik zag nog geen maand geleden, dat hij ze opnieuw liet zoolen. Ribi van den anderen kant schreeuwde hard: Edelachtbare, geloof hem niet, want hij is een bedrieger en omdat hij weet, dat ik hier gekomen ben om een valies op te eischen, dat hij van mij heeft weggenomen, is hij hier gekomen en praat van de schoenen, die ik pas sinds eergisteren in huis heb. En als gij mij niet gelooft, zal ik tot getuigenis brengen la Trecca, die naast mij woont en la Grassa, de dikke pensverkoopster en iemand, die het vuil ophaalt van Santa Maria tot Verzaja, die ze zag, toen hij van het dorp terugkeerde. Maar van zijn kant liet Ribi hem niet uitspreken, maar schreeuwde ook en ging nog meer te keer. Terwijl de rechter rechtop stond om beter te hooren, nam Matteuzo de kans waar, stak de hand door een scheur van de planken en trok zeer hardhandig het achterstuk van de broek van den rechter omlaag. Onmiddellijk viel de broek neer, daar de rechter mager en zonder heupen was. Hij voelde iets, maar wist niet wat het was en wilde de broek optrekken, zich weer bedekken en gaan zitten, doch Maso hield hem aan den eenen en Ribi aan den anderen kant vast en zij riepen luid: Messere, gij beleedigt mij door mij niet aan te willen hooren en weg te willen gaan. Zulke kleinigheden behandelt men niet schriftelijk in onze gemeente.

En bij die woorden hielden zij hem zóó bij zijn slippen vast, dat allen, die in het gerechtshof waren, zagen, dat hem de broek afgetrokken was. Maar Matteuzo na hem eenigen tijd te hebben vastgehouden liet hem los, kwam naar buiten en ging heen zonder te zijn opgemerkt. Ribi, die meende, dat hij genoeg gepleit had, zeide: Bij God, ik ga hulp zoeken bij den burgemeester. En Maso, die de toga losliet, zeide: Neen, ik zal hier nog dikwijls terug komen, als gij het niet zoo druk hebt; en zij gingen zoo gauw als zij konden weg. Mijnheer de rechter, die zijn broek had opgetrokken in tegenwoordigheid van iedereen, bemerkte nu, alsof hij pas wakker werd, de grap en vroeg, waar die twee heengegaan waren, die gevraagd hadden naar de schoenen en het valies, maar daar men ze niet terugvond, zwoer hij bij de darmen van God zelf, dat hij wilde weten of het te Florence gewoonte was aan rechters de broek uit te trekken, wanneer zij zetelden in het gestoelte der justitie. De schout, die dit hoorde, maakte veel kabaal, maar toen zijn vrienden hem hadden uiteengezet, dat dit alleen was geschied om hem aan te toonen, dat de Florentijners wisten, dat hij dwazen had gebracht, omdat hij die goedkooper kon krijgen, waar hij behoord had rechters te brengen, vond hij het beter te zwijgen en ditmaal had die zaak daarom geen verder gevolg.

ZESDE VERTELLING.

Bruno en Buffalmacco stelen van Calandrino een zwijn. Zij geven hem hoop het weer te vinden met gemberpillen en witten wijn en geven hem er twee van, als die voor de honden in aloë gekonfijt en het schijnt hem, dat hij het zelf heeft geroofd. Zij laten hem er voor betalen, indien hij niet wil, dat zij het aan zijn vrouw zeggen.

De novelle van Filostrato, waarover zeer werd gelachen, was nog niet uit of de koningin beval aan Filomene, dat zij zou volgen, die aldus begon: Genadige donna’s. Daar Filostrato door den naam Maso er toe werd aangetrokken de geschiedenis te vertellen, die gij hebt gehoord, zoo ben ik er toe geneigd door die van Calandrino en zijn metgezellen U een andere van hen te vertellen, die, naar ik geloof, U zal behagen.

Het is niet noodig, dat ik U zeg, wie Calandrino, Bruno en Buffalmacco waren, omdat gij daarvan genoeg hebt gehoord en daarom zeg ik alleen, dat Calandrino een klein buiten had niet ver van Florence, dat hij van zijn vrouw als bruidschat ontvangen had. Onder de inkomsten, die hij daaruit trok, kreeg hij elk jaar een varken. Het was zijn gewoonte in December met zijn vrouw daar heen te gaan en het varken te slachten en in te zouten.