Chapter 5
Aldus, genadige donna’s heb ik vroeger hooren vertellen, dat er in Parijs een groot koopman leefde en een goed mensch, die Jeannot de Sevigny werd genoemd, loyaal en rechtschapen en die een groote zaak had in goederen. Hij had een bijzondere vriendschap voor een zeer rijken jood, Abraham genaamd, die ook koopman was en een zeer eerlijk en rondborstig man. Jeannot, die deze rechtschapenheid en eerlijkheid zag, begon zeer te vreezen, dat de ziel van zulk een waardig, wijs en goed man door gebrek aan Geloof te loor zou gaan. Daarom begon hij hem vriendschappelijk te bidden, dat hij de dwalingen van het joodsche Geloof zou laten varen en tot de christelijke Waarheid zich zou bekeeren, die hij als heilig en echt altijd kon zien bloeien en sterk worden; terwijl hij zijn geloof integendeel kon zien verminderen en vergaan. De Jood antwoordde, dat hij niets heilig noch goed achtte dan het Jodendom, dat hij daarin geboren was, er in wilde leven en sterven en dat niets hem er ook van af zou brengen. Jeannot hield echter niet op, of na eenige dagen kwam hij er met dergelijke woorden weer op terug en toonde hem door redeneeringen zoo bot als kooplui er op nahouden, waarom onze godsdienst beter was dan de Joodsche. Hoewel de Jood van de israëlitische wet een groot kenner was, begonnen toch, hetzij dat de groote vriendschap, die hij voor Jeannot had, hem bewoog of dat misschien de woorden, welke de Heilige Geest den onnoozelen man op de tong legde, het deden, de redeneeringen van Jeannot hem zeer te behagen; maar toch koppig in zijn geloof, liet hij zich niet overtuigen. Daar hij hardnekkig bleef en Jeannot nooit ophield hem te overreden, zeide eindelijk de Jood door zulk een voortdurend aandringen overwonnen: Kijk Jeannot, het bevalt jou, dat ik Christen word en ik ben bereid dit te doen zoo waar als ik gereed ben eerst naar Rome te reizen en daar hem te zien, dien gij Gods Stedehouder op aarde noemt en zijn handelwijzen en gewoonten en eveneens die van zijn broeders, de kardinalen. Indien dezen mij zóó schijnen, dat ik door Uw woorden en door die dingen kan begrijpen, dat Uw geloof beter is dan het mijne, gelijk ge U in het hoofd hebt gesteld te bewijzen, dan zal ik doen, wat ik U gezegd heb; maar als het niet zoo mocht zijn, zal ik Jood blijven gelijk ik het ben. Toen Jeannot dit had gehoord, was hij zeer ontstemd, en zei in zichzelf: Ik heb de moeite verloren, die het mij goed scheen aan te wenden in het vertrouwen, dat ik hem zou bekeerd hebben, want wanneer deze man op reis gaat naar Rome en het slechte en schandelijke leven der geestelijken ziet, zal hij zich niet laten doopen, maar wanneer hij al tot het Christendom bekeerd was, zou hij weer Jood worden. Tot Abraham gewend zeide hij: Zeg, vriend, waarom wilt ge zooveel moeite doen en kosten maken, om van hier naar Rome te gaan, daargelaten dat dit voor een rijke man als gij zoowel ter zee als te land vol gevaar is. Geloof je soms, dat je niemand vindt, die je hier kan doopen? En indien je misschien eenig wantrouwen hebt jegens het geloof, dat ik je uiteenzet, zijn er dáár dan soms betere meesters en geleerdere mannen dan die U hier kunnen verklaren, wat gij zult verlangen of vragen? Daarom schijnt het mij, dat Uw tocht overtollig is. Denk, dat de priesters daar dezelfden zijn als die gij hier hebt kunnen zien en dat ze hier bovendien nog beter zijn dan die in de nabijheid van den Opperherder. En die reis zal volgens mijn raad U op een andere keer tot genoegen strekken, doordat ik U dan zal gezelschap houden. Hierop antwoordde de Jood: Ik wil gelooven, Jeannot, dat alles is, zooals gij mij zegt, maar om kort te gaan, ik ben (indien gij wilt, dat ik doe wat gij mij zoo hebt gevraagd) bereid er heen te trekken, en anders zal er niets van komen. Jeannot, die zijn voornemen gewaar was geworden, hernam: Ga dan met goed geluk. Hij dacht in zichzelf, dat die nooit Christen zou worden, als hij het Hof van Rome zien zou, maar toch drong hij er nu op aan, daar er niets meer bij te verliezen was. De Jood steeg te paard en zoo snel hij kon, ging hij naar Rome, waar hij, aangekomen, door zijn geloofsgenooten eervol werd ontvangen. Hij bleef daar zonder te zeggen met welk doel hij er was en begon aandachtig te letten op de zeden van den Paus en van de kardinalen en van de andere prelaten en van al de hovelingen. Zoowel wat hij als scherpziend man ondervond als wat hij vernam, deed hem begrijpen, dat allen van den hoogsten tot den laagsten in het algemeen op de schandelijkste manier zich aan wellust overgaven, en niet alleen aan natuurlijke maar ook aan tegennatuurlijke, zonder eenige hinder van wroeging of schaamte, zoodat de macht van de boeleersters en schandknapen om er een of andere belangrijke zaak tot stand te brengen van niet weinig invloed was. Behalve dat kende hij ze over het algemeen als veelvraten, drinkebroers, onmatigen en het meest na den wellust aan ander zingenot verslaafd, gelijk stompzinnige dieren. Hoe meer hij verder oplette, hoe meer hij gewaar werd, dat zij alle hebzuchtig en begeerig naar geld waren zoo, dat zij menschelijk bloed gelijk dat van Christus en de goddelijke dingen, hoe of ze ook heetten en hetzij ze tot de offeranden of tot de schenkingen behoorden, voor geld verkochten en kochten en beter zaken er mee deden en er meer makelaars voor hadden, dan er te Parijs voor den lakenhandel of welke andere ook waren. Ze hadden voor openlijke verkoop van kerkelijke ambten den naam: “zorg voor aanstelling” en voor hebzucht den naam: “ondersteuning” gekozen, alsof God, (de beteekenis van de woorden laten wij daar) niet de bedoeling der verdorven gemoederen zou kennen en gelijk de menschen zich door de namen der dingen zou kunnen laten bedriegen. Daar die feiten met vele andere bij elkaar, waarover wij kunnen zwijgen, den Jood mishaagden, omdat hij een matig en bescheiden man was, en het hem scheen, dat hij genoeg had gezien, besloot hij naar Parijs terug te keeren en deed dit. Daarna, sinds Jeannot wist, dat hij terug gekomen was—en er al aan wanhoopte hem tot een Christen te maken, wanneer hij daar vandaan terug keeren zou—maakten zij te samen een groot feest. En toen hij eenige dagen uitgerust had, vroeg Jeannot hem wie van den Paus en de kardinalen en de andere hovelingen hem beviel. De Jood antwoordde hierop snel: Ik meen, dat God ze allen niets dan kwaad zal doen; en ik zeg U dit, omdat ik, indien ik goed heb opgelet, daar hoegenaamd geen heiligheid, vroomheid, goed werk of voorbeeldige levenswijze of wat ook bij eenig geestelijke kon ontdekken maar het kwam mij voor daar wellust, hebzucht, brasserij, dergelijke en erger dingen (als er erger dingen in eenig opzicht kunnen bestaan) in al hun glorie te aanschouwen. Ik houd Rome dan ook eerder voor een brandpunt van duivelsche dan van goddelijke dingen. Daarom meen ik, dat Uw Herder met de meest mogelijke haast, overleg en kunst en zoo ook al de anderen er zich voor beijveren den christelijken godsdienst te vernietigen en uit de wereld te helpen dáár, waar zij de grondslag en steun er van moesten wezen. En omdat ik niet zie gebeuren wat zij najagen, maar dat uw godsdienst voortdurend groeit en verlichter en klaarder wordt, schijnt het mij dienovereenkomstig, dat ik den Heiligen Geest van deze als van een, die waarder en heiliger is dan van eenige andere, als grondslag en steun ervan moet beschouwen. Daarom, zoo ik star en hard bleef tegenover uw aansporingen en geen Christen wilde worden, zeg ik je nu ronduit, dat niets mij thans zou weerhouden Christen te worden. Laten wij dus naar de kerk gaan en laat mij daar volgens de verplichte gewoonte van Uw heilig Geloof doopen. Jeannot, die lijnrecht het tegengestelde als gevolgtrekking hieruit had verwacht, was, toen hij hem dit hoorde zeggen, de tevredenste mensch ter wereld. Hij ging met hem naar de Notre Dame te Parijs en verzocht de priesters, dat zij Abraham zouden doopen. Zij, na gehoord te hebben, wat hij vroeg, deden dit bereidwillig en Jeannot hief hem van het heilig doopbekken op en noemde hem Johannes. Later liet hij hem door groote en waardige mannen in ons Geloof volledig onderrichten, wat hij zeer snel leerde en sedert werd hij een goed en rechtschapen man, die een heilig leven leidde.
DERDE VERTELLING.
De Jood Melchisedek [10] onttrekt zich met een geschiedenis van drie ringen aan een hinderlaag hem door Saladin [11] gelegd.
Toen allen de geschiedenis van Neifile geprezen hadden en zij daarop zweeg, begon Filomena, gelijk het de koningin behaagde, aldus te spreken:
De geschiedenis, door Neifile verhaald, doet mij denken aan het gevaarlijke geval, dat een Jood overkomen is. Omdat er al goeds genoeg is verhaald van God en van de waarheid van ons Geloof moet men het afdalen tot gebeurtenissen en daden van menschen niet gering achten. Want men zal zien, als gij dit eenmaal gehoord hebt, dat gij misschien slimmer zult worden in antwoorden op vragen, die u zouden gesteld worden. Lieve vriendinnen, gij moet weten, dat, zooals de dwaasheid vele malen anderen uit een gelukkigen toestand rukt en in de grootste ellende brengt, aldus ook de wijsheid den verstandige uit zeer groote gevaren helpen kan en hem tot groote en zekere rust voert. En dat het waar is, dat de dwaasheid uit geluk in ellende stort, ziet men door vele voorbeelden. Ik behoef U die thans niet meer te vertellen, als ik er op let hoe dit al uit duizend gevallen gebleken is. Maar dat het verstand de oorzaak is van troost, dat zal ik, gelijk ik beloofde, door een geschiedenisje kortelijk bewijzen.
Saladin, wiens dapperheid zoo groot was, dat die hem niet slechts van een onbeteekenend man tot Sultan van Babylon maakte, maar hem ook vele overwinningen op saraceensche en christelijke koningen deed behalen, had in verschillende oorlogen en door zijn kolossale praal al zijn rijkdom verteerd en toen hij door een toevallig ongeluk een flinke hoeveelheid geld noodig had en niet wist vanwaar hij het zeer spoedig kon krijgen, dacht hij aan een rijken Jood, Melchisedek genaamd, die te Alexandrië op woeker leende. Hij meende zich van dezen te kunnen bedienen, wanneer hij wilde.
Maar hij was zóó gierig, dat hij het nooit van zelf zou hebben gedaan. De Sultan wilde hem geen geweld aandoen; maar daar de nood hem drong, zon hij er op met alle macht, hoe hij zich van den Jood zou bedienen en kwam op het idee hem te dwingen onder een masker van overreding. Hij liet hem roepen en ontving hem vriendelijk, liet hem bij zich plaats nemen en zeide toen tot hem: “Mijn waarde vriend, ik heb van verschillende menschen gehoord, dat gij zeer geleerd zijt en in godsdienstzaken zeer hoog staat, daarom zou ik van U willen weten, welke van de drie godsdiensten gij voor den waarachtigen houdt: de joodsche, de mohammedaansche of de christelijke?” De Jood, die werkelijk een wijs man was, merkte al te wel, dat Saladin het er op toe legde hem in zijn woorden te vangen om hem een ander soort vraag te stellen. Hij meende, dat hij geen van de drie godsdiensten meer dan de anderen moest prijzen, opdat Saladin zijn doel niet bereikte. Daar het hem er op aan scheen te komen een antwoord te geven, waardoor hij niet te vangen was, kwam hem na zijn vernuft gescherpt te hebben, snel voor den geest, wat hij moest zeggen en antwoordde hij:
“Heer, de vraag, die gij mij doet, is schoon, en om U te zeggen, wat ik er van denk, acht ik het goed U een geschiedenis te vertellen, die gij moet aanhooren. Als ik mij niet vergis, herinner ik mij vele malen te hebben hooren verhalen, dat er eens een groot en rijk man leefde, welke onder de duurdere steenen, die hij bij zijn schatten had, een zeer schoon en kostbaar juweel bezat, dat hij om zijn waarde en zijn schoonheid eer wilde bewijzen en tot in der eeuwigheid aan zijn nakomelingen wilde nalaten. Hij beval, dat diegene van zijn zoons, bij welke de ring, als hij hem dien had nagelaten, weer werd gevonden, zijn erfgenaam zou zijn en dat die door de anderen als meerdere geëerd en geëerbiedigd zou worden. Diegene aan wien die werd nagelaten, volgde denzelfden weg bij zijn afstammelingen en die deed gelijk zijn voorganger had gedaan. Om kort te gaan: zoo ging de ring door vele opvolgers van hand tot hand tot hij eindelijk in handen kwam van een, die drie knappe en brave zonen had, zeer gehoorzaam aan hun vader, zoodat hij van alle drie evenveel hield. En de jongelingen, die de traditie van den ring kenden, verlangden elk de meest geëerde der drie te zijn, en ieder verzocht den vader, dat die naar zijn beste weten, daar hij al oud was, hem den ring zou nalaten, als hij kwam te sterven. De brave man, die ze alle drie evenzeer liefhad, wist niet te besluiten aan wie hij hem zou nalaten, en dacht er over na, daar hij die aan alle drie beloofd had, hoe ze alle drie te voldoen. Heimelijk liet hij door een goed kunstenaar twee anderen maken, die zoo op den eersten geleken, dat hij zelf, die ze had laten vervaardigen, ternauwernood den echten er uit kende. En stervend gaf hij in vertrouwen aan elk der drie er een. Ieder van hen wilde zich na den dood des vaders de erfenis en de eer toeëigenen; de een wilde den ander ongelijk geven en bij de opening van het testament toch rechtvaardig handelen. Elk bracht zijn ring te voorschijn. Daar de ringen zoo gelijk aan elkaar gevonden werden, dat men den rechten niet kon onderkennen, bleef de vraag, wie de ware erfgenaam van den vader was hangende en nog is deze onbeslist. En dit zeg ik u, o heer, ook van de drie wetten, gegeven door God den Vader aan de drie volken betreffende welke gij die vraag hebt gesteld: ieder meent, dat zijn erfenis, zijn wet en zijn geboden de waren zijn; maar wie ze heeft, is een vraag, die nog onopgelost is als die van de drie ringen.” Saladin bemerkte, hoe uitstekend Melchisedek aan den strik had weten te ontkomen, dien hij hem voor de voeten had gehouden. Daarom besloot de Sultan hem zijn nood toe te vertrouwen en te zien of hij hem wilde helpen. Zoo deed hij en vertelde hem wat hij van plan was geweest te doen, indien Melchisedek hem niet zoo verstandig had geantwoord. De Jood leende hem ruimschoots elke som, dien Saladin vroeg. Deze betaalde hem dien later geheel terug en bovendien gaf hij hem groote geschenken, hield hem steeds tot vriend en hij bleef bij hem een hoogen en eervollen rang bekleeden.
VIERDE VERTELLING.
Een monnik vervalt tot een zonde, waarop de zwaarste straf staat. Hij bewijst echter, dat zijn abt hetzelfde op zijn geweten heeft en redt zich zoodoende uit zijn verlegenheid.
Reeds zweeg Filomena, toen Dioneo, die naast haar zat, zonder eenig bevel van de koningin af te wachten, volgens de ingestelde orde aldus begon te vertellen:
Lieve dames, indien ik van al het voorgaande de strekking goed heb begrepen, zijn wij hier om ons te amuseeren door verhalen te doen. En opdat het tegenovergestelde niet gebeurt, meen ik, dat het aan ieder vrij moet staan de historie te vertellen, welke hij of zij gelooft, dat het meest u zal vermaken. Nu gij gehoord hebt hoe door de goede betoogen van Jeannot de Sevigny Abrahams ziel werd gered en hoe Melchisedek zijn rijkdommen door zijn wijsheid verdedigde tegen de valstrikken van Saladin, ben ik van plan in het kort te vertellen door welk een list een monnik aan de zwaarste straf ontkwam, zonder dat ik van U afkeuring hoef te verwachten.
Er was in Lunigiana, een landstreek niet ver van Florence een klooster, heiliger en talrijker aan monniken dan er thans een bestaat. Daar leefde een jonge monnik, wiens kracht en jeugd de vasten noch de nachtwaken konden verzwakken. Op een middag om twaalf uur, toen al de andere monniken sliepen en hij alleen buiten de kerk was gekomen, welke op een eenzame plaats lag, ontmoette hij toevallig een nog al mooi meisje, waarschijnlijk de dochter van een der boeren uit den omtrek, die door de velden ging om zekere kruiden te zoeken. Hij had haar nog niet gezien of hij werd geweldig door vleeschelijke lust aangegrepen. Toen hij haar genaderd was, begon hij met haar te spreken en kwam zoo van het een op het ander. Hij kon het best met haar vinden en voerde haar met zich mede in zijn cel, terwijl niemand er iets van merkte. Hij, vervoerd door te veel begeerte, minnekoosde onvoorzichtig. Toevallig ontwaakte de abt en bemerkte, toen hij langzaam de cel voorbijging, het gerucht dat zij te zamen maakten. Om de stemmen beter te onderscheiden naderde hij stil de deur van de cel, luisterde en hoorde duidelijk, dat er een vrouwenstem bij was. Hij was al beslist van zins om de deur te laten openmaken, toen hij opeens bedacht, dat een andere tactiek beter zou zijn. Naar zijn kamer teruggekeerd wachtte hij tot de monnik naar buiten zou komen. De monnik, die nog met het grootste genoegen en vermaak met het meisje bezig was, bleef toch voortdurend op zijn hoede. Het scheen hem, dat hij eenig gerucht van voeten in de slaapzaal had gehoord. Hij loerde door een kleine spleet en vermoedde, dat de abt het meisje in zijn cel bemerkt had. Daar hij wist, dat hieruit groote straf voor hem zou kunnen volgen, was hij zeer ontstemd. Maar hij liet het meisje er niets van merken. Hij overlegde vlug en haastte zich een redmiddel te vinden. Er viel hem een list in en hij ging, na er goed over gedacht te hebben, er toe over. Terwijl hij net deed of hij genoeg van haar had, zeide hij: Ik moet iets verzinnen om je hier uit te krijgen zonder dat iemand het ziet; houdt je daarom, stil tot ik terug ben. Hij ging naar buiten, sloot zijn cel, en ging recht op de kamer van den abt af en bood hem den sleutel aan, gelijk iedere monnik gewoon was te doen, als hij naar bed toe ging. Hij zei met een uitgestreken gezicht: Heer, ik kon niet al het hout bij mij laten bezorgen, dat ik liet hakken, en met uw verlof wil ik daarom naar het bosch gaan en het laten brengen. De abt om beter de zonde te onderzoeken, die de monnik had begaan, en meenende, dat hij niet door hem was opgemerkt, dacht aan toeval, verheugde zich er over, nam gretig den sleutel aan en gaf hem tegelijkertijd verlof. Toen hij hem zag weggaan, begon hij na te denken wat hij zou doen; hij kon in tegenwoordigheid van alle monniken zijn cel openen en hun zijn misdaad toonen; die hadden dan geen reden tegen hem te mopperen, als hij den monnik zou straffen, of hij kon eerst van haar hooren hoe de zaak gebeurd was. Hij bedacht: het kan wel een vrouw of de dochter van een man zijn, die ik liever de schande wil besparen aan alle monniken vertoond te worden. Hij nam zich voor eerst te zien wie er was en daarna te beslissen. Stil ging hij naar de cel, opende die, trad binnen en sloot de deur. Het meisje zag den abt komen, werd zeer beangst en begon vreezend voor schande te jammeren. De heer abt, die zijn oogen den kost gaf, en zag, dat zij mooi en jong was, gevoelde dadelijk, hoewel hij oud was, niet minder de prikkelingen des vleesches dan de jonge monnik, en zei tot zich zelf: Wel, waarom zou ik geen plezier hebben, als ik in de gelegenheid ben! Altijd heb ik verdriet en onaangenaamheden gehad als ik het niet wilde. Dit is een mooi meisje en niemand ter wereld weet het; als ik haar er toe kan krijgen, mij genoegen te doen, weet ik niet waarom ik het zal laten. Wie zal het weten? Nooit zal iemand het merken en verborgen zonde is al half vergeven. Dit geval zal misschien nooit meer voorkomen. Ik meen, dat het zeer verstandig is van het goede gebruik te maken, wanneer God de Heer het schenkt. Dit zeggend, liet hij geheel het voornemen varen, waarmee hij gekomen was, en naderde het meisje dichter, troostte haar langzaam aan en verzocht haar niet te huilen. Hij kwam van het eene in het andere en deed haar zijn begeerte kennen. Het meisje, dat noch van ijzer noch van goud was, leende zich gemakkelijk er toe den abt genoegen te doen Hij omhelsde en kuste haar herhaaldelijk en sprong in het bed van den monnik; daar hij misschien het groote gewicht van zijn waardigheid in aanmerking nam en de teedere leeftijd van het meisje en wellicht vreesde haar door te veel zwaarte te hinderen, legde hij zich niet op haar boezem, maar haar op zijn borst en langen tijd drukte hij haar aan zijn hart.
De monnik, die net had gedaan of hij naar het bosch was gegaan en in de slaapzaal verborgen zat, dacht, toen hij den abt in zijn kamer zag, en daardoor gerustgesteld, dat zijn list moest geslaagd wezen. En toen de cel van binnen werd gesloten, was hij er absoluut zeker van. Hij ging heen, liep voorzichtig naar een spleet, waardoor hij hoorde en zag, wat de abt deed en sprak. Toen de abt lang genoeg met het meisje samen was geweest, en haar in de cel had gesloten, ging hij terug naar zijn kamer. Nadat hij de monnik gewaar was geworden en geloofde, dat die uit het bosch was teruggekeerd, wou hij hem streng berispen en hem laten opsluiten, opdat hij de veroverde buit voor zich alleen behield. Nadat hij hem had laten roepen, onderhield hij hem zeer ernstig met verontwaardigd gezicht en beval, dat hij naar den kerker gebracht werd. De monnik antwoordde gevat: Heer, ik ben nog niet zoo lang lid van de Orde van Sint-Benedictus, dat iedere bijzonderheid van haar mij bekend is. Gij hebt mij nog niet geleerd, dat de monniken de vrouwen niet tot last moeten hebben gelijk de vasten en de nachtwaken, maar nadat gij mij dit hebt voorgedaan, beloof ik u, indien gij mij dit vergeeft, hierin nooit meer te zondigen, en ik zal altijd doen, wat ik u heb zien doen. De abt, die een slimmerd was, begreep dadelijk, dat hij meer van hem wist en dat de monnik gezien had, wat die had uitgehaald. Daarom spijtig over zijn eigen schuld, schaamde hij zich den monnik aan te doen, wat hij zelf had verdiend. Hij vergaf hem en legde hem over hetgeen hij gezien had het zwijgen op, en ze brachten het meisje netjes naar buiten. En daarna kan men gerust gelooven, dat zij haar meermalen lieten terugkomen.
VIJFDE VERTELLING.
De dwaze liefde van den koning van Frankrijk voor de markiezin van Montferrat wordt door haar bekoeld met een gastmaal van niets dan kippen en met eenige geestige woorden. [12]
Toen de geschiedenis door Dioneo verteld was, trof hij eerst het hart der luisterende donna’s, zoodat ze een weinig verlegen werden. Zij gaven daarvan het bewijs door den eerzamen blos, die op hun gelaat verscheen. Zij zagen elkander aan konden zich toch ter nauwernood van lachen onthouden en hoorden glimlachend toe. Nadat het slot ervan gekomen was en zij eenige zachte woorden hadden geuit, waarmee zij wilden doen blijken, dat zulke histories niet aan dames verteld mochten worden, beval de koningin, naar Fiametta gekeerd, die bij haar op het gras zat, dat zij den regel zou volgen. Deze begon vol gratie en met een vriendelijk gelaat:
Het staat mij aan, dat wij begonnen zijn met de vertellingen te bewijzen, hoe groot de kracht van schoone en juiste antwoorden is, en omdat de mannen een groote neiging hebben om steeds een donna te beminnen van veel hooger afkomst dan zij zelf en ook omdat de vrouwen een zeer groote voorzichtigheid kenmerkt om zich te kunnen behoeden tegen de liefde van een man hooger geplaatst dan zij, kwam ik er toe, schoone dames, in de historie welke ik nu moet vertellen, aan te toonen hoe een adellijke dame zoowel met daden als met woorden zich daartegen beschermde en er anderen van afhield.