De Decamerone van Boccaccio

Chapter 49

Chapter 493,930 wordsPublic domain

Een paar dagen later ging Guasparruolo naar Genua en zij berichtte Gulfardo, dat hij bij haar zou komen met de twee honderd goudguldens. Gulfardo nam zijn metgezel met zich mede. Nadat hij haar had gevonden, was het eerste, wat hij deed, haar die tweehonderd goudguldens ter hand te stellen, terwijl zijn metgezel er bij was en Gulfardo sprak: Madonna, hier is het geld en geef het aan uw man, als hij terug zal gekeerd zijn. De donna nam het aan en bemerkte niet, waarom Gulfardo dit zeide, maar zij geloofde, dat hij het deed om zijn metgezel niet te laten bemerken, dat hij het voor zijn genoegen gaf. Daarom zeide zij: Ik zal het gaarne doen, maar ik wil zien, hoeveel het is, en nadat zij ze op een tafel geworpen had en bevonden, dat er twee honderd waren, was zij innerlijk zeer tevreden, legde ze weg, keerde tot Gulfardo terug en na hem in haar kamer te hebben geleid, voldeed zij hem niet alleen dien nacht maar vele anderen. Toen Guasparruolo van Genua kwam en Gulfardo had uitgevorscht, wanneer hij te samen met zijn vrouw zou zijn, begaf hij zich tot hen en zeide tot Guasparruolo: De twee honderd goudguldens, die gij mij geleend hebt, had ik niet noodig. En daarom bracht ik ze dadelijk aan Uw vrouw terug en gij zult dus mijn rekening wel willen uitwisschen. Guasparruolo vroeg de donna of zij het geld ontvangen had. Zij, die den getuige er bij zag, kon niet ontkennen, maar zeide: Zeker heb ik het ontvangen; ik had vergeten het U te zeggen. Toen zeide Guasparruolo: Gulfardo, het is in orde; ga met God, en ik zal Uw rekening uitmaken. Gulfardo vertrok en de donna bleef in de klem achter en gaf aan haar man den gemeenen prijs van haar slechtheid en zoo maakte de sluwe minnaar zich vroolijk over zijn gierige donna zonder kosten.

TWEEDE VERTELLING.

De pastoor van Varlungo slaapt met monna Belcolore laat haar zijn koorkleed tot pand en leent van haar een vijzel. Hij geeft dien terug en vraagt haar den rok terug, dien hij haar tot pand liet. De donna laat hem dien met een scherp woord overreiken.

De heeren zoowel als de donna’s prezen gelijkelijk, wat Gulfardo de gierige Milaneesche gedaan had, toen de koningin zich tot Pamfilo keerde en hem glimlachend beval te volgen, en Pamfilo begon aldus: Schoone donna’s. Ik moet U een kleine novelle verhalen tegen hen gericht, die ons voortdurend benadeelen, zonder dat wij het hen kunnen doen, namelijk tegen de priesters, die een heiligen oorlog [145] tegen onze vrouwen hebben ondernomen en wien het schijnt, dat zij slechts de kwijtschelding van schuld en boete verwerven, wanneer zij er een meester zijn geworden, alsof dit er mee gelijk staat, dat zij den Sultan zelf uit Alexandrië gebonden en wel naar Avignon [146] zouden hebben gevoerd. De ongelukkige leeken kunnen het het hun niet leveren, hoewel zij met niet minder vuur hun wraak jegens hun moeders, hun zusters, hun vriendinnen en hun dochters uitoefenen dan, waarmee zij hun vrouwen aanvallen. En daarom ben ik van plan U een dorpsliefde te verhalen, lachwekkender om het slot dan om de lengte, waarvan gij als vrucht zult kunnen plukken, dat men van de priesters niet alles gelooven moet.

Ik zeg dan, dat er te Varlungo, een dorp hier vrij dichtbij, een vermetel priester leefde en schelmsch in dienst van de vrouwen, welke, daar hij niet al te goed kon lezen, toch met vele goede en heilige bewoordingen ’s Zondags aan den voet van een olm zijn gemeenteleden vermaakte. Hij bezocht het meest de vrouwen, wanneer hun mannen elders heengingen, en meer dan een van zijn voorgangers bracht hij hun dikwijls bidprentjes en wijwater en eindjes kaars tehuis en gaf hun zijn zegen. Nu bekoorde hem onder al zijn vrouwelijke parochianen het meest monna Belcolore, de vrouw van een boer, die zich Bentivegna del Mazzo liet noemen, welke inderdaad een aardige en flinke boerin was, bruin en welgemaakt en beter geschapen voor zekere kunst dan iedere ander. En behalve dat kon zij het best op de tamboerijn slaan en zingen: Het water loopt naar het ravijn en beter een rondedans of een rei aanvoeren, als het noodig was, dan een harer buurvrouwen met een schoonen doek sierlijk in de hand. Daardoor werd de priester zoo op haar verliefd, dat hij er gek van werd. En wanneer hij haar Zondagsmorgens in de kerk gewaar werd, zeide hij een Kyrie of een Sanctus op en deed zijn best een groot meester in de zangkunst te schijnen, terwijl het was, of een ezel balkte. Maar als hij haar niet zag, kweet hij zich heel gewoon van die taak. Maar toch wist hij zoo te werk te gaan, dat Bentivegna del Mazzo het niet merkte, noch een buurman, dien hij had. En om beter de vriendschap van monna Belcolore te verwerven gaf hij haar van tijd tot tijd een klein geschenk. Soms zond hij haar een bosje van verschen knoflook, van welke hij de schoonste uit den omtrek in zijn tuin had, dan weer een mandje met erwten of een bosje nieuwe mei uien of sjalotten en toen hij de kans schoon zag, na haar een weinig bespied te hebben, maakte hij uit verliefdheid gekheid met haar en zij, de preutsche spelend, deed of zij het niet merkte en verzette zich, zoodat mijnheer de pastoor zijn doel niet kon bereiken.

Toen de priester eens op het middaguur door de streek slenterde, ontmoette hij Bentivegna del Mazzo met een beladen ezel. Hij sprak hem aan en vroeg hem, waar hij heen ging. Hierop antwoordde Bentivegna: Sere, ik ga naar de stad voor een zaak en ik breng deze dingen naar mijnheer Bonaccorri van Ginestreto, opdat hij mij helpe, daar ik niet weet, waarom men mij voor den rechter dagvaardt in een oproeping mij gestuurd door zijn procureur. De priester zeide opgeruimd: Je doet goed, mijn zoon, ga dus met mijn zegen en kom spoedig terug en als gij Lapuccio of Naldino soms ziet, zeg hun dan, dat zij mij de riemen voor mijn dorschvlegels brengen. Bentivegna zeide, dat het zou gebeuren en terwijl hij naar Florence ging, dacht de priester, dat het tijd was naar Belcolore te gaan en zijn kans te wagen. En nadat hij was doorgestapt, maakte hij niet halt, voor hij bij haar was binnen getreden en sprak: God behoede ons; wie is daar? Belcolore, die op den zolder was gegaan en hem hoorde, zeide: O sere, gij zijt welkom; waarom dwaalt gij zoo door de hitte? De priester antwoordde: Als God wil, zal ik een poosje bij u blijven; uw man is naar de stad gegaan. Belcolore daalde af, ging zitten en begon koolzaad uit te zoeken. De pastoor zeide: Wel, Belcolore, moet gij mij voortdurend laten versmachten? Belcolore begon te lachen en te zeggen: Och, wat doe ik u? De priester hernam: Gij doet mij niets, maar gij laat mij u niets doen, wat ik zou willen en wat God beval. Belcolore sprak: Ach, ga weg, ga weg! O, doen priesters zulke dingen? De priester antwoordde: Waarom niet? Ik zeg u, dat wij het beter doen dan andere menschen. En weet je waarom? Omdat wij de molen weinig laten malen, maar werkelijk het zal u voordeel doen, als gij mij laat gaan. Belcolore antwoordde: Welk voordeel kan mij dat verschaffen, daar gij allen zoo gierig zijt als de duivel. Toen voegde de pastoor er aan toe: Wilt gij een paar schoenen of een haar-lint of een mooien wollen doek of wat wilt ge? Belcolore sprak: Dat is wat moois! Dat heb ik allemaal, maar waarom geeft gij mij niet iets anders, dat ik wil en ik zal doen, wat gij wilt. Toen sprak de pastoor: Zeg, wat gij wilt, en ik zal het gaarne doen.

Belcolore hernam: Zaterdag moest ik naar Florence gaan om wol terug te brengen, die ik gesponnen heb en mijn spinnewiel te laten herstellen en als gij mij vijf lire leent, die gij wel hebt, zal ik van den woekeraar mijn donkerpaarsen rok en mijn leeren ceintuur voor de feestdagen terughalen, die ik bij mijn huwelijk meebracht, en waarmee ik naar de kerk en overal heen kan en zoo zal ik altijd kunnen doen, wat gij wilt. De pastoor antwoordde: Dat God mij een goed jaar geeft; ik heb ze niet bij mij, maar eer het Zaterdag is, zal ik maken, dat gij ze bezit. Ja, zeide Belcolore zoo doet gij allen groote beloften en houdt er geen een. Denkt gij met mij te handelen als Biliuzza, die met leege handen thuis kwam? Bij God, dat zult gij niet doen want zij is daarna publieke vrouw geworden. Als gij ze niet hebt, ga ze halen. Kom, zei de pastoor, laat mij niet naar huis gaan; nu is de kans gunstig, en als ik zou weggaan en terugkeeren, is er misschien iemand. En zij sprak: Goed. Wilt gij uw gang gaan, geef ze dan, en als gij het niet wilt, laat het. De priester, die zag, dat zij niet bereid was te doen, wat hij wilde zonder een salvum me fac [147], terwijl hij het wenschte sine custodia, [148] zeide: gij gelooft dus niet, dat ik ze u zal brengen. Vertrouw mij en ik laat u als pand dezen koorrok van blauw laken. Belcolore hief het gelaat hoog op en zei: Zoo. Die koorrok? En wat is die waard? De pastoor hernam: Wat hij waard is? Weet, dat die twee- of driedraadsch is en er zijn er, die gelooven vier-draadsch en het is nog geen veertien dagen geleden, dat ik bij Lotto, den uitdrager, er zeven lire voor betaalde, en ik heb hem goedkoop gekregen, naar wat Buglietto mij zeide, en gij weet, dat die verstand heeft van die blauwe lakenstoffen. Ah zoo, zei Belcolore, God helpe mij; ik zou het nooit geloofd hebben, maar geef hem mij maar. Mijnheer de priester, die den boog gespannen had, trok het koorkleed uit, gaf het haar en zij, na het te hebben onderzocht, zeide: Sere, laat ons in de schuur gaan, want daar komt nooit iemand. En hier verheugde zich de priester een heelen tijd, terwijl hij haar de zoetste kussen van de wereld gaf en haar familielid van God den Heer maakte; daarna vertrok hij in zijn soutaan, alsof hij van een bruiloftsfeest ter bediening kwam en ging naar de kerk terug.

Daar bedenkend, dat al de eindjes kaars, die hij het jaar uit de aangebodenen spaarde, niet de helft van vijf lire waarde hadden, meende hij een slechte zaak te hebben gemaakt en hij had er berouw over. Hij peinsde er over, hoe hij den koorrok zonder onkosten terug zou krijgen. En daar hij slim was, dacht hij er maar al te goed over na, hoe hij zou handelen en kwam tot het volgende plan: Den volgenden dag, een feestdag, stuurde hij een jongen van een zijner buren naar Belcolore om haar steenen vijzel te leenen, daar hij saus wilde maken en ontbijten met Binguccio van den Poggio en Nuto Buglietti. Belcolore zond hem dien. Toen het uur van het ontbijt was aangebroken, riep de pastoor, die onderstelde, dat Bentivegna del Mazzo en Belcolore aten, zijn klerk en sprak tot hem: Neem dien vijzel en breng dien terug bij Belcolore en zeg, dat sere haar wel bedankt en dat gij haar het kleed terugvraagt, dat de jongen haar tot pand liet. De klerk ging naar het huis van Belcolore, en vond haar met Bentivegna aan tafel. Hij zette den vijzel op den grond en deed de boodschap. Toen Belcolore hoorde, dat het kleed werd teruggevraagd, wilde zij antwoorden, maar Bentivegna zeide met een boos gezicht: Gij vraagt dus een pand aan mijnheer de pastoor? Ik beken voor Christus, dat ik grooten lust heb je een flinke stomp onder de kin te geven; ga, haal hem zou gauw als je kunt en als hij weer iets vraagt, al was het onze ezel of iets anders mag hem niets geweigerd worden. Belcolore stond grommend op, ging naar haar linnenkist onder het bed, trok het kleed er uit, gaf het aan den klerk en sprak: Gij zult aldus namens mij tot den heer pastoor spreken: Belcolore zegt, dat zij God bidt, dat gij nooit meer met haar vijzel saus zult maken, omdat gij haar daarmee geen groote eer hebt bewezen. De klerk ging met het kleed weg en deed aan den heer pastoor de boodschap, waarop hij lachend zeide: Zeg, haar, wanneer gij haar ziet, dat als zij mij haar vijzel niet leenen zal, ik haar mijn stamper niet leen. Bentivegna geloofde, dat de vrouw die woorden sprak, omdat hij haar had bekoord en dacht er niet meer over. Maar Belcolore werd kwaad op den pastoor en sprak hem tot den wijnoogst niet meer toe. Later, toen de priester haar gedreigd had, haar in den muil van den grooten Lucifer te sturen, werd ze zeer bang en voor most en heete kastanjes, die hij haar gaf, werd zij goed met hem en deden zij elkaar nog menigmaal genoegen. En in plaats van de vijf lire liet de priester haar tamboerijn herstellen en daar een schel aanhangen en daarmee was zijn voldaan.

DERDE VERTELLING.

Calandrino, Bruno en Buffalmacco [149] dalen in de vallei der Mugnone [150] af om den Heliotroop [151] te zoeken. Calandrino meent dien gevonden te hebben en gaat met steenen beladen naar huis. Zijn vrouw scheldt hem uit en hij, toornig geworden, slaat haar en vertelt aan zijn metgezellen, wat zij beter weten dan hij.

Toen de geschiedenis van Panfilo geëindigd was, lachten de donna’s, evenzeer als zij het nog doen. De koningin droeg Elisa op, dat die zou volgen, welke lachend begon: Bekoorlijke donna’s. Ik zal mijn best doen u een kleine vertelling te verhalen even waar als aardig en die u evenzoo kan doen lachen als Panfilo door de zijne.

In onze stad, die altijd van verschillende gewoonten en van zonderlinge lieden vol is geweest, leefde niet lang geleden een schilder, Calandrino, een onnoozel en vreemd man, die meestentijds met twee andere schilders omging: Bruno en Buffalmacco, een paar vroolijke lieden, uitgeslapen en slim, die met Calandrino omgingen, omdat zij van zijn onnoozelheid vaak groot plezier hadden. Gelijktijdig leefde er in Florence een jonkman van wonderbare beminnelijkheid, snaaksch en voorkomend, Maso del Saggio; deze hoorde van de onnoozelheid van Calandrino en wilde zich genoegen verschaffen door hem een poets te bakken of iets zonderlings te doen gelooven. Daar hij hem toevallig in de kerk van San Giovanni vond en hem aandachtig zag kijken naar de schilderijen en het houtsnijwerk van het sacraments-huisje, dat boven het altaar van die kerk staat en dat er niet lang geleden geplaatst werd, dacht hij, dat het nu tijd was voor zijn plan en na een metgezel te hebben ingelicht, wat hij doen wilde, naderden zij Calandrino, die alleen zat, en deden of zij hem niet zagen. Zij begonnen met elkaar te spreken over de kracht van verschillende steenen, van welke Maso zoo stellig sprak of hij een groot juwelier was. Calandrino leende aan deze praatjes het oor. Hij stond kort daarna op en merkte, dat het geen geheim was en voegde zich bij hen, wat Maso zeer beviel. Deze zette zijn gesprek voort en Calandrino vroeg, waar die krachtdadige steenen gevonden werden. Maso antwoordde, dat men de meesten vond in Berlinzone, een stad der Basken in een streek, die Bengodi heette, waar men de wijnstokken met saucijzen opbond en men een gans voor geld krijgt en het mandje er van voor niets op den koop toe en daar was een berg geheel van geraspte parmezaansche kaas, waarop menschen staan, die niets anders deden dan maccaroni en reepjes deeg bakken in kippensaus en ze dan naar beneden werpen en die er het meest van nam, had er ook het meest van. Daar dichtbij liep een kleine beek van den besten witten wijn, die men ooit drinkt, zonder dat er ooit een druppel water in kwam. O, zeide Calandrino, dat is een goed land, maar zeg mij, wat doet men met de kapoenen, die zij braden? Maso antwoordde: De Basken eten die allen op. Toen sprak Calandrino: Waart gij daar ooit? Hierop antwoordde Maso: Ik ben er meer dan duizend maal geweest. Toen antwoordde Calandrino: En hoeveel mijlen is het ver? Maso hernam: Het is meer dan zooveel mijlen loopen, als een heele nacht door zingen duurt. Calandrino voegde er bij: Dat moet dan verder zijn dan de Abruzzen. Jawel, zeide Maso, het is iets verder.

De onnoozele Calandrino, die Maso deze woorden hoorde zeggen met een uitgestreken gezicht, had er vertrouwen in, hield het voor een feit en zeide: Het is voor mij te ver weg, maar als het dichter bij was, zou ik er eens met U willen heengaan alleen om die maccaroni er te zien afvallen en mij een roes te drinken. Maar vertel mij, opdat God U zegene, vindt men in die streken geen van die steenen van groote kracht? Hierop antwoordde Maso: Ja, men vindt er twee soorten steenen; de eenen zijn de steenen van Settignano en van Montisci [152], door welke, wanneer er molensteenen van gemaakt worden, het meel wordt bereid en daarom zegt men in die landen, dat van God de genadebewijzen komen en van Montisci de molensteenen, maar er zijn er daar zooveel, dat zij bij ons even weinig waard zijn als bij hun de smaragden, want daarvan zijn er grooter bergen dan de Morello, die te middernacht schitteren. En weet, dat, wie de molensteenen zou laten polijsten en in ringen zou laten zetten, vóór zij doorboord worden, en ze naar den Sultan brengt, er voor zou krijgen, wat hij verlangde.

De andere is een steen, welke wij, juweliers, Heliotroop noemen, van zeer groote kracht, omdat wie hem bij zich draagt, door niemand gezien wordt. Toen sprak Calandrino: Dat zijn groote krachten, maar waar vindt men dien tweede? Hierop antwoordde Maso, dat men die in de Mugnone vond. Calandrino vroeg: Hoe groot is die steen! En welke kleur heeft hij? Maso antwoordde: Zij is van verschillende grootte en bijna zwart. Calandrino, die al die dingen in zich had opgenomen, deed, alsof hij iets had te verrichten, verliet Maso en besloot die steensoort te gaan zoeken, maar hij nam zich voor het niet te doen, zonder dat Bruno en Buffalmacco het wisten, van wien hij bijzonder veel hield. Hij ging ze zonder verwijl zoeken en besteedde het verdere deel van den morgen om ze te vinden. Toen het uur van den noen al voorbij was, herinnerde hij zich, dat zij werkten in het vrouwenklooster van Faënza en hoewel het zeer warm was, liet hij zijn zaken in den steek, ging naar hen toe en zeide tot hen: Vrienden, wanneer gij mij gelooft, kunnen wij de rijkste mannen van Florence worden, daar ik van een betrouwbaar man gehoord heb, dat er in de Mugnone een steen is, welke dengeen, die deze draagt, onzichtbaar maakt. Daarom zou het mij goed lijken, dat wij, vóór iemand anders er heengaat, er ons heen begeven om te zoeken. Wij zullen dien zeker vinden, daar ik dien ken en als wij dien gevonden hebben, wat zullen wij dan anders hoeven te doen dan dien in onze beurs te steken en naar de tafels der wisselagenten te gaan, welke altijd vol zijn van grossen en florijnen? En dan zullen wij er van nemen, zooveel wij willen. Niemand zal ons zien en wij zullen ons verrijken zonder den ganschen dag de muren te moeten bekladden gelijk de slakken doen. Toen Bruno en Buffalmacco hem hoorden, begonnen zij te glimlachen en deden, of zij zeer verbaasd waren en prezen den raad van Calandrino, maar Buffalmacco vroeg, welken naam die steen had. Calandrino, die weinig hersens had, was de naam ontschoten. Daarom antwoordde hij: Wat hebben we met dien naam te maken, als wij de kracht er van kennen? Laten wij hem dadelijk gaan zoeken. Welnu, zeide Bruno, hoe ziet hij er uit? Calandrino antwoordde: Zij zijn van elken vorm, maar allen zijn haast zwart. Wij hebben dus op allen te letten, die zwart zijn. Laat ons daarom geen tijd verliezen. Hierop zeide Bruno tot Buffalmacco gewend: Hetgeen Calandrino zegt, is goed, maar het is nu het uur niet, daar de zon hoog is en recht op de Mugnone valt en het net is of de steenen verkalkt zijn en wit schijnen. Nochtans voor de zon ze gedroogd heeft zijn ze zwart. En nu zijn er ook vele lieden, daar het heden werkdag is, naar de Mugnone, die ons daar ziende zouden raden, wat wij gingen doen; wellicht zou de steen hun in handen komen en wij zouden den draf door den galop verloren hebben. Dus is het beter morgen te gaan, omdat men dan beter de kleur kan onderscheiden; ook is het dan feestdag en niemand zal er zijn. Buffalmacco prees den raad van Bruno en Calandrino vereenigde zich er mee en zij stelden vast, dat zij den volgenden zondagmorgen alle drie zouden gaan zoeken. Calandrino verzocht hen beslist er niemand over te spreken. Toen zij zeiden dit te doen, vertelde hij hun, wat hij gehoord had van de streek van Bengodi en bevestigde met eeden, dat dit zoo was. Toen Calandrino ze verlaten had, spraken die twee onder elkaar af, wat ze zouden doen.

Toen de morgen aanbrak, stond Calandrino bij het krieken van den dag op en na de metgezellen te hebben gewekt, gingen zij door de San Gallo-poort, daalden naar den Mugnone af en gingen steenen zoeken. Calandrino ging als de ijverigste voorop en sprong haastig overal, waar hij een zwarten steen zag, raapte hem gretig op en bewaarde dien op zijn borst. De metgezellen volgden en raapten er af en toe ook een op. Calandrino was niet ver gegaan of hij had er de borst vol van, toen hief hij de slippen van zijn rok op, die niet aan het lichaam gesloten was en maakte daarvan een wijden zak door ze over zijn leeren gordel te slaan, vulde die en evenzoo na van zijn mantel een zak te hebben gemaakt, vulde hij dien ook. Buffalmacco en Bruno zagen, dat Calandrino geheel beladen was en toen het etensuur naderde, zeide Bruno tot Buffalmacco: Waar is Calandrino? Buffalmacco, die hem dichtbij zag, keerde zich om en antwoordde dan hier, dan daar kijkend: Ik weet het niet, maar zooeven toch was hij nog voor ons. Bruno zeide: het doet er weinig toe; het schijnt, dat hij naar huis is gegaan om te eten en ons tot de dwaasheid heeft gebracht zwarte steenen in den Mugnone te gaan zoeken. Kijk, hoe goed hij dit heeft klaar gespeeld, zei toen Buffalmacco, ons bedriegt en hier achterlaat, die zoo dwaas waren hem te gelooven. Kijk! Wie anders zou dwaas genoeg zijn geweest te gelooven, dat in de Mugnone een steen van die kracht wordt gevonden? Calandrino, die deze woorden hoorde, verbeeldde zich, dat de steen hem in handen gekomen was en dat zij door haar werking hem niet zagen. Ten zeerste verheugd over dit geluk, nam hij zich voor zonder iets te zeggen naar huis te gaan en begaf zich op weg. Toen Buffalmacco dit zag, zeide hij tot Bruno: Waarom zullen wij niet heengaan? Bruno antwoordde: Ja, laat ons gaan; maar ik zweer, dat Calandrino het ons niet meer zal leveren; en als ik dicht bij hem was als den heelen morgen, zou ik hem zooveel van die steenen tegen zijn hielen gooien, dat hij misschien wel een maand aan die grap zou denken. Het mikken en raken tegen den hiel van Calandrino was nu het werk van een oogenblik.