Chapter 48
De jongelieden geloofden dit en deden gelijk de donna hun gezegd had. Daarop vroeg zij eens aan Nicostratus: Hebt gij gemerkt, hoe de jongens doen, wanneer zij u bedienen? Nicostratus zeide: Wel zeker, ik heb ze zelfs willen vragen, waarom zij dit deden. Hierop antwoordde de donna: Doe het niet; ik zal het u zeggen; een geheelen tijd heb ik gezwegen om u niet onaangenaam te zijn, maar daar anderen dan ik het bemerken, kan ik het niet meer verbergen. Gij ruikt erg uit uw mond; ik weet niet, wat er de oorzaak van is, daar dit vroeger niet zoo was en daar gij met edellieden moet omgaan, moet men dit verhelpen. Toen antwoordde Nicostratus: Wat zou dat kunnen zijn! Zou ik een aangestoken tand hebben? Lydia hernam: Misschien wel. Zij leidde hem naar een venster, liet hem den mond openen en nadat zij dien bekeken had, riep zij: O Nicostratus, hoe kunt gij dat verduurd hebben? Gij hebt er daar een, die, naar het mij schijnt, niet alleen bedorven is, maar geheel stuk en u zeker allen zal doen rotten aan dien kant; daarom zou ik u raden hem te trekken. Toen sprak Nicostratus: Als het u zoo voorkomt, stuur dan zonder uitstel naar een tandarts. De donna ging verder: Dat het God niet behage, dat hiervoor een tandmeester komt; zonder dokter kan ik hem best er uit krijgen. En de tandmeesters zijn zoo wreed, dat mijn hart niet zou dulden u in handen van zoo iemand te zien. Daarom wil ik het zelf doen; en als het u te veel pijn doet, zal ik u dadelijk loslaten, maar zoo’n tandarts niet. Zij liet daarom de tang komen en nadat zij allen uit de kamer had weggestuurd, hield zij alleen Lusca bij zich. Zij sloot de deur, liet Nicostratus zich uitstrekken op een zetel en na een van zijn tanden te hebben gepakt, trok zij dien, hoewel hij van pijn hard schreeuwde, er uit. Nadat die terzijde was gelegd en Lydia een andere in de hand had genomen, die door en door verrot was, toonden zij hem, die half dood was van pijn, dezen en zeiden: Kijk, dien gij in den mond hadt, zag er al zóó uit. Hij geloofde het en hoewel hij hevige pijn had doorstaan en er zeer over klaagde, scheen hij toch, nu die er uit was, genezen en getroost ging hij de kamer uit.
De donna zond de tand dadelijk aan haar minnaar; deze zeker van haar liefde bood zich aan tot elk genoegen van haar bereid. De donna, die hem nog zekerder van haar liefde wilde maken en wien het nog duizend uren scheen te duren, eer zij met hem zou zijn, wilde woord houden. Zij deed of zij ziek was en nadat Nicostratus haar op een dag na den eten was komen bezoeken en hij niemand anders bij haar zag dan Pyrrhus, vroeg zij hem ter verlichting van haar lijden, dat zij haar zouden helpen om in den tuin te gaan. Nicostratus nam haar aan de eene en Pyrrhus haar aan de andere zijde en plaatste haar in een veld aan den voet van een schoonen perenboom. Toen zij daar zat, zeide de donna, die aan Pyrrhus al had laten weten, wat hij moest doen: Pyrrhus, ik heb grooten lust in een paar van die peren—klim er daarom in en gooi er eenige naar beneden en terwijl hij dit deed, riep hij uit den boom: Hé, messire, wat doet gij daar? En gij, mevrouw, schaamt gij u niet? Gelooft gij, dat ik blind ben? Gij waart toch zooeven zeer ziek! Hoe zijt gij zoo spoedig genezen, dat gij dit doet! Als gij toch die dingen doen wilt, waarom gaat gij dan niet naar uw mooie kamers, wat fatsoenlijker is dan in mijn bijzijn? De donna tot haar echtgenoot gewend, sprak: Wat zegt Pyrrhus? Is hij gek? Pyrrhys sprak: Ik ben niet gek, madonna; gelooft gij, dat ik niet zie? Nicostratus was zeer verwonderd en zeide: Pyrrhus, ik geloof heusch, dat gij droomt. Pyrrhus antwoordde: Mijnheer, ik droom in ’t geheel niet en gij evenmin; gij beweegt u zóó, dat, als die perenboom het zou doen, er geen peer aan zou blijven zitten. Toen sprak de donna: Zou het waar kunnen zijn, wat hij beweert te zien? Dat Zeus mij behoede; indien ik gezond was als te voren, zou ik in dien boom klimmen om te kijken, wat de wonderlijke dingen zijn, die hij beweert te aanschouwen. Pyrrhus nog steeds in den perenboom ging door met dezelfde praatjes. Toen zeide Nicostratus: Kom er uit. Daarop zei hij tot hem: Wat zegt gij te hebben gezien? Pyrrhus zeide: Ik geloof, dat gij mij voor gek of begoocheld houdt; ik zag U op Uw vrouw liggen en toen ik omlaag kwam, zag ik U opstaan en gaan zitten zooals nu. Nicostratus sprak: Dan waart gij zeker waanzinnig, want wij hebben, terwijl gij in den perenboom waart, gezeten, zooals gij het nu ziet. Hierop antwoordde Pyrrhus: Waarom zullen wij er over twisten? Indien ik U gezien heb, waart gij toch op Uw eigen erf. Nicostratus verwonderde zich steeds meer, zoodat hij zeide: Ik wil ook wel eens zien of die perenboom betooverd is en of hij, die er op is, die wonderen aanschouwt. Toen hij er in geklommen was, begonnnen zij elkaar te liefkoozen en Nicostratus dit gewaar wordend, schreeuwde: Ah, slechte vrouw, wat doet gij daar? En gij, Pyrrhus, dien ik het meest vertrouwde? En bij die woorden klom hij uit den perenboom. De donna en Pyrrhus zeiden: Laten wij hier gaan zitten; en toen zij hem er uit zagen komen, gingen zij weer zitten, zooals hij ze verlaten had. Toen Nicostratus beneden was en hen zag, die hij had achter gelaten, begon hij hen te schelden. Pyrrhus antwoordde: Nicostratus, nu beken ik werkelijk, dat ik, gelijk ik zooeven zeide, verkeerd heb gezien, toen ik in den perenboom zat, want ik weet nu, dat gij verkeerd hebt gezien. Dat ik de waarheid zeg, toont U, als gij nadenkt, op welke wijze Uw vrouw, die de eerbaarste en de verstandigste van allen is, zich er zeker voor in acht zou nemen dit voor Uw oogen te doen en ik liet mij toch liever villen dan dat ik er aan zou denken zoo in Uw bijzijn te handelen. Dat gezichtsbedrog moet zeker uit dien boom voortkomen; daarom zou niemand mij hebben doen gelooven, dat gij U met Uw vrouw vleeschelijk genoegen zoudt hebben verschaft, als ik het U niet had hooren zeggen en dat het U zoo scheen, alsof ik het deed.
Hierop stond de donna, die zich zeer kwaad voordeed, op en zeide: Verwenscht zij het uur, waarop gij het er voor houdt, dat ik mij zou overgeven aan zulke treurige dingen, als gij zegt te hebhen gezien. Wees er zeker van, dat, als ik zoo iets wilde, ik het in een van onze kamers zou doen en op zulk een wijze, dat het voor U moeilijk zou zijn het ooit te weten te komen. Nicostratus, wien het waar scheen, dat zij zich nooit voor zijn oogen tot zoo iets lieten voeren, sprak niet meer, staakte de verwijten en begon over het wonder te spreken. Maar de donna, die zich over Nicostratus’ meening boos toonde, sprak: Deze perenboom zal nooit meer aan mij, noch aan een andere donna zulk een schande doen; daarom, Pyrrhus, haal een bijl en wreek tegelijk U en mij door hem om te kappen, hoewel het mij beter schijnt daarmee op het hoofd van mijn man te slaan, die zonder nadenken zoo spoedig het verstand door de oogen liet verblinden; want hoewel het zoo scheen, moest gij toch door het oordeel van Uw geest begrijpen, dat het niet zoo was. Pyrrhus haalde haastig de bijl en hakte den perenboom om; toen de donna dien zag vallen, zeide zij tot Nicostratus: Nu ik den vijand van mijn eer geveld zie, is mijn toorn verdwenen en zij vergaf den smeekenden Nicostratus welwillend en drukte hem op het hart, dat hij niet meer zou verdenken haar, die hem meer dan zichzelf liefhad. Zoo keerde de misleide echtgenoot met haar en haar minnaar terug naar zijn woning en sedert verschaften Pyrrhus met Lydia en zij met hem zich verscheidene malen met meer gemak genoegen en vermaak. God geve er van aan ons.
TIENDE VERTELLING.
Twee Sieneezen beminnen een dame, een petemoei van een hunner. De peetvader sterft, komt volgens de hem gedane belofte zijn vriend opzoeken en vertelt hem, hoe het er uitziet in de andere wereld.
Alleen de koning moest nog vertelllen, welke, toen hij de donna’s zeer treurig zag over den val van den perenboom, die het niet helpen kon, begon: Het is zeer duidelijk, dat elk rechtvaardig koning de eerste dienaar der wetten moet zijn door hem gemaakt en als hij anders handelt, moet men hem beschouwen als een lijfeigene, waardig om gestraft te worden. Het is waar, dat ik gisteren de wet stellend voor onze verhalen van heden, niet de bedoeling had van mijn voorrecht gebruik te maken en niet over het onderwerp te spreken, hetgeen gij allen behandelde. Niet alleen is er verteld, waarover ik zelf had willen spreken, maar er is zooveel schoons gezegd, dat, hoe ik ook zoek, mij er geen invalt, dat ik in verband met dit onderwerp met dit verhaalde zou kunnen vergelijken en daar ik dus moet zondigen tegen mijn wetten en strafbaar ben, verklaar ik mij bereid tot elke boete. De geschiedenis door Elisa verteld van den peetvader en peetmoeder en de dwaasheid der Sieneezen hebben zooveel kracht, zeer geliefde donna’s, dat ik, daargelaten de grappen door slimme vrouwen met hun echtgenooten uitgehaald, er toe gedreven word u een geschiedenis te vertellen, die, hoewel er veel ongeloofelijks in voorkomt, toch aardig is.
Er leefden dan in Siena twee jongelieden uit het volk, waarvan de een Tingoccio Mini en de ander Meuccio di Tura heette. Zij woonden bij de Salaja-poort, gingen altijd samen en waren zeer bevriend. Zij gingen veel naar de kerken en de preeken en hadden meermalen gehoord van hen, die stierven en van de glorie en van de ellende der ziel hiernamaals. Omdat zij daaromtrent zekerheid verlangden, beloofden zij elkaar, dat wie het eerst van hen dood zou gaan, zoo hij kon, zou terugkeeren en nieuws zou vertellen aan hem, die overbleef, en dit bevestigden zij met een eed. Het gebeurde eens, dat Tingoccio peet werd van zekeren Ambruogio Anselmini te Campi Reggi, welke van zijn vrouw, monna Mila een zoon had gekregen. Deze Tingoccio bezocht eens met Meuccio zijn peettante, die een zeer schoone en begeerlijke donna was. Niettegenstaande het peetschap werd hij op haar verliefd en insgelijks Meuccio, dien zij ook zeer beviel en die haar door Tingoccio zeer had hooren prijzen. De een verborg die liefde voor den ander maar niet om dezelfde reden. Tingoccio waakte er voor die aan Meuccio toe te vertrouwen, daar het hem scheen de peettante lief te hebben en hij zou zich geschaamd hebben, als iemand het had geweten. Meuccio nam zich er voor in acht, maar omdat hij gewaar werd, dat zij Tingoccio behoorde. Daarom zeide hij: Als ik dit openbaar, zal hij jaloersch op mij worden en daar hij recht van spreken heeft, zal hij mij zoo hatelijk mogelijk maken en zoo zal ik nooit kans hebben haar te behagen. Nu gebeurde het, dat Tingoccio, wien het het gemakkelijkst viel zijn verlangen aan de donna te bekennen, zoo te werk ging, dat hij van haar genoegen had, hetgeen Meuccio merkte. En hoezeer het hem mishaagde, toch in de hoop eens het doel van zijn begeerte te bereiken, opdat Tingoccio geen aanleiding of grond had zijn plan te vernietigen, deed hij toch of hij niets bespeurde en zoo beminden de beide metgezellen de een gelukkiger dan de ander. Tingoccio vond op het erf van zijn peettante een zachten grond en bewerkte dien zóó, dat hij ziek werd en overleed. Drie dagen na zijn dood kwam hij (daar hij misschien door omstandigheden verhinderd was) volgens de gedane belofte in de kamer van Meuccio en riep hem, die stevig sliep. Meuccio ontwaakte en sprak: Wie zijt gij? Hij antwoordde: Ik ben Tingoccio, die volgens den eed u gedaan, ben teruggekeerd om U nieuws te vertellen uit de andere wereld. Meuccio schrikte een weinig, toen hij hem zag, maar toch sprak hij gerust gesteld: Gij zijt welkom, mijn broeder. En toen vroeg hij hem of hij verloren was. Tingoccio antwoordde: Verloren zijn de dingen, die niet worden weer gevonden en hoe zou ik hier kunnen zijn, als ik verloren was geraakt? O, zei Meuccio, zoo bedoel ik het niet, maar ik meen of gij onder de verdoemde zielen zijt in het wrekende vuur van de hel? Toen antwoordde Tingoccio: Zeker niet, maar ik verkeer wel wegens mijn zonden in pijn en angst. Meuccio vroeg in bijzonderheden aan Tingoccio welke straf zij voor elke zonde kregen. Tingoccio meldde die allen. Meuccio vroeg hem of hij iets voor hem doen kon. Toen antwoordde Tingoccio: Zeker, door missen voor mij te laten lezen, gebeden te doen en aalmoezen te geven, omdat die de menschen daar veel hielpen. Meuccio zeide, dat hij dat graag wilde en toen Tingoccio van hem heen ging, dacht Meuccio aan de peettante; Nadat hij het hoofd een weinig had opgeheven, zeide hij: Nu herinner ik het mij, o Tingoccio: welke straf hebt ge daar gekregen voor de peettante, met welke gij, toen gij hier waart, geslapen hebt. Tingoccio antwoordde: Mijn broeder, toen ik daar aankwam, was er iemand, die mijn zonden uit het hoofd scheen te weten en mij beval op een plaats te gaan, waar ik in de grootste smart mijn schulden zou beweenen; daar vond ik vele metgezellen tot dezelfde straf als ik veroordeeld. Ik herinnerde mij, wat ik vroeger gedaan had met de peettante en verwachtte, dat mij groote straf zou opgelegd worden, en rilde geheel van schrik, hoewel ik in een zeer fel vuur was. Toen degene, die naast mij was, dat merkte, zeide hij: Wat hebt gij meer gedaan dan de anderen; gij huivert in het vuur staande? O, zeide ik, mijn vriend, ik ben zeer bang voor het vonnis, door een groote zonde, die ik bedreef. Hij vroeg mij, welke zonde dat was. Ik zeide tot hem: Die zonde was, dat ik met een peettante sliep en ik heb dit zoo vaak gedaan, dat ik er de huid bij liet. En hij zeide spottend: Ga, dwaas, wees niet bang, want hier houdt men geen rekening met peettantes. Toen ik dit hoorde, stelde ik mij weer gerust. Toen de dag naderde, sprak hij: Meuccio, handel met God, want ik kan niet langer bij U blijven; en hij ging heen. Meuccio, die gehoord had, dat men daar beneden met peettantes geen rekening hield, begon met zijn dwaasheid te spotten, omdat hij er al velen ontzien had en werd nu verstandiger. En als frate Rinaldo dat had geweten, had hij niet zooveel praatjes hoeven te verkoopen, toen hij zijn goede peettante tot zijn genoegen overhaalde.
Zephir had zich al verheven, toen de zon het punt van ondergang naderde en de koning zijn verhaal geëindigd had. Hij hief zich den krans van het hoofd, plaatste die op het hoofd van Lauretta en sprak: Madonna, ik kroon U met Uw eigen naam: de Gelauwerde, als koningin van dit gezelschap en wat gij voortaan meent voor allen een genoegen en troost te zijn, zult gij bevelen als heerscheresse. En hij ging zitten. Lauretta, koningin geworden, liet den hofmeester roepen, aan wien zij gelastte, dat hij de tafels in de bekoorlijke vallei wat vroeger dan gewoonlijk liet plaatsen, opdat zij daarna op hun gemak naar hun verblijf zouden kunnen terugkeeren. Daarna zich wendend tot haar gezelschap sprak zij: Dioneo wilde gisteren, dat men heden zou spreken over de poetsen door donna’s gebakken aan hun echtgenooten en indien het niet was, dat ik mij niet van het soort van den bastaardmopshond wil toonen, die zich dadelijk wil wreken, zou ik U zeggen, dat men heden moet spreken van de streken, die mannen jegens hun vrouwen uithalen. Maar, dat daargelaten, zeg ik, dat elk er aan moet denken er van te verhalen, welke bedriegerijen, gewoonlijk of de vrouw jegens den man, of de man jegens de vrouw of de eene jegens den ander pleegt en ik geloof, dat het hierom niet minder aangenaam zal zijn, dan het vandaag was en bij die woorden stond zij op en gaf het gezelschap tot aan het uur van het avondmaal vrijaf. De donna’s en de heeren stonden dus tegelijk op, van welke eenigen ontschoeid door het heldere water gingen loopen en anderen zich onder de schoone en rijzige boomen op de groene weide begaven tot ontspanning. Dioneo en Fiammetta zongen langen tijd te samen van Arcita en Palemone en aldus brachten zij den tijd tot het uur van het avondmaal door met het smaken van verschillende genoegens. Toen dit was aangebroken en zij zich bij het meertje aan den disch hadden geplaatst, aten zij bij het gezang van duizend vogels verheugd en steeds verfrischt door een zachten wind, die van de omringende heuvels kwam zonder eenigen last van de muggen te hebben. En toen de tafels waren opgenomen en zij een kleinen ommegang hadden gemaakt door de bekoorlijke vallei, sloegen zij, toen de zon nog hoog stond in het midden van den vespertijd, zooals het de koningin behaagde, naar hun gewoon verblijf den weg in met langzamen tred en schertsend en gekscherend over duizend dingen zoowel over die, waarover dien dag was gesproken als over anderen, bereikten zij omstreeks den nacht het schoone verblijf. Daar verjoegen zij met zeer versche wijnen en met meelspijzen de vermoeienissen van den kleinen tocht en begonnen rondom de schoone fontein te dansen, dan eens op de maat van den doedelzak van Tindaro en dan weer bij die der andere instrumenten. Maar ten slotte beval de koningin, dat Filomena een lied zou zingen, die aldus begon:
Zie, hoe ongelukkig is mijn leven! Zal het ooit zijn, dat ik kan terugkeeren, In den toestand, waaruit mij het trieste afscheid voerde?
Zeker ik weet het niet, zoo groot is het vurig verlangen, Dat ik in de borst draag, Mij terug te vinden in den staat, waarin ik vroeger was. O mijn geliefde, o mijn eenige rust, Die mij het hart benauwt: Ach, zeg het mij, want anderen vragen Durf ik het niet, en ik weet niet aan wien. Helaas, mijn heer, helaas: laat het mij hopen, Opdat ik mijn verrukte ziel sterken zal.
Ik kan niet herhalen, hoe het genoegen was, Dat mij zoo heeft ontvlamd, Want dag noch nacht vond ik rust, Omdat het gehoor, het gevoel, het gezicht Met ongewone kracht Elk voor zich mij met nieuw vuur ontgloeide, Waar ik geheel in verzeng; En geen ander dan gij kunt mij sterken Of mij de verdwenen moed hergeven.
Ach, zeg mij of het zoo moet zijn en wanneer het geschiedt, Dat ik U ooit vinden zal, Dat ik die oogen kus, die mij deden smachten van verlangen. Zeg het mij, mijn zoetelief, mijn ziel, Wanneer gij hier zult komen, En bemoedig mij door het spoedig mij te zeggen. Het verbeiden dure kort, Totdat gij komen zult, en het blijven lang, Opdat ik minder treur, daar Amor mij heeft gewond.
Als het gebeurt, dat ik U ooit zal bezitten, Weet ik niet of ik zoo dwaas zal zijn, Gelijk ik was, toen ik U liet heengaan; Ik zal U houden, wat er ook van kome. En aan Uw zoeten mond Zal ik mijn verlangen voldoen.
Ik wil er thans niets meer van zeggen. Kom dan spoedig, kom mij omhelzen Daar toch de gedachte van den zang mij er toe drijft.
Dit lied deed het geheele gezelschap denken, dat een nieuw en bekoorlijke liefde Filomena benarde en omdat het door de woorden scheen, dat zij meer was gewaar worden dan alleen den aanblik van haar minnaar, hield men haar voor gelukkiger, zoodat er van het gezelschap jaloersch op haar waren. Maar toen het lied was geëindigd en de koningin zich herinnerde, dat de volgende dag een Vrijdag was, zeide zij bekoorlijk tot allen: Gij weet, edele donna’s en gij jongelieden, dat het morgen den dag is gewijd aan het Lijden onzes Heeren en dat wij dien, als ik mij wel herinner, vroom vierden, toen Neifile koningin was, door onze vroolijke vertellingen te staken en hetzelfde zullen wij den nu volgenden rustdag doen. Daar ik het goede voorbeeld van Neifile volgen wil, meen ik, dat het een passende zaak is, dat wij morgen en overmorgen, gelijk wij het vroeger hebben gedaan, ons er van onthouden geschiedenissen te vertellen en dat wij ons herinneren tot heil van onze zielen, wat eertijds in die dagen gebeurde. De vrome taal der koningin beviel aan allen en na hun vrijaf te hebben gegeven, begaven zich allen ter ruste.
ACHTSTE DAG.
De zevende dag van de Decamerone eindigt; de achtste vangt aan. Onder het bewind van Lauretta spreekt men van de streken, welke de vrouw met den man of de man met de vrouw of de eene man met den anderen uithaalt.
Reeds verschenen op den Zondagochtend boven den top der hoogste bergen de stralen van het stijgende licht en verdween iedere schaduw en herkende men duidelijk alle bergen, toen de koningin en haar gezelschap opgestaan door het met dauw bedekte gras liepen. Omstreeks het midden van het derde uur bezochten zij een naburig kerkje, waarin zij bij den heiligen dienst toehoorden. Terug gekeerd zongen en dansten zij een wijle na met genoegen en vreugde ontbeten te hebben en daarna met verlof van de koningin kon, wie het wilde, ter ruste gaan. Toen de zon den cirkel van den meridiaan reeds was doorgetogen, gingen zij allen, gelijk het de koningin behaagde, volgens het gebruik om te vertellen zitten bij den schoonen fontein en op haar bevel begon Neifile aldus:
EERSTE VERTELLING.
Gulfardo vraagt van Guasparruolo geld te leen en geeft dit aan zijn vrouw, die hem toestond met haar te slapen. In haar bijzijn zegt hij tot Guasparruolo, dat hij het haar terugbetaalde.
Indien God het aldus heeft beschikt, dat ik vandaag met mijn vertelling aanvang, behaagt dit ook mij. En verliefde donna’s, daar er tot nu toe veel gezegd is van de streken, die vrouwen met mannen hebben uitgehaald, heb ik lust u er een te vertellen, niet met de bedoeling den man te laken of om te zeggen, dat het voor die vrouw niet goed was, maar om den man te prijzen en de vrouw te laken en aan te toonen, dat ook de mannen, wie hen vertrouwt, weten voor den gek te houden, evenals zij door de vrouwen, die zij gelooven, worden misleid. Het zou goed zijn voor wie het duidelijker wil uitdrukken, het geen grap te noemen maar verdiende loon, omdat men, waar de vrouw zeer eerbaar moet zijn en haar reinheid evenals haar leven moet bewaren, geen reden heeft haar te misleiden. En dit kan zoo nooit geheel, gelijk men zal toegeven door onze zwakheid zijn. Ik beweer, dat zij het vuur waard is, die zich hiertoe voor geld verkoopt, terwijl zij, die door liefde hiertoe komt—ik ken de zeer groote krachten daarvan—van een niet al te streng rechter vergiffenis verdient gelijk een paar dagen geleden Filostrato toonde, dat men gedaan had met madonna Filippa in Prato.
Er leefde dan vroeger in Milaan een duitsch soldaat, Gulfardo (Wolfaard), een dappere kerel en zeer trouw, wat weinig bij de Duitschers voorkomt en leende men hem geld, dan gaf hij dit eerlijk terug, en hij kon genoeg kooplieden vinden, die hem voor een kleinen interest zooveel leenden, als hij wilde. Hij richtte in Milaan verblijf houdend zijn liefde op een zeer schoone vrouw, madonna Ambruogia, de echtgenoote van een zeer rijken koopman, Guasparruolo Cagastraccio, die met hem zeer bevriend was en daar hij in stilte beminde, vroeg hij haar, zonder dat iemand het bemerkte een dag te spreken en smeekte haar, dat het haar zou behagen zijn liefde te beantwoorden en dat hij van zijn kant bereid was alles te doen, wat zij zou bevelen. De donna na lang praten besloot te doen, wat Gulfardo wilde, als daaruit twee dingen zouden volgen: ten eerste, dat hij het nooit aan iemand zou openbaren; ten tweede, dat hij rijk, haar tweehonderd goudguldens zou geven, die zij voor iets noodig had en dat zij hem daarna altijd van dienst zou zijn. Gulfardo, die dit hoorde, veranderde verontwaardigd door haar laagheid zijn liefde voor haar, die hij voor een waardige donna hield, in haat. Hij peinsde er over haar te bedriegen en deed alsof hij zeer gaarne een en ander voor haar wilde doen om haar te behagen en liet haar vragen, wanneer zij wilde, dat hij bij haar kwam om het geld te brengen en zei, dat nooit iemand het zou merken, behalve een metgezel, waarop hij zeer vertrouwde en in alles zijn deelgenoot. De slechte donna was tevreden en liet hem weten, dat Guasparruolo, haar man, voor zijn zaken binnen eenige dagen naar Genua moest en dat zij hem dit nader zou mededeelen. Toen het hem tijd scheen, ging Gulfardo naar Guasparruolo en zeide hem: Ik heb tweehonderd goudguldens noodig, welke ik gaarne wil leenen tegen rente. Guasparruolo zeide, dat hij dit gaarne wilde doen en gaf hem het geld.