De Decamerone van Boccaccio

Chapter 47

Chapter 474,225 wordsPublic domain

Het scheen aan allen, dat madonna Beatrice zonderling arglistig geweest was bij het misleiden van haar echtgenoot en ieder beweerde, dat de angst van Anichino zeer groot moest geweest zijn. De koning keerde zich tot Neifile en zei: Spreekt gij nu. Deze een weinig glimlachend begon: Schoone donna’s. Het is lastig U een fraaier vertelling te doen dan die, welke U tot heden hebben bevredigd, maar met Gods hulp hoop ik mij er wel door te slaan.

In onze stad leefde vroeger een zeer rijk koopman Arriguccio Berlinghieri, die dwaas, gelijk kooplieden zijn, dacht zich door een huwelijk in den adelstand te verheffen, met een jonge edelvrouw trouwde, welke slecht bij hem paste en monna Sismonda heette. Deze, daar hij zooals kooplieden gewoon zijn, veel naar buiten ging en weinig bij haar was, werd verliefd op een jonkman Ruberto genaamd, die haar lang had begeerd. Zij sloot vriendschap met hem; dit verheugde hem en alles ging minder in stilte en daarvan was het gevolg, dat Arriguccio er iets van merkte, het reizen staakte, de ijverzuchtigste man ter wereld werd en er zich aan wijdde haar goed te bewaken. Hij sliep nooit, als hij haar niet het eerst naar bed had zien gaan. Hierdoor gevoelde de donna zeer hevige smart, daar zij op die wijze niets aan Ruberto kon hebben. Evenwel na rijp beraad kwam het in haar op aldus te handelen: De kamer was zeer ver van de straat en meermalen had zij gemerkt, dat Arriguccio moeite had in te slapen maar dan zeer sterk sliep. Zij kon Ruberto dan te middernacht aan de deur van het huis laten komen en hem open doen en eenigen tijd bij hem blijven. En om te weten, wanneer hij zou komen, legde zij een draad uit het venster van haar kamer, welke met een der uiteinden de aarde raakte en waarvan het andere einde neergelaten op den vloer en tot haar bed leidend onder de dekens zou voeren en dien zij dan aan den grooten teen van haar voet zou doen. Zij liet het aan Ruberto zeggen en gelastte hem, als hij kwam, aan den draad te trekken en zij zou dien laten schieten, als haar man sliep, en daarna de deur openen, maar als hij niet sliep, zou ze den draad vasthouden en naar zich toetrekken, opdat hij niet behoefde te wachten.

Dit beviel aan Ruberto en daar hij er dikwijls op af ging, was hij soms met haar en dan weer niet. Die handelwijze duurde voort, totdat op een nacht, dat de donna sliep, Arriguccio den voet uit het bed stekend, dien draad vond. Nadat hij de hand er op gelegd had en zag, dat die aan de teen van de donna was bevestigd, zeide hij tot zich zelf: Dat moet bedrog zijn. En toen hij merkte, dat de draad uit het venster liep, hield hij het voor zeker, en knipte dien zachtjes af, bond hem aan den zijne en bleef aandachtig afwachten. Het duurde niet lang of Ruberto kwam na aan den draad te hebben getrokken. Arriguccio werd dit gewaar en daar hij hem niet had weten te binden en Ruberto sterk trok, meende hij te moeten wachten. Arriguccio stond haastig op, nam zijn wapens mee, en liep naar de deur om te zien wie dat was. Nu was Arriguccio, hoewel koopman, dapper en sterk en toen hij de deur opende en Ruberto hem gewaar werd, vermoedde hij, dat het Arriguccio moest zijn. Daarom vluchtte hij haastig en Arriguccio volgde hem. Toen ten slotte Ruberto een heel een eind weg was en Arriguccio hem steeds naijlde en daar ook Ruberto gewapend was, trok hij den degen, keerde zich om en zij begonnen te vechten. Toen Arriguccio de kamer geopend had, werd de donna wakker, vond den draad doorgeknipt en bemerkte, dat haar bedrog ontdekt was en daar zij zag, dat Arriguccio Ruberto was nageloopen, stond zij snel op. Zij riep haar meid, die alles wist en smeekte haar zoo, dat die er in toestemde in haar plaats op het bed te gaan liggen, en bad, dat zij, zonder zich te doen kennen, die behandeling zou ondergaan, welke Arriguccio haar zou aandoen. Zij zou er haar zóó voor beloonen, dat zij zich niet zou hebben te beklagen. Nadat zij het licht had uitgedaan, dat in de kamer brandde, ging zij in een hoek van het huis verborgen afwachten, wat er zou gebeuren. De buren, die het gerucht hoorden van het gevecht tusschen Arriguccio en Ruberto, stonden op en begonnen hen te schelden, waarop Arriguccio, bevreesd herkend te worden, den jonkman liet gaan zonder te weten wie hij was en zonder hem te kwetsen en in toorn thuis kwam. In zijn kamer begon hij woedend te roepen: Waar ben je, boos wijf! Je hebt het licht uitgedaan, opdat ik je niet zal vinden, maar je hebt je vergist. Hij ging naar het bed en geloovend er de vrouw te pakken, nam hij de meid beet en zoover hij haar aan handen en voeten kon voortsleuren, gaf hij haar zooveel stompen en trappen, dat hij haar het geheele gezicht verminkte en ten slotte trok hij haar de haren uit, terwijl hij haar voortdurend de grootste scheldwoorden toevoegde. De meid weeklaagde, alsof zij werkelijk schuld had en te meer, omdat zij soms riep: Wee mij, genade om Gods wil; o houd op! En haar stem was zoo door haar geschrei veranderd en Arriguccio zoo verblind van woede, dat hij niet had kunnen zien, dat het een andere vrouw was dan de zijne. Terwijl hij haar meer dan zij verdiend had, sloeg, sprak hij: Boos wijf, ik heb geen plan je verder te straffen, maar ik zal naar Uw broeders gaan en hun je goede werken vertellen en laten die dan maar hier komen en doen wat zij denken, dat jou eer aanbrengt en je meenemen, want gij zult niet meer in dit huis blijven. Bij die woorden ging hij uit de kamer, sloot die van buiten en ging weg.

Toen monna Sismonda bemerkte, dat de echtgenoot was heengegaan, maakte zij de kamer open, stak het licht weer aan en vond de meid geheel verwond, die luid schreide. Zij troostte haar en bracht haar naar haar kamer, waar zij haar in stilte verzorgde en gaf haar zooveel geld van Arriguccio, dat zij er tevreden over was. Daarna maakte zij haar bed in orde, bracht alles weer in goeden staat, alsof er dien nacht niemand had geslapen, stak de lamp weer aan en kleedde zich weer. Nadat zij een licht had aangestoken, ging zij boven aan de trap zitten en begon zij te naaien en af te wachten. Arriguccio ging, zoo gauw hij kon, naar het huis der broeders van zijn vrouw en klopte er zoo hard aan, dat men hem open deed. Deze broeders, drie in getal en hun moeder, zagen, dat het Arriguccio was, en stonden allen op. Nadat zij lichten hadden aangestoken, gingen zij naar hem toe en vroegen hem, wat hij op dit uur en zoo alleen kwam zoeken. Arriguccio vertelde alles, wat hij had ontdekt en gedaan, en om hun volledige getuigenis te geven, stelde hij de haren, die hij de vrouw meende uitgerukt te hebben ter hand en vroeg, dat zij zouden doen, wat aan hun eer paste, omdat hij haar niet verder in huis wilde houden. De broeders van de donna waren zeer vertoornd, vertrouwden er vast op, lieten toortsen aansteken en om haar een leelijke poets te bakken gingen zij met Arriguccio op weg. De moeder volgde weenend en smeekte hen, dat zij alles niet dadelijk moesten gelooven, omdat de echtgenoot om een andere reden boos op haar kon zijn en haar kwaad kon hebben gedaan. Zij zeide ook zich te verbazen, omdat zij haar dochter wel kende, daar zij haar had opgevoed en zoo meer. Toen zij het huis van Arriguccio binnen waren gegaan, klommen zij de trappen op. Monna Sismonda zeide: Wie is daar? Waarop een der broeders antwoordde: Dat zult gij wel weten, slechte meid. Monna Sismonda hernam: Wat wilt gij daarmee zeggen? God helpe mij. En opgestaan ging zij voort: Broeders, gij zijt welkom; wat zoekt gij alle drie op dit uur?

Dezen zagen haar zitten naaien en zonder eenig teeken op het gezicht, terwijl Arriguccio had gezegd, dat zij geheel verwond was, en waren bij de ontmoeting verwonderd, bedwongen hun toorn en vroegen, waarom Arriguccio zich over haar beklaagde en bedreigden haar zeer, zoo zij niet alles vertelde. De donna sprak: Ik weet niet, wat ik daarop moet zeggen en waarom Arriguccio zich over mij beklagen moet. Arriguccio keek verbaasd, daar hij zich herinnerde, hoe hij haar geslagen had en haar nu zag, alsof er niets gebeurd was. In het kort vertelden de broeders haar, wat Arriguccio had gezegd. De donna sprak: Wee mij, man, wat hoor ik? Waarom laat gij mij doorgaan voor een slechte vrouw tot Uw groote schande en U zelf voor een slecht en wreed man? En wanneer hebt gij mij dezen nacht geslagen? Arriguccio zeide: Wat, slechte vrouw, zijn wij niet samen naar bed gegaan? Ben ik niet terug gekeerd na Uw minnaar te hebben achtervolgd? Heb ik U niet geslagen en de haren uitgetrokken? De donna antwoordde: Gij hebt hier niet geslapen. Maar dat daargelaten, want ik kan niet anders dan de waarheid zeggen, en laten wij ons houden aan wat gij zegt: Gij hebt mij nooit geslagen en allen, die hier zijn, ziet of ik er eenig teeken van op mijn lichaam heb. Maar raak mij niet aan, want bij het kruis van God ik zou het U op het gezicht teekenen. Gij hebt mij ook niet de haren uitgerukt of misschien zoo, dat ik het niet voelde. En nadat zij de sluiers van haar hoofd had opgelicht, toonde zij, dat de haren niet uitgetrokken waren. De broeders en de moeder zeiden tot Arriguccio: Wat zegt gij nu, Arriguccio? Dat is toch niet, wat gij zeide te hebben gedaan; wij weten niet, hoe gij het overige zult bewijzen. Arriguccio stond als in een droom en wilde toch spreken, maar dit alles ziende, durfde hij niets zeggen. De donna sprak: Broeders, ik zie, dat hij wegging om te maken, dat ik zou doen, wat ik nooit wilde, maar nu zal ik U zijn gebreken en boosheden vertellen. Ik geloof zeker, dat, wat hij U gezegd heeft, gebeurd is; hoor hoe: Die waardige man, aan wien gij mij te kwader uur tot vrouw hebt gegeven, wil koopman zijn en vertrouwen hebben en hij, die gematigder moet zijn dan een monnik en fatsoenlijker dan een meisje, heeft maar weinig avonden, dat hij zich niet bedrinkt in de kroegen en met slechte vrouwen omgaat en mij laat hij dikwijls tot middernacht en tot in den nacht wachten. Ik ben er zeker van, dat hij, als hij goed dronken is, met zoo’n treurig schepsel gaat slapen en bij haar opgestaan een draad aan den voet vond en daarna al die geweldenarijen verrichtte en dat hij haar geslagen heeft en de haren heeft uitgerukt en dat hij nog niet goed tot zichzelf gekomen geloofde dat mij te hebben gedaan. En als gij hem goed aanziet, is hij nog half dronken. Maar toch, wat hij ook van mij gezegd heeft, ik wil, dat gij er niet meer rekening mee houdt dan met de woorden van een dronken man en omdat ik hem vergeef, moet gij het hem ook doen.

Haar moeder, die deze woorden hoorde, schreeuwde: Bij het kruis van God, men moest deze verachtelijke en ondankbare hond dooden, want hij is een dochter als gij zijt niet waardig. Waarachtig, het zou wat anders zijn, als hij U uit de goot had opgehaald. Hij mag voortaan een slecht leven hebben, indien gij gekweld moet worden door een koopmannetje van ezelsdrek, zooals ze hier van het land komen en van lage familie, gekleed in laken van Romagna, met de kousen op de hakken, met de veer op hun achterwerk, en die, als ze drie stuivers rijk zijn, de dochters van edellieden willen hebben en voorname vrouwen, zich wapens laten schilderen en zeggen: Ik ben van die en die familie en die van mijn huis hebben dit of dat gedaan. Hadden mijn zonen mijn raad maar gevolgd, dan hadden zij U eervol kunnen doen opnemen in het huis der graven van Guidi met een bruidschat, maar zij hebben U toch aan die schoone vreugde van mijn ziel gegeven, die, hoewel gij de eerbaarste dochter van Florence zijt, zich niet geschaamd heeft te middernacht te zeggen, dat gij een lichte vrouw zijt, alsof wij U niet kennen, maar bij het geloof aan God, indien jullie naar mij geluisterd hadt, zou men hem zulk een kastijding geven, dat hij er berouw van zou hebben. En zich naar haar kinderen keerend, zeide zij: Mijn zonen, hebt gij gehoord, hoe Uw goede zwager Uw zuster behandelt? Het is een koopmannetje van vier stuiver. Neen, als ik jullie was, zou ik niet tevreden zijn, voor ik hem uit de wereld gestuurd had. En als ik een man was, zou ik mij zelf er mee belasten. Heer, straf hem, dien treurigen dronkelap, die geen schaamtegevoel heeft. Toen voegden de jongelieden Arriguccio de grootste beleediging toe, die ooit aan een slecht man gezegd was en zeiden: Wij vergeven U dit, omdat gij dronken waart, maar pas er je heele leven voor op niet meer zulke vertelsels te laten hooren, want heusch, als zoo iets ons weer ter ooren komt, zullen wij het U betalen. Bij die woorden gingen zij heen. Arriguccio, die als een dwaas achterbleef, wist zelf niet, of hij waakte of droomde en zonder er meer over te spreken, liet hij de vrouw met vrede. Deze ontkwam niet alleen met haar sluwheid het dreigend gevaar, maar baande zich den weg om de gelegenheid te hebben zich elk genoegen te verschaffen zonder eenige vrees voor haar echtgenoot.

NEGENDE VERTELLING.

Lydia, de vrouw van Nicostratus, bemint Pyrrhus. Deze om haar te gelooven, vraagt haar drie dingen, die zij alle drie doet, en behalve dat bevredigt zij zich met hem in tegewoordigheid van Nicostratus en doet hem gelooven, dat het niet waar is, wat hij gezien heeft.

De novelle van Neifile was zoo bevallen, dat de donna’s zich niet konden weerhouden te lachen en er over te spreken, hoewel de koning meermalen het zwijgen had opgelegd en aan Pamfilo had bevolen de zijne te verhalen. Toen zij zwegen, begon de Pamfilo aldus: Eerbiedwaardige donna’s, ik geloof niet, dat, hoe ernstig en smartelijk iets ook is, dit niet ondernomen wordt door wie vurig lief heeft. Hoewel dit in tal van geschiedenissen is bewezen, geloof ik echter het U nog meer te toonen door U er een te verhalen van een donna, dien de fortuin gunstiger werd, naarmate zij onvoorzichtiger was. En daarom raad ik U de voetsporen niet te volgen van degene, van wien ik wil spreken, omdat de fortuin niet altijd gunstig gezind is, noch alle mannen op de wereld even dwaas zijn.

In Argon, die zeer oude stad van Griekenland, door zijn vroegere koningen eer beroemd dan groot, leefde vroeger een man, Nicostratus aan wien, reeds de ouderdom nabij, de fortuin een voorname vrouw schonk, edel, hartstochtelijk en schoon. Hij had veel bedienden, honden en vogels en had een groot genoegen in de jacht. Onder de bedienden had hij een aardig, welgemaakt en knap jonkman en buitengewoon bijdehand, Pyrrhus genaamd. Nicostratus mocht hem boven anderen lijden en vertrouwde hem meer dan wie ook. Lydia werd op hem zeer verliefd, zoodat zij dag noch nacht nergens dan met hem in gedachten was. Pyrrhus echter, die van haar liefde niets merkte of niets wilde bemerken, bekommerde er zich ook niet om, wat de donna ondragelijk hinderde. En besloten hem dit goed te doen bespeuren, riep zij een harer kamervrouwen Lusca, waarin zij veel vertrouwen stelde en sprak aldus: Lusca, de weldaden, die gij van mij ontvingt, moeten U gehoorzaam en trouw hebben gemaakt; daarom zorg, dat niemand ooit weet, wat ik U zeg, behalve wien ik het U gelast. Lusca, ik ben een jonge en frissche vrouw en rijk voorzien van alles, wat een vrouw kan verlangen en op ééne zaak na, kan ik mij niet beklagen en deze is, dat mijn echtgenoot te bejaard is. Vergelijk ik mijn leeftijd bij den zijne, dan kan ik niet tevreden zijn met datgene, waarin de jonge donna’s het meest behagen scheppen en toch verlang ik dit als de anderen. Nu heb ik sinds lang besloten, daar de fortuin zoo slecht gezind was mij een ouden echtgenoot te geven, niet de vijandin van mij zelf te zijn door geen middel te vinden mijn lusten te bevredigen en mijn heil niet na te jagen. En om mijn genoegen te hebben wensch ik, dat onze Pyrrhus, waardiger dan eenig ander, hem met zijn omhelzingen vervangt. Ik bezit zooveel liefde voor hem, dat ik mij nooit goed gevoel, als ik hem niet zie of aan hem denk. En heb ik niet spoedig een onderhoud met hem, dan geloof ik te zullen sterven. Indien mijn leven U lief is, dan zult gij op uwe wijze hem mijn liefde mededeelen en hem vragen bij mij te komen.

De kamenier zeide, dat zij het gaarne wilde doen. Toen tijd en plaats haar gunstig scheen, nam zij Pyrrhus ter zijde. Deze was zeer verbaasd, daar hij niets gemerkt had en twijfelde niet of het was om hem op de proef te stellen. Hij antwoordde dan ook ruw: Lusca, komen deze woorden van mijn donna, dan geloof ik niet, dat zij die u te goeder trouw doet zeggen. Meent zij het echter, dan zal ik, daar mijn meester mij meer eer bewijst dan ik verdien, hem nooit zulk een beleediging aandoen en daarom neem je in acht. Lusca niet onthutst zeide tot hem: Van alle dingen, die mijn donna mij opdraagt, zal ik u spreken, zoo dikwijls als zij mij het zal bevelen of het u ook tot genoegen of verdriet zal zijn. Maar gij zijt een schaapskop. En vertoornd over de woorden van Pyrrhus keerde zij naar de donna terug, die dit hoorend verlangde te sterven. Na eenige dagen evenwel sprak zij de kamenier er op nieuw over en zeide: Lusca, gij weet, dat de eik niet valt onder den eersten slag; daarom ga weer naar hem, die op ongehoorde wijze in mijn nadeel trouw wil zijn en toon hem op het gunstige oogenblik al mijn vuur. Doe in alles uw best, dat de zaak slagen zal, want als het zoo zou blijven, zou ik sterven en hij zou gelooven voor den mal te zijn gehouden en waar wij zijn liefde zoeken, zou zijn haat volgen. De kamervrouw bemoedigde de donna en na Pyrrhus gezocht te hebben zeide zij, toen zij hem vroolijk en goed geluimd vond: Pyrrhus, ik zeide u, hoeveel liefde mijn donna u toedraagt en ik verzeker u dit thans opnieuw; gaat gij door met de hardheid, die gij gisteren toonde, wees er dan zeker van, dat zij maar kort zal leven. Daarom bid ik u, dat het u behage haar in haar begeerte te vertroosten en zoo gij in uw koppigheid wreed blijft, zal ik, die u voor zeer verstandig hield, u voor een dwaas houden. Een zegepraal moet het voor u zijn, dat zulk een mooie, lieve donna u boven alles lief heeft! Bovendien: hoe moet gij u jegens de fortuin verplicht gevoelen, als gij er aan denkt, dat zij u dit bereid heeft overeenkomstig de verlangens uwer jeugd en met voldoening van uw begeerten! Welk man aan u gelijk kent gij, die voor zijn genot beter af is dan gij? Wie zult gij beter voorzien vinden van wagens, paarden, kleeren en geld, zoo gij uw liefde aan haar wilt schenken? Open dus uw hart voor mijn woorden: herinner u, dat het maar eens gebeurt, dat de fortuin zulk een vriendelijk gezicht toont en u met open armen ontvangt. Wie haar dan niet weet te grijpen en later arm is en aan den bedelstaf, moet zich zelf beklagen maar niet over haar. En er moet niet dezelfde trouw zijn tusschen dienaars en heeren als tusschen vrienden en bloedverwanten; integendeel moeten de dienaars zooveel mogelijk hen behandelen, gelijk zij door dezen behandeld worden. Denkt gij, dat als gij een mooie vrouw of moeder of dochter had, die aan Nicostratus zou bevallen, dat hij jegens u de trouw zou in acht nemen, die gij jegens zijn donna wilt bewaren? Je bent gek als ge dit gelooft. Wees er zeker van, dat, als beloften en smeekbeden niet zouden helpen, hij, hoewel u dit niet zoo schijnt, geweld zou gebruiken. Laten wij dus ook zoo doen. Maak van de gunst der fortuin gebruik, ga haar tegemoet en ontvang haar, want indien gij het niet doet, daargelaten, dat de dood van uw donna er zeker op zal volgen, zult gij er evenveel keeren berouw van hebben, als gij zult willen sterven. Pyrrhus, die meermalen had nagedacht, over hetgeen Lusca hem gezegd had, had zich reeds voorgenomen een ander antwoord te geven en toe te stemmen de donna te behagen, mits hij er zeker van was, dat hij niet op proef werd gesteld en antwoordde daarom: Ziet gij, Lusca, al de dingen, die gij zegt, zijn waar, maar ik weet ook, dat mijn heer wijs is en schrander en daar hij mij al zijn zaken toevertrouwt, vrees ik zeer, dat Lydia met zijn wil dit doet om mij op de proef te stellen en daarom, zoo zij drie dingen, die ik vraag wil doen, zal zij mij niets meer bevelen, wat ik mij niet zal haasten te volgen. Deze drie dingen zijn: Ten eerste, dat zij in tegenwoordigheid van Nicostratus haar goeden sperwer doodt, ten tweede, dat zij mij een lok uit den baard van Nicostratus zendt, en ten slotte een van zijn tanden en wel een der besten. Deze dingen schenen moeilijk aan Lusca en zeer bezwaarlijk voor de donna, maar Amor, die grooten moed geeft en een groote meester is in raadgevingen, hielp haar. Ze liet hem door haar kamervrouw zeggen, dat hij spoedig ten volle zou verkrijgen, wat hij gevraagd had. En bovendien, omdat hij Nicostratus voor zoo slim hield, liet zij hem weten, dat zij zich in tegenwoordigheid van Nicostratus met Pyrrhus zou bevredigen en aan Nicostratus zou doen gelooven, dat het niet waar was.

Toen Nicostratus een paar dagen later aan enkele edellieden een groot middagmaal gaf, gelijk hij vaak plachtte te doen, en de tafels al waren weggezet, kwam zij in een grooten sluier gehuld en mooi opgetooid uit haar kamer in de zaal. Toen zij Pyrrhus zag, ging zij recht op den stang af, waarop de sperwer zat, dien Nicostratus op zoo hoogen prijs stelde en na hem losgemaakt te hebben, deed zij of zij hem in de hand wilde opheffen, maar hem bij zijn klauwen pakkend sloeg zij hem tegen den muur en doodde hem. Nicostratus schreeuwde tot haar: Wee mij, vrouw, wat doet gij? Niets, antwoordde zij hem, maar zich keerend tot de adellijke heeren zeide zij: Heeren, ik zou mij moeilijk kunnen wreken op een koning, die mij beleedigd heeft, als ik hem geen sperwer zou durven ontnemen. Gij moet weten, dat zoodra de dageraad aanbreekt, de tijd, dien de mannen tot genoegen der vrouwen behooren te besteden, Nicostratus opstaat, te paard springt en met zijn sperwer in de open vlakten gaat en ik blijf alleen en ontevreden in mijn bed achter.

Daarom wilde ik, wat ik heb gedaan, alleen doen in tegenwoordigheid van mannen, die rechtvaardige rechters zijn, gelijk ik geloof, dat gij zijn zult. De edellieden geloofden, dat haar genegenheid voor Nicostratus zóó was als uit haar woorden scheen en lachend keerden zij zich tot Nicostratus, die toornig was en zeiden: De donna heeft wel gedaan door zich te wreken met den dood van den sperwer! En zij bespotten, toen de vrouw weer naar haar kamer was gegaan, de gramschap van Nicostratus. Pyrrhus, die dit zag, dacht: Zij heeft een goed begin gemaakt voor onze gelukkige liefde; dat Zeus haar doet volharden. Een paar dagen later bevond zij zich met Nicostratus in haar kamer en terwijl zij hem liefkoosde, begon zij met hem te schertsen en daar hij voor de grap een paar haren uittrok, gaf hij haar de gelegenheid te slagen voor het tweede, wat Pyrrhus haar gevraagd had en haastig trok zij hem lachend bij een baardlokje, zoo sterk, dat zij hem dit geheel van de kin rukte. Toen Nicostratus hierover klaagde, zeide zij: Nu, wat hebt gij! Waarom trekt gij zoo’n gezicht! Omdat ik u misschien zes haren uit den baard heb getrokken? Dan hebt gij gevoeld, wat ik gewaar werd, toen gij mij zooeven de haren uitrukte. En zoo voortgaande bij hun scherts bewaarde de donna voorzichtig de lok van den baard en zond die denzelfden dag aan haar minnaar. Over de derde zaak dacht de donna weer na, maar daar zij zeer schrander was en Amor het haar nog meer maakte, had zij gepeinsd, dat er een middel moest zijn. Nicostratus had twee kinderen, door hun vaders hem toevertrouwd, opdat zij als edellieden manieren leerden. De een sneed voor, als Nicostratus at en de andere schonk hem in. De donna liet beide roepen en overtuigde hen, dat zij uit hun mond roken en raadde hun, wanneer zij Nicostratus bedienden, het hoofd zooveel mogelijk achterwaarts te houden en dit nooit aan iemand te zeggen.