Chapter 46
De nijdigaard sprak toen: Werkelijk, mevrouw, ik heb medelijden met U, want ik zie, dat gij uw ziel zult verliezen, maar ik wil moeite doen om mijn gebeden afzonderlijk tot God te richten in uw naam, misschien zullen die U geholpen hebben en als dat zoo is, zullen wij er mee voortgaan. De donna antwoordde hierop: Messer, stuur niemand bij mij, want als mijn man het te weten komt, is hij zoo vreeselijk jaloersch, dat niemand hem uit het hoofd kan praten, dat men voor iets anders dan kwaad komt, en ik zou het geheele jaar geen goed bij hem kunnen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Madonna, twijfel er niet aan, want ik zal zoo te werk gaan, dat gij er voor hem nooit iets over zult hooren. Toen sprak de donna: Indien gij dit durft, stem ik er in toe. En nadat de absolutie gegeven was, ging zij naar de mis. De nijdigaard met zijn leelijk avontuur deed zuchtend de kleeren van den priester uit en ging naar huis, verlangend een middel te ontdekken om den priester en zijn vrouw een leelijke poets te bakken. De donna zag wel aan het gezicht van den echtgenoot, dat zij hem een kwaad feest had gegeven, maar hij trachtte, zooveel hij kon, te verbergen, wat hij gedaan had en wat hij meende te weten. Daar hij besloten had in den komenden nacht bij de deur te gaan staan en af te wachten, tot de priester kwam, zeide hij tot de donna: Ik moet van avond elders eten en slapen en daarom moet gij goed de straatdeur sluiten en ook die op het midden van de trap en van de kamer en ga dan naar bed. De donna antwoordde: Goed. En zoodra zij de gelegenheid had, ging zij naar het gat en gaf het gewone teeken. Zoodra Filippo dit vernam, kwam hij dadelijk. De donna vertelde hem, wat er dien morgen gebeurd was en zeide toen: Ik ben er zeker van, dat hij zich op den loer zal leggen bij de deur en vindt gij dus een middel, opdat gij vannacht over het dak komt. De jongeling hierover zeer tevreden zeide: Madonna, laat mij gaan. Toen de nacht kwam, verborg zich de nijdigaard heimelijk met zijn wapens in een gelijkvloersche kamer en de donna had alle deuren laten sluiten en het best, die op het midden van de trap, opdat de nijdigaard niet kon komen. Toen haar het oogenblik gunstig scheen en de jongeling langs een zeer verborgen weg kwam, gingen zij naar bed en gaven elkaar goede gelegenheid en veel genoegen. Bij het aanbreken van den dag ging de jongeling naar huis. De nijdigaard, treurig en zonder avondmaal, stervend van koude, stond den geheelen nacht met zijn wapens naast de deur om te wachten, tot de priester kwam en toen het dag werd en hij niet meer kon waken, ging hij in de gelijkvloersche kamer slapen. Hij stond om drie uur in den morgen op en daar de deur van het huis open was, deed hij, of hij van elders kwam, klom de trap op en ontbeet. Kort daarop liet hij een kleinen jongen komen, alsof het de klerk van den priester was, en zond dien naar haar toe met de vraag of de priester gekomen was. De donna, die den bode wel kende, antwoordde, dat hij dien nacht niet gekomen was en als het zoo voortging, hij dien kon vergeten maar zij niet. De nijdigaard stond verscheidene nachten op post om den priester bij de deur te beloeren en de donna nam voortdurend met den jonkman de kans waar. Ten slotte vroeg de nijdigaard, die het niet meer uithield met een vertoornd gelaat, wat zij dien ochtend gebiecht had. De donna wilde het niet zeggen, daar dit niet eerbaar was. De nijdigaard antwoordde: Slechte vrouw. Ik weet toch, wat gij hem gezegd hebt en ik moet weten wie de priester is, waarop gij zoo verliefd zijt en die door zijn tooverijen alle nachten met U slaapt, anders zal ik je ervoor laten bloeden. De donna ontkende, dat zij op een priester verliefd was. Wat, sprak de nijdigaard, heb je dat dan niet verteld aan den priester, die U de biecht afnam? De donna hernam: Hij heeft het U niet over verteld, maar voor mijn part zoudt gij er bij geweest zijn.
De nijdigaard sprak: Zeg mij, wie die priester is. De donna glimlachte en zeide: Het doet mij veel genoegen, wanneer een wijs man zich laat leiden door een onnoozele vrouw gelijk men een ram bij de horens naar de slachtplaats voert, hoewel gij niet verstandig waart van het oogenblik af, dat de booze geest der jaloezie in Uw borst drong en daarom hoe dwazer en dommer gij zijt, des te minder kan ik met mijn list eer inleggen. Gelooft gij, man, dat ik blind ben met de oogen in mijn hoofd gelijk gij met die van den geest? Ik heb den priester herkend, die mij de biecht afnam; gij waart het zelf en trachtte U in het hoofd te praten, wat gij zoeken gingt. Waart gij wijs geweest, gelijk gij U verbeeldt, en hadt gij niet beproefd de geheimen te weten te komen van Uw goede vrouw, en zonder ijdele argwaan zoudt gij er op gelet hebben, of, wat zij U bekende, waar was, terwijl zij in geen enkel opzicht had gezondigd. Ik zeide U, dat ik een priester liefhad en hadt gij U zelf niet, dien ik ten onrechte bemin, tot priester gemaakt? Ik zeide U, dat ik geen enkele deur van het huis voor hem gesloten kon houden, wanneer hij met mij wilde slapen. Ik zeide U, dat de priester zich elke nacht bij mij bevond en wanneer waart gij niet bij mij? Zondt gij Uw klerkje tot mij, dan wist gij, dat gij niet bij mij waart en ik liet U weten, dat de priester niet bij mij geweest was. Welke dwaas, behalve gij, die U door ijverzucht hebt laten verblinden, had dit niet begrepen? Gij hebt aan de deur gewaakt en hebt mij willen wijs maken, dat gij ergens anders zijt gaan avondmalen en slapen. Verander U, wordt weer man, gelijk gij het waart; en laat U niet voor den mal houden, want ik zweer bij God, dat, als ik U horens wilde doen dragen en gij honderd oogen hadt gelijk thans twee, ik mijn zin zou volgen, zóó, dat gij het niet zoudt gewaar worden.
De booze nijdigaard, die zeer handig het geheim van de donna meende te hebben gemerkt, dacht, dat hij niet bedrogen was, hield zijn vrouw voor goed en wijs en ontdeed zich van zijn minnenijd, toen hij er reden voor had, terwijl hij er van verging, toen het onnoodig was. Daardoor had de sluwe donna niet meer noodig als de katten haar minnaar over het dak te laten komen maar door de deur. Zij ging stil te werk en verschafte zich zelf en hem meermalen een goede gelegenheid en een vroolijk leven.
ZESDE VERTELLING.
Madonna Isabella, die zich bij haar minnaar Leonetto bevindt, ontvangt bezoek van messer Lambertuccio. Als haar man thuis komt, laat zij hem messer Lambertuccio met een mes in de hand tegemoet gaan en haar man vergezelt daarna Leonetto.
De novelle van Fiammetta beviel allen wonderbaar en elk beweerde, dat de donna zeer goed had gehandeld en dit goed was voor den dommen echtgenoot. Daarop beval de koning, dat Pampinea zou volgen. Zij begon te zeggen: Er zijn er velen, die onnoozel beweren, dat de liefde de menschen verblindt en dat wie liefheeft, zijn bezinning verliest. Dit schijnt mij een dwaze meening en blijkt ook uit de verhaalde histories en ik heb plan het nog meer te bewijzen.
In onze rijke stad leefde een lieve en zeer schoone donna, de vrouw van een zeer waardig ridder. En gelijk dikwijls gebeurt: verandering van spijs doet eten en daar haar man niet goed voldeed, werd zij verliefd op een jonkman Leonetto en hij evenzoo op haar. En daar het altijd goed gevolg heeft, wat elk der partijen wil, duurde het niet lang of zij konden hun liefde genoegdoening verschaffen. Nu werd ook op deze donna een ridder verliefd, messer Lambertuccio, welken zij, omdat hij haar onaangenaam en vervelend scheen, niet mocht lijden. Hij viel haar met boodschappen lastig en toen dit ook niets hielp, dreigde hij haar, daar hij machtig was, te schandvlekken. Daarom besloot zij, die bang was en hem kende, hem ter wille te zijn. De dame, madonna Isabella, was ’s zomers naar gewoonte naar een van haar schoone buitengoederen gegaan om daar te verblijven en daar haar man op een morgen te paard was gestegen om eenige dagen elders te vertoeven, verzocht zij aan Leonetto bij haar te komen, die zeer verheugd dadelijk kwam. Messer Lambertuccio, die wist, dat haar man heen was gegaan, steeg geheel alleen te paard, begaf zich ook tot haar en klopte aan de deur. De meid van de donna, die wist, dat zij met Leonetto samen was, ging haar roepen en zeide: Mevrouw: messer Lambertuccio is beneden. De donna, die dit hoorde, was de bedroefdste vrouw van de wereld, maar daar zij heel bang voor hem was, bad zij Leonetto, dat hij geen bezwaar zou maken zich eenigen tijd achter het bedgordijn te verbergen, tot messer Lambertuccio zou weggaan. Leonetto, die niet minder bang voor hem was dan de donna, verborg zich; en zij beval aan de meid, dat zij messer Lambertuccio zou openen. Deze steeg van een zijner sierpaarden; na het aan een haak vastgebonden te hebben, ging hij naar boven. De donna, die een vriendelijk gezicht zette en boven aan de trap stond, ontving hem met vriendelijke woorden en vroeg hem, wat hij kwam doen.
De ridder omhelsde haar en sprak: Mijn ziel, ik hoorde, dat Uw man er niet was, zoodat ik kom om een beetje bij U te blijven. Daarna trad hij de kamer in, sloot de deur en begon zich met haar te verheugen. Geheel buiten verwachting van de donna kwam de echtgenoot terug; toen de meid dezen dicht bij het verblijf zag, liep zij dadelijk naar de kamer van de donna en sprak: Madonna, daar is mijnheer; ik geloof, dat hij al in den hof is. Toen de donna dit hoorde en wist, dat er twee mannen in huis waren en dat de ridder zich niet kon verborgen houden door het sierpaard, dat in den hof stond, hield zij zich voor verloren. Niettemin wierp zij zich dadelijk uit het bed op den grond, nam een besluit en zeide tot messer Lambertuccio: Messer, indien gij mij goed gezind zijt en mij den dood wilt doen ontloopen, zult gij doen, wat ik U zal zeggen. Gij zult Uw mes ontbloot in Uw hand nemen, woest de trappen afgaan en woedend zeggen: Ik zweer bij God, dat ik hem elders zal vinden. En als mijn man U wil terug houden of U iets wil vragen, zegt gij niets anders dan wat ik U gezegd heb en te paard gestegen blijft gij om geen enkele reden bij hem. Messer Lambertuccio zeide, dat hij dit gaarne wilde en na het mes te hebben getrokken en met geheel ontvlamd gelaat door de moeite, die hij zich gaf zoowel als door den toorn, dien hij voelde over den terugkeer van den ridder, deed hij, gelijk de donna hem bevolen had.
Haar echtgenoot, die al in den hof was afgestegen en zich over het sierpaard verwonderde en er op wilde springen, zag messer Lambertuccio toornig de trap afkomen en verwonderde zich en zeide: Wat is dat, messere? Messer Lambertuccio, die den voet in den stijgbeugel zette en er opklom, zeide niets anders dan: Bij het Lichaam van God, ik zal hem elders vinden en hij ging heen. De edelman, die naar boven ging, vond zijn donna geheel onthutst en vol angst en hij zeide tot haar: Wat is dat? Waarom is messer Lambertuccio zoo vertoornd? De donna, die de kamer naderde, opdat Leonetto het zou hooren, antwoordde: Messire, ik heb nog nooit zoo’n angst gehad. Zoo pas kwam hier een jonkman binnen, dien ik niet ken en dien messer Lambertuccio met het mes in de hand volgde en die toevallig deze kamer open vond en sidderend sprak: Madonna, help mij bij God, opdat ik niet dood in Uw armen blijf. Ik stond rechtop en toen ik hem wilde vragen, wie hij was en wat er aan de hand was, komt mij daar messer Lambertuccio naar boven met de woorden: Waar ben je, verrader? Ik ging naar de kamerdeur en daar hij binnen wilde treden, hield ik dien vast; hij was hoffelijk genoeg, daar hij zag, dat het mij niet aanstond hem te laten binnentreden, na veel woorden naar beneden te gaan. Toen sprak de echtgenoot: Vrouw, gij hebt wel gedaan. Het zou een al te groote blaam zijn geweest, als hier iemand gevonden was en messer Lambertuccio deed een zeer onpassende daad door iemand te volgen, die daar binnen zou gevlucht zijn. Daarna vroeg hij, waar die jonkman was. De donna antwoordde: Messer, ik weet niet, waar hij zich verborgen heeft. De ridder hernam: Waar zijt gij? Kom zonder vrees voor den dag. Leonetto, die alles had gehoord, kwam heel angstig, alsof hij bevreesd was, uit den hoek. De ridder sprak toen: Wat hebt gij met messer Lambertuccio te maken? De jonkman antwoordde: Messer, niets ter wereld en daarom geloof ik bepaald, dat hij niet goed wijs is of mij voor den verkeerden houdt, omdat hij, zoodra hij mij dicht bij dit huis op straat zag, de hand aan het mes sloeg en zeide: Verrader, gij zijt des doods. Ik vluchtte en kwam hier, dank zij God en deze edelvrouw. Toen sprak de ridder: Nu, heb maar geen vrees meer; ik zal U thuis brengen en gij zult nagaan, wat gij met hem hebt uit te staan. En toen zij geavondmaald hadden, liet hij hem te paard stijgen en leidde hem naar Florence. Naar de voorlichting der donna sprak Leonetto dien avond met messer Lambertuccio en regelde alles zóó met hem, dat, hoeveel er ook later over gesproken zou worden, de edelman daardoor nooit te weten zou komen, welke poets men hem met zijn vrouw had gebakken.
ZEVENDE VERTELLING.
Lodovico bekent aan madonna Beatrice de liefde, die hij haar toedraagt. Zij zendt haar man Egano in den tuin in haar plaats en slaapt met Lodovico. Nadat hij is opgestaan, gaat hij heen en ranselt Egano in den tuin af.
De schranderheid van madonna Isabella werd door ieder voor wonderbaar gehouden. Doch Filomena, aan wie de koning bevolen had te volgen, sprak: Verliefde donna’s. Indien ik mij niet bedrieg, geloof ik U een niet minder mooi verhaal te kunnen doen.
In Parijs leefde een florentijnsch edelman, die uit armoede koopman was geworden en in den handel zóó geslaagd was, dat hij zeer rijk werd. Van zijn donna had hij een eenigen zoon, die Lodovico heette. En omdat hij op den adel van zijn voorouders en niet op den handel gesteld was, zond hij hem gelijk andere edellieden naar den koning van Frankrijk, waar hij fraaie en goede manieren leerde. Terwijl hij daar verblijf hield, mengden zich verscheidene ridders, die van het Heilige Graf kwamen, met jongelieden in een gesprek, waaronder Lodovico zich bevond. Toen een van hen hoorde spreken van de mooie vrouwen van Frankrijk en Engeland en uit andere deelen der wereld, begon die te zeggen, dat hij zeker over het heele wereldrond en onder alle vrouwen er nooit een had gezien zoo schoon als de vrouw van Egano de’ Galluzi [144] van Bologna, madonna Beatrice. Hiermede waren al zijn metgezellen, die haar met hen samen in Bologna aanschouwd hadden, het eens. Toen Lodovico dit hoorde, die nog nooit verliefd geweest was, ontbrandde hij in zulk een verlangen haar te zien, dat hij zijn gedachten bij niets anders kon houden en besloot naar Bologna te gaan en er te blijven, indien zij hem zou behagen. Hij deed zijn vader gelooven, alsof hij naar het Heilige Graf ging, wat hij met grooten weerzin gedaan kreeg. Hij nam den naam Anichino aan, kwam te Bologna en daar de fortuin het wilde, zag hij haar den volgenden dag op een feest en ze scheen hem nog schooner dan hij zich had voorgesteld. Daarom zeer vurig op haar verliefd, besloot hij niet uit Bologna te vertrekken, voor hij haar liefde verworven had. Hij overlegde, dat, zoo hij knecht van haar echtgenoot kon worden, die verscheidene bedienden had, hij misschien kon gedaan krijgen, wat hij verlangde. Hij verkocht zijn paarden, regelde alles met zijn onderhoorigen, beval hun te doen of zij hem niet kenden, en na met zijn waard te hebben afgerekend zeide hij, dat hij gaarne in dienst van een welgesteld heer wilde treden. De waard sprak tot hem: Gij zijt de rechte bediende voor een edelman uit dit gebied, die Egano heet en die wil, dat al zijn bedienden er uitzien als gij; ik zal hem er over spreken. Voor de waard Egano verliet, had hij Anichino doen aannemen, die zijn best deed hem aangenaam te zijn.
Zoo had hij dikwijls gelegenheid zijn donna te zien en hij diende zijn heer zoo goed en naar wensch, dat deze zoo aan hem hechtte, dat hij niet meer buiten hem kon en over al zijn goederen gaf hij hem de leiding. Eens gebeurde het, dat Egano op de vogelvangst was en Anichino was thuis gebleven. Madonna Beatrice, die zijn liefde nog niet had opgemerkt, maar op zijn manieren meermalen lette, had hem zeer geprezen en het behaagde haar met hem schaak te spelen. Anichino, die haar verlangde te behagen, nam dit gaarne aan, waarmee de donna zeer blijde was. Toen al de vrouwen na het toezien waren heengegaan en hen alleen lieten spelen, slaakte Anichino een diepen zucht. De donna keek hem aan en zeide: Wat hebt gij, Anichino? Bedroeft het U zoo, dat ik U overwin? Mevrouw, antwoordde Anichino, iets veel belangrijkers was de oorzaak van mijn zucht. Toen sprak de donna: Zeg het mij bij de genegenheid, die gij voor mij gevoelt. Anichino voelde zich betooverd bij dit: door de genegenheid, die gij voor mij gevoelt door haar, die hij boven alles lief had, zoodat hij een nog grooter zucht uitstiet dan de eerste, waardoor de donna hem opnieuw vroeg of hij haar wilde zeggen, wat de oorzaak van zijn zucht was. Hierop sprak Anichino: Madonna, ik vrees zeer, dat het U boos zou maken, indien ik U dat vertel, en dan ben ik ook bang, dat gij het zoudt over vertellen. De donna hernam: Het zal voor mij zeker niet onaangenaam zijn en reken er op, dat ik er nooit aan anderen over zal spreken. Met tranen in zijn oogen zeide Anichino haar, wie hij was, wat hij van haar gehoord had, hoe hij op haar verliefd werd en waarom hij knecht was geworden en daarna smeekte hij haar nederig medelijden met hem te hebben en hem in dit zoo brandend verlangen ter wille te zijn en ook dat hij in de gedaante, waarin hij was, tevreden zou zijn haar te beminnen. O, zonderlinge zachtheid van het bologneesche bloed! Wat zijt gij altijd te prijzen geweest in zulke gevallen! Gij waart nooit verlangend naar tranen of zuchten en waart steeds welwillend voor nederige smeekbeden en verliefde verlangens; als ik waardige loftuitingen had om U te prijzen, zou men zien, dat mijn stem er nooit genoeg van had!
De edelvrouw, die Anichino aanzag en alle vertrouwen aan zijn woorden schonk en zijn liefde, maakte zooveel indruk op haar, dat zij begon te zuchten en daarna antwoordde: Mijn lieve Anichino, houdt moed; noch geschenken, noch beloften, noch begeerten van edelman of heer, noch van wie ook (want, ik werd nog door velen begeerd) konden ooit mijn ziel bewegen, maar gij hebt mij in even korten tijd, als Uwe woorden geduurd hebben, de Uwe doen worden. Gij hebt U mijn liefde verworven en daarom geef ik U die en ik beloof U, dat ik er U mee zal gelukkig maken, en nog dezen nacht. Te middernacht zult gij op mijn kamer komen. Ik zal de deur open laten. Gij weet aan welken kant van het bed ik slaap; gij zult mij wakker maken en ik zal U troosten over uwe langdurige begeerte en opdat gij dit gelooft, zal ik U een kus als pand geven. Zij wierp hem den arm om den hals, kuste hem hartstochtelijk en Anichino haar en met de grootste zaligheid ter wereld wachtte hij de komst van den nacht af. Egano kwam van de vogelvangst terug en toen hij het avondmaal had gebruikt, ging hij vermoeid slapen en daarna de donna. Zij liet de kamerdeur open en op het afgesproken uur kwam Anichino binnen, sloot de deur achter zich en begaf zich naar den kant, waar de donna lag, legde de hand op haar borst en vond haar wakker. Toen zij bemerkte, dat Anichino gekomen was, nam hij haar hand tusschen de zijne en hield die stevig vast en woelde zoo, dat Egano wakker werd. Zij sprak tot hem: Ik heb U gisteravond niets willen zeggen, daar gij mij vermoeid scheen, maar zeg mij, Egano, wien gij voor den besten en eerlijksten bediende houdt en wien gij het meest genegen zijt van degenen, die gij in huis hebt. Egano antwoordde: Waarom vraagt gij mij dit? Kent gij hem niet? Nog nooit had ik er een, dien ik zoo vertrouwde of genegen was als Anichino; Anichino, die merkte, dat Egano wakker was en die over zich zelf hoorde spreken, had verscheidene malen zijn hand weggetrokken, daar hij vreesde, dat de donna hem wilde bedriegen, maar zij hield zoo stevig vast, dat hij niet loskomen kon. De donna zeide tot Egano: Ik dacht ook, dat hij U trouwer was dan ieder ander, maar toen gij heden op de vogelvangst zijt gegaan, bleef hij hier en toen hij de kans schoon zag, schaamde hij zich niet mij te vragen of ik tot zijn genoegen wilde toestemmen en om het U gemakkelijk te bewijzen, antwoordde ik, dat ik er vrede mee had en dat ik na middernacht in onzen tuin zou gaan en aan den voet van den pijnboom zou wachten. Nu heb ik voor mij geen zin er heen te gaan, maar als gij de trouw van Uw knecht wilt kennen, doe dan een vrouwenkleed van mij aan, een sluier om Uw hoofd en ga daar wachten, of hij zal komen, waarvan ik zeker ben. Toen Egano dit hoorde, zeide hij: Zeker, wil ik hem gaan zien en hij trok, zoo goed het in den donker ging, een gewaad van zijn vrouw aan, deed een sluier om het hoofd, ging in den tuin en begon op Anichino aan den voet van den pijnboom te wachten. Zoodra hij was opgestaan en de kamer uit, sloot de donna de deur van binnen. Anichino, die den grootsten angst van zijn leven had doorstaan en die getrokken had wat hij kon om zich los te rukken en honderdduizend maal haar en zijn liefde, die hij haar had toevertrouwd, had vervloekt, merkte, met welk doel zij dit had gedaan en was nu de gelukkigste man van de wereld.
Hij kleedde zich, gelijk zij wilde, uit en te samen hadden zij genoegen en vreugde gedurende langen tijd. Toen het de donna scheen, dat Anichino niet langer moest blijven, deed zij hem opstaan en zich weer aankleeden en zeide: Mijn lieve vriend, gij moet een flinken stok nemen en naar den tuin gaan en net doen, of gij mij hebt geroepen om mij op de proef te stellen en zoo zult gij Egano uitschelden en goed met den stok ranselen en hieruit zal wonderbaar genoegen en vermaak volgen. Anichino stond op en ging in den tuin met een grooten wilgenstok en dicht bij den pijnboom zag Egano hem aankomen, die hem met gemaakte vreugde wilde ontvangen. Anichino voegde hem toe: Ah, eerlooze vrouw, ben je dus gekomen en gij hebt geloofd, dat ik mijn heer deze schande wilde aandoen? Gij zijt hier ééns voor duizend keer gekomen; en den stok opheffend, begon hij Egano te slaan, die dit bemerkend, vluchtte zonder een woord te spreken en Anichino zeide daarop: Dat God U een kwaad jaar geve, slecht wijf, want ik zal het morgen aan Egano zeggen. Egano, die verscheidene goede klappen beet had, ging, zoo gauw hij kon, naar zijn kamer terug. De donna vroeg hem of Anichino gekomen was. Egano zeide: Was hij het maar niet geweest, want in de meening, dat gij het waart, heeft hij mij met een stok lam geslagen en zoo beleedigd, als men het een slechte vrouw ooit deed. Zeker verwondert het mij sterk, dat hij dit zou hebben afgesproken met de bedoeling mij te schandvlekken, maar omdat hij U zoo verheugd en voorkomend meende te zien, wilde hij U op de proef stellen. Toen sprak de donna: Geloofd zij God, dat hij mij alleen met woorden en U met feiten op de proef gesteld heeft en ik geloof, dat hij zeggen kan, dat ik met meer geduld de woorden heb verdragen dan gij de slagen en omdat hij U zoo trouw is, moet gij hem op prijs stellen en eer aandoen. Egano sprak: Zoo is het en hij was van meening, dat hij de braafste vrouw en de trouwste dienaar bezat. Nadat over dit feit door hen gelachen was, hadden Anichino en de donna voldoende gelegenheid, meer dan zij zonder dit avontuur zouden hebben, te doen, wat hun vermaak en genoegen was en daarom behaagde het Anichino bij Egano in Bologna te blijven.
ACHTSTE VERTELLING.
Een echtgenoot wordt jaloersch op zijn vrouw. De ega doet zich ’s nachts een draad aan den teen om te weten of haar minnaar tot haar zal komen. De echtgenoot merkt dit en terwijl hij den minnaar nagaat, laat de donna in haar plaats een andere vrouw op het bed liggen, welke de echtgenoot slaag geeft en wien hij de haren uittrekt. Dan gaat hij naar de broeders van zijn vrouw, die bevindend, dat dit niet waar is, hem beleedigen.