Chapter 45
Rinaldo peet geworden van madonna Agnesa en meer in de gelegenheid haar te spreken, verzekerde zich er van haar met woorden zijn bedoeling te doen kennen, die zij te voren uit de uitdrukking van zijn oogen had kunnen opmaken. Hoewel aan de donna niet mishaagde, wat zij had gehoord, gaf het hem niet veel. Het duurde niet lang of wat er ook de reden van zij, Rinaldo werd monnik, doch hij bleef naar haar verlangen, hoewel hij eenigen tijd de liefde ter zijde had gesteld, die hij zijn petemoei toedroeg. Doch na verloop van tijd zonder het kleed af te leggen, wakkerde hij zijn ijdelheden weer aan en begon er behagen in te scheppen zich goed gekleed te vertoonen, liederen en sonnetten en balladen te maken en te zingen en al dergelijke dingen meer. Maar wat zeg ik van onzen broeder Rinaldo? Welke monniken doen zoo niet? O schande van de verdorven wereld! Zij schamen zich niet te verschijnen met dik geverfd gelaat, verwijfd in hun kleeren en in alles. Zij loopen niet als duiven maar als zegevierende hanen met opgeheven kam en de borst vooruit. En wat nog erger is—laat staan, dat zij hun cellen vol potjes met pommade en olie hebben, met potten vol verschillende confituren, met flacons en glazen karaffen, met reukwaters en oliën, met fleschjes van malvezij en griekschen wijn en andere zeer kostbare wijnen, zoodat het geen monniks-cellen schijnen maar eer aan de toeschouwers apotheken en winkels van reukwerk—zij schamen zich niet drankzuchtig te zijn en zij verbeelden zich, dat men niet weet, dat de vasten, grove en eenvoudige spijzen en een sober leven de menschen mager en licht en het gezondst maken. En als zij ziek worden, zijn zij het niet het minst van de jicht, waarvoor men als geneesmiddel kuischheid pleegt voor te schrijven en andere dingen behoorend tot het leven van een nederigen monnik. En zij gelooven, dat men niet weet, dat buiten een karig leven, de lange nachtwaken, het bidden en de leefregels de menschen bleek en droefgeestig moeten maken en dat noch San Domenico, noch San Francesco er vier kleeden op na hielden, noch gekleurde rokken, noch heidensch goed, maar alles van grof linnen en van natuurlijke kleur om de koude te verdrijven en niet om te pronken. Hierin moge God voorzien, gelijk noodig is voor de zielen der onnoozelen, die hen onderhouden. Aldus begon frate Rinaldo tot zijn begeerten teruggekeerd de petemoei vaak te bezoeken en daar zijn vermetelheid groeide, begon hij met meer volharding dan eerst haar te vragen, wat hij verlangde. De donna op een goeden dag door hem lastig gevallen zag, hoezeer zij begeerd werd en daar frate Rinaldo haar misschien schooner scheen dan eerst, zocht daarbij hulp, wat allen doen, die willen toestaan, wat hun gevraagd wordt en zeide: Hoe, broeder Rinaldo, doen de broeders zulke dingen? Hierop antwoordde frate Rinaldo: Madonna, als ik die kap van mijn rug zal hebben—en ik zal dit vlug doen,—zal ik U een man schijnen als de rest en geen broeder. De donna glimlachte en zeide: Helaas, ongelukkige, die ik ben, gij zijt mijn peetvader en ik heb dikwijls gehoord, dat dit een al te groote zonde is en zeker, als het niet zoo was, zou ik doen, wat gij wilde. Frate Rinaldo zeide: Gij zijt een dwaze vrouw, als gij het daarom nalaat. God vergeeft erger, als men er berouw over heeft. Maar zeg mij, wie is meer verwant met Uw zoon, dan ik, die hem ten doop zal houden of Uw echtgenoot, die hem voortbracht? De donna antwoordde: Mijn man is hem nader. Gij zegt de waarheid, sprak de broeder, en slaapt Uw man niet met U? Zeker, antwoordde de donna. Dan, zei de broeder, moet ook ik, die minder verwant met Uw zoon ben, bij U slapen. De donna, die de logica niet kende en die maar weinig geest noodig had om te gelooven of te doen, alsof zij geloofde, dat de broeder de waarheid sprak, antwoordde: Wie zou op Uw wijze opmerkingen weten te antwoorden? En daarna ondanks de verwantschap stemde zij toe naar zijn genoegen te handelen.
Onder den dekmantel van het peetschap meer op hun gemak, omdat de argwaan minder was, waren zij meermalen samen. Eens toen frate Rinaldo bij de donna kwam en er niemand was dan een kleine en aardige meid, zond zij die naar den duiventil met een metgezel van hem om haar het Paternoster te leeren. Zij nam haar kind bij de hand, sloot de deur en zij begonnen op een sofa elkaar te liefkozen. Terwijl dit geschiedde, kwam de vader thuis zonder door iemand opgemerkt te worden, klopte aan de deur van de kamer en riep de donna. Madonna Agnesa, die dit gewaar werd, zeide: Daar is mijn man; nu zal hij merken, wat de reden is van onze vriendschap. Broeder Rinaldo was ontkleed, dat wil zeggen zonder kap en gewaad, in een gewoon wambuis en sprak, toen hij dit vernam: Gij zegt de waarheid, als ik maar gekleed was, zou er wel een middel op zijn, maar als gij opent en hij mij zoo vindt, is er geen voorwendsel te vinden. De donna door onmiddellijk overleg geholpen zei: Kleedt je aan, neem Uw petekind op den arm en luister goed, wat ik hem zeggen zal, opdat Uw woorden goed met de mijnen overeen stemmen. De man had nog niet opgehouden met kloppen, of de vrouw antwoordde: Ik kom bij je. Zij ging met een welgemoed gezicht naar de deur van de kamer, en zeide: Man, broeder Rinaldo onze peetvader is hier en God zond hem; want als hij niet gekomen was, zouden wij vandaag ons kind verloren hebben. Toen de arme dwaas [143] dit hoorde, was hij buiten zich zelf en zeide: Hoe dat?
O man, zei de donna; het heeft pas zulk een hevige flauwte gehad, dat ik geloofde, dat hij dood was. Onze peetvader, die hier was, heeft hem op den arm genomen, sprak: Petemoei, hij heeft wormen in het lijf, die het hart naderen en hem zeker zullen dooden, maar wees niet bang, want ik zal ze bezweren en doen sterven en gij zult Uw kind gezond zien. Wij hadden U hier noodig om gebeden op te zeggen, en daar de meid U niet wist te vinden, heeft hij ze toch doen uitspreken door zijn metgezel op de hoogste verdieping van ons huis. Geen ander dan de moeder van het kind mag bij een dergelijke plechtigheid tegenwoordig zijn en opdat niemand ons zou storen, sloten wij ons hier op en ik geloof, dat hij niet langer wacht dan tot zijn metgezel zijn gebeden zal opgezegd hebben, want het kind is nu al geheel tot zich zelf gekomen. De dwaas geloofde die dingen; zóó greep de liefde voor zijn zoon hem aan. Hij slaakte een diepen zucht en zeide: Ik wil het zien. De donna sprak: Neen, ga niet, gij zoudt bederven, wat er gebeurd is; wacht af en ik zal U dan roepen. Broeder Rinaldo kleedde zich op zijn doode gemak aan, nam het kind op den arm en riep toen gelukkig: O petemoei, hoor ik niet den peetvader? De dwaas antwoordde: Ja, messer. Dan, zeide frate Rinaldo, kom hier. De dwaas ging er heen. Rinaldo zei hem: Gij behoudt Uw zoon door Gods genade; nog pas geloofde ik, dat gij hem tot den vesper niet levend zoudt zien. Laat zijn evenbeeld van was tot Gods eere voor het beeld zetten van San Ambruogio, door wiens bemiddeling God U die genade schonk. Toen het kind den vader zag, betuigde het hem vreugde, gelijk kleine kinderen doen; hij nam het in zijn armen, weende, alsof hij het uit het graf had opgehaald, kuste het en bedankte den peetvader. De metgezel van broeder Rinaldo, die niet één maar misschien wel vier paternosters aan de meid had geleerd en haar een beursje had gegeven van witte zijde, dat een non aan hem had geschonken en haar tot zijn toegewijde had gemaakt, had de peetvader naar de kamer van de vrouw hooren roepen en was zachtjes naar een kant er van gekomen, waar hij zien en hooren kon, wat men er deed. Toen hij de zaak tot een goed einde gevoerd zag, ging hij naar beneden en zeide de kamer binnen tredend: Broeder Rinaldo, de vier gebeden, die gij mij hebt gelast te prevelen, heb ik allen opgezegd. Hierop hervatte frate Rinaldo: Mijn broeder, gij hebt goeden adem. Ik had, toen mijn peetvader kwam, er nog maar twee opgezegd, maar God de Heer heeft door ons het kind genade geschonken. De dwaas liet goede wijnen en meelspijzen komen en bewees aan zijn peetvader en zijn gezel eer in, wat ze meer noodig hadden dan iets anders. Toen ging hij met hen samen het huis uit en beval ze Gode aan en zonder eenig uitstel liet hij den afdruk van was maken en zond dien om met anderen te worden opgehangen bij het beeld van Sint Ambrosius maar niet die van Milaan.
VIERDE VERTELLING.
Tofano sluit een nacht zijn vrouw buiten de deur, die niet bij machte door smeekbeden binnen te komen, doet alsof zij zich in een put werpt. Tofano loopt het huis uit, gaat er heen en zij komt er in, sluit hem buiten, en beleedigt hem met luid geschreeuw.
Toen de koning zag, dat de historie van Elisa geëindigd was, keerde hij zich zonder verwijl naar Lauretta en toonde haar daardoor, dat zij zou volgen; daarom zonder af te wachten, begon zij aldus: O Liefde, hoedanige en welke zijn Uw krachten! Hoe groot Uw raadgevingen en Uw oordeel! Welke wijsgeer, welke kunstenaar kon ooit die listen toonen, dit doorzicht, die aanwijzingen, die gij dadelijk geeft aan wie Uw sporen volgt? Zeker, alle andere wetenschap is achterlijk bij de Uwe. Verliefde donna’s, ik zal U een list vertellen aangewend door een zeer eenvoudige vrouw, die alleen Amor haar had kunnen leeren.
In Arezzo leefde een rijk man, Tofano. Hij kreeg een zeer schoone vrouw tot echtgenoote, monna Ghita, waarop hij zonder te weten waarom spoedig jaloersch werd. Toen de donna dit merkte, was zij zeer verontwaardigd en omdat hij niet anders dan vage en ongeldige redenen daarvoor kon opgeven, besloot zij hem aan het kwaad te doen sterven, waar hij zonder reden bang voor was. Zij bemerkte, dat een jonkman haar begeerde en begon zich stilletjes met hem te verstaan. Aan hunne verhouding ontbrak slechts van het woord tot de daad over te gaan. Zij kende onder de slechte gewoonten van haar man zijn drankzucht en begon hem niet alleen dit aan te bevelen, maar hem zelfs kunstmatig daartoe aan te sporen. Als zij hem goed dronken zag, en hij in slaap was, begaf zij zich naar haar minnaar en ging zoo voort hem te ontmoeten. Door zijn drinken kreeg zij niet alleen den moed haar minnaar in huis te laten komen, maar zij ging een groot deel van den nacht in het zijne doorbrengen, wat daar niet ver vandaan was. De ongelukkige echtgenoot bemerkte, dat, als zij hem aanspoorde te drinken, zij het zelf nooit deed. Dit gaf hem argwaan en hij vermoedde, dat de donna hem beschonken maakte om haar genoegen te kunnen waarnemen, terwijl hij sliep. Hij wilde er de proef van nemen, en hield zich, zonder dat hij iets op had, een avond geheel buiten westen.
De donna meende, dat hij niet meer hoefde te drinken en spoorde hem aan te gaan slapen. Toen hij dit deed, ging zij het huis uit naar dat van haar minnaar en bleef daar tot het midden van den nacht. Tofano stond op, sloot de deuren van binnen en ging aan de vensters zitten, totdat hij de donna zou zien huiswaarts keeren om haar te toonen, dat hij haar rondsluipen bemerkt had. Zij keerde huiswaarts en toen zij het huis van buiten gesloten vond, was zij zeer treurig en beproefde met geweld de deur te openen. Na eenigen tijd zeide Tofano: Vrouw, gij maakt U vergeefs moe, omdat gij er toch niet in kunt komen. Ga, keer terug, vanwaar gij komt en wees er zeker van, dat gij nooit hier terug zult keeren, tot ik U in tegenwoordigheid van Uw ouders en buren die eer heb aangedaan, die U toekomt. De donna begon hem toen bij de liefde van God te smeeken, dat het hem zou behagen haar open te doen, omdat zij niet kwam, vanwaar hij meende, maar van het waken bij een harer buurvrouwen, omdat de nachten lang waren en zij altijd slecht sliep. De gebeden hielpen niets, omdat die wreedaard besloten had, dat al de bewoners van Arezzo haar schande zouden weten. De donna, die zag, dat het bidden niet baatte, ging tot bedreigingen over en zeide: Als gij mij niet open doet, zal ik U tot den rampzaligsten man maken. Tofano antwoordde hierop: Wat kunt gij mij doen? Amor had den geest der donna met zijn raadgevingen verscherpt en antwoordde: Voor ik de schande wil dragen, die gij mij ten onrechte wilt veroorzaken, zal ik mij in gindschen put werpen en dood daar in gevonden zal iedereen gelooven, dat gij in dronkenschap mij er in hebt gesmeten en aldus zult gij moeten vluchten, verliezen wat gij bezit en in ballingschap leven of men zal U het hoofd afslaan als mijn moordenaar, wat gij ook werkelijk geweest zult zijn. Tofano raakte evenwel van zijn dwaze meening niet af. Daardoor zeide de donna: Nu dan, ik kan die behandeling van U niet meer dulden; God vergeve het U, gij kunt mijn spinrokken komen halen, dat ik hier achter laat. En bij die woorden, terwijl de nacht zoo donker was, dat de een den ander ternauwernood kon zien, ging de donna naar de put, nam een grooten steen, die ter zijde lag en liet hem met een schreeuw van God vergeve het mij er in vallen. De steen op het water ploffend maakte een groot gedruisch. Tofano dacht bepaald, dat zij zich er in had geworpen, nam den emmer met het touw en snelde naar de put om haar te helpen. De donna, die zich bij de deur van haar huis had verborgen, nam, zoodra zij hem naar de put zag loopen, de vlucht in huis, sloot het van binnen, ging naar de vensters en zeide: Men moet bijtijds water in zijn wijn doen.
Tofano, die dit hoorde, zag, dat hij er in was geloopen en daar hij de deur niet kon openen eischte hij dit van haar. Zij, die hem stilletjes liet praten gelijk hij het eerst haar had gedaan, begon hem toe te schreeuwen: Bij het kruis van God, vervelende dronkelap, gij komt vannacht niet de deur in: ik kan die manieren niet meer dulden, het is noodig, dat ik aan iedereen laat zien, wie je bent en op welk uur je naar huis komt. Tofano op zijn beurt verbitterd begon haar te beleedigen en te schreeuwen, waardoor de buren die het rumoer hoorden, opstonden, naar de vensters gingen en vroegen wat er aan de hand was.
De donna begon huilend te spreken: Het is die slechte kerel, die me ’s avonds dronken thuis komt of in de kroegen in slaap valt en daarna op dit uur huiswaarts keert. Lang heb ik dat verdragen, maar nu duld ik het verder niet en ik heb hem de schande aangedaan hem buiten de deur te sluiten om te zien of hij zich wil verbeteren. Van den anderen kant vertelde de beestachtige Tofano, hoe het feit had plaats gehad en bedreigde haar zeer. De donna zeide tot haar buren: Kijk, wat een kerel? Wat zoudt gij zeggen, als ik op straat zou staan en hij in huis zou zijn? Bij het geloof in God, dan zou ik denken, dat gij gelooft, dat hij de waarheid zegt. Gij kunt nu zijn verstand kennen. Want hij zegt juist, dat ik dat heb gedaan, wat ik geloof, dat hij heeft uitgevoerd. Hij dacht mij te verschrikken door zich in een put te werpen; had het God mogen behagen, dat hij er zich werkelijk in gegooid had en verdronken was, dan had hij een weinig water in den wijn gedaan, dien hij te veel heeft gedronken. De buren gaven Tofano de schuld en begonnen hem te beleedigen over hetgeen hij de donna toevoegde. Het rumoer werd zoo groot, dat het eindelijk de ouders van de donna bereikte. Deze kwamen daar en hoorden de zaak van de buren. Zij pakten Tofano beet en gaven hem zooveel slagen, dat zij hem geheel gebroken achterlieten. Daarna in het huis gekomen, namen zij tot zich, wat aan de donna behoorde, voerden haar mede naar hun woning en bedreigden Tofano met nog erger. Tofano, die zich door de jaloezie in dien slechten toestand zag, nam, daar hij het goed met zijn vrouw voor had, eenige vrienden als bemiddelaars en deed zijn best de donna in vrede in zijn huis terug te krijgen, aan welke hij beloofde nooit meer naijverig te zijn. Behalve dat gaf hij haar verlof alles naar haar genoegen te doen maar zoo, dat hij het niet zou merken. En aldus als een dwaze stommeling, sloot hij na de schade deze overeenkomst. En leve de liefde en dood aan de tweedracht en de heele boel.
VIJFDE VERTELLING.
Een jaloersch man vermomd als priester neemt zijn vrouw de biecht af, wien zij voorliegt, dat zij een priester bemint, die elken nacht bij haar komt. Terwijl de ijverzuchtige man bij de deur op post staat, laat de donna haar minnaar over het dak binnen komen en blijft met hem.
Nadat Lauretta haar verhaal had geëindigd en ieder de donna geprezen had, die den booswicht behandelde zooals paste, keerde de koning, om geen tijd te verliezen, zich naar Fiammetta en beduidde haar op beminnelijke wijze te vertellen, die aldus begon: Zeer edele donna’s. De voorafgaande geschiedenis drijft mij er toe U ook van een ijverzuchtig man te spreken, want dat, wat de vrouw doet en vooral wanneer de mannen zonder reden jaloersch zijn, is welgedaan. En als de wetgevers alles wel overwogen, zouden zij geen andere straf voor de vrouwen bepaald hebben dan zij voor ieder vaststelden, die een ander treft om zich zelf te verdedigen, want de ijverzuchtigen zijn de belagers der jonge vrouwen en zoeken met alle macht hun dood. Zij blijven de heele week opgesloten en nemen de familie- en de huiselijke plichten waar, verlangend gelijk elk om op feestdagen eenige verlichting, rust en vermaak te hebben gelijk de boeren buiten, de handwerkers in de steden en de regeerders aan de hoven, gelijk God zelf, die den zevenden dag rustte en gelijk de heilige en de burgerlijke wetten het willen, die Gods eer en het gemeenschappelijk welzijn in het oog houdend de dagen van den arbeid onderscheidde van den rustdag. Dit willen de jaloersche mannen niet toestemmen; integendeel, als alle anderen vroolijk zijn, houden zij hun vrouwen meer opgesloten en achteraf en maken hen ongelukkiger en treuriger. Hoe groot en hoedanig het verlangen is van die misdeelden, weten alleen zij, die dit ondervonden hebben. Dus: wat een vrouw ten onrechte aan een jaloersch echtgenoot doet, moet men zeker niet veroordeelen maar prijzen.
Er was dan in Arimino een rijk koopman, met veel bezittingen en geld, die een zeer schoone echtgenoote had. Hij was zeer jaloersch op haar en had geen andere reden daarvoor dan dat hij veel van haar hield en haar heel mooi vond en wist, dat zij al haar best deed om hem te behagen en aldus dacht, dat ieder man haar zou beminnen en zij allen schoon moest voorkomen en ook, dat zij moeite deed aan anderen te behagen, wat de meening was van een slecht, ongevoelig man. Door zijn ijverzucht was hij zoo waakzaam en hield haar zoo gebonden, dat misschien vele ter dood veroordeelden door de gevangenbewaarders met evenveel voorzorg worden in het oog gehouden. De donna kon naar geen bruiloft, feest of kerk gaan of een voet buitenshuis zetten en durfde zich niet aan een venster vertoonen. Aldus was haar leven zeer treurig en zij droeg dat verdriet met des te meer ongeduld, naarmate zij zich minder schuldig voelde.
Daar zij zich door haar man verongelijkt zag, peinsde zij er over tot haar vertroosting een middel te vinden om dat te doen, waardoor haar dit met recht zou geschieden. Daar zij geen middel had zich verblijd te toonen met de liefde, die de een of ander aan den dag legde voor haar, welke door de straat ging, dacht zij er over na, dat er in het huis naast het hare een knap en aardig jonkman was en of er in de scheidsmuur geen gat was, waardoor zij zoo dikwijls kon loeren, als zij met den jonkman zou spreken en hem haar liefde te schenken, indien hij die wilde aannemen. Zij kon hem zoo terug vinden en haar treurig leven veranderen, tot de duivel bij haar man uit het lijf was gedreven. Daar zij het geheele huis doorliep, als de man er niet was, zag zij in den muur der woning bij toeval in een vrij afgelegen deel, dat er een spleet in was. Zij keek door die scheur en kon slecht, wat er achter was, onderscheiden, maar werd een kamer gewaar en zeide tot zich zelf: Indien dit de kamer van Filippo is, (haar buur) zijn wij bijna klaar. En voorzichtig liet zij haar dienstmeid, die haar welgezind was, verspieden en die bevond, dat de jonkman werkelijk heel alleen daar sliep. Zij ging daarom dikwijls naar die spleet toe en als zij er den jonkman bemerkte, liet zij door de scheur kleine steentjes vallen en dergelijke prutserijen, zóó, dat de jonkman om te zien, wat dat beteekende, er heen kwam. Zij riep hem zachtjes. En hij, die haar stem kende, antwoordde haar en zij, die nu gelegenheid had, opende hem haar geheele ziel. Hierover was de jongeling zeer blijde en maakte het gat grooter zoo, dat niemand het merkte. Zij keuvelden dikwijls en gaven elkaar de hand, maar meer konden zij niet doen door de voortdurende waakzaamheid van den jaloerschen echtgenoot. Toen het Kerstfeest naderde, zeide de donna tot haar man, dat, als het hem beviel, zij ’s ochtends naar de kerk wilde gaan biechten en deelnemen aan de plechtigheid, gelijk de andere christenen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Hebt gij dan gezondigd, dat gij wilt gaan biechten? De donna sprak: Hoe! Gelooft gij, dat ik heilig ben, omdat gij mij opgesloten houdt! Gij weet wel, dat ik zonden bega als de andere stervelingen, maar die wil ik U niet zeggen, want gij zijt geen priester. De nijdigaard kreeg argwaan en wilde de zonden, die zij had bedreven, te weten komen en peinsde over een middel. Hij vond het goed, maar wilde niet, dat zij naar een andere kerk ging dan naar hun kapel en dat zij er bij tijds naar toe zou gaan en er biechten bij hun kapelaan of den priester, dien de kapelaan haar zou aanwijzen en dan dadelijk naar huis zou gaan. De donna begreep het maar half, maar zonder een woord meer antwoordde zij, dat zij het zou doen. Toen de morgen van den feestdag kwam, stond de donna bij het krieken van den dag op en ging naar die kerk. De jaloersche man stond ook op, ging naar dezelfde kerk en was er eerder dan zij en daar hij het al met den priester eens was, wat hij wilde doen, trok hij haastig een gewaad van den priester aan met een groote, om het hoofd sluitende kap, welke hij een weinig naar voren had getrokken en zette zich neer in het koor. De donna liet den priester roepen. De priester kwam en toen hij van de donna hoorde, dat zij wilde biechten, zeide hij, dat hij haar niet aan kon hooren, maar dat hij een metgezel zou sturen en zond tot diens ongeluk den jaloerschen man. Deze veranderde zich zooveel mogelijk, hoewel het nog niet helder dag was en had zich de kap ver over de oogen getrokken, maar wist zich niet zoo te vermommen, dat hij door de donna niet spoedig werd herkend. Toen zij dit zag, zeide zij tot zich zelf: Geloofd zij God, dat deze van jaloersch man priester is geworden; maar ik zal hem geven, wat hij zoekt. Zij deed of zij hem niet kende en ging aan zijn voeten zitten. Messer de jaloersche had zich eenige steentjes in den mond gestoken, opdat die hem een weinig de spraak zouden belemmeren, zoodat hij geloofde geenszins ontdekt te kunnen worden. In de biecht vertelde de donna, dat zij gehuwd was en dat zij verliefd was op een priester, die elken nacht met haar sliep. Toen de nijdigaard dit hoorde, was het hem of hij een messteek in het hart kreeg en ware het niet geweest, dat de begeerte hem drong er meer van te weten, dan had hij de biecht laten varen en zou heengegaan zijn. Hij hield zich dus goed en vroeg de donna: Hoe zoo? Slaapt uw man met U? De donna antwoordde: Zeker, messire. Maar, zei de nijdigaard, hoe kan de priester met U slapen? Messer, hernam de donna, ik weet niet door welk kunstmiddel, maar er is in huis geen deur zoo gesloten, die, als hij klopt, niet opengaat en wanneer hij tot de deur van mijn kamer gekomen is, spreekt hij, voor hij die opent, zekere woorden uit, waardoor mijn man dadelijk inslaapt en zoodra hij dit merkt, komt hij binnen en blijft bij mij. Toen sprak de nijdigaard: Madonna, dat is een leelijk ding en mag zeker niet zoo blijven. De donna hernam: Messire, ik kan niet van hem scheiden, omdat ik hem veel te lief heb. Dan, sprak de nijdigaard, kan ik U geen absolutie geven. De donna voegde er aan toe: Ik ben er treurig om, want ik kwam niet hier om U leugens te vertellen, en als ik gelooven zou het te kunnen, zou ik het U zeggen.