Chapter 44
Toen de jonge dames hier aangekomen waren na overal te hebben rondgekeken, prezen zij die plaats zeer. Daar het zeer warm was en zij het waterbekken voor zich zagen, overlegden zij of zij daar zouden baden. Na hun meid last te hebben gegeven op den weg te blijven staan en op te letten of er iemand aankwam, ontkleedden zij zich alle zeven en gingen in het water, dat de blankheid van hun lichaam niet meer verborg dan een doorschijnend glas het een roode roos zou hebben gedaan. Daar ze allen er in gegaan waren, zonder dat het water er eenigszins onhelder van geworden was, begonnen zij hier en daar de visschen te vangen met de handen, daar die zich niet konden verbergen. Bij dit vermaak maakten ze er enkelen buit en na eenigen tijd gingen zij er uit; zij kleedden zich weer aan en toen was het uur daar om huiswaarts te keeren. Vroegtijdig bij het paleis aangekomen, vonden zij er nog de jongelieden bij het spel. Pampinea sprak lachend: Wij hebben ons heden waarlijk bedrogen! Waarom, vroeg Dioneo, begint gij dan eerst met daden eer gij met woorden aanvangt! [142] Pampinea vertelde hem uitvoerig, vanwaar zij kwamen en hoe de plaats er uit zag en wat zij hadden gedaan. De koning, die van de schoonheid van die plek hoorde en deze verlangde te zien, liet snel het avondmaal komen; toen dit allen verzadigd had, gingen de drie jongelieden met hun bedienden naar die vallei en zij prezen deze als een van de schoonste plaatsen van de wereld. En nadat zij er gebaad en zich weer aangekleed hadden en het reeds zeer laat was, keerden zij huiswaarts, waar zij de donna’s dansende vonden, op een wijs, die Fiammetta zong. Toen de dans gedaan was, begonnen zij over de Dames-Vallei te praten en spraken met zooveel lof daarvan, dat de koning den hofmeester ontbood, beval hem het maal voor den volgenden morgen daar klaar te zetten en er bedden te laten aandragen, indien men er wilde slapen of s’esta houden. Hierna liet hij lichten komen, wijn en meelspijzen. Na gebruik daarvan beval hij, zich gereed te maken tot den dans. Toen Pamfilo op zijn bevel een dans geordend had, keerde de koning zich tot Elisa en sprak tot haar met gratie: Schoone, jonge dame. Door u had ik de eer de krans te worden opgezet, en nu wil ik vanavond u de eer laten voor den zang en zing dus het lied, dat U het meest zal behagen. Elisa antwoordde glimlachend, dat zij dit gaarne wilde en begon met een zachte stem aldus:
Liefde, indien ik aan uw klauwen kan ontsnappen, Kan ik nauwelijks gelooven, Dat niet een andere klauw mij grijpt.
Ik ging heel jong in uw oorlog Geloovend, dat dit een hooge en zoete vrede was, En ik legde al mijn wapens neder Als hij die vertrouwen heeft: Maar gij, trouwelooze tyran, tuk en roofziek, Gij waart mij op de hielen Met uw wapens en uw wreede nagels.
Toen, eenmaal omslingerd door uw ketens Voor hem, die geboren werd om mij te doen sterven, Vol bittere tranen en smarten, Maakte gij mij gevangen en gij hebt mij in zijn macht gesteld; En zijn heerschappij is zoo wreed, Dat nooit zuchten hem bewogen Noch klachten, die mij dooden.
Al mijn gebeden vervaagt de wind. Hij luistert naar geen, noch wil hij er naar hooren Daardoor stijgt mijn marteling ieder uur En is dus het leven mij een last, en toch kan ik niet sterven. Heer, heb medelijden met mijn smarten En doe, wat ik niet vermag Lever mij hem over in uw ketenen.
Indien gij dit niet wilt, ontkluister dan althans De banden geknoopt door de hoop. Zie! ik bid U, Heer, dat Gij dit wilt, Want als Gij dit doet, heb ik nog vertrouwen Weer schoon te worden, zooals ik placht te wezen, En als de smart verdwijnen zal, Zal ik mij tooien met witte en roode bloemen.
Nadat Elisa met een zeer meewarige verzuchting haar zang had geëindigd en hoewel allen over zulke woorden verwonderd waren, kon toch niemand raden, wat de aanleiding was. Maar de koning, die in goeden luim was, liet Tindaro roepen, en beval hem, dat hij zijn doedelzak voor den dag haalde, op welk geluid hij vele dansen liet uitvoeren. Maar daar reeds een groot deel van den nacht voorbij was, gelastte hij toen, dat elk zou gaan rusten.
ZEVENDE DAG.
De zesde dag van de Decamerone eindigt, de zevende vangt aan. Onder het bewind van Dioneo wordt gesproken over de streken, welke de vrouwen, gedreven door liefde of tot hun redding tegenover hun echtgenooten hebben uitgehaald, die het al of niet merken.
Alle sterren waren reeds in het Oosten geweken, behalve die wij Lucifer noemen en die nog schitterde in den blankenden dageraad, toen de hofmeester opstond en met veel goed zich naar de Dames-Vallei begaf om er alles te ordenen. Niet lang na zijn vertrek ontwaakte de koning, dien het rumoer van de badende bedienden en der lastdieren had gewekt en hij liet al de donna’s en de jongelieden volgen. Ternauwernood schenen de zonnestralen, toen allen zich op weg begaven en nooit was het hun voorgekomen, dat de nachtegalen en de andere vogels zoo lustig hadden gezongen als dien morgen; door hun liederen begeleid gingen zij tot aan de Vallei der Donna’s, waar, omdat zij door nog meer vogels werden toegekweeld, het hun leek, dat die zich over hun komst verheugden. Zij wandelden er weer in rond en die scheen hun nog zooveel te schooner dan den vorigen dag, naarmate het uur meer met zijn schoonheid overeen kwam. En nadat zij met goeden wijn en meelspijs zich hadden ontnuchterd, begonnen zij, opdat zij niet werden overtroffen door de vogels, te zingen en de vallei met hen zong steeds dezelfde liederen als zij, waarbij de vogels, alsof zij niet overwonnen wilden worden zoete, nieuwe tonen kweelden. Maar toen het dansuur was aangebroken en de tafels gezet waren onder de levendige laurierboomen en de andere schoone stammen dicht bij het meertje, zaten zij aan en onder het eten zagen zij de visschen in zeer talrijke scholen het meer doorzwemmen, wat hun meermalen even goed reden tot kouten als tot kijken gaf. Maar toen het verblijf was geëindigd, begonnen zij nog opgeruimder dan te voren te zingen. Vervolgens, toen er op verschillende plaatsen rustbedden waren opgeslagen, en die allen door den zeer bescheiden hofmeester waren omgeven en gesloten met fransche serge gordijnen, kon elk, met verlof des konings, wien dit beviel, gaan slapen, en wie dit niet verkoos, kon naar welbehagen van hun andere genietingen gebruik maken. Toen het uur gekomen was, dat allen opstonden en het tijd was om te gaan vertellen, werden niet ver van die plaats, tapijten op het gras uitgespreid; en zij zetten zich dicht bij het meer neder en de koning beval, dat Emilia zou aanvangen, die blijde glimlachend aldus met verhalen begon:
EERSTE VERTELLING.
Gianni Lotteringhi hoort bij nacht aan zijn deur kloppen. Hij wekt zijn vrouw en zij doet hem gelooven, dat dit een spook is. Zij beginnen het met een gebed te bezweren en het tikken houdt op.
Mijn heer, het zou mij zeer aangenaam geweest zijn, indien het u had behaagd, dat een ander met zulk een schoonen stof begonnen ware, maar omdat het u bevalt, dat ik hierdoor al de anderen moed schenk, doe ik het gaarne. Zeer geliefde donna’s. Ik zal u iets verhalen, wat u in de toekomst van nut kan zijn, zoo gij even bang zijt als ik en het meest voor een spook, waarmee ik—God weet het—niet bekend ben, en ik vond ook niemand, die het nog zag en om dit, daar wij het allen evenzeer vreezen, weg te jagen, wanneer gij maar goed mijn geschiedenis onthoudt en ook een heilig en goed gebed kunt leeren.
Er leefde vroeger te Florence in de San Brancazio-straat een fijnlinnenkaarder Gianni Lotteringhi, een man gelukkiger in zijn vak dan in andere dingen, omdat hij onnoozel van geest, meermalen tot koorvoerder was gemaakt van de Laudesi van Santa Maria Novella om voor hun vergaderplaats te zorgen. Dit beviel hem, omdat hij als welgesteld man zeer vaak goede gastmalen aan de broeders gaf. Dezen, omdat de een er kousen, de ander een kap en gene er vaak een schoudermantel mee verdienden, leerden hem goede gebeden en gaven hem het Pater noster in de volkstaal en den zang van Sint Alexis en de klacht van Sint Bernardus en het loflied van donna Mathilde en al dergelijke gekkepraat meer, waar hij zeer veel mee ophad en die hij met groote zorg voor het heil van zijn ziel bewaarde.
Nu had hij een zeer mooie en bekoorlijke vrouw, monna Tessa, de dochter van Mannuccio van la Cuculia, tevens wijs en zeer schrander. Zij, die de onnoozelheid van haar man kende, was verliefd op Federigo di Neri Pegolotti, een knappe en frissche jonkman en hij op haar. Zij regelde het met haar meid, dat Federigo haar kwam spreken op een zeer mooie plek, die gezegde Gianni in Camerata had, waar zij den ganschen zomer bleef en Gianni soms kwam eten en slapen en ’s ochtens naar zijn winkel ging en enkele malen naar zijn Laudesi. Federigo, zeer verlangend, koos den tijd, die hem was opgegeven en ging gedurende den vesper heen, en daar Gianni er dien avond niet kwam, bleef hij geheel op zijn gemak en met veel genoegen bij de donna avondmalen en slapen. Terwijl zij in zijn armen lag, leerde zij hem gedurende den nacht wel zes van de lofzangen van haar man. Maar daar zij niet wilde, dat dit de laatste maal was en tevens de eerste en Federigo evenmin, stelden zij het volgende vast, opdat de dienstmeid niet telkens tot hem moest gaan: dat hij elken dag, wanneer hij ging naar of terugkwam van zijn buiten, hij acht zou geven op een wijnrank langs haar huis. Hij zou een ezelskop zien geplaatst op een der wijngaardstaken. Wanneer hij den snuit gekeerd zag naar Florence, kon hij zeker dien nacht bij haar komen en als hij de deur niet open vond, had hij maar drie keer te kloppen. Maar wanneer hij den kop zou zien met den spits naar Fiesole, zou Gianni er zijn. Zoo kwamen zij dikwijls bijeen. Doch eens zou Federigo avondmalen met Monna Tessa. Zij had voor hem twee groote kapoenen laten braden, en Gianni kwam zeer laat. Daarover was de donna zeer treurig en hij en zij aten een beetje van het gezouten vleesch, dat zij afzonderlijk had laten koken. Zij liet de meid de twee gebraden kippen in een witten doek doen en verscheidene versche eieren en een flesch met goeden wijn in haar tuin dragen, waar men in kon komen zonder door het huis te gaan en waar zij gewoon was soms met Federigo te avondmalen en zij zeide haar, dat zij die moest neerleggen aan den voet van een perzikboom, die aan den kant van een veld stond. Haar toorn was zoo groot, dat zij vergat aan de meid te zeggen, dat zij zoo lang wachtte en hem te berichten, dat Gianni er was en dat hij dien voorraad uit den tuin zou medenemen. Aldus, toen zij en Gianna naar bed waren gegaan en ook de meid, duurde het niet lang of Federigo kwam en klopte een keer hard aan de deur, welke zoo dicht bij de kamer was, dat Gianni het onmiddellijk hoorde en de donna ook, maar opdat Gianni niets kon vermoeden, deed zij of ze sliep. En na eenigen tijd gestaan te hebben, klopte Federigo ten tweeden male, waarover Gianni verwonderd de donna een weinig aan de elboog stootte en zeide: Tessa, hoor je, wat ik hoor? Het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna, die veel beter dan hij had gehoord, deed of zij wakker werd en zeide: Wat zegt gij? Ik zeg, zeide Gianni, dat het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna zeide: Klopt men? O wee, Gianni, weet je dan niet, wat dat is? Dat is het spook, waarvoor ik deze nachten den grootsten angst heb gehad, zoodat ik, zoodra ik het gewaar werd, het hoofd onder de dekens stak en het er niet onderuit durfde trekken, voor het licht werd. Toen zeide Gianni: Kom, vrouw, wees niet bang, want ik heb maar dadelijk het Te Lucis en de Intemerata en andere gebeden op te zeggen, wanneer wij naar bed gaan en maak aan elken hoek van het bed het teeken des kruises in naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, dan hoeft gij niet bang meer te zijn, daar het U dan geen kwaad meer kan doen.
De donna, opdat Federigo geen argwaan kreeg en met haar ging twisten, stond toch op om hem te doen bemerken, dat Gianni er was en zeide tot den echtgenoot: Wel, wel, dat zijn mooie woorden! Ik voor mij, ik zou mij niet veilig achten, indien wij het niet bezwoeren, terwijl gij er bij zijt. Gianni hernam: En hoe bezweert men het? De donna sprak: Ik weet het wel te bezweren, want eergisteren, toen ik naar den aflaat te Fiesole ging, leerde mij een van de kluizenaarsters, die, Giannilief, voor mij wel het heiligst van allen zijn en die mij zoo bang zag, een heilig en goed gebed en zeide, dat zij het altijd met goed gevolg beproefd had, voor zij kluizenaarster was. God weet, dat ik nooit den moed heb gehad om het alléén te beproeven, maar nu gij er zijt, wil ik, dat wij het bezweren. Gianni zeide, dat het hem zeer beviel. Zij gingen samen zachtjes naar de deur, waar Federigo al argwanend afwachtte. Toen zeide de donna tot Gianni: Gij moet spuwen, als ik het U zeg. Goed, zei Gianni. En de donna begon het gebed en zeide: Spook, spook, dat ’s nachts rondgaat, gij zijt hier gekomen met opgeheven staart in den tuin naar den voet van den grooten perzikboom, waar gij het gebradene tweemaal gebraden zult vinden en honderd eieren van mijn hen; zet je mond aan de flesch en ga heen en doe geen kwaad noch aan mij, noch aan mijn Gianni. Hierna sprak zij tot den echtgenoot: Spuw Gianni, en Gianni spuwde. Federigo hoorde dit, van minnenijd vertoornd, en had ondanks al zijn neerslachtigheid zulk een lust te lachen, dat hij er van barstte en zachtjes sprak hij, terwijl Gianni spuwde: Spuw je tanden uit. De donna, die drie maal het spook had bezworen, ging met den echtgenoot weer naar bed. Federigo, die verwacht had met haar te avondmalen, en die haar woorden wel had verstaan, ging den tuin in en vond alles aan den voet van den grooten perzikboom, droeg het naar huis en avondmaalde daar zeer op zijn gemak.
Later lachte hij met haar dikwijls over die bezwering. Het is waar, dat sommigen zeggen, dat de donna wel de ezelskop naar Fiesole gekeerd had, maar dat een landman door den wijngaard gaande hem een stokslag gaf en hem om en om draaide en hij naar Florence gekeerd bleef en dat daardoor Federigo in de meening geroepen te zijn, gekomen was en dat de donna het gebed aldus had gedaan: Spook, spook, ga met God, want ik heb het ezelshoofd niet omgekeerd, maar een ander en dat God hem er over bedroeve; ik ben hier met mijn Gianni; en dat hij daarop heengegaan zonder nachtverblijf en avondmaal bleef. Maar een mijner buurvrouwen, een zeer oude donna, vertelde mij, dat het allebei waar was, naar wat zij er van wist als kind; maar dat het laatste niet met Gianni Lotteringhi gebeurd was maar met iemand, die Gianni di Nello heette, welke bij de poort San Piero woonde, niet minder dwaas dan Gianni Lotteringhi. En daarom, mijn lieve donna’s, staat het aan U van de beide lezingen die te kiezen, welke U het meest van de twee bevalt of beide. Zij hebben een zeer groote kracht bij zulke dingen, gelijk gij—hoop ik—gehoord hebt. Leer ze en dan kan dat U nog helpen.
TWEEDE VERTELLING.
Peronella stopt haar minnaar in een groot wijnvat, als haar man thuis komt. Als deze zegt, dat hij dit verkocht heeft, zegt zij, dat zij dit ook heeft verkocht aan iemand, die er in is gekropen om te zien of het in goeden staat is. Deze springt er uit en laat het door den echtgenoot schoon maken, terwijl hij de vrouw liefkoost en laat het daarna bij zich thuis brengen.
De novelle van Emilia werd met zeer groot gelach aangehoord en het gebed door allen als goed en heilig geprezen en toen die geëindigd was, beval de koning aan Filostrato te vervolgen, die aldus begon: Zeer geliefde donna’s. De bedriegerijen, die de mannen jegens U uithalen en vooral de echtgenooten zijn zoo talrijk, dat, wanneer soms een vrouw haar man bedriegt, gij niet alleen voldaan moet zijn en U tevreden toonen het te weten of het aan iemand te hooren zeggen, maar gij moet het zelf overal vertellen om aan de mannen te leeren, dat, als die poetsen weten te bakken, de vrouwen het ook kunnen, wat niet anders dan zeer nuttig kan zijn, omdat, als men weet, dat de tegenpartij het ook kan, men die niet zoo licht zal willen bedriegen. Wie twijfelt er dus aan, dat, wanneer het thans bij de mannen bekend wordt, het niet hun grootste reden tot zelfbedwang zal zijn, als zij weten, dat gij hen evenzeer voor den mal kunt houden? En aldus wil ik U vertellen wat een jonge vrouw van hoe lagen stand ook in een ommezien tot haar zelfbehoud aan haar man leverde.
Nog niet lang geleden nam in Napels een arm man een schoone en begeerenswaardige vrouw tot echtgenoote, Peronella en hij als metselaar en zij door te spinnen verdienden moeilijk den kost. Eens werd een aardig jonkman, die Peronella zag, op haar verliefd en beijverde zich zoo voor haar, dat zij zich met hem eigen maakte. Om samen te zijn, namen zij deze maatregel: daar de echtgenoot elken morgen vroeg moest opstaan om te werken of werk te vinden, stond de jonkman ergens om hem naar buiten te zien komen en daar de straat, waar hij woonde en die Avorio heette, zeer eenzaam was, kon hij, als de ander heenging, in haar huis komen en zoo deden zij meermalen. Eens kwam Giannello Strignario, de jonkman, toen de man er op uit was gegaan in huis en bleef met Peronella samen. Na eenigen tijd kwam de man, hoewel hij gewoonlijk den heelen dag niet thuis kwam, terug. Daar hij de deur van binnen gesloten vond, klopte hij en zeide in zichzelf: O God, wees altijd geprezen; want, hoewel Gij mij arm hebt gemaakt, hebt Gij mij tenminste getroost met een goede en brave vrouw. Ziet Gij, hoe zij spoedig van binnen sloot, opdat niemand er in zou komen, die haar zou hinderen. Peronella, die den echtgenoot bemerkte, daar zij zijn wijze van kloppen kende, zeide: Wee mij, Giannellief, ik ben des doods, want daar is mijn man, dien God bedroeve, omdat hij is teruggekeerd en ik begrijp het niet, dat hij op dit uur komt; misschien, dat hij U zag. Maar bij de liefde van God, wat er ook gebeurd is, kruip in dat vat, ik zal open gaan doen en kijken wat het beduidt. Giannello kroop haastig in het wijnvat en Peronella opende haar man en zeide stuursch: Wat is dat voor nieuwigheid, dat gij hedenmorgen zoo vroeg naar huis komt? Het schijnt mij, dat gij niets uitvoert, want ik zie U terugkeeren met uw gereedschappen in de hand, en als gij zoo doet, waar zullen wij dan van leven! Gelooft gij, dat ik duld, dat gij mijn rok en andere kleeren naar den lommerd brengt. Ik doe dag en nacht niets anders dan spinnen, zoodat het vleesch mij van de nagels gaat voor de olie van de lamp. Man, man, er is geen buurvrouw, die er zich niet over verwondert en die niet met mijn zwoegen den draak steekt, zooveel als ik heb te verduren en gij komt me thuis met hangende handen, wanneer gij uit werken moest gaan. En bij die woorden begon zij te huilen en opnieuw te zeggen: Wee mij, laat mij treuren. Op wat een kwaad uur ben ik geboren? Want ik heb zulk een welgestelden jonkman kunnen trouwen en ik heb U genomen, die niet denkt aan haar, die hij thuis heeft. De anderen profiteeren met hun minnaars en er is er niet één, die er niet twee of drie heeft en zij toonen aan hun echtgenooten de maan voor de zon en ik, ongelukkige, omdat ik goed ben, lijd en heb tegenspoed; waarom ontzeg ik mij minnaars als de anderen? Hoor wel, man, dat, als ik kwaad zou willen doen, ik er wel zou vinden, die heel aardig zijn, mij liefhebben en die mij groote sommen gelds hebben laten bieden, kleeren of edelgesteenten, maar mijn hart duldde dit niet, omdat ik mijn moeders dochter ben en gij keert naar huis terug, wanneer gij moet werken. De man zeide: Vrouw, bij God, maak je niet zoo treurig. Ik ken U wel en dit heb ik van ochtend gemerkt; ik ging uit om te werken, maar wij vergaten, dat het heden Santo Galeone is, een rustdag, en daarom kwam ik thuis, maar ik heb toch het middel gevonden, dat wij voor meer dan een maand brood zullen hebben, want ik heb het wijnvat aan iemand, die bij mij zal komen, verkocht, aan hem, die daarvoor al zoolang om het huis heeft gedraaid en hij gaf mij er vijf goudlelies (goudguldens) voor.
Peronella antwoordde: Dat is juist mijn verdriet, dat gij een man zijt, die van de wereldsche dingen moest weten en een vat voor vijf goudlelies verkocht hebt, terwijl ik, vrouwtje, die nooit buiten de deur kwam, den last ziende, die het ons veroorzaakte, het een man heb verkocht, die, toen gij terugkeerde, er in is gegaan om te zien of het heel is. Toen de echtgenoot dit hoorde, was hij meer dan tevreden en hij zei tot hem, die met hem mee was gegaan: Mijn goede man, ga met God, want gij hoort, dat mijn vrouw het tegen zeven heeft verkocht, terwijl gij er maar vijf voor gaaft. De man sprak: Goed, en ging heen. En Peronella zeide tot den echtgenoot: Regel met hem onze zaken. Giannelli, die de gespitste ooren overeind hield of hij ook voor iets bang moest zijn, wierp zich haastig uit het vat en alsof hij niets van het binnenkomen van den echtgenoot had gemerkt, zeide hij: Waar zijt gij, brave vrouw! Hierop antwoordde de echtgenoot: Hier ben ik, wat verlangt gij? Giannello hernam: Wie zijt gij? Ik vraag het aan de donna, met wien ik onderhandelde. De echtgenoot sprak: Handel gerust met mij, want ik ben haar man. Giannello voegde er bij: Het vat schijnt mij goed in orde, maar het komt mij voor, dat gij er vuil in hebt laten liggen, want het is heelemaal smerig van ik weet niet wat voor droog goed, dat ik er met de nagels niet af kan krijgen en ik neem het niet, voor het schoon is. Toen sprak Peronella: Neen, daarom zal de verkoop niet uitblijven, mijn man zal het heelemaal schoon maken. Na zijn gereedschappen te hebben neergelegd en zich in zijn hemd te hebben gezet, liet de echtgenoot licht aansteken en zich een schrapijzer geven; toen sprong hij in de kuip en begon te schrappen. En Peronella, alsof zij wilde zien, wat hij zou doen, stak het hoofd door den mond van het vat, die niet zeer groot was en een van de armen met den schouder en zei: Schrap hier, schrap daar en ook ginder en: kijk, daar is nog wat vuil overgebleven. En terwijl zij zoo den echtgenoot onderrichtte, besloot Giannello, die dien morgen zijn verlangen nog niet bevredigd had, het te doen gelijk hij kon. Hij naderde haar, die de opening van het vat geheel gesloten hield en zooals in de wijde velden de losse merries en de verhitte hengsten van Parthië te werk gaan, bevredigde hij zijn jeugdige begeerte. Toen het vat gekrabd was liet hij haar los. Petronella zei tot Giannello: Houdt dat licht vast, manlief en zie of het naar Uw zin schoon is gemaakt. Giannello, die er in keek, zeide, dat het in orde was en nadat hem zeven goudlelies waren geschonken, liet hij het naar zijn huis brengen.
DERDE VERTELLING.
Broeder Rinaldo slaapt met zijn petemoei; de echtgenoot vindt hem, met haar in de kamer en zij doen hem gelooven, dat hij de wormen van het zoontje bezwoer.
Filostrato wist niet op zóó bedekte wijze over de parthische paarden te spreken, of de ondeugende donna’s lachten er om en deden of het om iets anders was. Maar toen de koning zag, dat de novelle geëindigd was, gelastte hij Elisa te verhalen. Deze gehoorzaamde en begon: Bekoorlijke donna’s. Het bezweren van het spook van Emilia heeft mij een geschiedenis in het geheugen geroepen van een andere bezwering, die ik zal verhalen, hoewel deze niet zoo schoon is als de voorgaande, maar daar mij voor ons onderwerp op het oogenblik geen andere invalt.
Gij moet weten, dat er in Siena een heel aardig jonkman was van voorname familie, Rinaldo. Hij was vurig verliefd op een zeer schoone buurvrouw, de echtgenoote van een rijk man en hoopte een middel te vinden haar zonder argwaan te spreken en alles te verkrijgen, wat hij verlangde. Maar daar hij er geen kans toe zag en de donna zwanger was, dacht hij er aan haar peet te worden en na vriendschap te hebben gesloten met haar man zeide hij hem zijn wensch en het geschiedde.