De Decamerone van Boccaccio

Chapter 43

Chapter 434,016 wordsPublic domain

Toen ieder met vertellen gereed was, wist Dioneo, dat het zijn beurt was. Daarom geen plichtgevoel afwachtend, legde hij allen stilte op, die het scherpe woord van Guido prezen en begon: Bekoorlijke donna’s. Hoewel ik het voorrecht heb te zeggen, wat mij het meest behaagt, wil ik heden niet afwijken van onderwerp, waarover gij allen zeer verstandig gesproken hebt. Maar ik wil u aantoonen met welk een voorzichtigheid en onverwacht een der broeders van Santo Antonio aan een strik ontsnapte hem door twee jongelieden gespannen.

Certaldo is een burcht in den Val d’Elsa in ons graafschap gelegen, dat, hoe klein ook, vroeger door edele en welgestelde lieden werd bewoond. Daar hij er veel geld kreeg, had frate Cipolla een der broeders van Santo Antonio de gewoonte er eens per jaar langen tijd heen te gaan, om er de aalmoezen, gegeven door stommelingen, in te zamelen. Hij was er gezien niet minder om zijn naam dan door vroomheid, daar die plaats de best bekende uien [132] voortbrengt van geheel Toscane. Cipolla was klein van gedaante, rood van haar, van een vroolijk uiterlijk, een gezellig man en behalve dat, hoewel hij niets wist, was hij zoo’n goed en handig spreker, dat wie hem niet kende, hem niet slechts voor een groot redenaar zou gehouden hebben, maar voor Cicero zelf of misschien voor Quintilianus en daarom was hij van allen in die streek de vertrouwde, de vriend of de beschermer. Daar hij volgens zijn gewoonte op een Zondagmorgen in de maand Augustus gekomen was en de mannen en de vrouwen van de naburige dorpen in de hoofdkerk naar de mis waren gegaan, sprak hij: Dames en heeren. Het is uw gewoonte elk jaar aan de armen van baron messer Santo Antonio van uw graan en haver te sturen elk naar zijn vermogen en vroomheid, opdat de zalige Santo Antonio Uw ossen en ezels en varkens en schapen onder zijn bescherming neemt. En in het bijzonder betaalt gij hen, die bij onze broederschap zijn ingeschreven, den kleinen cijns, die men eens per jaar opbrengt. Ik ben door mijn meerdere, dat is de heer abt, gezonden om U daaraan te herinneren en daarom met Gods zegen, als gij de klokken zult hooren luiden na den noen, zult gij hier komen buiten de kerk, waar ik ook tot U zal spreken en gij het kruis zult kussen. Ik ken U allen als zeer devoot jegens den baron, messer Antonio, en zal U door bijzondere genade een zeer heilig en zeer schoon reliek toonen, dat ik zelf uit het Heilige Land van over zee hebt meegebracht, een der veeren van den engel Gabriël, die in de kamer van de Maagd Maria achterbleef, toen hij haar de Boodschap bracht in Nazareth. Er waren, toen broeder Cipolla deze woorden sprak, twee zeer sluwe jongelieden in de kerk, Giovanni del Bragoniera en Biagio Pizzini. Nadat zij een weinig gelachen hadden over het reliek van broeder Cipolla, stelden zij elkaar voor, hoewel zij met hem bevriend waren hem met die veer een poets te bakken.

Zij wisten, dat broeder Cipolla dien ochtend in het kasteel ontbeet met een van zijn vrienden en zoodra zij hem daar aan tafel bemerkt hadden, gingen zij naar de herberg, waar de monnik was afgestapt na overeengekomen te zijn, dat Biagio den knecht van broeder Cipolla aan de praat moest houden en Giovanni dan onder de bagage van den broeder naar die veer zou zoeken en die stelen. Broeder Cipolla had een knecht, Guccio Balena, door anderen Guccio Imbratta en Guccio Porco genaamd. Hij was zoo leelijk, dat Lippo Topo nooit zijn gelijke geschilderd heeft. Broeder Cipolla maakte er dikwijls met zijn gezelschap gekheid over en zeide van hem: Mijn knecht bezit negen eigenschappen en als een in het bezit was geweest van Salomo, Aristoteles of Seneca, was die voldoende geweest om hun deugd, hun verstand en hun heiligheid te bederven. Denk eens na en hij heeft er negen, die er noch deugd, noch verstand, noch heiligheid op na houdt. Als men hem soms vroeg naar die negen dingen, antwoordde hij, die ze op rijm had gebracht: Hij is langzaam, vuil en leugenachtig, slordig, ongehoorzaam, kwaadsprekend, zorgeloos, zonder geheugen en ongemanierd. Bovendien heeft hij nog andere ondeugden, waarover het beter is te zwijgen. En het lachwekkendst is, dat hij overal een vrouw wil nemen en een huis huren. Omdat hij een grooten, zwarten en glanzenden baard heeft, gelooft hij zoo mooi te zijn en aardig, dat alle vrouwen die hem zien, verliefd op hem worden en als men hem liet gaan, zou hij ze naloopen, tot hij er zijn gordel bij verloor. Het is waar, dat hij voor mij een groote steun is, omdat er niemand is, hoe vertrouwelijk hij ook met mij mee spreekt, of mijn knecht moet er het zijne van weten en vraagt men mij iets, dan is hij zóó bang, dat ik niet zal weten te antwoorden, dat hij dadelijk ja of neen zegt, al naar hij ’t het best acht. Broeder Cipolla had hem in de herberg achtergelaten en hem gelast op te passen, dat niemand zijn knapzakken zou aanraken, omdat zich daarin heilige dingen bevonden. Maar Guccio Imbratta, die nog verlangender was in de keuken te zijn dan een nachtegaal op de groene takken en vooral als hij er een dienstmeid zag, had in dien van den waard er een gevonden vet, dik, klein en mismaakt en met een paar borsten, die twee mestmanden leken en met een gezicht, dat aan de Baronci herinnerde, en erg zweetend, smerig en berookt; daarop wierp hij zich als een gier op aas en liet de kamer van broeder Cipolla in den steek. Hoewel het Augustus was, ging hij bij het vuur zitten, begon met haar, die Nuta heette, een gesprek, zeide, dat hij volgens getuigenis van een procureur edelman was en dat hij meer dan duizende florijnen rijk was, zonder te rekenen wat hij aan anderen schuldig was en dat hij tot meer in staat was dan God zelf. Zonder te letten op haar muts, waarop zulk een laag vet was, dat zij er den soepketel van Altopascio [133] mee had kunnen klaar maken, en op haar verscheurde en gelapte schort. Om haar hals en oksels zat vuil zweet en meer vlekken en kleuren dan ooit tartaarsche of indische kleeden vertoonden en hij zeide haar, alsof hij heer van Castiglione was, dat hij haar goed wilde kleeden, haar uit die ellende bevrijden anderen te dienen en haar de hoop te geven op meer fortuin en vele andere dingen. En hoewel hij het op zeer welgezinden toon zeide, verging het in den wind en er bleef niets van over gelijk de schoonsten van zijn ondernemingen. De twee jongelieden vonden aldus Guccio Porco [134] met Nuta bezig. Verheugd door die omstanstandigheid, traden zij in de kamer van broeder Cipolla; het eerste wat zij zochten, was de knapzak, waarin de veer lag. Toen zij die openden, vonden zij een klein kistje; zij ontsloten dit, ontdekten er een veer in uit een papagaaienstaart en meenden, dat dit degene moest zijn, die hij beloofd had te vertoonen. En allicht kon hij dat in die tijden doen gelooven, omdat nog niet de weeldeartikelen van Egypte, tenzij in een klein deel in Toscane waren ingevoerd en zij hadden zelfs nog nooit van papagaaien gehoord. De jongelingen, blijde die veer gevonden te hebben, namen die mede en het kistje vulden zij met kolen, die zij in een hoek in de kamer zagen. Na het weer te hebben gesloten gingen zij, ongezien, verheugd heen. De onnoozele menschen, die in de kerk waren, vernamen, dat zij na den noen de veer van de engel Gabriël zouden zien. De eene buurman vertelde het aan gene en de eene buurvrouw aan de andere en zoodra ieder had gemiddagmaald; liepen zij naar het kasteel en vonden er ternauwernood plaats en wachtten af om die veer te zien. Broeder Cipolla, die goed gegeten had en een weinig geslapen en de menigte boeren zag, beval aan Guccio Imbratta te zeggen, dat hij met de heiligenklokjes naar het slot zou opklimmen en zijn knapzakken zou brengen. Guccio rukte zich met moeite uit de keuken van Nuta en ging met de gevraagde dingen naar boven. Toen hij daar was aangekomen, ging hij op last van frater Cipolla naar de deur van de kerk en begon met kracht de klokken te luiden.

Frate Cipolla begon, daar hij er niets van had gemerkt, dat zijn bagage veranderd was, zijn preek en zeide tot staving van de feiten vele woorden. Hij moest nu de veer vertoonen, zeide met groote plechtigheid het Confiteor op, liet twee toortsen aansteken, wikkelde zacht het taf los en na eerst zijn kap te hebben afgenomen haalde hij het kistje te voorschijn. Eerst sprak hij eenige zinsneden uit tot lof en eer van den engel Gabriël en van zijn reliek en opende toen het kistje. Hij zag het met kolen gevuld en dacht, dat Guccio Baleta hem dat niet geleverd had, omdat hij hem er niet toe in staat rekende en hij schold hem even uit, omdat hij het zoo slecht bewaakt had en begreep, dat anderen hem dit hadden gedaan, maar hij vervloekte in stilte zich zelve, dat hij het bewaren van zijn goed had opgedragen aan hem, dien hij kende als slordig, ongehoorzaam, zorgeloos en kort van geheugen. Doch zonder van kleur te verschieten hief hij het gelaat en de handen ten hemel en sprak luide: O Heer, steeds zij uw macht geprezen. Hij sloot het kistje en sprak tot de menigte: Dames en heeren. Gij moet weten, dat ik, toen ik nog zeer jong was, door mijn meerdere gestuurd werd naar dat deel der wereld, waar de zon opgaat en mij werd opzettelijk gelast, dat ik zou zoeken tot ik er de bullen van den grooten Porcellana zou vinden, welke hoewel ze niets kosten om ze zegelen, meer voor anderen van nut zijn dan voor ons. Ik ging op reis, vertrok uit Vinegia en kwam langs den Burcht der Noordoostwinden, reed vandaar door het koninkrijk van Garbo en Baldacca, bereikte Parione en vandaar uit, niet zonder dorst, kort daarna Sardigna. Maar waarom zal ik u van alle landen spreken, die ik heb doorzocht! Ik kwam, nadat ik het kanaal was overgestoken, den arm van San Giorgio genaamd, in Truffia [135] en Ruffia [136], zeer bevolkte rijken en vandaar kwam ik in het gebied van Menzogna [137], waar ik vele van onze broeders en van andere godsdiensten vond, die allen den arbeid ontweken uit liefde tot God en zich om weinig bekommerden, mits zij er voor zich zelf voordeel in zagen en veel geld verkwistten. Vandaar trok ik naar het gebied der Abruzzen [138], waar de mannen en vrouwen op klompen over de bergen gaan en de varkens met hun eigen darmen aankleeden [139] en dicht daarbij vond ik lieden, die het brood op stokken en den wijn in zakken dragen. Vandaar kwam ik bij de bergen van Bacchus, waar alle wateren naar beneden loopen en in korten tijd drong ik zoo ver door, dat ik India Pastinaca bereikte, waar ik u zweer bij mijn ordekleed, dat ik de snoeimessen [140] zag vliegen, iets ongeloofelijks. Maar dit kan mij zelfs Maso del Saggio niet ontstrijden, den grooten koopman, dien ik daar vond, die noten kraakte en de schalen als afval verkocht. Maar omdat ik niet vinden kon, wat ik zocht, keerde ik terug en kwam in het Heilige Land, waar in den zomertijd het oudbakken brood vier denari kost en het versche voor niets wordt verkocht. En daar vond ik den eerwaardigen vader, messer Nonmiblasmete Sevoipiace [141], den allereerwaardigsten patriarch van Jerusalem, die uit eerbied voor het ordekleed van baron messire Sint Antonius wilde, dat ik al de heilige relieken zag, die hij bij zich had. En er waren er zooveel, dat ik, zoo ik ze allen wilde tellen, tot verscheidene duizenden zou komen. Maar toch om U niet zonder troost te laten, zal ik U er eenigen noemen. Eerst toonde hij mij den vinger van den Heiligen Geest zoo volledig en gaaf, als die ooit is geweest en de kuif van den Serafijn, die aan Sint Franciscus verscheen en een der nagels van de Cherubijnen, een der ribben van het vleesch geworden Woord aan de vensters uitgestald, kleeren van het katholieke Heilig Geloof, eenige stralen der Ster, die aan de drie Magiërs in het Oosten verscheen, een flesch vol zweet van den heiligen Michaël, toen hij tegen den Duivel vocht, de kaak als doodsbeen van Sint Lazarus en anderen. En daar ik hem gul een afschrift schonk der plagiaten van Monte Morello in de volkstaal en van eenige hoofdstukken van Caprezio, die hij lang had gezocht, maakte hij mij deelgenoot van zijn heilige relieken en gaf mij een der nagels van het Heilige Kruis en een klein fleschje gevuld met een weinig klank der klokken van den tempel van Salomo, de veer van den engel Gabriël, waarvan ik U gesproken heb en een der klompen van San Gherardo da Villa Magna, welke ik onlangs te Florence aan Gherardo van Bonsi gaf, die er een zeer grooten eerbied voor heeft. Ook gaf hij mij kolen, waarop de gelukzalige martelaar Sint Laurentius gebraden werd. Deze dingen heb ik alle meegebracht en ik heb ze allen bij mij.

Het is waar, dat mijn meerdere mij nooit heeft toegestaan die te vertoonen, voor hij er zeker van was, dat ze echt waren. Maar nu het door zekere wonderen van hen uitgegaan en door brieven ontvangen van den Patriarch zeker is, heeft hij mij dit veroorloofd, maar ik, bevreesd ze aan anderen toe te vertrouwen, draag die altijd bij mij. Ik draag de veer van den engel Gabriël, opdat die niet bederft, in een kistje en de kolen, waarop San Lorenzo gebraden werd in een ander. Dezen zijn zoo aan elkaar gelijk, dat ik dikwijls het eene voor het andere aanvat; dat is mij nu gebeurd, want ik dacht het kistje met de veer te hebben meegenomen en nu heb ik dat meegedragen met de kolen. Ik geloof niet, dat dit het gevolg alleen van een dwaling is maar Gods wil, daar ik mij herinner, dat het feest van San Lorenzo binnen twee dagen plaats heeft. En daar God wenschte, dat ik door U de kolen te toonen, waarmee hij gebraden is, in Uw zielen weer het vuur der vroomheid doe opvlammen, heeft Hij mij de gezegende kolen bedropen van de vochten uit dat heilige lichaam doen meenemen.

Daarom, gezegende zonen, neem Uw kappen af en nader vroom om ze te aanschouwen. Maar weet eerst, dat elk, die door die kolen gemerkt wordt met het teeken des Kruises, het heele jaar er zeker van kan zijn, dat het vuur hem niet zal aanraken zonder dat hij het voelt. Na die woorden zong hij een loflied voor San Lorenzo, opende het kistje en toonde de kolen. Toen de dwaze menigte met vrome bewondering alles had gade geslagen, drongen allen naar broeder Cipolla en gaven hem een beter offerande dan gewoonlijk. Broeder Cipolla begon met de kolen in de hand op de witte hemden, op de keurslijven en de sluiers der vrouwen de grootste kruisen te trekken, die er op konden staan, denkend, dat hoe meer die versleten, hoe meer ze het kistje met geld zouden vullen gelijk hij meermalen ondervonden had. Na op die wijze niet dan tot zijn grootste voordeel al de Certaldeezen te hebben bekruist, deed hij door zijn tegenwoordigheid van geest hen de bedrogenen blijven, die hem voor den mal dachten te houden. Zij waren bij de preek tegenwoordig geweest en daar zij het nieuwe verdedigingsmiddel, door hem aangewend, hadden gehoord, hadden zij zoo gelachen, dat zij dachten hun kaken er bij te verliezen. En toen de menigte vertrokken was, gingen zij naar hem toe en bekenden met genoegen, wat zij hadden uitgehaald en gaven hem zijn veer terug, welke hem het volgende jaar niet minder opbracht dan dien dag de kolen.

Deze historie schonk aan het heele gezelschap groot genoegen en vermaak en het meest toen broeder Cipolla sprak van zijn pelgrimstocht en over de relieken door hem aanschouwd en medegebracht. De koningin zag haar heerschappij geëindigd en stond op, nam den krans en plaatste dien lachend op het hoofd van Dioneo en zeide: Het is tijd, Dioneo, dat gij een weinig den last gewaar wordt van donna’s te regeeren en te leiden. Wees dus koning en bestuur ons aldus, dat als uw rijk uit is, wij U moeten prijzen. Dioneo antwoordde met een lach, de kroon aanvaardend: Gij kunt er reeds velen gezien hebben, ik meen koningen van het schaakbord, die meer waard zijn dan ik, maar zeker, indien gij mij gehoorzaamt gelijk men een koning eerbiedigt, zal ik u daarvan doen genieten zonder hetwelk zeker geen feest volmaakt vroolijk is. Ik zal regeeren, zoo goed ik kan. En nadat hij volgens de gewoonte den hofmeester had laten komen, gelastte hij hem, wat hij te doen had, zoolang zijn heerschappij duurde en sprak daarna:

Waardige donna’s. Er is op zoo verschillende manieren over menschelijke bekwaamheid en de verschillende voorbeelden daarvan gesproken, dat, als juffrouw Licisca niet kort geleden hier was gekomen om mij stof te geven voor de aanstaande vertellingen van morgen, ik er aan twijfel, of het mij niet veel moeite zou gekost hebben een onderwerp te kunnen vinden om over te spreken. Zij, gelijk gij hoorde, zeide, dat zij geen buurvrouw had, die als maagd tot haar echtgenoot was gegaan en zij voegde er aan toe, dat zij wel wist hoe vele en hoedanige streken de getrouwde vrouwen nog aan hun mannen hadden geleverd. Maar het eerste daar gelaten, meen ik, dat het tweede aardig moet zijn om over te spreken en daarom wil ik, dat men morgen spreekt, daar donna Liscisca er mij aanleiding toe gaf, over de streken, die of uit liefde of tot hun redding de vrouwen jegens hun mannen hebben uitgehaald, hetzij die het al of niet merkten. Het behandelen van deze stof scheen aan elk der donna’s slecht te passen en zij verzochten hem het al voorgestelde te veranderen. De koning antwoordde hun: Donna’s. Ik ken het onderwerp, dat ik u voor heb geschreven niet minder goed dan gij en wat gij mij wilt aantoonen, kan mij er niet van af brengen, want ik meen, dat nu de tijd zoo is, dat de menschen er op uit zijn oneerbaar te handelen, elk verhaal geoorloofd is. Of weet gij niet, dat door de verdorvenheid van dit tijdvak de rechters de rechtbanken hebben verlaten, dat de wetten zoowel goddelijke als menschelijke zwijgen en dat groote vrijheid aan elk is geschonken om het leven te beveiligen? Daarom, indien uw eerbaarheid wat minder gevoelig wordt door dit te vertellen, is dat niet om er een of andere laakbare daad op te doen volgen. Maar om u en anderen te vermaken, zie ik niet, welke reden men zou kunnen aanhalen om u later verwijten te kunnen doen. Bovendien is uw gezelschap van af den eersten dag van samenkomst tot op dit uur zeer eerbaar geweest bij alles, wat men ook verteld heeft en het schijnt mij niet, dat het door eenige slechte daad geschandvlekt is, noch met Gods hulp worden zal. En: wie is er die uw fatsoen niet kent? Ik geloof niet, dat dit door genoegelijke gesprekken en zelfs niet door de vrees voor den dood kan verzwakt worden. En om u de waarheid te zeggen, indien men wist, dat gij er een oogenblik voor aarzelde over die streken te praten, zou men misschien denken, dat gij u er schuldig aan voelde en er daarom niet over wilt spreken. Zonder te rekenen dat gij mij een groote eer aandoet, mij, die tot heden aan allen hebt gehoorzaamd, nu gij mij tot uw koning hebt gemaakt, wilt gij mij nu de wet toevertrouwen en niet spreken over wat ik u beveel. Laat dus liever die bedenking varen, die meer eigen is aan slechte zielen dan aan de uwen en laat ieder met goed geluk een mooi verhaal doen.

Toen de dames dit hadden gehoord, zeiden zij, dat het zou gebeuren gelijk hij wenschte; daarom gaf de koning verlof aan elk tot aan het uur van het avondmaal te doen, wat men wilde. De zon stond nog zeer hoog, daar de gedachtenwisseling kort was geweest; toen derhalve Dioneo met de andere jongelieden was gaan schaak spelen, zeide Elisa, die de andere donna’s geroepen had. Daar wij hier zijn, heb ik verlangd u te leiden naar een plaats hier dicht bij, waar ik meen, dat nooit iemand van u was en die men de Dames-Vallei noemt en ik heb nog geen gelegenheid gehad u er heen te brengen, behalve nu, want de zon staat nog hoog en daarom als het u behaagt er heen te gaan, twijfel ik er bepaald niet aan, dat gij, wanneer gij er zult zijn, zeer voldaan zult wezen u er heen te hebben begeven. De donna’s antwoordden, dat zij gereed waren en nadat zij een van hun dienstmaagden hadden geroepen zonder er iets van te zeggen aan de jongelieden, begaven zij zich op weg. Zij waren niet verder dan een mijl gegaan, toen zij de Dames-Vallei bereikten. Zij gingen die door een zeer nauw pad binnen, waaraan een van de zijden een zeer heldere beek liep en vonden die zoo schoon en aangenaam en in het bijzonder op dat oogenblik, toen het zeer warm was, dat men die onder geen beter omstandigheid had kunnen zien. En naar hetgeen elk van hen mij later herhaalde, was de vlakte, die het diep van de vallei vormden zoo rond of zij met een passer was afgecirkeld; zoozeer scheen zij een kunstwerk der natuur en niet van menschenhand. Zij was in omtrek meer dan een halve mijl, omringd door zes kleine bergen niet al te hoog en op den top van elk zag men een verblijf in den vorm van een schoon lustoord. De hellingen van die kleine bergen daalden zacht naar die vlakte af gelijk wij in de theaters de trappen van hun top van boven naar beneden achtereenvolgens geordend zien dalen, steeds meer hun kring vernauwend. En deze hellingen, voor zoover ze naar het Oosten zich uitstrekten, waren bedekt met wijnranken, olijven, amandelboomen, kersenboomen, vijgenboomen en een groot aantal andere vruchtboomen, zonder dat een duim gronds verloren ging. Zij, die de vlakte tegen den noord oostenwind beschutten, waren allen bedekt met eiken, esschen en andere gewone boomen in de grootste orde geplant. De vlakte, die volgde en die geen anderen toegang had dan die de dames waren ingegaan, was vol dennenboomen, cypressen, laurierboomen en eenige pijnboomen zoo goed gerangschikt en opgesteld, alsof de beste kunstenaar ze daar neergezet had. Zelfs als de zon hoog stond, drong hij er bijna niet door tot den bodem, die een kleine, groene weide was en vol purperkleurige en andere bloemen. En bovendien, wat niet het minst genoegen verschafte, was een beekje, dat uit een der valleien tusschen de genoemde bergjes afdaalde en bij sprongen viel over levendig gekleurd gesteente en dat neerschietend een zeer aangenaam gedruisch maakte en uiteenspattend van verre levend zilver scheen, dat uit een of ander dof voorwerp opschitterde. Beneden in de kleine vlakte gekomen en ontvangen in een klein kanaal liep het vlug tot in het midden van de weide en vormde daar een klein meertje gelijk aan de vijvers, welke de burgers dikwijls in de tuinen maken, als zij dit kunnen. Dit meertje was niet dieper dan een man tot de borst hoog is, zonder dat er eenige troebelheid in was, en toonde in zijn heldere diepte zeer fijn zand, zoodat, wie niets anders te doen zou gehad hebben, de korrels kon tellen, als hij gewild had. En niet alleen liet de diepte water zien, maar er schoten hier en daar zooveel visschen doorheen, dat dit ook een wonder was van genoegen. Het meertje had geen anderen oever dan den bodem van de weide, die te meer schoonheid verspreidde rondom, naarmate zij er meer vochtigheid van ontving. Het te overvloedige water werd in een ander kanaal ontvangen, waardoor het uit de vallei stroomde en liep naar de laagste gedeelten.