Chapter 42
Het onderhoud hield dus voor dien avond op en den volgenden morgen, zoodra het dag werd, stond Currado, die door den toorn niet had kunnen slapen, nog geheel prikkelbaar op en beval, dat de paarden werden voorgebracht en nadat hij Chichibio op een hengst had laten klimmen, zeide hij, terwijl hij hem naar een rivier leidde, aan welker oever altijd bij den dageraad kraanvogels te zien waren: Nu zullen we spoedig zien, wie gisterenavond gelogen heeft, gij of ik. Chichibio, die zag, dat de toorn van Currado nog voortduurde en dat hij zijn domheid bekennen moest en niet wist, hoe hij het doen moest, reed in den grootsten angst van de wereld naast Currado en had graag, als hij had gekund, willen vluchten, maar daar dit onmogelijk was, keek hij dan weer vooruit en dan weer achteruit en op zijde en al, wat hij zag, waren, meende hij, kraanvogels, die op twee pooten stonden. Maar ternauwernood waren zij bij de rivier gekomen of het eerste wat zij zagen, waren een twaalftal kranen, die allen op een poot stonden, gelijk zij gewoon zijn, als zij slapen. Daarom wees hij ze ijlings aan Currado en zeide: Gij kunt duidelijk genoeg zien, messer, dat ik u gisteravond de waarheid heb gezegd, dat de kraanvogels maar een dij en een poot hebben, als gij ziet naar hen, die daar staan. Currado zeide bij het zien van deze: Wacht maar, tot ik je zal toonen, dat ze er twee hebben en ze wat meer naderend, schreeuwde hij: Ho, ho, door welken kreet de kraanvogels de andere poot uitstaken en na eenige treden begonnen te vluchten. Hierop zeide Currado tot Chichibio gekeerd: Hoe lijkt het, je schelm? Schijnt het je nu, dat zij er twee op na houden? Chichibio, geheel van streek, antwoordde, niet wetend, hoe het in hem opkwam: Ja, messer, maar u hebt niet Ho, ho, geroepen tegen dien van gisteravond, want als U daartegen zoo hadt geschreeuwd, had die ook de andere dij en den anderen poot uitgestoken, zooals dezen hebben gedaan. Dit beviel zoo aan Currado, dat al zijn toorn in goedmoedigheid en lachen veranderde en hij sprak: Chichibio, je hebt gelijk; ik had dit moeten doen. Zoo vermeed Chichibio met zijn vlug en aardig antwoord het kwade gevolg en verzoende zich met zijn meester.
VIJFDE VERTELLING.
Messer Forese van Rabatta [123] en meester Giotto, de schilder, komen van Mugello en bespotten elkaar onderweg over hun leelijk voorkomen.
Zoodra Neifile zweeg en de donna’s veel genoegen hadden gehad in het antwoord van Chichibio, sprak Pamfilo naar den wil der koningin: Zeer geliefde donna’s. Het gebeurt dikwijls, dat, gelijk de fortuin onder lagere beroepen soms zeer groote schatten van deugd verbergt, wat Pampinea kort te voren aantoonde, aldus ook in de leelijkste gedaanten van menschen wonderbare geest door de natuur is neergelegd. Dit blijkt zeer sterk bij twee onzer burgers, van wien ik u in ’t kort hoop te spreken. Want de een, die messer Forese van Rabatta heette, was klein en misvormd van figuur met een plat en knorrig gezicht, zoodat hij bij wien ook der Baronci [124] vergeleken nog leelijk zou geweest zijn. Deze was zoo doorkneed in de kennis der wetten, dat hij door vele bekwame mannen voor een heele boekenkast van rechtsgeleerdheid werd gehouden. En de ander, die Giotto heette, had een zoo uitstekenden geest, dat er niets was in de natuur, de moeder en de oorzaak aller dingen door de voortdurende wenteling des hemels, dat hij niet met het stilet, de pen of het penseel weer kon geven, dat zij daarop niet slechts gelijkend maar eer de voorwerpen zelf schenen, zoodat het zintuig van het gezicht der menschen, er door misleid, hen die deed houden voor echt in plaats nagebootst. En daar hij die kunst weer in het volle licht heeft gesteld, die vele eeuwen begraven was onder de dwalingen van enkelen, die meer schilderden om de oogen der onwetenden te bekoren dan den geest der kenners te voldoen, kan men met recht hem een der stralen van Florence’s glorie noemen. En dit des te meer, omdat hij in leven als meester onder de anderen dien roem met zooveel meer nederigheid verwierf, daar hij steeds weigerde meester genoemd te worden. Deze titel door hem verworpen omglanst hem des te meer, naarmate die met des te meer verlangen door hen, die minder dan hij kenden of door zijn leerlingen gretig werd aangenomen. Maar hoewel zijn kunst zeer groot was, was hij daarom nog niet van figuur of van aanblik mooier dan messer Forese. Maar laat ik tot de geschiedenis overgaan:
Messer Forese en Giotto hadden in Mugello hun bezittingen en toen messer Forese de zijnen was gaan zien, in dien tijd van den zomer als de rechtbanken vacantie nemen en op een slecht karrepaard er heen ging, ontmoette hij den reeds gezegden Giotto, die eveneens de zijnen bezichtigd had en die naar Florence terugkeerde. Deze was noch door zijn paard, noch door zijn bagage beter voorzien dan de ander en als oude lieden vergezelden zij elkaar met langzamen gang. Gelijk wij het dikwijls zien gebeuren, overviel hen een plotse stortbui, die hen zoo spoedig ze konden deed vluchten in het huis van een boer, met wien zij beide bevriend en bekend waren. Maar daar de regen na eenigen tijd niet scheen te willen ophouden en zij denzelfden dag te Florence wilden zijn, leenden zij van den landman twee oude mantels van laken van Romagna en twee hoeden heelemaal rood van ouderdom, omdat er geen beteren waren en begaven zich weer op weg. Toen zij eenigen tijd waren voortgegaan en zich geheel doorweekt zagen en smerig door de modderspatten, die de paarden met de pooten in menigte opwierpen—wat ze er juist niet beter deed uitzien—en het weer wat opklaarde, begonnen zij, die lang zwijgend waren voortgegaan, te spreken. Messer Forese, die voortreed en naar Giotto luisterde, welke een zeer goed prater was, begon hem van ter zijde, van boven en overal te bekijken en daar hij er in elk opzicht zoo schandelijk en ontoonbaar uitzag, begon hij zonder eenigen eerbied voor zijn persoon te lachen en zeide: Giotto, als ons op dit oogenblik een vreemde tegemoet kwam, die u nooit zou gezien hebben, gelooit gij, dat hij zou wanen, in u den grootsten schilder van de wereld voor zich te hebben gelijk gij zijt? Giotto antwoordde snel: Messire, ik geloof, dat hij het zou denken, wanneer hij u ziende, zou meenen, dat u het a, b, c kent. [125] Toen messer Forese dit hoorde, erkende hij zijn dwaling en zag zich met dezelfde munt betaald, waarmee hij zijn koren verkocht had.
ZESDE VERTELLING.
Michele Scalza bewijst aan zekere jongelieden, dat de Baronci de oudste edellieden ter wereld zijn en van de Maremma en wint er een avondmaal mee.
De donna’s lachten nog om het gevatte antwoord van Giotto, toen de koning aan Fiammetta beval te volgen, die aldus begon te spreken: Jonge dames. Pamfilo, [126] door aan de Baronci te herinneren, die gij toevallig niet kent als hij, heeft mij een verhaal in het geheugen geroepen, waarin zonder van ons onderwerp af te wijken, u wordt aangetoond hoe groot hun adel was en daarom behaagt het mij u dit te vertellen.
Nog niet lang geleden was er in onze stad een jonkman, Michele Scalza genaamd, die de aardigste en aangenaamste mensch ter wereld was en die de nieuwste nieuwtjes bij de hand had. Daarom zorgden de florentijnsche jongelieden er wel voor hem in hun gezelschap te hebben. Toen hij op een goeden dag met eenigen van hen te Mont’ Ughi was, deed zich onder hen de vraag op wie de edelste en oudste lieden van Florence waren. Enkelen van hen beweerden, dat het de Uberti’s waren, en anderen de Lamberti’s en deze die en gene weer anderen, naar het hun inviel. Scalza hoorde deze, glimlachte en sprak: Ga heen, simpelen, die jullie bent, gij weet niet, wat ge zegt: de edelste en oudste lieden niet van Florence maar van de heele wereld en van de Maremma [127] zijn de Baronci en alle philosoofjes en elk, die ze kent, zijn het er met mij over eens. En opdat gij begrijpt, dat ik van geen anderen dan van hen spreek, zeg ik u, dat ik de Baronci bedoel, uw buren van Santa Maria Maggiore. Toen de jongelieden, die van hem iets anders verwachtten, dit hoorden, begonnen zij allen met hem te spotten en zeiden: Gij scheert met ons den gek, alsof wij de Baronci niet zouden kennen als gij. Scalza zeide: Neen, bij de heilige Evangeliën, ik zeg integendeel de waarheid, en indien er iemand onder u is, die er een avondmaal om wil verwedden om dit aan te bieden aan hem, die overwint, met de zes kameraden, die hem bevallen, zal ik mij gaarne daartoe verbinden en nog meer: ik zal mij er bij onderwerpen aan het oordeel van elk, dien gij wilt. Een van hen, Neri Mannini sprak: Ik ben bereid om dit avondmaal te wedden en nadat zij het er over eens waren geworden tot rechter Piero di Fiorentino te nemen, in wiens huis zij woonden, gingen zij naar hem toe en al de anderen om Scalza te zien verliezen en hem te plagen en vertelden alles, wat door hem gezegd was.
Piero, die een voorzichtig jongmensch was en die eerst de woorden van Neri had aangehoord, keerde zich daarna tot Scalza en zeide: En hoe kunt gij bewijzen, wat gij beweert? Scalza antwoordde: Wat? Ik zal het zóó bewijzen, dat niet alleen gij, maar hij, die het ontkent, zal zeggen, dat ik de waarheid vertel. Gij weet, dat, naarmate het geslacht van menschen ouder is, het ook als edeler beschouwd wordt en daarvan was juist zoo pas onder hen sprake en de Baronci zijn ouder dan eenige andere familie, zoodat zij edeler zijn en als ik bewijs, dat zij de oudsten zijn, zal ik zonder twijfel bij de zaak hebben overwonnen. Gij moet weten, dat de Baronci al geschapen zijn door God den Heer in den tijd, dat hij schilderen begon te leeren, maar de anderen in den tijd, toen Hij het kon. En om te weten, dat ik hierin de waarheid zeg, herinner u daartoe de Baronci en de andere menschen; waar gij alle anderen kunt zien met goed gebouwde gezichten en behoorlijk van verhoudingen, kunt gij de Baronci zien: den een met een heel lang en smal gelaat, den ander met een buitengewoon breed gezicht en dezen met een heelen langen neus en dien met een korten en genen met de kin vooruit en om zich zelf gebogen en met kaken, welke die van een ezel schijnen. En deze heeft het eene oog grooter dan het andere en die nog het eene lager dan het andere gelijk de gezichten plegen te wezen, welke de kinderen maken, als zij pas beginnen teekenen te leeren. Daaruit, zooals ik reeds zeide, blijkt voldoende, dat God de Heer ze maakte toen hij leerde schilderen, zoodat zij aldus ouder zijn dan de andere lieden en daardoor adellijker. Hierover dachten toen zoowel Piero, die scheidsrechter was als Neri, die om het avondmaal had gewed en ieder ander en nadat zij de geestige redeneering van Scalza hadden gehoord, begonnen allen te lachen en te bevestigen, dat Scalza gelijk had en dat hij het avondmaal gewonnen had en dat voorzeker de Baronci de edelste en de oudste familie waren niet slechts van Florence, maar van de wereld en van de Maremma. En het is daarom, dat Pamfilo, die de leelijkheid van het gezicht van messer Forese wou weergeven, met recht had gezegd, dat hij leelijk had geschenen naast een der Baronci.
ZEVENDE VERTELLING.
Madonna Filippa wordt door haar echtgenoot met een minnaar gevonden en voor de rechtbank geroepen. Zij bevrijdt zich met een vlug en aardig antwoord en doet de wet wijzigen. [128]
Reeds zweeg Fiammetta en nog lachte iedereen om de nieuwe redeneerwijze door Scalza gebruikt om boven allen de Baronci tot den adel te rekenen, toen de koningin aan Filostrato beval te vertellen en hij begon te zeggen: Waardige donna’s. Het is een schoone zaak in alle opzichten goed te kunnen spreken, maar ik vind dit het schoonste het dáár te kunnen doen, waar de noodzakelijkheid het vereischt. Dit verstond een edelvrouw, waarvan ik wil spreken, die niet alleen haar hoorders tot vroolijkheid en lachen bracht, maar zich uit de strikken van een smadelijken dood losmaakte gelijk gij zult hooren.
In de gemeente van Prato bestond vroeger een wet, waarlijk niet minder schandelijk dan hard, welke zonder eenig onderscheid te maken beval, dat de vrouw verbrand moest worden, welke door den echtgenoot met een minnaar op overspel werd betrapt evenals die, welke voor geld met een ander man gevonden werd. Terwijl die wet bestond, werd een edelvrouw, schooner en verliefder dan welke andere ook, die madonna Filippa heette, in haar eigen kamer op een nacht gevonden door Rinaldo de’ Pugliesi, haar man, in de armen van Lazzarino de’ Guazzagliotri, een adellijk en knap jonkman uit die gemeente, dien zij meer dan zich zelf lief had. Toen Rinaldo dat zag, weerhield hij zich zeer verwoed ternauwernood ze na te zitten en ze te vermoorden en indien hij niet aan zich zelf getwijfeld had, had hij het, den aandrang van zijn toorn volgend, gedaan. Daar hij zich daarvan weerhouden had, kon hij zich niet bedwingen dat te wenschen door de wet van Prato, wat hem zelf niet veroorloofd was teweeg te brengen, namelijk den dood van zijn vrouw. En daar hij om de schuld van de donna te bewijzen genoegzame gegevens had, liet hij, zoodra het dag werd, zonder verder raad in te winnen en de vrouw te hebben aangeklaagd, haar voor het gerecht roepen. De donna, die een groot hart had, gelijk gewoonlijk zij plegen te hebben, die van nature hartstochtelijk zijn, was, hoewel haar ouders en vrienden het haar afraadden, geheel gereed te verschijnen en zij wilde liever door de waarheid te bekennen met sterke ziel sterven dan laf vluchten, bij verstek veroordeeld in ballingschap leven en zich onwaardig toonen jegens zulk een minnaar, in wier armen zij den verloopen nacht had doorgebracht.
Terwijl zij vergezeld was van een groot aantal donna’s en mannen, en door allen werd aangeraden te ontkennen, vroeg zij voor den magistraat met een flink gelaat en een vaste stem, wat hij van haar wilde. De magistraat, die haar aanzag en vond, dat zij zeer schoon was en van zeer lofwaardige manieren en gelijk haar woorden het getuigden, van grooten moed, begon medelijden met haar te krijgen en vreesde, dat zij dat zou bekennen, waardoor hij haar moest doen sterven, terwijl hij haar eer wilde redden. Maar toch, daar hij zich niet kon onthouden haar te vragen, wat hem haar had doen dagvaarden, zeide hij tot haar: Madonna, gelijk gij ziet, is hier Rinaldo, uw man en hij beklaagt zich over U, van wie hij zegt, dat hij U met een ander man op echtbreuk heeft betrapt; en daarom vraagt hij, dat ik volgens een wet hier geldig, U daarvoor straf door U te doen sterven; maar ik kan dat niet doen, wanneer gij het niet bekent en pas daarom wel op wat gij antwoordt en zeg mij of het waar is, waarvan Uw echtgenoot U beschuldigt. De donna, zonder een oogenblik te vreezen, antwoordde met zeer bekoorlijke stem: Messire, het is waar, dat Rinaldo mijn echtgenoot is en dat hij mij in den afgeloopen nacht in de armen vond van Lazzarino, waarin ik door de goede en volmaakte liefde, die ik hem toedroeg, dikwijls was en dit zal ik nooit ontkennen, maar gelijk ik zeker ben, dat U bekend is, moeten de wetten gelijk zijn en gemaakt met de toestemming van hen, op wien zij betrekking hebben. Dat gebeurt evenwel niet, daar zij alleen de arme vrouwen dwingt, welke veel beter dan de mannen voor vele wetten bevoegd zouden zijn. En bovendien heeft geen enkele donna, toen die wet gemaakt werd, er niet alleen geen toestemming bij gegeven, maar geen een werd er bij geraadpleegd; daarom mag men die terecht slecht noemen. En indien gij daar de uitvoerder van wilt zijn ten koste van mijn lichaam en ziel, ben ik tot Uw beschikking, maar eer gij voortgaat met eenige zaak te beoordeelen bid ik U, dat gij mij een kleine gunst bewijst, namelijk dat gij mijn man vraagt of ik elken keer en zooveel keer als hem beviel zonder ooit te weigeren uit mij zelf mij hem geheel overgaf of niet. Hierop antwoordde Rinaldo zonder af te wachten, wat de rechter zou vragen, haastig, dat de vrouw zonder eenigen twijfel aan elk verlangen van hem geheel tot zijn genoegen had voldaan. Dan, vervolgde de donna gevat, mijnheer de rechter, indien hij altijd van mij heeft gekregen, wat hij noodig had en begeerde, wat moest ik of wat moet ik doen met wat hij mij vrij laat? Moet ik dat aan de honden voor werpen? Is het niet beter er een edelman mee te dienen, die mij meer dan zich zelf lief heeft dan het verloren te doen gaan of het te laten bederven?
Bij dit onderzoek van zulk een bekende vrouw waren alle bewoners van Prato toegeloopen, die na deze geestige vraag lachend als met één stem schreeuwden, dat de donna gelijk had. Op aanraden van den rechter, veranderde men de wreede wet zóó, dat deze alleen betrekking had op die vrouwen, welke voor geld ontrouw werden. Rinaldo verliet verlegen het verhoor en de donna ging in glorie vroolijk naar huis.
ACHTSTE VERTELLING.
Fresco dringt bij zijn nicht aan niet in een spiegel te kijken, wanneer haar het zien van leelijke menschen hinderde.
De novelle verhaald door Filostrato trof de harten van de donna’s met eenige schaamte en zij gaven er met een eerbaren blos zichtbaar op hun gelaat blijk van en toch konden zij zich ternauwernood van lachen onthouden. Toen hij tot het einde gekomen was, keerde de koningin zich tot Emilie en gelastte, dat die zou volgen. Deze verhief zich, alsof zij uit den slaap opstond en begon zuchtend: Verliefde, jonge dames. Omdat een langdurige gedachte mij hier ver vandaan heeft gevoerd, zal ik gedwongen zijn onze koningin te gehoorzamen, misschien met een korter historie dan wanneer ik met mijn geest hier aanwezig was geweest. Ik zal u de zotte dwaling vertellen van een meisje, dat door een scherts van een harer ooms zou verbeterd zijn, zoo zij verstandig genoeg was geweest hem te hebben begrepen.
Een zekere Fresco van Celatico had een nicht, schertsend Ciesca genaamd, die hoewel zij schoon was van vorm en gelaat, toch niet zoo engelachtig was als dikwijls het geval is en zich zoo edel waande, dat zij gewoon was mannen, vrouwen en alles te laken, zonder er op te letten, dat zij zelf onbehagelijker en driftiger dan eenige andere donna was. Zij was zoo trotsch, alsof zij tot de dynastie der koningen van Frankrijk behoord had. Als zij op straat liep, scheen zij zoo sterk de lucht van verbrand vuil te ruiken, dat zij niets deed dan haar neus snuiten, alsof zij bij iedereen stank bespeurde. Bovendien had zij nog vele andere, hinderlijke manieren. Zij ging eens naar huis teruggekeerd, waar Fresco was, zitten, vol landerigheid en deed niets dan zuchten. Fresco vroeg haar: Ciesca, waarom zijt gij, terwijl het heden feest is, zoo spoedig naar huis terug gekeerd? Zij antwoordde geheel uit de hoogte door zotheid: Omdat ik geloof, dat er nooit op de wereld zooveel onaangename en vervelende menschen zijn geweest als nu; er is er niet een op straat of die mishaagt mij als de duivel. En ik geloof niet, dat er een vrouw op de wereld is, wien het hinderlijker is al die nare gezichten te zien en om daar niet naar te kijken ben ik naar huis gegaan.
Fresco, wien de manieren van zijn nicht zeer hinderden, antwoordde: Meisje, als de onaangename gezichten je zoo verdrieten en je toch blijmoedig wilt leven, kijk dan nooit in den spiegel. Maar zij van ziel zoo hol als een riet en die Salomo meende te evenaren, verstond de ware beteekenis der scherts van Fresco niet beter dan een schaap: Integendeel, zeide zij, ik wil mij zelf zien als de andere vrouwen en zoo bleef zij in haar stompzinnigheid en is nog zoo.
NEGENDE VERTELLING.
Guido Cavalcanti beleedigt in beleefde termen zekere florentijnsche ridders, die hem hadden verrast.
Toen de koningin bemerkt had, dat Emilia haar verhaal had verteld en dat behalve degeen, die het voorrecht had, het laatst te spreken, zij dit nog moest doen, begon zij aldus: Lieve donna’s. Hoewel gij mij twee van de novellen ontnomen hebt, die ik wilde verhalen, is er mij één overgebleven, waarvan het slot een zoo aardig antwoord bevat, dat er misschien nooit een met zulk een diepen zin gezegd is.
Gij moet dan weten, dat er vroeger in onze stad veel schoone en lofwaardige gebruiken bestonden, waarvan er slechts een is overgebleven, dank zij de gierigheid, die tegelijk met den rijkdom is toegenomen en de eersten er uit verdreven heeft. Een van die gewoonten was, dat de edellieden zich op verschillende plaatsen in Florence verzamelden en groepen vormden en slechts hen toelieten, die de kosten konden dragen. Zij hielden dan bij den een, dan bij den ander open tafel. Zij noodigden dikwijls vele vreemde edellieden en ook burgers uit. Eens per jaar minstens kleedden zij zich op dezelfde wijze en de adellijksten reden te paard, hielden wapenspelen en dikwijls bij voorname feesten of als een of ander blij bericht van overwinning of van iets anders de stad had bereikt. Onder deze gezelschappen was er een van messer Betto Brunelleschi [129], messer Betto, die met zijn metgezellen dikwijls zijn best had gedaan, Guido, den zoon van Cavalcante de’Cavalcanti te halen, omdat hij behalve een der beste redenaars ter wereld een uitstekend natuur-philosoof (het gezelschap gaf daar weinig om) en heel aardig was, wel bemind, zeer bespraakt en omdat hij beter wist, wat hem paste dan welk edelman ook. Hij was zeer rijk en wist volgens alle eischen te ontvangen. Maar messer Betto was er bij hem nooit in geslaagd dit gedaan te krijgen en hij en zijn kameraden geloofden, dat het kwam, omdat Guido in zijn bespiegelingen zeer afgezonderd van de menschen leefde. En omdat hij in eenige opzichten van de meening der Epicuristen was, zeide de groote menigte, dat hij met zijn bespiegelingen geen ander doel had dan om te bevinden, dat er geen God was.
Eens was Guido vertrokken van den Tuin van San Michele en langs de renbaan van Adimari tot San Giovanni gekomen. Er waren toen rondom San Giovanni groote graven in marmer en steen, die thans zich bevinden in Santa Reparata. Toen hij tusschen de zuilen van porfier [130] gekomen was, en die graven en de poort van San Giovanni, welke gesloten was kwam messer Betto met zijn gezelschap over het Santa Reparata-plein en toen ze Guido tusschen die graven zagen, zeiden ze: Laten we hem eens plagen. Ze gaven hun paarden de sporen, alsof zij voor de grap een aanval op hem deden, waren achter hem, voor hij het merkte en zeiden hem: Guido, gij weigert ons gezelschap, maar kijk, als gij bevonden zult hebben, dat God niet bestaat, wat zult gij dan doen? Hierop antwoordde Guido vlug, die zich door hen ingesloten zag: Heeren, u kunt mij bij u thuis zeggen, wat gij wilt, en nadat hij zijn hand op een van die graven had gelegd, die groot waren, sprong hij er licht over heen en kwam aan den anderen kant en ging van hen bevrijd heen.
Zij keken elkander aan en zeiden tegen elkander, dat Guido zijn hoofd verloren had en dat, hetgeen hij gezegd had, niets beteekende, omdat het er zóó mee stond, dat zij daar niets meer te vertellen hadden dan alle andere burgers en Guido niet minder dan een van hen. Messer Betto keerde zich toen tot hen en zeide: Gij zijt leeghoofden, als gij niet hebt begrepen, dat hij goed en in weinige woorden de grootste beleediging van de wereld heeft gezegd. Want deze graven zijn de huizen der dooden, omdat de dooden daarin liggen en blijven, welke hij onze huizen noemt om ons te toonen, dat wij en de andere menschen dwazen en en ongeletterden zijn vergeleken bij hem en andere wetenschappelijke mannen en minder dan dood zelfs en daarom zegt hij, zijn wij tehuis. Toen begreep ieder met schaamte, wat Guido had willen zeggen; nooit hinderden zij hem meer en hielden van af dat oogenblik messer Betto voor een slim en verstandig ridder.
TIENDE VERTELLING.
Broeder Cipolla belooft aan een paar boeren, hun een veer te toonen van den engel Gabriël. Hij vindt daarvoor in de plaats kolen en hij zegt hun, dat het die zijn, waarmee Sint Laurentius geroosterd is. [131]