Chapter 41
De maan in het midden des hemels geklommen, had zijn stralen verloren en reeds onder het nieuwe, wassende licht, was elk deel der aarde verhelderd, toen de koningin opgestaan haar gezelschap liet wekken en zij zich met langzame schreden verwijderden van den schoonen heuvel, zich over het gras verspreidden, over verschillende dingen spraken, van gedachten wisselden over de meerdere of mindere schoonheid van verhaalde novellen en nog over de verscheidene daarin voorkomende gevallen weer lachten, tot het aan allen tijd scheen, toen de zon warmer begon te worden, naar huis terug te gaan. Daarom keerden zij hun schreden daarheen, vanwaar ze gekomen waren. En ginds, waar de tafels al gedekt stonden en alles met geurige kruiden en met schoone bloemen bezaaid was, begonnen zij, voor het warmer werd, op verzoek der koningin te eten. Toen zij verzadigd waren, zongen zij, voor zij iets anders deden, eenige schoone en aardige liederen; deze ging slapen, gene schaakspelen en een ander hervatte dit. En Dioneo met Lauretta begonnen samen Troïlus en Crescida [109] te zingen. En reeds was het uur om consistorium [110] te houden weergekeerd, toen de koningin alle als gewoonlijk had laten roepen en zij rondom de fontein gingen zitten. Reeds wilde zij bevel geven de eerste geschiedenis te verhalen, toen er iets gebeurde, wat nog nooit was geschied, namelijk dat er door de koningin en allen een groot rumoer werd gehoord, dat de meiden en knechts in de keuken maakten. Men liet daarom den hofmeester komen en vroeg hem, wat de oorzaak was van het geschreeuw en het tumult en hij antwoordde, dat het leven gaande was tusschen Licisca en Tindaro. Maar de reden wist hij niet, hoewel hij er toch heen wou gaan om ze te doen zwijgen, wanneer hij van hunnentwege daartoe bevel kreeg. De koningin gelastte hem Licisca en Tindaro dadelijk te laten komen; nadat dit geschied was, vroeg zij hun, wat de oorzaak van het tumult was. Tindaro wilde er op antwoorden, toen Licisca, die een vrouw van een zekeren leeftijd was en trotscher dan eenige andere en verhit door haar geschreeuw, met een kwaad gezicht naar hem gekeerd, zeide: Kijk, die ezel van een vent, die den moed heeft, wanneer ik er bij ben, vóór mij te spreken! Laat mij aan het woord. En tot de koningin gewend, ging zij voort: Madonna, die wil mij de vrouw van Sycophante leeren kennen. Die wil mij, alsof ik haar nooit bezocht had, wijs maken, dat in de eerste huwelijksnacht, toen Sycophante met haar sliep, Messire Mazza met geweld en bloedverlies in den Zwarten Berg kwam. [111] En ik zeg, dat het niet waar, is maar dat het integendeel vreedzaam ging en tot groot genoegen van beide. En hij is wel zoo stom, dat hij maar al te goed gelooft, dat de jonge meisjes gek genoeg zijn om hun tijd te verliezen en berusten voor hun vader en broeders, die hun zes van de zeven keer drie of vier jaar langer laten wachten dan ze moesten om ze uit te huwen. Ze zouden het goed maken, broederlief, als ze zoo lang wachtten. Bij het geloof in Christus—en ik moet toch weten wat ik zeg, als ik zweer—ik heb geen buurvrouw, die als maagd naar haar man is gegaan en ook van de getrouwde vrouwen weet ik, hoe en wat voor poetsen ze hun mannen bakken. En die ezel wil mij de vrouwen doen kennen of ik van gisteren ben. Terwijl Licisca sprak, moesten de donna’s zoo lachen, dat men ze al hun tanden had kunnen trekken.
De koningin had haar wel zes maal het zwijgen opgelegd, maar het hielp niets, zij hield maar niet op voor ze gezegd had, wat haar uit den mond viel. Toen zij klaar was, zeide de koningin lachend tot Dioneo: Dioneo, dat is iets voor U. En daarom, als wij onze verhalen verteld hebben, zult gij zorgen, dat gij hierover het eindoordeel uitspreekt Hierop antwoordde Dioneo haastig: Madonna, het oordeel is uitgesproken zonder dat er meer voor noodig is om te hooren en ik zeg, dat Licisca gelijk heeft en geloof, dat het is zooals zij zegt en Tindaro is een ezel. Toen Licisca dit hoorde, begon zij te lachen en tot Tindaro gewend, zeide zij: Dat heb ik je wel gezegd. Ga weg met Gods genade; geloof jij er soms meer van te weten dan ik, jij, die als de zuigelingen je oogen nog niet open hebt gedaan. Ik heb, Goddank, niet voor niets geleefd.
Als de koningin haar niet met een kwaad gezicht het zwijgen had opgelegd, en haar niet bevolen had er geen woord meer aan toe te voegen noch ruzie te maken, als ze geen slaag wou hebben en met Tindaro weggejaagd worden, had men den heelen dag wel met haar aan den gang kunnen blijven. Toen zij heengegaan waren, beval de koningin aan Filomena, dat zij met de verhalen aanving. Zij begon blijmoedig aldus:
EERSTE VERTELLING.
Een ridder vraagt aan madonna Oretta [112] met hem te paard te gaan zitten en haar een verhaal te doen. Als hij echter slecht vertelt, verzoekt zij hem haar weer te doen afstijgen.
Jonge dames. Evenals op de schoone avonden de sterren de sieraden des hemels zijn en in de lente de bloemen van de groene weiden en de struiken bedekt met hun loover de heuvels tooien, zoo zijn de geestige woorden dit van de lofwaardige manieren en de schoone gesprekken. En omdat zij kort moeten zijn, passen zij beter de donna’s dan de heeren te meer, omdat het lange spreken meer aan de vrouwen dan aan de mannen misstaat. Het is waar, dat, wat er ook de reden van zij, of door de minderheid van onzen geest of door de zonderlinge vijandschap, die de hemel aan onzen tijd toont, er thans weinig donna’s of geen zijn, die er een kan zeggen op het juiste oogenblik of indien men er haar een zegt, het weet te verstaan gelijk het behoort, wat in ’t algemeen ons tot schande strekt. Maar daar er over dit onderwerp al genoeg beweerd is door Pampinea, wil ik er niet meer van zeggen. Maar om U te doen zien, hoeveel schoons zij in zich bevatten, als zij op het juiste oogenblik verteld worden, behaagt het mij U te verhalen van de hoffelijke manier, waarop een edelvrouw aan een ridder het stilzwijgen wist op te leggen.
Gelijk velen van U het hebben kunnen zien of hooren, leefde er nog niet lang geleden in onze stad een lieve, welopgevoede en welsprekende donna en van een waardigheid, zoo dat ik haar naam niet verbergen wil—zij heette dan madonna Oretta en was de vrouw van messer Ger Spina—welke toevallig buiten was gelijk wij nu. Zij ging van de eene plaats naar de andere om zich te ontspannen met donna’s en cavalieri, welke zij dien dag allen ten middagmaal had gehad. Daar de weg was van daar, waar men vertrok tot ginds, waar allen te voet wilden heengaan, zeide een der ridders van het gezelschap: Madonna Oretta, wanneer gij wilt, zal ik U te paard een groot deel van den weg nemen, dien wij zullen gaan en ik zal U dan een der schoonste verhalen van de wereld doen. Hierop antwoordde de donna: Messire, daarom bid ik U ten zeerste en het zal mij zeer aangenaam zijn.
Messire de ridder, wien misschien de degen beter aan de zijde stond dan het verhalen met den mond, hoorde dit en begon een novelle, die hij zelf voor zeer schoon hield, maar daar hij drie of vier keer dezelfde woorden herhaalde en dan op hetzelfde terugkwam en telkens zei: Ik heb het niet goed gezegd, en vaak de namen verwarde en den een met den ander verwisselde, bedierf hij die op barbaarsche wijze zonder er van te spreken, dat hij zeer slecht de hoedanigheid der personen en de gebaren, die zij maakten, weergaf. Hiervan brak madonna Oretta herhaaldelijk, terwijl zij hem hoorde, het zweet uit en werd ze wee om het hart, alsof zij ziek was en flauw dreigde te vallen. Toen zij het eindelijk niet langer kon uithouden, en begreep, dat de edelman in de war was en er niets meer van terecht zou brengen, zeide zij schertsend: Messer, Uw paard heeft een te harden loop, daarom bid ik U mij te laten afstijgen. De ridder, die eigenlijk beter toehoorder dan verteller was, begreep dit woord en nam dit in scherts als aardigheid op en begon over andere dingen te spreken, terwijl hij zonder die af te maken, de begonnen en slecht voortgezette vertelling staakte.
TWEEDE VERTELLING.
De bakker Cisti [113] doet met een woord messer Geri Spina inzien, dat hij een onbescheiden vraag doet.
Het antwoord van madonna Oretta werd door elk der donna’s en der heeren zeer geprezen, waarop de koningin beval, dat Pampinea zou volgen. Daarom begon zij aldus: Schoone donna’s. Ik zou door mij zelf niet kunnen beoordeelen wie meer zondigt of de natuur door een nobele ziel aan een slecht lichaam te verbinden of de fortuin door een gewoon beroep op te leggen aan een lichaam met een edelen geest begaafd als bij onzen medeburger Cisti, wat wij ook nog bij velen hebben kunnen zien. Dezen Cisti met een hooge ziel begiftigd, maakte de natuur bakker. En zeker zou ik en de natuur en de fortuin gelijkelijk verfoeien, indien ik niet wist, dat de natuur zeer voorzichtig is en de fortuin duizend oogen heeft, hoewel de dwazen haar als blind voorstellen. Ik geloof, dat zij als bedachtzame lieden, dikwijls doen, onzeker zijn van de toekomst, de kostbaarste voorwerpen om ze in veiligheid te stellen op de minste plaatsen in huis verbergen als de minst verdachte plekken en ze er slechts bij hooge noodzakelijkheid uit te voorschijn halen, daar de minste plaats juist zekerder dienst doet dan de mooiste kamer het zou kunnen. En aldus verbergen dikwijls de twee hoogste regeerders der wereld hun kostbaarste dingen in het duister van de beroepen, die als de laagsten bekend staan, opdat, als zij er die uit te voorschijn halen, hun glans des te klaarder verschijnt. Het behaagt mij U een kleine historie te verhalen, hoe de bakker Cisti, die de oogen des geestes terug gaf aan messer Geri Spina, dit toonde, wat mij de geschiedenis in het geheugen riep van madonna Oretta, die zijn vrouw was. Ik zeg dan, dat paus Bonifacius [114], bij wien messer Geri Spina in groot aanzien stond, eenige van zijn edellieden als ambassadeurs naar Florence had gezonden voor eenige belangrijke zaken [115], die in het huis van messer Geri Spina waren afgestegen, welke hen bij de zaken van den Paus hielp. Wat er ook de reden van zij, elken morgen gingen messer Geri en de gezanten van den Paus langs Santa Maria Ughi, waar de bakker Cisti zijn bakkerij had en persoonlijk zijn beroep uitoefende. Hoewel de fortuin hem een zeer nederig beroep had gegeven, was zij hem toch zoo welwillend geweest, dat hij er rijk in was geworden en zonder dit beroep ooit voor een ander te verlaten zeer ruim leefde, terwijl hij onder andere goede dingen altijd de beste witte en roode wijnen had, die men in Florence of buiten vond. Hij zag elken morgen messer Geri en de gezanten van den Paus langs zijn deur gaan en daar het zeer warm was, meende hij, dat het een groote beleefdheid was hun witten wijn te drinken te geven, maar op zijn stand lettend en dien van messer Geri, scheen het hem niet passend hem uit te noodigen, maar hij wilde een middel verzinnen, dat messer Geri er toe zou voeren zich zelf uit te noodigen. Daar hij een geheel wit vest aan had en een altijd gewasschen sloof, die hem eer het uiterlijk gaven van een molenaar dan van een bakker, liet hij zich elken morgen op het uur, dat messer Geri met de gezanten moest voorbijgaan voor zijn deur een nieuwe kan vol frisch water brengen en een kleine, nieuwe, bologneesche flesch met zijn goeden witten wijn en twee bekers, die van zilver schenen, zoo blank waren die. Daarna ging hij zitten en als ze voorbijgingen, na twee of drie keer te hebben gespuwd begon hij zoo smakelijk dien wijn van hem te drinken, dat een doode er trek in zou krijgen.
Toen messer Geri dat een of twee ochtenden gezien had, vroeg hij op den derden: Wel, Cisti, is die goed! Cisti stond snel op en zeide: Zeker, messere, maar ik kan het U niet doen begrijpen, als gij er niet van proeft. Messer Geri, wien of de hitte van het weer of meer dan gewone arbeid of misschien het smakelijk drinken, wat hij Cisti had zien doen, dorst had gegeven, zeide glimlachend tot de gezanten gekeerd: Heeren, het is goed, dat wij eens proeven van den wijn van dezen waarden man; misschien is die zóó, dat wij er geen berouw van zullen hebben, en met hen samen ging hij naar Cisti. Deze, die dadelijk een mooie bank uit den winkel had laten halen, verzocht hen te gaan zitten en zeide tot de knechts, die al vooruit kwamen om de glazen te vullen: Metgezellen, ga achteruit en laat mij dien dienst verrichten, want ik kan niet minder goed wijn mengen dan bakken. En wacht u er niet mee er een teug van te proeven. Bij die woorden, na zelf vier schoone en nieuwe bekers gespoeld te hebben, liet hij een kleine flesch van zijn wijn komen, waarvan hij gedienstig messer Geri en zijn metgezellen te drinken gaf. Het scheen hun de beste wijn, dien zij sinds lang gedronken hadden; daarom na hem veel geprezen te hebben kwam messer Geri, zoolang de gezanten daar bleven, elken morgen met hen drinken.
Toen hun zaken afgedaan waren en zij tot vertrek gereed waren, gaf messer Geri een prachtig gastmaal, waaraan hij een groot deel van de eerzaamste burgers uitnoodigde en ook Cisti, die er op geenerlei voorwaarde wilde komen. Messer Geri beval daarop aan een van zijn knechts aan Cisti een kleine flesch van diens wijn te gaan vragen en er bij de eerste spijzen een halven beker per persoon van te schenken. De knecht misschien zeer aanmatigend, omdat hij nooit van dien wijn had kunnen drinken, nam een groote flesch, maar toen Cisti deze zag, zeide hij: Mijn zoon, messer Geri heeft u niet tot mij gezonden. De knecht beweerde herhaaldelijk het tegendeel, maar kreeg geen ander antwoord, keerde naar messer Geri terug en vertelde hem dit. Hierop antwoordde messer Geri: Ga terug en zeg hem, dat ik het deed en als hij u weer zoo antwoordt, vraag hem dan naar wien ik u dan zend?
De knecht ging terug en zeide: Cisti, stellig zendt messer Geri mij toch naar u. Cisti antwoordde: Mijn zoon, dat is bepaald niet waar. Aan wien zendt hij mij dan? vroeg de knecht. Cisti hernam: Naar de Arno. [116] De knecht berichtte dit aan messer Geri en dadelijk gingen zijn geestesoogen hem open en sprak hij tot den knecht: Laat mij de flesch zien, die gij medebrengt. Nadat hij die had gezien, zeide hij: Cisti zegt de waarheid en na hem te hebben beschimpt liet hij hem een passende flesch meenemen, Cisti zag de flesch opnieuw en zeide: Nu weet ik zeker, dat hij u naar mij toezendt en hij vulde haar met genoegen. Denzelfden dag liet hij een vat met dien wijn vullen en liet dit zachtjes [117] naar het huis van messer Geri dragen, ging er vervolgens zelf heen, vond hem en zeide: Messer, ik wilde niet, dat gij gelooven zoudt, dat de groote flesch vanmorgen mij had verschrikt, maar daar het mij scheen, dat gij vergeten waart, dat ik mij aan u dezer dagen vertoond had met kleine flesschen, namelijk met wijn die niet voor de bedienden is, heb ik u dit vanochtend willen herinneren. Daar ik er niet langer op wil passen, heb ik u dien doen toekomen; doe er thans mee wat gij wilt. Aan messer Geri was het geschenk van Cisti zeer aangenaam en hij toonde hem zooveel dank als passend was en hield hem daarna steeds in eere en tot vriend.
DERDE VERTELLING.
Monna Nonna de’Pulci maakt met een vlug antwoord aan de minder eerlijke scherts van den bisschop van Florence een einde.
Toen Pampinea haar vertelling geëindigd had, en zoowel het antwoord als de vrijgevigheid van Cisti door allen zeer waren geprezen, behaagde het aan de koningin, dat Laurella daarna zou spreken, die vroolijk aldus met verhalen begon: Bekoorlijke donna’s. Eerst heeft Pampinea en nu Filomena inderdaad genoeg gesproken van ons gebrek aan geest en de schoonheid van gevatte woorden, waartoe het dus niet noodig is terug te keeren. Maar behalve dat, wat al van antwoorden gezegd is, is hun hoedanigheid zoo, dat zij hen, die ze verstaat, niet meer moeten bijten als schapen en niet als de hond, want wanneer het woord zóó sterk bijt, dan is het geen scherts meer maar een beleediging. Dit deden heel goed zoowel de woorden van mevrouw Oretta als het antwoord van Cisti. Het is waar, dat, als men tot verweer spreekt en hij, die dan antwoordt, bijt als een hond, diegene mij niet te laken schijnt, die het eerst door een hond is gebeten, daar dit anders niet zou gebeurd wezen en men moet dus er op letten, hoe, wanneer en met wien en ook waar men schertst. Omdat een onzer prelaten daar geen acht op gaf, ontving hij geen minderen beet, dan hij gaf, wat ik u in een klein verhaal wil aantoonen. Toen messer Antonio d’Orso bisschop was van Florence, een waardig en wijs prelaat, kwam daar een catalaansch edelman, messer Dego [118] della Ratta, maarschalk van koning Ruberto [119]. Daar die edelman zeer schoon van lichaam was en een zeer groot liefhebber van vrouwen, bekoorde onder de andere florentijnsche donna’s hem er een, die zeer schoon was en de nicht van een broeder des genoemden bisschops. Daar hij had bemerkt, dat haar echtgenoot, van hoe goede familie ook, zeer gierig was en slecht, kwam hij met hem overeen hem vijfhonderd goudguldens te geven, als hij hem een nacht met zijn vrouw zou laten slapen. Daarom liet hij zilveren popolijnen [120], die toen koers hadden, vergulden en gaf hem die na met de vrouw te hebben geslapen, hoewel het tegen haar zin was. Daar allen dit wisten, had de gemeene kerel er schade bij en spot en de bisschop als wijs man deed of hij niets er van wist.
Daar de bisschop en de maarschalk veel met elkaar omgingen, zagen zij op Sint Johannes [121] naast elkaar rijdend de donna’s loopen langs den weg, waar wedloopen werden gehouden, en bemerkte de bisschop een jong meisje, dat de tegenwoordige pestziekte ons ontnomen heeft en dat monna Nonna de’Pulci heette, een nicht van messer Messer Rinucci en dat gij alle moet gekend hebben. Het was toen een frisch en een mooi meisje, dat goed praatte en openhartig was van natuur.
Zij wachtte sinds een oogenblik haar man bij de poort van San Piero. De bisschop toonde haar aan den maarschalk en toen hij bij haar was, legde hij zijn hand op haar schouder en sprak: Nonna, hoe bevalt U deze man. Gelooft gij hem te kunnen veroveren? Het scheen aan Nonna, dat die woorden een weinig haar eer raakten en van dien aard waren, dat die haar konden schandvlekken voor degenen,—en dat waren er vele—die ze hoorden. Daarom niet bedoelend die besmetting af te wisschen maar stoot om stoot te geven, antwoordde zij snel: Messire, misschien zou hij overwinnen, maar ik zou dan geen valsch geld vragen. Toen de maarschalk en de Bisschop zich gelijkelijk aangetast voelden, de een als dader van een oneerlijke zaak jegens de nicht van des bisschops broeder en de andere als degeen, die de beleediging trof, omdat het zijn nicht was, gingen zij zonder elkaar aan te zien beschaamd en zwijgend weg en spraken den heelen dag geen woord meer. Zoo was het dus de jonge vrouw, die gebeten werd, niet verboden anderen met scherts terug te bijten.
VIERDE VERTELLING.
Chichibio, kok van Currado Gianfigliazzi doet tot zijn redding met een vlug antwoord den toorn van Currado in lachen overgaan en ontsnapt aan het kwade lot, waarmee hij door Currado werd bedreigd.
Reeds zweeg Lauretta en werd Nonna ten hoogste door allen geprezen, toen de koningin gelastte, dat Neifile zou volgen. Zij sprak: Verliefde donna’s. Hoewel de zwakheid van geest dikwijls vlugge en nuttige en schoone woorden ingeeft aan hen, die ze zeggen al naar de omstandigheden, komt ook dikwijls de fortuin vreesachtige lieden te hulp en legt er hun opeens op de tong, die nooit met kalm brein door den spreker zouden kunnen gevonden worden, wat ik U door mijn novelle wil aantoonen. Currado Gianfigliazzi, gelijk elk van U het heeft kunnen hooren en zien, is altijd beschouwd geworden als een edel burger van onze stad. Vrijgevig en prachtlievend leidt hij een leven van baanderheer, liefhebbert voortdurend met honden en vogels om nu niet te spreken van zijn ernstiger werken. Hij had eens op een dag met een van zijn valken bij Peretola [122] een kraanvogel gedood en daar hij haar vet en jong vond, liet hij dien naar zijn kok brengen, die Chichibio heette, een Venetiaan, en gelastte hem dien te braden voor het avondmaal en haar wel te verzorgen. Chichibio, die net zoo nieuwbakken van hersens was als hij er uitzag, maakte den kraanvogel klaar, deed hem op het vuur en begon hem met ijver te braden. Toen die zoo goed als gaar was en er een sterke geur van af kwam, kwam er een vrouwtje van het land, Brunetta genaamd, waarop Chichibio zeer verliefd was, in de keuken en toen zij den reuk van den kraan gewaar werd en den vogel zag, verzocht zij Chichibio dringend er haar de dij van te geven. Chichibio antwoordde haar zingend: Gij zult haar niet van mij hebben, donna Brunetta, gij zult haar niet van mij hebben. Hierover kwaad antwoordde Brunetta: Bij het geloof in God, als gij mij haar niet geeft, zal je van mij nooit meer iets hebben, wat je bevalt. En in korten tijd wisselden zij vele woorden. Tenslotte gaf Chichibio, na een van de dijen losgesneden te hebben, die aan de donna om haar niet boos te maken. Toen de kraan daarna opgediend was voor Currado en een vreemdeling, dien hij had uitgenoodigd, zonder die dij, en Currado daarover verwonderd was, liet hij Chichibio roepen en vroeg hem wat daarmee gebeurd was. De domme Venetiaan antwoordde dadelijk: Signor, de kraanvogels hebben maar één dij en één poot. Currado antwoordde woedend: Wat duivel hebben ze maar een dij en een poot? Heb ik dan geen andere kranen dan die gezien? Chichibio ging voort: Het is, mijnheer, zooals ik U zeg en als het U aanstaat, zal ik het U bij de levenden laten zien. Currado ter wille van den vreemdeling, die bij hem was, wilde er verder geen woorden over hebben, maar zeide: Daar gij mij zegt dit te zullen aantoonen bij de levenden, iets wat ik nooit heb gezien of hooren zeggen, wil ik dit morgenochtend zien en zal dan tevreden zijn, maar ik zweer u bij het lichaam van Christus, dat, als het anders zal wezen, ik u zal tracteeren op een manier, dat gij u tot uw schade mijn naam zult herinneren, zoolang gij hier zult leven.