Chapter 40
Pietro di Vinciola gaat buitenshuis middagmalen. Zijn vrouw laat een kleine jongen komen. Als Pietro terugkeert, verbergt zij den jongen in een kippenmand. Pietro verhaalt, dat bij Ercolano, waarmee hij avondmaalde, een jonkman gevonden werd, dien zijn vrouw er had binnengeleid. De donna laakt de vrouw van Ercolano. Bij ongeluk zet een ezel zijn hoef op de vingers van den jongen, die onder de mand zit. Hij schreeuwt, Pietro loopt er heen en ontdekt het bedrog van zijn vrouw, waarmee hij tot zijn schande in vrede blijft leven.
De vertelling van de koningin was ten einde en het werd door allen geprezen, dat God Federigo waardig had beloond, toen Dioneo, die nooit een bevel afwachtte, begon: Ik weet niet of ik zeggen kan, dat het een toevallige ondeugd bij de menschen is en door de slechte gewoonten bij dezen ontstaan of een natuurlijk gebrek eerder om de slechte dan om de goede daden te lachen en in het bijzonder, wanneer die ons persoonlijk niet raken. En daar de moeite, die ik genomen heb en die ik ook thans weer nemen zal, geen ander doel heeft dan U van neerslachtigheid te bevrijden en U gelach en vroolijkheid te schenken, en hoewel de stof van mijn volgend verhaal, verliefde jonge dames, ten deele minder dan eerbaar is, zal ik het toch vertellen om U genoegen te verschaffen. Wat U betreft bij het aanhooren, zult gij acht geven, gelijk gij gewoon zijt, wanneer gij een tuin binnentreedt en gij Uw kleine hand uitstrekkend, de rozen plukt en de doornen vermijdt. Zoo zult gij ook handelen als gij den slechten man, waarvan ik U spreken zal, aan zijn ongeluk en zijn schande overlaat, maar gij zult lachen om de liefdesschelmerijen van zijn vrouw, Uw medelijdend bewarend voor het ongeluk van anderen, wanneer dit noodig is.
Niet lang geleden leefde er in Perugia een rijk man Pietro di Vinciolo genaamd, die misschien minder om anderen te bedriegen en de algemeene achting niet te verliezen dan om de begeerte, die hij daarvoor had, een vrouw nam. De fortuin stemde met zijn verlangen samen zoo, dat de echtgenoote, die hij koos, een gezet jong meisje was, met rossig haar en licht ontvlambaar, die liever twee mannen dan er een had gehad, daar het haar overkwam er een te hebben, die veel meer zin had voor iets anders dan om haar te voldoen. Zij bemerkte dit na korten tijd en daar zij zag, dat ze mooi en frisch was en zich ondeugend en sterk voelde, begon zij er eerst heel boos over te worden en er met haar man over te twisten, met wien zij een slecht leven leidde. Daarna ziende, dat dit eer tot uitputting van haar gezondheid kon voeren dan tot verbetering van de slechtheid van haar man, zeide zij tot zich zelf: Die ellendige verlaat mij om met zijn verdorvenheid op sandalen te gaan bij droog weer en ik zal mijn best doen een ander in mijn schip te voeren over water. Ik heb hem tot man genomen en ik heb hem een groote en goede bruidschat gegeven denkend, dat het een man was en in het geloof, dat hij lief zou hebben, wat de mannen beminnen en moeten beminnen, en als ik dat niet had gemeend, had ik hem nooit genomen. Waarom nam hij, die wist, dat ik een vrouw was, mij tot echtgenoote, als hij het land aan de vrouwen heeft? Dat kan ik niet dulden. Als ik niet in de wereld had willen blijven, zou ik non zijn geworden, maar daar ik er in wil leven, gelijk ik dat wensch en ben, zou ik vergeefs ongelukkig oud worden met wachten, indien ik van hem genoegen of plezier bleef begeeren. En wanneer ik oud zal zijn en ik zou mij dan terugzien, zou ik er vergeefs over klagen mijn jeugd verloren te hebben. Hij is zelf goed genoeg om mij aan te duiden, hoe ik mij daarover moet troosten, door mij daarmee genoegen te verschaffen, waarmee hij het ook heeft, welk genoegen mij tot eer, maar hem tot schande verstrekt en in hooge mate. Ik zal alleen de wetten overtreden, terwijl hij en de wetten en de natuur verkracht. Toen de donna zoo had nagedacht en misschien meer dan eens, sloot zij om hieraan in het geheim gevolg te geven vriendschap met een oude vrouw, die zich voor deed als een Santa Verdiana, welke zelfs de slangen te eten zou geven. Zij ging steeds met haar rozenkrans in de hand naar elken aflaat en sprak nooit over iets anders dan over de Heilige Vaders of over de wonden van Sint Franciscus en werd door allen voor een heilige gehouden. Toen het haar tijd scheen, legde de jonge vrouw haar duidelijk haar bedoelingen bloot. De oude zeide: Mijn dochter, God, die alles kent, weet, dat gij goed wilt handelen en als gij geen andere reden hadt, zoudt gij het moeten doen als elke goede jonge vrouw om den tijd van haar jeugd niet te verliezen, want er is, voor wie verstand heeft, geen grooter smart dan zijn jeugd te hebben verloren. En waar zijn wij dan anders goed voor, als wij oud zijn, dan om de asch bij het vuur te bewaren? Als er zijn, die het weten en het kunnen getuigen, behoor ik daartoe; want nu ik oud ben, is het niet zonder een zeer groote en bittere beklemming, dat ik weet voor niets den tijd te hebben laten verstrijken en hoewel ik niet alles verloren heb—want ik zou niet willen, dat gij mij voor een gekkin zoudt houden—heb ik toch niet gedaan, wat ik zou hebben kunnen doen. Hierover, als ik er aan denk, en gij mij zoo leelijk ziet, als ik ben, dat ik niemand zou vinden, die mij met een vod [108] vuur zou geven,—God weet het—voel ik smart. Zoo is het niet met de mannen; zij worden geboren goed voor duizend dingen en niet alleen hiervoor en de meesten van hen zijn beter oud dan jong, maar de vrouwen komen alleen ter wereld om lief te hebben en kinderen te krijgen en daarom bemint men ze. En als gij het bij niets anders bemerkt hebt, hebt gij het moeten gewaar worden daaraan, dat wij steeds bereid zijn lief te hebben, wat bij de mannen niet het geval is. Bovendien zou bij dit spelletje een vrouw verscheidene mannen uitputten, waar meer mannen een vrouw niet zouden voldoen. En omdat wij daarvoor geboren zijn, zeg ik U opnieuw, dat gij wel zult handelen, Uw wettige man met een kluitje in het riet te sturen, zoodat Uw geest aan Uw vleesch geen verwijten hoeft te doen, als gij oud zult wezen. Ieder heeft van dit leven, slechts wat hij er van neemt en vooral de vrouwen, waar voor het veel meer dan voor de mannen noodig is den tijd wel te besteden, wanneer zij het kunnen, omdat gij zult zien, dat, wanneer wij oud zijn, echtgenooten noch anderen ons hebben willen, maar ons integendeel naar de keuken sturen om praatjes te gaan vertellen aan de kat en de potten en de schotels te gaan tellen. Het is nog erger als zij ons voor den mal houden en zeggen: Aan de jongen de goede hapjes en aan de ouden de restjes; en zij zeggen nog bovendien veel meer. Maar opdat ik niet langer met U praat, zeg ik U thans, dat gij aan niemand, die U van meer dienst kan zijn, het hart kunt luchten dan aan mij, omdat er geen man zoo bij de hand is, dien ik niet den moed heb te zeggen, wat noodig is, noch zoo hard of ruw, dat ik hem niet klein krijg en gebruik voor wat gij wilt; zeg dus maar wat gij verlangt en laat mij gaan. Maar denk aan één ding, mijn kind, dat ik U voor oogen houd, omdat ik arm ben en ik wensch, dat gij deelt in al mijn aflaten en ik alle paternosters, die ik zeggen zal, opdat God licht zal geven en kaarsen voor al Uw afgestorvenen. Daarop zweeg zij.
Het meisje was het dus hierover met de oude eens geworden, dat, als zij een jonkman zag, welke dikwijls door de buurt ging, waarvan zij haar alle kenteekens opgaf, dat zij dan zou weten, wat haar te doen stond en na haar een weinig gezouten vleesch te hebben gegeven, beval zij haar Gode aan. De oude zond haar na eenige dagen dien jongen, waarvan zij had gesproken, in haar kamer en kort daarop een ander naar het de donna beviel. Zij altijd in angst voor den echtgenoot en wat daaruit kon voortkomen, liet echter geen gelegenheid ongebruikt. Toen op een avond haar man bij een vriend moest gaan avondmalen, die Ercolano heette, gelastte de jonge vrouw aan de donna haar een jongen te doen toekomen, die een der knapsten en aardigsten was van Perugia. Deze volgde dit haastig op. Nadat zij zich met deze aan tafel had gezet om te avondmalen, riep opeens Pietro aan de deur, die voor hem geopend moest worden. De donna beschouwde zich toen als verloren, maar toch wilde zij zoo mogelijk den jonkman verbergen. Daar zij geen toevlucht zag om hem weg te sturen of hem elders te verbergen dan in een klein kabinet, dat naast de kamer was, waar zij aten, stopte zij hem onder een kippenmand, die daar was en wierp er een groote doek over van een zak, dien zij dienzelfden dag had laten ledigen; daarna deed zij haar man ijlings open. Hij trad in de kamer en zij zeide tot hem: Je hebt dat avondmaal gauw opgepeuzeld. Pietro antwoordde: Wij hebben het niet aangeroerd. En hoe kwam dat? vroeg de donna. Pietro hernam: Ik zal het U zeggen. Wij waren al aan tafel, Ercolano, zijn vrouw en ik, toen wij vlak boven ons hoorden niezen, waarover wij ons den eersten en den tweeden keer een weinig hebben verontrust, maar toen hij die geniesd had, het een derden, vierden en vijfden keer deed en nog vele malen, waren wij zeer verwonderd. Hierop zeide Ercolano, die wat ruzie met zijn vrouw had gehad, omdat zij ons langen tijd aan de deur had laten wachten, voor zij ons opende, woedend: Wat beteekent dat? Wie niest zoo? En nadat hij van tafel was opgestaan, ging hij naar een trap daar in de nabijheid, waaronder een hok was van planken om er een hoop dingen in te bergen, gelijk wij het zien in de huizen van hen, die hun logies in orde houden. Daar het hem leek, dat het genies vandaar kwam, opende hij dadelijk een klein deurtje en hieruit kwam de vreeselijkste zwavellucht van de wereld, veel sterker dan wij eerst geroken hadden en de donna sprak na hierover beknord te zijn: Dat is het; ik heb mijn zeilen met zwavel gewit en daarop heb ik den ketel onder de trap gezet, waarover ik ze had uitgespannen om den stoom op te vangen zóó, dat die reuk er nog vandaan komt.
Toen Ercolano de deur had geopend en de lucht was verdreven, keek hij in het hok en zag hem, die geniesd had en die nog niesde, daar de kracht van den zwavel hem benauwde. Hoewel hij niesde, had de zwaveldamp hem zoo den adem afgesneden, dat, als hij er een oogenblik langer in gebleven was, hij nooit meer geniesd zou hebben. Ercolano zag hem en schreeuwde: Nu zie ik, vrouw, waarom gij ons straks zoo lang aan de deur hebt gelaten, alvorens ons te openen, maar ik zal nooit meer in iets genoegen hebben, als ik je dit niet betaald zet. Toen de vrouw dit hoorde en haar misstap ontdekt zag, stond zij zonder een verontschuldiging te voelen van tafel op en vluchtte ik weet niet waarheen. Ercolano zonder op de vlucht van zijn vrouw te letten, riep meermalen tot hem, die geniesd had, er uit te komen, maar hij, die niet meer kon, verroerde zich niet, wat Ercolano ook zeide. Hij pakte hem bij een voet, trok hem er uit en zocht een mes om hem te vermoorden, maar ik, die voor mij zelf de justitie vreesde, stond op en belette, dat hij hem doodde of eenig kwaad deed, maar schreeuwde, terwijl ik hem verdedigde, waardoor er eenige buren op af kwamen, die den half dooden jonkman beet namen en uit het huis voerden, ik weet evenmin waarheen. Zoo werd ons avondmaal gestoord en ik heb het niet alleen niet gegeten, maar ik heb het zelfs niet aangeraakt gelijk ik U zeide.
Toen de donna dit hoorde, zag zij dat anderen even slim waren als zij, hoewel een andere ook soms een ongeluk opliep en zij had graag de vrouw van Ercolano verdedigd, maar omdat het laken van de fout van anderen haar den weg vrijer zou laten, begon zij te zeggen: Dat is wat moois! Dat is me een goede en heilige vrouw! Dat is de trouw van een fatsoenlijke donna, bij wien ik zou gebiecht hebben, zoo vroom als ze mij scheen. En wat erger is, zoo oud als ze reeds is, geeft zij een mooi voorbeeld aan de jonge dames. Dat het uur vervloekt zal wezen, waarop zij ter wereld kwam en ook die zij nog zal leven, die verraderlijke en schuldige vrouw, de schande en blaam voor alle vrouwen van de wereld, zij, die zich niet geschaamd heeft haar eerbaar leven weg te werpen en de trouw beloofd aan haar echtgenoot en de achting der wereld, van hem, een zoo goed man en een zoo eerzaam burger en die haar zoo goed behandelde, en hem met een ander man te schandvlekken en zichzelf met dezen. God beware mij; met zulke vrouwen moet men geen medelijden hebben, men moest ze dooden, men moest ze levend in het vuur werpen en in asch doen verkeeren. Toen aan haar minnaar denkend, dien zij onder de mand dicht genoeg bij zich had, begon zij Pietro aan te zetten, dat die naar bed ging, omdat het daarvoor tijd was. Maar Pietro, die meer trek had om te eten dan te slapen, vroeg toch of er niets van het avondmaal voor hem over was. De donna antwoordde: Zeker is er van het avondmaal over. Hebben wij de gewoonte ’s avonds te eten, als gij er niet zijt. Houdt ge mij voor de vrouw van Ercolano? Zeg, waarom ga je niet? Slaap van avond. Daar zou je beter mee doen!
Dien avond kwamen enkele boeren van Pietro met eetwaren uit het dorp en hadden hun ezels zonder ze te drinken te geven in een kleinen stal geplaatst, welke naast het kabinetje was. Een der ezels had grooten dorst, maakte den kop los van het koord, ging uit den stal en berook alles om te zien of hij water vond en kwam ook zoo in het midden van de kamer bij de korf, waaronder de jongen zat. Daar de jongen zich als op vier pooten moest houden, had hij een van zijn handen buiten de mand gestoken en zijn ongeluk was, dat de ezel hem den poot op den vinger zette. De hevige pijn, die hij voelde, deed hem een schrillen kreet uitstooten. Toen Pietro dit hoorde, was hij verwonderd en merkte, dat dit in huis moest zijn. Daarom ging hij uit de kamer en hoorde opnieuw schreeuwen, daar de ezel zijn poot nog niet van zijn vingers had gelicht, maar met klem vroeg hij: Wie is daar? en liep naar de mand en toen hij die ophief, zag hij den jongen, die behalve door de trappen, die hij van den ezel had ontvangen, van angst geheel voor Pietro trilde, die hem niets geen kwaad deed. Pietro, die hem herkend had, daar hij langen tijd hem met zijn schandelijke voorstellen had vervolgd, vroeg hem: Wat doet gij? waarop hij niets antwoordde maar hem bij Gods genade bad hem geen kwaad te doen. Hierop zeide Pietro: Sta op, vrees niet, dat ik U eenig kwaad zal doen, maar zeg mij, hoe je hier bent en waarvoor? De jongen zeide hem alles. Pietro niet minder blijde hem te hebben gevonden dan dat zijn donna er om treurde, nam hem bij de hand en voerde hem in de kamer mede, waar de donna hem met den grootsten angst van de wereld afwachtte. Nadat hij tegenover haar was gaan zitten, zeide hij: Nu, gij vervloekte zooeven de vrouw van Ercolano en zeide, dat men haar moest verbranden en dat zij voor U allen een schande is; hoe spreekt gij nu van U zelve? Of, als gij het niet wilt zeggen, hoe durft gij het dan van haar, wetend, dat gij zelf hebt gedaan, wat zij heeft misdreven? Zeker, niets dwong U er toe dan dat gij allen zoo zijt geaard en met de fouten van anderen Uw eigen misstappen tracht te verbergen. Dat het vuur van den hemel U allen verbrandt, ellendig geslacht, dat gij zijt. De donna, die zag, dat hij bij de eerste ontmoeting hem geen ander kwaad had gedaan dan met woorden en wien het scheen, dat hij heel tevreden was, omdat hij zulk een knappen jongen bij de hand hield, vatte moed en zeide: Ik ben er zeker van, dat gij wilt, dat er van den hemel een vuur zou vallen, dat ons allen verbrandde als een man, die even begeerig is naar ons als een hond naar stokslagen, maar bij het kruis van God: Uw verlangen zal niet vervuld worden. Gaarne evenwel wil ik een beetje met U praten om te weten, waarover gij U beklaagt en zeker zou het mooi wezen mij te vergelijken met de vrouw van Ercolano, die een oude schijnvrome is, een huichelaarster, die van hem alles heeft, wat ze wil en die haar koestert, gelijk men dat een vrouw moet doen, wat mij niet gebeurt. Want, zoo ik wel voorzien ben van kleeren en schoeisel, weet gij wel, hoe het met het andere staat en hoe lang het geleden is, dat gij naast mij hebt gelegen. En ik zou liever met lompen op den rug gaan en barrevoets en door U goed behandeld worden dan alles verder in overvloed te hebben, terwijl gij mij zoo bejegent. En weet wel, Pietro, dat ik een vrouw ben als de anderen, en wil, wat zij willen zóó, dat als ik het niet van U krijg en ik het mij toch verschaf, men het mij niet kwalijk kan nemen. Tenminste doe ik U al genoeg eer door mij niet af te geven met knechts of met liederlijke kerels.
Pietro, die zag, dat ze den heelen nacht niet zou ophouden met spreken, zeide hem als een man, die weinig om haar gaf: Genoeg nu, vrouw; ik zal U wat dat betreft wel tevreden stellen. Gij zult zeer goed, zijn, als wij iets tot avondeten krijgen, want die jongen schijnt mij evenals ik nog niet te hebben gegeten. Zeker niet, zeide de donna, want toen gij te kwader ure gekomen zijt, gingen wij aan tafel. Nu dan, zeide Pietro, maak, dat wij eten en daarna zal ik alles zoo schikken, dat gij geen reden tot klagen hebt. De donna ziende, dat haar man tevreden was, stond op, liet de tafel weer spoedig dekken en het avondmaal opdragen, dat zij had klaar gemaakt en at verheugd te samen met haar boozen echtgenoot en den jongen. Na het avondmaal is mij uit het geheugen gegaan, wat Pietro deed tot voldoening van alle drie. Zooveel weet ik wel, dat, toen den volgenden morgen de jongen op straat werd gezet, men nooit zeker heeft geweten, wie hem die nacht meer gezelschap had gehouden. Daarom moet ik U, mijn lieve donna’s, dit zeggen: Wie U te kort doet, zet het hem betaald en als gij het niet dadelijk kunt, onthoudt het dan, tot gij er toe in staat zijt, opdat wie U een kat in den zak geeft, er net zoo een terug krijgt.
Toen de geschiedenis van Dioneo geëindigd was en de donna’s zich weerhouden hadden te lachen minder uit schaamte, dan omdat zij er weinig genoegen bij gesmaakt hadden en de koningin zag, dat zijn verhaal uit was, stond zij op, nam zich den lauwerkrans van het hoofd, plaatste die vol gratie op het hoofd van Elisa en sprak tot haar: Aan U, madonna, behoort thans het bewind. Elisa, die deze eer had aangenomen, deed, gelijk te voren gedaan was en na den hofmeester eerst order gegeven te hebben omtrent alles, wat bij den duur van haar leiding noodig zou zijn, zeide zij tot groote voldoening van het gezelschap: Wij hebben al dikwijls gehoord, dat velen met schoone woorden of snelle verdediging of met vlugge invallen vroeger met de noodige wraak de tanden van anderen hebben weten te ontkomen of een dreigend gevaar te verdrijven en omdat die stof schoon is en nuttig kan zijn, wil ik, dat men morgen met Gods hulp binnen die beperking spreekt, namelijk van hen, die aangezet door een of andere scherts, zich hebben geweerd of met een vlug antwoord of een wijs vooruitzienden blik verlies, gevaar of schande ontkwamen. Dit werd door allen zeer geprezen. De koningin stond op en gaf ze allen tot aan het avondmaal vrij. Het heele eerzame gezelschap rees op, toen het de koningin zag opstaan en volgens gewoonte gaf elk zich over aan, wat hem het meest beviel. Maar toen de krekels al met zingen hadden opgehouden en iedereen werd terug geroepen, gingen zij allen naar het avondmaal, dat vroolijk eindigde en gaven zich over aan zang en muziek. En nadat reeds met goedvinden van de koningin Emilia een dans had gevormd, werd er aan Dioneo bevolen, dat hij een lied zou zingen. Hij begon spoedig: Monna Aldruda, licht Uw staart op, omdat ik U goede tijdingen breng. Hierom begonnen allen te lachen en het meest de koningin, die hem beval hiermee op te houden en een ander in te zetten. Dioneo sprak: Madonna, als ik cymbalen had, zou ik zingen: Licht de slippen van je hemd op, monna Lapa; of Onder den olijfboom en het groene gras of zoudt gij willen, dat ik zing: Het water van de zee doet mij groot kwaad? Maar ik heb geen cymbaal en daarom kies, wat gij van de anderen wilt. Zou U bevallen: Kom naar buiten, dat gij wordt gesneden als een vrucht in het veld? De koningin sprak: Neen, zeg een ander op. Dan, zei Dioneo, zal ik zingen: Monna Simona, zing, zing, wij zijn niet in October. De koningin zei lachend: Kijk, dat is slecht van pas; zeg een mooi vers op, indien gij wilt, want dit verlangen wij niet. Dioneo sprak: Neen, Madonna, maak U er niet boos om, maar wat bevalt U dan toch wel? Ik weet er meer dan duizend. Of wilt gij: O deze, mijn schelp, zoo ik haar niet prik of Zeg, zachtjes aan, mijn man, of wel: Ik zal een haan koopen van honderd lire. De koningin, een weinig boos, hoewel al de anderen lachten, zeide: Dioneo, houdt op met schertsen en zeg een mooi gedicht op en zoo niet, dan zult gij kunnen bewijzen hoe kwaad ik kan worden. Toen Dioneo dit hoorde, hield hij op met de grappen en begon spoedig aldus te zingen:
Amor, het levendige licht Dat uit de schoone oogen van mijn liefste straalt, Heeft mij tot Uw slaaf gemaakt en tot den hare.
De glans, die uit haar schoone oogen vloeit, Ontstak mij voor Uw vlam het hart, Terwijl gij mij doorboorde, En hoe groot uw macht is, Heeft haar schoon gelaat mij geopenbaard En het mij verbeeldend, Voelde ik al mijn deugden van mij gaan En legde die aan haar voeten, Het nieuwe voorwerp van mijn zuchten.
Zoo werd ik een der Uwen. Dit ben ik, geliefde Heer en gehoorzaam verwacht ik Genade van Uw macht. Maar ik weet niet, of zij gansch de onmetelijke liefde kent, Die zij mij in het hart heeft gebracht, Noch mijn geheele trouw, Zij, die zoo mijn ziel bemachtigde, Dat ik geen vrede zou hebben Noch buiten haar willen zou.
Daarom bid ik U, mijn zoete Heer, Dat gij haar die toont en haar doet gevoelen Een weinig van Uw vuur Tot mijn heil, want gij ziet, dat ik Van liefde verteer en door mijn marteling Langzaam sterf En dan, als het tijd zal zijn, Beveel mij bij haar aan, gelijk gij moet, Want ik zou gaarne met U gaan om dit te doen.
Toen Dioneo met zijn zang toonde door te zwijgen, dat die gedaan was, liet de koningin hem er nog vele anderen zingen, hoewel zij het vers van Dioneo toch zeer prees. Maar daar de nacht al grootendeels verstreken was en de koningin gevoelde, dat de warmte al overwonnen was door de koelte van den nacht, beval zij, dat elk tot den volgenden dag voor zijn genoegen zou gaan slapen.
ZESDE DAG.
De vijfde dag van de Decamerone eindigt, de zesde vangt aan. Onder het bewind van Elisa spreekt men van dengene, die, aangespoord door een of andere aardige zet zich verweert, of met een snel antwoord of doorzicht zich behoedt voor schade, gevaar of schande.