Chapter 4
Deze woorden bevielen den heiligen man zeer, en dit scheen hem een teeken van een goedgestemde ziel; daar hij die wijze van doen aan sinjeur Ciappelletto zeer had aanbevolen, begon hij te vragen of hij ooit in wellust met eenige vrouw had gezondigd. Hierop antwoordde Ciappelletto zuchtend: “Mijn vader, ik schaam mij u hiervan de waarheid te zeggen, vreezend, dat ik zal zondigen door zelfverheffing.” Toen sprak de heilige broeder: “Zeg gerust wat waar is, want noch in de biecht noch bij eenige andere daad zondigt men ooit.” Waarop ser Ciappelletto antwoordde: “Daar gij mij hieromtrent gerust stelt, zal ik het u maar zeggen. Ik ben zoo maagdelijk als toen ik uit het lichaam van mijn moeder kwam.” “Dat God U zegene!” sprak de broeder. “Dan hebt gij wel gehandeld! En gij hebt hierdoor zooveel meer verdienste, daar gij, bij dien wil, meer vrijheid hadt het tegengestelde te doen dan wij en alle anderen, die aan eenigen regel gebonden zijn.” Hierop vroeg hij hem, of hij nooit door eenige zonde van vraatzucht Gode zou mishaagd hebben; toen antwoordde sinjeur Ciappelletto zuchtend van ja en menigmaal: omdat het zoo met hem gesteld was, dat hij behalve bij de groote vasten, waaraan zich jaarlijks vrome menschen houden, minstens drie maal per week gewoon was dit te doen met water en brood en met veel lust en trek water had gedronken. In het bijzonder wanneer hij een vermoeienis had doorstaan, gebeden had of een pelgrimstocht had gedaan, dronk hij als een groote wijndrinker en menigmaal had hij dan evenveel zin in een kruidensalade als de vrouwen, wanneer zij naar de stad gaan. En het eten scheen hem meermalen beter, dan het schijnen moest aan elk, die uit vroomheid vastte gelijk hij deed. Daarop antwoordde de broeder: “Mijn zoon, deze zonden zijn natuurlijk en zeer licht; en hiervoor verg ik niet, dat gij uw geweten meer bezwaart dan noodig is. Ieder mensch schijnt het na lang vasten, hoe heilig hij ook zij, goed te eten en na vermoeienis te drinken.”
“O,” hernam ser Ciappelletto, “mijn vader, zeg dat niet om mij te troosten; weet wel, dat ik mij bewust ben, dat de dingen, die God ten gevalle geschieden, allen zeer rein gedaan moeten worden en zonder eenigen afkeer des harten en dat wie anders handelt, zondigt.” De broeder voegde er zeer tevreden bij: “Ik ben zeer tevreden, dat Uw ziel U zoo beheerscht, en Uw zuiver en goed geweten bevalt mij zeer. Maar, zeg mij, hebt gij wel hebzucht gezondigd door meer te begeeren dan geoorloofd was of te behouden, wat U niet toekwam?” Toen sprak ser Ciappelletto: “Mijn vader, ik zou niet willen, dat gij mij wantrouwt, omdat ik in het huis van die woekeraars ben: ik heb hier niets te maken, daar ik hier veeleer gekomen ben om hen te waarschuwen en te vermanen en hen van hebzucht af te houden. Ik geloof ook, dat ik geslaagd was, als God mij niet aldus had bezocht. Maar gij dient te weten, dat mijn vader mij als een rijk man achterliet, maar dat ik het meeste, toen hij dood was, aan aalmoezen wegschonk, en toen om mijn leven te behouden en om de armen van Christus te helpen, heb ik kleine zaken gedreven. Hiermee heb ik geld willen verdienen en heb altijd met Gods armen de helft gedeeld, mijn deel gebruikend voor mijn behoefte, en ik schonk het andere aan hen. Daarin heeft mijn Schepper mij zoo goed geholpen, dat ik mijn zaken steeds beter heb gedreven.” “Gij hebt goed gehandeld,” zei de broeder, “maar hebt ge U niet dikwijls boos gemaakt?” “O,” zeide de heer Ciappelletto, “dit kan ik u zeggen, dat ik dit vaak heb gedaan. En wie zou zich in kunnen houden, als hij ziet, dat alle menschen slechte dingen doen, de geboden Gods niet volgen en zijn uitspraken niet vreezen? Ik heb menigen dag liever willen sterven dan leven, als ik zag hoe de jongelingen zich aan ijdelheid overgeven, en als ik ze zag vloeken en zweren, kroegloopen, niet naar de kerk gaan en veeleer een wereldsch leven lijden dan een naar God gericht.” Toen zeide de broeder: “Mijn zoon dit is een goed soort toorn, en ik zou u daarvoor geen boete kunnen opleggen. Maar heeft de toorn U soms vervoerd een moord te doen of iemand te schelden of op eenige wijze te beleedigen?” Waarop sinjeur Ciappelletto antwoordde: “Wee mij, heer, gij schijnt mij een man Gods, daar gij mij dusdanige woorden zegt! O indien ik toch maar de geringste gedachte zou hebben gehad van een der dingen, die gij zegt, gelooft gij dan, dat ik meenen zou, dat God mij zoo had beschermd? Dat zijn dingen, die moordenaars doen en slechte kerels, tot welke ik ieder uur, dat ik er een zag, altijd heb gezegd: ‘Ga, opdat God U verbetere.’” Toen zeide de broeder: “Mijn zoon, zeg mij nu, opdat God U zegene, hebt gij nooit valsche getuigenis afgelegd tegen iemand, of kwaad van anderen gesproken of vreemde dingen van anderen gehouden zonder dat zij als eigenaars dit goed vonden?” “Nooit, eerwaarde,” hernam ser Ciappelletto, “heb ik van anderen kwaad gesproken, al had ik vroeger een buurman, die met het grootste onrecht ter wereld niets deed dan zijn vrouw slaan, zoodat ik eens kwaad van hem sprak tot de verwanten van zijn vrouw; zooveel medelijden kreeg ik met die ongelukkige, welke hij, telkens als hij te veel had gedronken, sloeg, dat God er wel over zal oordeelen.” Dan sprak de broeder: “Goed zoo; je zegt mij, dat je handelsman geweest bent? Hebt gij nooit iemand bedrogen gelijk kooplui dat doen?” “Bij God, ja, waarde heer, maar ik weet niet wie het zou zijn dan een, die mij geld heeft gebracht, mij schuldig voor een laken, dat ik aan hem verkocht, en ik deed het in een geldkistje zonder het te wisselen, waarop ik na een maand vond, dat er vier kleine geldstukken meer in waren dan moest. Daar ik hem niet meer terug zag en ik ze wel een jaar lang had bewaard om ze hem terug te geven, offerde ik ze als aalmoes.” De broeder sprak: “Dat was niet erg en je handelde wel door zoo te hebben gedaan.” En behalve dat vroeg hem de heilige broeder nog vele andere dingen, waarop hij op die wijze antwoordde. En toen hij reeds tot de absolutie wilde overgaan, zeide sinjeur Ciappelletto: “Mijnheer, ik heb nog één zonde, die ik U niet heb verteld.” De broeder vroeg welke en hij zei: “Ik herinner mij, dat ik eens mijn dienaars Zaterdagsavonds het huis liet vegen en aldus den Sabbat niet zoo heiligde als het behoorde.” “O,” sprak de broeder, “mijn zoon, dat beteekent niet veel.” “Neen,” zei sinjeur Ciappelletto, “zeg dat niet, dat het goed is om den Zondag niet te eeren, omdat op dien dag onze Heer uit den doode tot het leven opstond.” Toen vroeg de broeder: “Hebt gij ook iets anders gedaan?” “Ja heer,” antwoordde sinjeur Ciappelletto: “ik heb eenmaal per ongeluk in Gods kerk gespuwd.” De pater begon te glimlachen en zeide: “Mijn zoon, dat is geen zaak om je over te bekommeren; wij, die vroom zijn, spuwen er den ganschen dag.” Toen zeide ser Ciappelletto: “Dan doet gij groot kwaad, omdat niets reiner moet gehouden worden dan de tempel, waarin men Gode offert.” En in het kort vertelde hij nog veel en eindelijk begon hij te zuchten en erg te klagen, als iemand, die het maar al te goed kan als hij dit wil. De vrome broeder vroeg: “Wat heb je, mijn zoon?” Ser Ciappelletto hernam: “Wee mij, heer, dat mij één zonde verbleven is, die ik nooit beken, zoo groote schaamte voel ik om die te zeggen, en iedere keer, dat ik er aan denk, klaag ik gelijk gij ziet en het schijnt mij zeer zeker, dat God nooit zal vergeven, wat ik heb misdreven.” Toen vroeg de heilige broeder: “Kom, kom mijn zoon, wat zegt ge? Als alle zonden van alle menschen, of alle zonden, bedreven zoolang als de wereld zal duren, op een mensch rustten en hij zou zoo vol berouw en boetvaardig zijn als ik U zie, dan is de goedheid en de barmhartigheid van God zoo groot, dat Hij, indien hij Hem biecht, hem vrijelijk zou vergeven; en vertel die daarom gerust.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto steeds erg klagende: “Wee mij, mijn vader, het is een te groote zonde, en ik kan ternauwernood gelooven, indien uwe gebeden er niet toe medewerken, dat die mij ooit door God vergeven wordt.” Hierop gaf de broeder tot bescheid: “Zeg het gerust, daar ik U beloof God voor U te bidden.” Ser Ciappelletto klaagde toch nog en zeide het niet, maar de broeder spoorde hem aan. Sinjeur Ciappelletto hield den monnik echter zeer langen tijd op; hij slaakte een diepe zucht en zei: “Mijn vader, indien gij mij kunt beloven tot God te bidden, zal ik het U zeggen. Weet, dat ik eens, toen ik zeer klein was, mijn moeder heb uitgescholden.” Toen hij dit gezegd had, begon hij weer te weenen. De broeder sprak: “Mijn zoon, schijnt U dat nu zulk een groote zonde? De menschen beleedigen God den ganschen dag en toch vergeeft hij gaarne wien het berouwt Hem te hebben beleedigd en gij gelooft niet, dat Hij U dit zal vergeven? Ween niet, wees getroost, want zeker, als gij er een waart geweest van hen, die Hem aan het kruis sloegen, en dezen Uw wroeging hadden, zou Hij het U vergeven.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto: “Wee mij, mijn vader, wat zegt gij? Mijn goede moeder, die mij negen maanden dag en nacht in het lichaam droeg en mij honderd maal aan het hart drukte, heb ik te veel kwaad gedaan door haar uit te schelden en dat is een te groote zonde en als gij niet tot God bidt, zal Hij mij niet vergeven.” Toen de broeder zag, dat ser Ciappelletto niets anders te vertellen had, gaf hij hem absolutie en zijn zegen en hield hem voor een heilig man, alsof het waar was, wat ser Ciappelletto gezegd had. En wie zou het niet geloofd hebben, die iemand stervende zoo zou hooren spreken? Toen na dit alles zeide hij tot hem: “Sinjeur Ciappelletto, met Gods hulp zult gij spoedig een heilige zijn; maar indien het mocht gebeuren, dat God Uw gezegende en wel gestemde ziel tot zich zou roepen, zou het U dan behagen, dat uw lichaam in ons klooster wordt begraven.” Hierop antwoordde deze: “Zeker, mijnheer, ik zou nergens liever willen zijn, daar gij beloofd hebt tot God voor mij te bidden zonder dat ik ooit speciale vereering voor Uw orde heb gehad. En daarom bid ik U, dat, zoo gij in Uw klooster zult zijn, gij zorgt, dat het ware Lichaam van Christus tot mij komt, wat gij ’s ochtends op het altaar heiligt: omdat ik (hoewel ik het niet waard ben) plan heb met Uw verlof het tot mij te nemen en daarna het laatste, heilige oliesel, opdat ik, zoo ik als zondaar heb geleefd, althans als christen zal sterven.” De heilige man zeide, dat het hem zeer beviel en dat hij wel sprak en zou maken, dat het hem dan gebracht werd; en zoo geschiedde het. De twee broeders, die er sterk aan twijfelden of ser Ciappelletto ze niet bedroog, hadden zich opgesteld bij een beschot, welke de kamer, waar die lag, scheidde van de andere en al luisterend, hoorden en verstonden zij gemakkelijk wat hij tot den broeder zeide. Ja, zij hadden elken keer zoo’n lust tot lachen, de dingen hoorend, die hij had bekend, dat zij er haast van barstten en tot elkaar zeiden: “Wàt een kerel is dat, dien noch ouderdom, noch zwakheid, noch vrees voor den dood, waar hij zich nabij ziet, noch voor God voor wiens rechterstoel hij verwacht binnen korten tijd te moeten verschijnen, kunnen afbrengen van zijn boosheid, en dat hij wil sterven zooals hij heeft geleefd.” Maar toen zij toch zagen, dat wat hij gezegd had, zou gebeuren, dat hij in de kerk zou begraven worden, konden zij hun lachen niet houden. Kort daarop hield hij het Heilig Avondmaal en daar hij steeds erger werd, kreeg hij het laatste Oliesel; en kort na den avond van den dag, waarop hij de goede biecht had afgelegd, stierf hij. Daar hij op zijn eigen aandringen op eervolle wijze wou begraven worden en bevolen had dit te zeggen aan de monniken in het klooster, en dat zij zouden waken volgens gebruik, ’s avonds en ’s morgens, bij zijn lijk beschikten zij alles daartoe op de beste wijze. De heilige broeder, die hem de biecht had afgenomen, hoorend dat hij dood was, onderhield zich met den prior van het klooster en toonde aan, nadat hij de kapittelklok had doen luiden voor de vereenigde priesters, dat ser Ciappelletto een heilige was geweest, volgens de biecht, die hij hem had afgenomen. En hopend, dat God de Heer door hem vele wonderen zou doen, overtuigde hij hen, dat zijn lichaam met den grootsten eerbied en wijding moest worden ontvangen, waar de prior en de andere, goedgeloovige broeders op ingingen. Toen zij ’s avonds allen daarheen waren gegaan, waar het lichaam van ser Ciappelletto lag, hielden zij er een groote en plechtige nachtwake en ’s ochtends alle gekleed in hun doophemden en misgewaden, met boeken in de hand en de kruisen voorop, gingen zij zingend naar dit lijk en vervoerden het met groote pracht en plechtigheid naar hun kerk, terwijl haast de gansche bevolking der stad volgde. Zij plaatsten het in de kerk; de heilige broeder, die hem had gebiecht, besteeg den kansel en begon van hem en zijn leven, van zijn vasten, van zijn maagdelijkheid, van zijn eenvoud en onschuld en zijn wonderbare heiligheid te prediken, en verhaalde wat onder andere dingen ser Ciappelletto als zijn grootste zonde weenend bekend had en hoe hij hem ternauwernood uit het hoofd had gepraat, dat God hem zou vergeven en zich hiervan afwendend om zich te keeren tot het luisterende volk zeide hij: “En gij, door God vervloekten, bij iedere stroohalm, die u tusschen de voeten komt, smaadt gij God en de Madonna, en heel het hemelrijk.” Bovendien verhaalde hij veel van zijn oprechtheid en van zijn reinheid, en in het kort met de woorden, waaraan de menschen van die streek sterk geloof hechtten, vervulde hij den geest met zooveel eerbied bij allen die daar waren, dat, toen de dienst gedaan was, met het grootste gedrang van de wereld alles samen liep om hem hoofd en handen te kussen. Al de kleeren werden hem van het lijf getrokken, zoodat zich voor gelukkig hield, wie er slechts een stukje van kon bemachtigen. Men kwam overeen, dat het lijk daar den ganschen dag bewaard bleef, opdat het door allen kon gezien en bezocht worden. Daarna werd hij den volgenden nacht in een marmeren kist in een kapel eerbiedig bijgezet en dadelijk begonnen den volgenden dag de menschen er heen te gaan, kaarsen aan te steken, hem te aanbidden en bij gevolg ook aan hem geloften te doen en er beelden van was heen te brengen in overeenstemming met hun gedane beloften. Zoo groeide de faam van zijn heiligheid aan en de vereering voor hem, dat er bijna niemand was in tegenspoed, die aan een anderen Heilige dan aan hem geloften deed en zij noemden hem en noemen hem nog San Ciappelletto. Men verzekert, dat God door hem vele wonderen heeft verricht en nog iedere dag het doet voor elk, die zich devoot bij hem aanbeveelt. Zoo leefde en stierf ser Ciappelletto van Prato en werd heilig gelijk gij hebt gehoord. Ik wil het niet als mogelijk ontkennen, dat hij zalig is geworden in Gods tegenwoordigheid, indien hij, hoewel zijn leven gemeen en slecht was, op het uiterste zooveel wroeging heeft gehad, dat misschien God zich over hem ontfermd zal hebben en hem in zijn rijk zal hebben opgenomen: maar omdat dit onbekend is, naar hetgeen recht kan schijnen, denk ik dan ook, dat hij eer in handen van den duivel in verdoemenis is geraakt dan in het Paradijs. Is dit zoo, dan kan men de zeer groote goedheid van God jegens ons daaruit kennen, die niet op onze afdwaling lettend, maar op de reinheid van ons geloof, aldus een vijand tot bemiddelaar voor ons maakt, terwijl wij meenen, dat het een vriend is, en ons verhoort, alsof hij een echte heilige was, als bemiddelaar van zijn genade in de tegenwoordige ellende. En laat ons in dit zoo blijmoedig gezelschap gezond zijn en wel bewaard, terwijl wij Zijn Naam prijzen, gelijk wij het in het begin deden, en Hem eerbiedigen omdat wij Hem onze behoeften toevertrouwen, en er zeker van zijn verhoord te worden. Hierop zweeg hij.
TWEEDE VERTELLING.
De Jood Abraham [9] reist op aandrang van Jeannot de Sevigny naar het Hof van Rome en als hij daar de verdorvenheid der priesters ziet, gaat hij terug naar Parijs en wordt Christen.
Voor een deel lachten de donna’s om de vertelling van Pamfilo en over het geheel prezen de dames dit verhaal. Toen dit aandachtig was aangehoord en ten einde gebracht, zette Neifile zich naast hem. De koningin beval haar nu er een te vertellen, opdat zij de orde van het aangevangen vermaak zou volgen. Zij, door niet minder hoffelijke gewoonten dan door schoonheid uitmuntend antwoordde vriendelijk, dat zij gaarne wilde en begon aldus: Pamfilo heeft in zijn vertelling aangetoond, hoe Gods goedheid geen acht geeft op onze dwalingen, wanneer zij voortvloeien uit iets wat wij niet kennen. Maar ik wil in mijn verhaal U toonen, hoe diezelfde goedertierenheid geduldig de gebreken verdraagt van hen, die en met daden en met woorden van die fouten het ware bewijs geven, omdat zij slecht handelen. En die goedheid doet uit zich zelf de kracht van onfeilbare waarheid blijken, opdat wij, met des te meer standvastigheid van ziel nakomen, wat wij gelooven.