De Decamerone van Boccaccio

Chapter 39

Chapter 394,251 wordsPublic domain

Nastagio spotte meermalen met dien raad, maar toch door hen aangespoord, kon hij niet langer weigeren en stemde toe. Hij liet een groote uitrusting gereed maken, alsof hij naar Frankrijk of Spanje of naar een andere vergelegen streek wilde gaan, steeg te paard en vergezeld van vele vrienden ging hij uit Ravenna weg en begaf zich naar een plaats op drie mijlen misschien vandaar, Chiassi [106] genaamd en daar—nadat hij paviljoenen en tenten had laten opslaan—zeide hij tot hen, die hem vergezeld hadden, dat hij daar wilde blijven en dat zij naar Ravenna zouden terugkeeren. Terwijl Nastagio daar halt maakte, begon hij het mooiste, het schitterendste leven te leiden, dat ooit geleefd was en noodigde dan dezen dan genen tot een avond- of middagmaal uit, gelijk hij gewoon was. Daar het begin van Mei was en zeer mooi weer en hij over de wreede donna nadacht, verzocht hij aan zijn heele personeel hem alleen te laten om weer naar zijn welgevallen aan haar te kunnen denken en ging voet voor voet zich zelf verstrooiend door te peinzen tot in een pijnbosch. Daar het vijfde uur van den dag haast voorbij was en hij bijna een halve mijl er in was gegaan en er niet aan dacht te eten of aan iets anders, scheen hij opeens een zeer groote klacht te hooren en schrille kreten, geuit door een donna. Daarom brak hij zijn zoete gedachten af en hief het hoofd op om te zien wat er gaande was en verwonderde zich er over, dat hij zich in het pijnhout bevond. Daarna voor zich uitziende, zag hij uit een zeer dicht bosch van boompjes en doornstruiken naar de plaats, waar hij was, een zeer schoon jong meisje loopen, naakt, met loshangende haren en geheel verscheurd door de distels en de doornstruiken, die weende en luid om genade riep. En behalve dat zag hij aan haar zijden twee zeer groote en wreede waakhonden, die haar dicht op de hielen wreed, waar zij haar maar krijgen konden, beten en achter haar zag hij op een zwart strijdros een bruinen ridder met een zeer verwoed gezicht en een degen in de hand, die haar met vreeselijke en beleedigende woorden met den dood bedreigde. Dit verbaasde en ontstelde hem tegelijkertijd en wekte ten slotte zijn medelijden op met de ongelukkige donna, waaruit de begeerte ontstond haar, als hij kon, van dien angst en van zulk een dood te bevrijden. Maar hij was ongewapend en na zijn toevlucht te hebben genomen tot een boomtak bij wijze van stok, ging hij de honden en den ridder tegemoet. Maar de ridder, die dit zag, schreeuwde hem van verre toe: Nastagio, meng U er niet in, laat de honden en mij dat doen, wat die slechte vrouw heeft verdiend. En bij die woorden grepen de honden het meisje met kracht in de zijden, deden haar stand houden en de ridder, die volgde, steeg van zijn paard.

Hierop zeide Nastagio, die nader kwam: Ik weet niet, wie gij zijt, dat gij mij zoo kent maar ik zeg U, dat het een groote lafheid is van een gewapend ridder een naakte vrouw te willen vermoorden en haar de honden na te sturen of zij een wild dier is. Ik wil haar zeker zoo goed verdedigen als ik kan. Toen zeide de ridder: Nastagio, ik was van denzelfden staat als gij en gij waart nog een klein kind, toen ik, die messer Guido degli Anastagi genoemd werd, veel meer verliefd op die vrouw werd dan gij het nu zijt op die der Traversari en haar hardheid en wreedheid maakten mij zoo ongelukkig, dat ik eens met dienzelfden degen, welke gij in mijn hand ziet als wanhopig mij doodde en ik ben tot de eeuwige straffen veroordeeld. Maar het duurde niet lang, dat zij, die over mijn dood zeer verheugd was, stierf en wegens de zonde van haar wreedheid en de vreugde over mijn martelingen had zij geen berouw, daar zij geloofde hierdoor niet te zondigen maar zich verdienstelijk te hebben gemaakt en daarom werd en is ook zij tot de straffen der hel veroordeeld. Zoodra zij er in afdaalde, werd dit aan haar en mij als straf gegeven: aan haar voor mij uit te vluchten en aan mij, die haar zoozeer beminde, haar te volgen als een doodvijand niet als een beminde donna en zoo vaak ik haar achterhaal, dood ik haar met den degen, waarmee ik mij zelf doodde en open haar de borst en dat harde en koude hart, waarin nooit liefde of medelijden konden binnentreden, ruk ik haar, gelijk gij dadelijk zult zien, uit het lichaam en geef het te eten aan de honden. Maar het duurt niet lang of gelijk de gerechtigheid en de macht van God het wil, staat zij, alsof zij niet gestorven was, weer op en opnieuw begint de treurige vlucht en volgen de honden en ik haar. En elken Vrijdag op dit uur bereik ik haar en volvoer ik die marteling, welke gij zien zult. En geloof niet, dat wij op andere dagen uitrusten, maar dan haal ik haar op andere plaatsen in, waar zij jegens mij wreed dacht of handelde en daar ik van minnaar vijand geworden ben gelijk gij ziet, moet ik aldus haar zooveel jaren volgen, als zij maanden wreed jegens mij geweest is. Laat dus de goddelijke gerechtigheid haar gang gaan en verzet U niet tegen datgene, waaraan gij geen weerstand zult kunnen bieden.

Toen Nastagio die woorden hoorde, werd hij geheel verlegen en had haast geen haar op het lichaam, dat niet overeind stond, ging achteruit en naar het meisje ziende, begon hij beangst af te wachten wat de ridder zou doen. Toen deze met spreken ophield, liep hij als een dolle hond met den degen in de hand naar het meisje, dat geknield en stevig vastgehouden door de honden hem om genade smeekte. Hij stak dien met al zijn kracht door het midden van de borst, die hij geheel doorboorde. Nauwelijks had het jonge meisje den stoot ontvangen, of zij viel voorover op de aarde en klaagde en gilde voortdurend en de ridder, die een mes nam, opende haar de ribben en trok er het hart uit en al wat er om was en wierp het den honden voor, die als uitgehongerd het dadelijk opaten. Het duurde slechts een oogenblik of het meisje, alsof er niets gebeurd was, stond weer dadelijk op en begon te vluchten naar de zee, terwijl de honden achter haar steeds haar beten en de ridder, op zijn paard gestegen, nam den degen weer ter hand, begon haar te volgen en in korten tijd waren zij zoo ver weg, dat Nastagio ze niet meer kon zien.

Na dit bijgewoond te hebben stond hij langen tijd medelijdend en beangst en het kwam hem voor, dat dit veel voor hem waard kon zijn, omdat het tooneel er zich elken Vrijdag herhaalde. Daarom na wel de plaats te hebben opgemerkt, ging hij naar zijn bedienden terug en vervolgens, toen het hem goed dacht, zeide hij tot zijn verwanten en vrienden, die hij had ontboden: Gij hebt mij lang aangespoord mijn vijandin niet meer te beminnen en een eind te maken aan mijn verkwisting en ik ben bereid dit te doen, wanneer gij mij één gunst toestaat namelijk deze, dat gij aanstaanden Vrijdag het zoo regelt, dat messer Paolo Traversaro, zijn vrouw, zijn dochter, al de hun verwante vrouwen en alle andere donna’s, die gij verkiest, bij mij zullen komen middagmalen. Wat ik hiermee wil, zult gij dan zien. Het scheen hun een licht werk om dit te doen en te Ravenna terug gekeerd noodigden zij, toen het tijd was, hen uit, die Nastagio wenschte en hoewel het moeite kostte het meisje er heen te krijgen door hem bemind, ging dit er toch met de anderen samen heen. Nastagio liet een prachtig maal gereed maken en liet de tafels onder de pijnboomen zetten vlak bij de plek, waar hij het verscheuren van de wreede donna had gezien en nadat hij de heeren en dames aan tafel had laten gaan, had hij dit zoo geregeld, dat het beminde meisje juist door hem geplaatst werd tegenover de plek, waar het feit weer moest geschieden. Toen het laatste gerecht was opgedragen, begonnen allen de wanhoopskreten van de opgejaagde donna te hooren. Iedereen was daarover zeer verwonderd en vroeg, wat dat dat was en daar niemand het wist te zeggen, stonden zij allen recht overeind en kijkend, wat dat kon wezen, zagen zij het klagende meisje en den ridder en de honden, en het duurde maar een oogenblik, of zij waren bij hen. Het rumoer werd groot, zoowel van de honden als van den ridder en velen, om het meisje te helpen, liepen er op af. Maar de ridder sprak hen toe gelijk hij het Nastagio had gedaan en deed ze niet alleen terug deinzen, maar verschrikte ze allen en vervulde ze met verwondering. Hij deed, wat hij vroeger had gedaan en zooveel donna’s, als er waren (want er waren er genoeg, die verwant geweest waren of met het klagende meisje of met den ridder en die zich zoowel zijn liefde als zijn dood herinnerden) begonnen allen jammerlijk te schreien, alsof zij het zich zelf zagen doen. [107] Toen dit gebeurd was en de donna en de ridder waren verdwenen, begonnen zij, die dit gezien hadden, daarover vele en verschillende gesprekken, maar onder degenen, die het meest verschrikt waren, bevond zich de wreede, jonge dame door Nastagio bemind, welke alles duidelijk had gezien en gehoord en in zich zelf begrepen had meer dan iemand anders op wie die dingen sloegen, terwijl zij zich de wreedheid herinnerde, door haar steeds tegen Nastagio volgehouden. Daarom scheen het haar, of zij al voor hem, die vol toorn was, vluchtte en of zij de honden aan haar zijden voelde. En zoo groot was de vrees, die daaruit bij haar ontstond, dat het haar niet zou overkomen, dat zij den tijd niet afwachtte (welke haar dienzelfden avond gegeven was) om met haat in liefde veranderd, een kamenier aan haar getrouw naar Nastagio te sturen, die hem van haar kant verzocht, of hij bij haar wou komen. Want zij was bereid alles te doen, wat hij begeerde. Hierop liet Nastagio antwoorden, dat hem dit zeer aangenaam was, maar dat, als het haar zou behagen, hij haar genoegen slechts met eer wenschte en dat was om haar te trouwen. Het meisje, dat wist, dat het slechts haar schuld was, als zij niet de vrouw van Nastagio werd, liet hem antwoorden, dat het haar aanstond. Daarom maakte zij zich zelf tot bode van dit alles en zeide tot haar vader en moeder, dat zij er tevreden mee was de vrouw van Nastagio te worden. Dezen waren daarover zeer verheugd en den volgenden Zondag huwde Nastagio haar en vierde bruiloft en leefde lang gelukkig met haar. En die angst was niet alleen de oorzaak van dit geluk, maar alle Ravenneesche donna’s werden er bang van, zoodat zij sedert veel inschikkelijker werden voor de genoegens der mannen dan zij eerst geweest waren.

NEGENDE VERTELLING.

Federigo degli Alberighi bemint en wordt niet bemind. Daar hij al zijn bezittingen verkwist, blijft hem slechts een valk over, die hij, daar hij niets anders heeft, aan zijn donna te eten geeft, als zij eens bij hem aan huis komt. Zij ziet dit nieuwe bewijs van liefde, verandert van gezindheid, neemt hem tot echtgenoot en maakt hem rijk.

Reeds had Filomena opgehouden met praten, toen de koningin, die gezien had, dat niemand iets meer had te zeggen behalve Dioneo met zijn voorrecht de laatste te zijn, met blij gelaat sprak: Nu is het aan mij de beurt om te vertellen, en—zeer geliefde donna’s—ik zal het gaarne doen met een verhaal gelijk aan de voorgaanden niet alleen, opdat gij weet hoeveel macht Uw schoonheid over edelmoedige harten heeft maar ook, opdat gij leeren zult U zelf te zijn, wanneer gij schenksters moet wezen van Uw belooningen zonder de fortuin leidsvrouw te laten wezen, welke ze meestal zonder onderscheidingsvermogen blindelings verdeelt.

Gij moet dan weten, dat Coppo di Borghese Domenichi, die in onze stad woonde en er misschien nog een man is van groot aanzien en groot gezag en zoowel door zijn manieren als zijn deugd, nog meer dan door den adel van zijn bloed zeer bekend en eeuwige roem waard, reeds oud er behagen in schepte met zijn buren en anderen over de dingen van het verleden te spreken, welke hij in meer orde en met beter geheugen en sierlijker bewoordingen wist te vertellen dan een ander man. Hij was gewoon onder andere schoone zaken te verhalen, dat er vroeger in Florence een jonkman leefde Federigo genaamd, zoon van messire Filippo Alberighi, en die in den wapenhandel en in hoffelijkheid boven elk jong edelman van Toscane hooggeschat werd. Deze gelijk met de meeste edellieden gebeurt, werd verliefd op een edeldame, monna Giovanna genaamd, die destijds tot de schoonsten en liefsten gerekend werd, die er in Florence waren en opdat hij haar liefde kon winnen, worstelde, schermde hij, hield hij feesten en schonk en verkwistte zonder eenig zelfbedwang zijn goederen. Maar zij niet minder eerbaar dan schoon, gaf niets om de dingen door hem gedaan, noch om hem, die ze deed. Daar Federigo boven zijn macht veel verteerde en niets verkreeg, begonnen, gelijk licht gebeurt, zijn rijkdommen te verminderen. Hij werd arm en bleef achter zonder iets anders dan een kleine landhoeve, van welker rente hij zeer karig leefde en had behalve dat slechts een der beste valken van de wereld. Daarom verliefder dan ooit en ziende, dat hij niet langer het stadsleven kon leiden, gelijk hij wenschte, ging hij te Campi, waar zijn boerderij was, wonen. Hier droeg hij, zoo goed hij kon met de vogelvangst en zonder iemand iets te vragen, geduldig zijn armoede. Nu gebeurde het, toen Federigo zoo tot de uiterste armoede kwam, dat de man van monna Giovanna ziek werd en toen hij den dood zag naderen, maakte hij zijn testament. En daar hij zeer rijk was, liet hij als erfgenaam een reeds grooten zoon achter en na dezen, daar hij monna Giovanna zeer had bemind, maakte hij haar in diens plaats tot erfgenaam, wanneer de zoon zonder wettig nakomeling zou sterven. Monna Giovanna bleef dus als weduwe achter en gelijk het de gewoonte is van onze donna’s, ging zij het zomerseizoen met haar zoon buiten doorbrengen op een landgoed vrij dicht bij dat van Federigo. Hierdoor begon die jongen met Federigo vriendschap te sluiten en zich met vogels en honden te vermaken.

Daar hij dikwijls de valk van Federigo had zien vliegen en die hem buitengewoon beviel, verlangde hij zeer dien te bezitten, maar durfde hem dit niet te vragen, daar hij zag, hoe deze op den vogel gesteld was. Terwijl de zaak zoo stond, werd de knaap ziek, waarover de moeder zeer treurig was, daar zij niets anders had en hem zooveel zij kon liefhad; zij was den ganschen dag bij hem, hield niet op hem te sterken en vroeg hem dikwijls of hij iets verlangde, hem smeekend het haar te zeggen, daar zij hem zeker, als het haar mogelijk was, hem dit zou bezorgen. De knaap, die dikwijls deze vragen hoorde, zeide: Moeder, als gij mij den valk zoudt kunnen geven van Federigo, zou ik spoedig beter worden. De donna, die dit hoorde, bleef een oogenblik in gedachten en begon er over te peinzen, wat haar te doen stond. Zij wist, dat Federigo haar lang had bemind, maar dat hij van haar nooit een enkele blik had gehad. Daarom zeide zij: Hoe zal ik sturen om hem dien valk te vragen, die, naar ik heb gehoord, de beste is, die er ooit vloog en die bovendien zijn troost in deze wereld is? En hoe zou ik zoo zelfzuchtig zijn er een edelman van te ontdoen, wien geen ander genoegen is overgebleven! Door die gedachten verontrust, hoewel zij er zeker van was den valk te krijgen, dien zij wenschte, wist zij niet, wat zij aan haar zoon zou zeggen en antwoordde hem niet. Eindelijk nam de liefde, die zij haar zoon toedroeg, zoo de overhand, dat zij besloot hem tevreden te stellen en wat er ook mocht gebeuren, zelf den vogel te gaan vragen in plaats het te laten doen en zij antwoordde het kind: Jongen, houdt moed en doe je best te herstellen, want ik beloof je, dat het eerste, wat ik morgen doen zal, is den valk te gaan halen en ik zal je dien brengen. Het kind hierover verheugd toonde denzelfden dag al eenige beterschap.

De donna na een andere tot gezelschap te hebben medegenomen, ging den volgenden morgen bij wijze van uitspanning naar het tuintje van Federigo en liet hem roepen. Daar het weer niet gunstig was en hij dien dag niet op de vogelvangst ging, was hij in zijn tuin en liet er eenig werk in orde maken. Toen hij hoorde, dat monna Giovanna naar hem vroeg, was hij zeer verwonderd en liep verheugd naar haar toe. Toen zij hem zag komen, stond zij voor hem met vrouwelijke bekoorlijkheid op en nadat Federigo haar eerbiedig gegroet had, zeide zij: Het ga U wel, Federigo. En zij vervolgde: Ik ben gekomen om U de schade te vergoeden, die gij door mij hebt geleden, toen gij mij meer lief hadt dan noodig was en de vergoeding is deze, dat ik met mijn gezellin van ochtend vriendschappelijk bij U wil blijven middagmalen. Federigo antwoordde nederig: Madonna, ik herinner mij niet ooit eenige schade door U geleden te hebben, maar integendeel zooveel goeds van U te hebben ontvangen, dat, zoo ik ooit iets waard ben geweest, het aan U te danken is en aan de liefde, die ik U heb toegedragen, dat dit gebeurd is. En zeker is Uw welgemeende komst mij aangenamer dan dat het mij gegeven zou zijn opnieuw te kunnen verkwisten, wat ik verteerd heb, hoewel gij bij een armen gastheer zijt gekomen. Bij die woorden ontving hij haar verlegen in zijn huisje en voerde haar vandaar in den tuin en daar hij er niemand had om haar gezelschap te houden, zeide hij: Madonna, omdat er niemand is, zal deze goede vrouw, de echtgenoote van dien tuinman, U gezelschap houden, terwijl ik de tafel ga dekken.

Hoewel zijn armoede uiterst groot was, had hij nog nooit gemerkt, hoe hem de rijkdommen ontbraken, die hij teugelloos verkwist had. Maar die ochtend, toen hij niets vond, waarmee hij de donna eer kon bewijzen, uit liefde tot welke hij al aan eindeloos veel menschen genoegen had gedaan, deed het hem inzien. En buitengewoon angstig, zijn lot vervloekend als een man, die buiten zich zelve was, liep hij dan hier dan daar heen en weer. Hij vond geld noch wissel en het werd al laat en zijn verlangen was groot om toch met een of ander de edelvrouw te ontvangen en daar hij niemand anders dan zijn tuinman hulp wilde vragen, wierp hij de oogen op den goeden valk, die hij in zijn kamertje op den stang zag zitten. Daar hij tot niets anders zijn toevlucht kon nemen, nam hij dien en vond hem dik en dacht, dat deze een waardige spijs voor de donna zou zijn. En daarom zonder verder nadenken draaide hij hem den hals om, liet hem door zijn bediende, geplukt en toebereid, aan het spit steken en flink braden. En na de tafel gedekt te hebben met hagelwitte servetten, waarvan hij er nog eenige had, ging hij met blij gelaat terug naar de donna in zijn tuin en zeide, dat het middagmaal, dat hij voor haar had kunnen bereiden, gereed was. Daarop stonden de donna en haar gezellin op en gingen aan tafel en zonder te weten, wat zij aten, deden zij zich evenals Federigo te goed met den valk, dien hij met genoegen liet opdienen.

Toen zij van tafel waren opgestaan en eenigen tijd met hem in aangename gesprekken waren gebleven, scheen het aan de donna tijd om dat te zeggen, waarvoor zij gekomen was en begon aldus vriendelijk tegen Federigo te spreken: Federigo, wanneer gij U Uw vroeger leven herinnert en mijn eerbaarheid, welke gij ongelukkigerwijze voor hardheid en wreedheid hebt gehouden, twijfel ik er niet aan, dat gij U moet verwonderen over mijn aanmatiging, wanneer gij weet, waarom ik hoofdzakelijk gekomen ben. Maar indien gij kinderen hebt of gehad hebt, waardoor gij zoudt weten, hoe groot de kracht is der liefde, die men hun toedraagt, schijnt het mij zeker, dat gij mij ten deele zult verontschuldigen. Gij hebt er echter geen en ik wel; ik kon dus de wetten voor alle moeders gelijk niet ontloopen. Omdat het mij past dien aandrang te gehoorzamen, moet ik, tegen mijn goedvinden en tegen elken regel van wellevendheid in U een geschenk vragen, wat ik weet, dat U zeer dierbaar is en wat de reden is, waarom Uw slecht fortuin U geen ander genoegen, geen ander vermaak, geen anderen troost heeft gelaten en dat geschenk is Uw valk, waarnaar mijn kind zoo begeerig is, dat, als ik het dien niet breng, ik vrees, dat hij veel zieker wordt Dit zal tengevolge zal hebben, dat ik hem zal verliezen, als het niet gebeurt. Daarom bid ik U niet bij de liefde, die gij mij toedraagt—waardoor gij tot niets verplicht zijt—maar bij Uw adel, welke gij door het schenken van Uw beleefdheid getoond hebt meer dan in wat ook, dat gij mij dien met genoegen zult geven, opdat ik zeggen kan door die gift mijn zoon in het leven te hebben gehouden en U aan hem daardoor steeds te danken te hebben. Toen Federigo hoorde, wat de donna vroeg en begreep, dat hij haar niet van dienst kon zijn, omdat die tot spijs gediend had, begon hij in haar tegenwoordigheid te zuchten en kon niets antwoorden. De donna geloofde eerst, dat die smart meer voortkwam uit de scheiding van den goeden valk dan uit iets anders en was op het punt te zeggen, dat zij het niet meer verlangde, maar zich inhoudend, wachtte zij na het klagen het antwoord van Federigo af, die aldus sprak: Madonna, sinds het aan God heeft behaagd, dat ik op U mijn liefde had gericht, is de fortuin mij in heel wat dingen tegen geweest, en ik heb mij er over moeten beklagen, maar allen zijn licht geweest in vergelijking tot wat zij mij heden aandoet, waarover ik nooit vrede met haar zal hebben, als ik er aan denk, dat gij hier in mijn arm huis gekomen zijt, waar gij, toen ik rijk was, U niet hadt verwaardigd te komen en van mij nu een klein geschenk wilt hebben en zij het thans zoo heeft besteld, dat ik U dit niet kan geven. Waarom dit niet kan, zal ik U in het kort zeggen: Zoodra ik gehoord had, dat gij dank zij Uw gunst met mij wilde middagmalen, nam ik Uw hoogen rang en waardigheid in aanmerking en heb ik het een welvoegelijke en passende zaak geacht U met de beste spijs naar mijn vermogen te onthalen veel meer dan men in ’t algemeen voor andere personen doet. Daarom, toen ik aan den valk dacht, dien gij mij vraagt en aan zijn deugdelijkheid, heb ik die waardige spijs voor U geacht en gij hebt hem van ochtend gebraden op den schotel gehad, dien ik daartoe zeer goed besteed achtte, maar nu ik zie, dat gij dien op andere wijze begeert, doet het mij groot leed, dat ik U niet van dienst kan zijn, zoodat ik geloof mij zelf nooit rust te kunnen geven. En bij die woorden liet hij de veeren, de klauwen en de bek van den valk voor haar werpen.

De donna zag en hoorde dit en berispte hem eerst, dat hij om een vrouw te onthalen zulk een valk had gedood, maar bewonderde daarna in stilte weer zijn grootmoedigheid, welke zijn armoede niet had kunnen noch kon neerslaan. Daarna zonder hoop den valk te krijgen en misschien ook daartoe op het herstel van haar zoon, ging zij geheel terneergeslagen heen en keerde tot den jongen terug. Deze, hetzij door zwaarmoedigheid, omdat hij den valk niet kon krijgen of omdat de ziekte er toch de oorzaak van was, stierf na verloop van eenige dagen tot zeer groote smart van de moeder. Zij bleef een tijd vol tranen en bitterheid, maar daar zij zeer rijk was, werd zij dikwijls door haar broeders aangespoord om weer te trouwen. Hoewel zij het niet wilde, maar hen toch zag volhouden en zij zich de waarde van Federigo herinnerde en zijn laatste gulheid, namelijk zulk een valk gedood te hebben om haar te ontvangen, zeide zij tot de broeders: Ik zou gaarne, als gij het ook wenschte, alleen willen blijven, maar als gij toch wilt, dat ik een man neem, zal ik zeker geen ander huwen dan Federigo degli Alberighi. De broeders spotten hiermee en zeiden: Hoe dwaas! Wat zegt gij? Hoe wil je hem hebben, die niets op de wereld bezit? Daarop antwoordde zij: Mijn broeders, ik weet wel, dat dit zoo is, maar ik wil liever een man, die behoefte heeft aan rijkdom dan rijkdom, die een man noodig heeft. De broeders, die haar gezindheid vernamen en Federigo kenden als iemand van veel waarde, hoewel hij arm was, gaven haar, gelijk zij het wilde, aan hem met al haar rijkdommen. Hij huwde de vrouw van dien rang, welke hij zoo had bemind, werd aldus ook zeer rijk en eindigde met haar, nu zorgzamer geworden voor zijn geld, zijn dagen in vreugde.

TIENDE VERTELLING.