Chapter 38
Toen de koning vertrokken was, grepen velen onmiddellijk de beide minnenden en wekten ze niet alleen, maar namen ze zonder erbarmen gevangen en boeiden hen. Toen de beide jongelieden dit zagen, werden zij wanhopig, vreesden voor hun leven en weenden en klaagden, wat men zich wel kan voorstellen. Zij werden op bevel des koning naar Palermo gevoerd en aan één paal op het plein gebonden en voor hun oogen werden de brandstapel en het vuur gereed gemaakt om ze op het uur door den koning aangegeven te verbranden. Dadelijk liepen hier de Palermers, mannen als vrouwen heen om de twee minnenden te zien; de mannen richtten hun blikken op het jonge meisje en gelijk die haar prezen als schoon en welgemaakt, zoo kwamen de donna’s den jonkman kijken en prezen hem als ten hoogste knap en goed gebouwd, maar de ongelukkige gelieven, beide zeer beschaamd, stonden met gebogen hoofden en beweenden hun ongeluk van uur tot uur in afwachting van den dood. En terwijl zij daar tot de vastgestelde stonde werden gehouden en overal het gerucht ging van een misstap door hun bedreven en dit Ruggier dell’Oria [102] ter ooren kwam, een man van onschatbare waarde en destijds admiraal des konings, ging hij daarheen, waar zij stonden vastgebonden.
Daar gekomen beschouwde hij eerst het meisje en vond haar zeer mooi en toen hij daarna den jonkman bekeek, herkende hij dien dadelijk, naderde hem en vroeg hem of hij Gianni van Procida was. Gianni hief het gelaat op en antwoordde den admiraal herkennend: Mijn heer, ik was vroeger, dien gij vraagt, maar sta op het punt het niet meer te zijn. Toen vroeg hem de admiraal, wat hem hiertoe gebracht had. Gianni hernam: Liefde en de toorn des konings. De admiraal deed hem de geschiedenis uitvoeriger vertellen en toen hij wist, hoe alles gebeurd was en wilde heengaan, riep Gianni hem terug en zeide: Zeg, mijnheer, zoo het kan, tracht dan voor mij een genade te verkrijgen van hem, die mij hier zoo laat staan. Ruggieri vroeg: Welke? Hierop zeide Gianni: Ik zie, dat ik—en spoedig—moet sterven. Ik vraag als gunst in plaats rug aan rug te worden gebonden met dat meisje, dat ik meer dan mijn leven liefheb en die mij ook zoo heeft bemind, dat men ons met het gelaat naar elkaar toe plaatst en ik getroost kan heengaan. Ruggieri zeide lachend: Graag, ik zal zoo te werk gaan, dat gij haar nog tot vervelens toe zien zult. Van hen heengegaan, beval hij aan hen, wien gelast was de terechtstelling uit te voeren, dat zij zonder nader bevel des konings, die niet zouden laten geschieden en zonder verwijl begaf hij zich naar den vorst.
Hoewel hij dien zeer vertoornd zag, besloot hij niettemin hem zijn meening te vertellen en zeide: Koning, waarmee hebben die twee jongelieden U beleedigd, die gij bevolen hebt daar op het plein te laten verbranden. Toen de vorst het hem gezegd had, ging Ruggieri voort: De misstap door hem begaan eischt dit wel, maar niet van U en zoo de misstappen straf vorderen, eischen de goede daden belooning zonder te spreken van genade en barmhartigheid. Kent gij hen, die gij wilt laten verbranden? De koning antwoordde van niet. Toen zeide Ruggieri: Maar ik wil, dat gij ze zult kennen, opdat gij ziet, hoe licht gij U door den aandrang van den toorn hebt laten meeslepen. De jonkman is een zoon van Landolfo van Procida, een eigen broeder van messer Gianni van Procida, door wiens werk gij koning en heer van dat eiland zijt. Het meisje is de dochter van Marin Bólgaro, wiens macht de oorzaak is, dat uw heerschappij thans niet verdwenen is op Ischia. Zij zijn jonge menschen, die elkaar lang hebben liefgehad en daartoe door liefde genoodzaakt waren en niet om U te beleedigen, hebben zij die zonde bedreven, indien men zonde kan noemen, wat jongelieden uit liefde doen. Waarom wilt gij dus hen doen sterven, terwijl gij ze met zeer groote genoegens en geschenken moest eeren! De koning hoorde dit en bevond, dat Ruggieri de waarheid sprak. Hij had er niet alleen berouw van, dat men met de straf zou voortgaan, maar ook van het reeds gebeurde. Daarom beval hij onmiddellijk, dat de twee jongelieden van den paal zouden losgemaakt worden en voor hem gebracht en zoo geschiedde het. Toen hij hun geheelen toestand had leeren kennen, meende hij, dat hij met eer en geschenken den aangedanen smaad kon herstellen en na ze eervol te hebben doen kleeden en nadat hij zag, dat zij van eenerlei gezindheid waren, liet hij Gianni het meisje trouwen en na hen prachtige geschenken te hebben gegeven, zond hij ze gelukkig naar huis, waar zij met zeer groote blijdschap ontvangen langen tijd in vrede en vreugd te samen leefden.
ZEVENDE VERTELLING.
Teodoro, verliefd op Violante, de dochter van messire Amerigo, zijn heer, maakt haar zwanger en wordt tot de galg veroordeeld. Na er met geeselslagen heen te zijn geleid, wordt hij door zijn vader herkend en in vrijheid gesteld en neemt Violante tot vrouw.
De donna’s, die allen in spanning vreesden te hooren, dat de twee gelieven verbrand waren, en vernamen, dat ze ontkwamen, prezen God en verheugden zich allen opnieuw. En de koningin, die het einde gehoord had, droeg aan Lauretta de volgende vertelling op, die met een blij gelaat begon te spreken: Zeer schoone donna’s. Toen de goede koning Guiglielmo [103] Sicilië regeerde, was er op dat eiland een edelman, messire Amerigo Abate van Trapani, die onder andere aardsche goederen wel van kinderen was voorzien. Daarom toen hij dienaars noodig had en er eenige galeien van Genueesche zeeroovers van den Levant waren gekomen, waar zij vele jonge slaven hadden gevangen bij het kruisen op de kust van Armenië, kocht hij er eenigen van in de meening, dat dit Turken waren. Onder dezen, waarvan de meesten herders schenen te zijn, was er een van aardig en beter uiterlijk, die Teodoro heette. Bij het opgroeien, hoewel hij steeds als lijfeigene werd behandeld, werd hij toch opgevoed met de kinderen van messire Amerigo en daar hij zich meer liet leiden door de natuur dan door het noodlot, begon hij beschaafd te worden en van goede manieren, zoodat hij dermate aan messire Amerigo beviel, dat die hem tot een vrij man maakte en daar hij geloofde, dat hij Muzelman was, liet hij hem doopen en Pietro noemen, maakte hem tot zijn rentmeester en stelde in hem veel vertrouwen. Gelijk de andere kinderen van messer Amerigo opgroeiden, gebeurde dit ook zijn dochter Violante, een schoon en bevallig jong meisje, welke daar haar vader haar te lang liet wachten met trouwen, verliefd werd op Pietro. Hoewel zij hem lief had en hem hoog achtte om zijn goed voorkomen en zijn talenten, schaamde zij zich toch dit aan hem te bekennen. Maar Amor ontnam haar die moeite, omdat Pietro, die haar meermalen in het geheim had gade geslagen, zoo verliefd op haar was geworden, dat hij zich niet wel voelde, als hij haar niet zag; toch vreesde hij haar te toonen wat hij gevoelde, daar dit hem niet wenschelijk scheen.
Het meisje, dat hem gaarne zag, bemerkte dit en om hem meer zekerheid te geven, toonde zij er zich zeer gelukkig mede, van welken stand ze ook was. En zoo bleef het lang, en zij durfden niets aan elkaar te zeggen, hoezeer elk het ook begeerde. Maar terwijl beide van dezelfde liefdevlam brandden, vond de fortuin, alsof die overlegd had, dat dit zou geschieden, een weg om hun vrees, die ze schuchter maakte en het belette, te verjagen. Messire Amerigo had op misschien een mijl afstand van Trapani een schoon landhuis, waar zijn vrouw met zijn dochter met andere vrouwen en donna’s dikwijls heen placht te gaan om zich te ontspannen. Terwijl zij daar heengegaan waren op een dag, dat het zeer warm was en zij Pietro mee hadden genomen en daar bleven, werd de hemel, gelijk wij dat dikwijls zien gebeuren, opeens bedekt met donkere wolken. Daarom begaf zich de donna met haar gezelschap, opdat het slechte weer haar daar niet zou verrassen, weer op weg terug naar Trapani en zij liepen zoo snel ze konden. Maar Pietro die jong was en ook het meisje, liepen haar moeder en de andere gezellinnen een eind vooruit, misschien niet minder gedreven door de liefde dan door de vrees voor het weer. En daar zij de donna en de anderen al zoover vooruit waren, dat men hun ternauwernood zag, viel er opeens na verscheidene donderslagen een zware en onophoudelijke hagelbui, welke de donna en haar gezelschap ontvluchtte in het huis van een boer. Pietro en het meisje, die niet eerder een schuilplaats vonden, traden een oude en geheel vervallen hut binnen, waarin niemand woonde en waarin zij onder een overgebleven stuk dak zich borgen en waar de weinig ruimte noodzakelijk ze dwong elkaar aan te raken. Deze aanraking was de oorzaak, dat zij de zielen een weinig moed gaf voor elkaar hun liefde te bekennen en Pietro begon het eerst te spreken: God mocht geven, dat ik hier mocht blijven en die regen nooit ophoudt. En het jonge meisje sprak: Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Na die woorden kwamen zij er toe elkaar bij de hand te nemen en wederkeerig te drukken en hierop elkaar te omarmen en dan te kussen, terwijl het maar altijd hagelde. En om mij niet bij elke bijzonderheid op te houden: het weer werd niet beter, voor zij de hoogste verrukkingen der liefde gekend hadden en hun maatregelen genomen hadden om in ’t geheim van elkaar te genieten. Het slechte weer hield op en bij de poort van de stad, die daar niet ver vandaan was, wachtten zij de donna en keerden met haar terug naar huis.
Zij vonden elkaar meermalen terug met groote voorzichtigheid en in stilte tot elkanders groot genoegen. En het ging zoo, dat het meisje zwanger werd, wat beide zeer hinderlijk was. Daarom zocht zij met vele kunstmiddelen tegen den loop der natuur de vrucht af te drijven, maar kon het niet gedaan krijgen. Daarom zeide Pietro haar, dat hij voor zijn eigen leven vreesde en plan had te vluchten. Toen zij dit hoorde, zeide zij: Als gij vlucht, zal ik mij zeker van kant maken. Hierop antwoordde Pietro, die veel van haar hield: Hoe wilt gij, mijn donna, dat ik hier blijf? Uw zwangerschap zal onzen misstap openbaren. U zal men het licht vergeven, maar ik, ongelukkige, zal het zijn, die voor Uw zonde en de mijne de straf zal moeten dragen. Het meisje hernam: Pietro, men zal mijn zonde wel kennen, maar wees er zeker van, dat men, indien gij de Uwe niet zult vertellen, dit nooit zal weten. Toen sprak Pietro: Nu gij mij dit belooft, zal ik blijven, maar denk er aan Uw belofte te houden.
Het jonge meisje, dat zooveel zij kon, haar zwangerschap had verborgen gehouden en zag, dat de omvang, die haar lichaam kreeg, haar niet veroorloofden dien langer te verbergen, bekende die een dag met vele tranen aan haar moeder en smeekte die haar te redden. De donna ten zeerste bedroefd hoonde haar zeer en wilde weten, hoe dit gebeurd was. Het jonge meisje verzon, opdat er aan Pietro niets kwaads zou geschieden, een historie en vertelde de zaak op haar manier. De donna geloofde haar en om den misstap van haar dochter te verbergen, zond zij haar naar een van haar landhuizen. Toen daar de tijd der bevalling gekomen was, schreeuwde het meisje, gelijk de vrouwen in dergelijke omstandigheden doen en daar haar moeder niet voorzag, dat messer Amerigo, die bijna nooit op die plaats kwam, er juist zou komen, verwonderde hij zich, die terugkwam van de vogelvangst en langs de kamer ging, waar zijn dochter schreeuwde, kwam opeens binnen en vroeg, wat er gaande was. De donna, die haar man op het onverwachtst zag, stond zeer onthutst op en vertelde hem, wat er met haar dochter was gebeurd. Maar hij—minder spoedig geneigd om te gelooven, wat men hem vertelde dan de donna—zeide, dat het niet waar kon zijn, dat zij niet wist, van wien ze zwanger was en verklaarde, dat hij alles wilde weten en dat door het te zeggen zijn dochter zijn genegenheid kon herwinnen, maar als ze het niet deed, dat ze er dan aan moest denken zonder genade te sterven.
De donna deed haar best, zooveel ze kon, haar echtgenoot tevreden te stellen met wat zij gezegd had, maar dat hielp niets. Hij, in woede ontbrand, liep met uitgetogen degen in de hand op zijn dochter toe, welke, terwijl de moeder haar vader met woorden tegenhield, van een knaapje beviel en zei: Of gij bekent van wien gij dit kind hebt gekregen of gij zult dadelijk sterven. Het meisje brak in doodsangst de belofte aan Pietro gedaan en openbaarde, dat het van hem en haar was. Toen de ridder dit hoorde en haast razend was geworden van woede, weerhield hij zich ternauwernood haar te vermoorden, maar nadat hij gezegd had, wat de toorn hem ingaf, steeg hij te paard, kwam te Trapani en liet door een zekeren Currado, die door den koning tot kapitein was benoemd, Pietro onverhoeds gevangen nemen na hem den hoon verteld te hebben hem door deze aangedaan en op de pijnbank leggen, waar hij alles bekende. Na eenige dagen werd hij door den kapitein veroordeeld door de gemeente heen gegeeseld te worden en daarna opgehangen. Opdat een zelfde uur de twee minnenden en het kind van de aarde deed verdwijnen, goot messer Amerigo, wiens toorn door de ter dood veroordeeling van Pietro nog niet was gestild, vergift in een beker wijn, gaf die aan een van zijn knechts, overhandigde dien met een ontbloote dolk en zeide: Ga Violante zoeken met die twee dingen en zeg haar uit mijn naam, dat zij spoedig een van beide kiest om te sterven: gift of metaal; zoo niet, dan zal ik haar voor de oogen van alle burgers laten verbranden gelijk zij het heeft verdiend en daarna zult gij het kind nemen door haar gebaard en na dit het hoofd tegen den muur verpletterd te hebben, zult gij het den honden als voedsel voorwerpen. Toen de beestachtige vader zulk een wreed bevel tegen zijn dochter en kleinkind gegeven had, ging de dienaar meer ten kwade dan ten goede geneigd weg.
Pietro, veroordeeld, liep naar de galg, gegeeseld door de beulsknechten, die hem er heen voerden, toen hij naar den wil van hen, die de groep leidden, langs een herberg kwam, waar zich drie edellieden uit Armenië bevonden, welke hun koning als gezanten naar Rome had gestuurd om met den Paus te onderhandelen over gewichtige zaken betreffende een doortocht van troepen, die plaats moest hebben en die daar waren afgestegen om zich te verfrisschen en er eenige dagen te blijven. Zij werden met veel eer ontvangen door de edellieden van Trapani en in het bijzonder door messire Amerigo. Toen zij degenen zagen voorbijgaan, die Pietro leidden, kwamen zij aan een venster om te kijken. Pietro was tot op den gordel naakt en had de handen op den rug gebonden. Een der gezanten, een bejaard man en van groot gezag, Fineo genaamd, die hem per toeval had aanschouwd, zag op zijn borst een groote, roodachtige plek niet geschilderd maar op natuurlijke wijze op de huid afgedrukt, als die, welke de vrouwen gewoon zijn rozen te noemen. Bij dat gezicht herinnerde hij zich plotseling een van zijn zonen, die hem reeds voor vijftien jaar geleden door zeeroovers op de kust van Lajazzo ontvoerd was en waarvan hij nooit meer iets had gehoord en toen hij over den leeftijd dacht van den ongelukkige, die gegeeseld werd, meende hij, indien zijn zoon nog leefde, dat hij dit moest zijn en denzelfden leeftijd moest hebben als deze en hij begon te vermoeden door dit teeken, dat hij het werkelijk was. En hij meende, dat, als hij het zou wezen, hij zich nog zijn naam en dien zijns vaders en de taal van Armenië herinneren moest. Toen hij in zijn nabijheid was, riep hij derhalve: O Teodoro! Pietro hoorde die stem en hief dadelijk het hoofd op. Hierop zeide Fineo in het Armenisch: Waar ben je vandaan? Wiens zoon ben je? De wachters, die Pietro geleidden, hielden uit eerbied voor den waardigen man stand, zoodat Pietro kon antwoorden: Ik kwam uit Armenië als zoon van iemand, die Fineo heette, waarvan ik als klein kind door ik weet niet wat voor lieden werd geroofd. Fineo vernam dit en wist nu zeker, dat hij de zoon was, dien hij had verloren: daarom liep hij klagend met zijn metgezellen naar beneden en vloog hem tusschen de soldaten om den hals en na hem een mantel van zeer rijk laken te hebben omgeworpen, dien hij aan had, bad hij hen, die hem naar de strafplaats leidden, te wachten, gelijk hij wilde en te blijven tot zij een order zouden ontvangen. Zij antwoordden, dat zij dit gaarne deden. Fineo had de reden al vernomen, waarom Pietro ter dood zou worden gebracht, daar het nieuws zich overal had verbreid. Daarom ging hij haastig met zijn gezelschap en hun bedienden naar messer Currado en sprak tot hem: Messere, hij, die zich ter dood wil laten brengen als bediende is een vrij man en mijn zoon en hij is bereid haar tot vrouw te nemen van wie men zegt, dat hij haar maagdelijkheid heeft geroofd. En derhalve moge het U behagen de terechtstelling zoo lang op te schorten, dat men kan weten of zij hem tot man wil, opdat zij, zoo zij wil, niet tegen de wet handelt. Toen Messer Currado hoorde, dat deze de zoon was van Fineo, was hij verbaasd en zich schamend over de zonde, die het noodlot hem deed begaan en na herkend te hebben, dat hij werkelijk, die het zeide, Fineo was, liet hij hem snel naar huis terugkeeren en liet messere Amerigo halen en vertelde hem alles.
Messer Amerigo, die dacht, dat zijn dochter en kleinzoon al dood waren, was de bedroefdste man ter wereld over wat hij had gedaan, met het besef, dat, als zij niet dood was, daar veel goeds uit kon voortkomen, maar niettemin zond hij iemand er op uit naar de dochter, opdat, als zijn bevel nog niet was opgevolgd, dit niet zou gebeuren, Hij, die ging, vond den knecht door messere Amerigo afgezonden, die de dolk en het gift voor zich had geplaatst, en omdat zij niet zoo spoedig koos, haar beleedigde en haar wilde dwingen er een te kiezen. Doch na het bevel van zijn heer gehoord te hebben, liet hij haar met rust, keerde naar hem terug en zeide hem, hoe het met de zaak stond. Hierover was messere Amerigo tevreden, begaf zich naar Fineo, klagend, daar hij nu beter wist, en verontschuldigde zich over hetgeen er was voorgevallen, vroeg vergeving en beweerde, als Teodoro zijn dochter tot vrouw wenschte, dat hij zeer verheugd zou zijn die hem te geven. Fineo nam gaarne de verontschuldigingen aan en antwoordde: Ik wil, dat mijn zoon Uw dochter neemt en als gij niet wilt, ga dan voort met het vonnis, dat hem is voorgelezen. Daar Fineo en messer Amerigo het eens waren, terwijl Teodoro nog geheel in doodsangst verkeerde en blijde was zijn vader te hebben teruggevonden, vroegen zij op hun beurt hem, wat hij wilde. Teodoro hoorend, dat Violante, mits hij wilde, zijn vrouw zou zijn, was zoo verheugd, dat de hel hem in den hemel scheen te veranderen en zeide, dat dit voor hem de hoogste genade zou wezen, wanneer dat beide ouders behagen kon. Men vond iemand om den wil te vernemen van het meisje; toen zij hoorde, wat Teodoro overkomen was en wat hem te wachten stond, terwijl zij bedroefder dan welke vrouw ook den dood afwachtte, hechtte zij na lang praten geloof aan die woorden, vroolijkte een weinig op en antwoordde, dat, als zij daarin haar verlangen mocht volgen, niets blijders haar kon gebeuren dan de vrouw te worden van Teodoro, maar dat zij in elk geval zou doen, wat haar vader gelasten zou.
Toen zoo allen het eens waren geworden, huwde men het meisje uit en het feest was zeer groot tot het hoogste genoegen van alle burgers. Het meisje, na zich hersteld te hebben en haar zoontje te laten zoogen, werd na korten tijd schooner dan ooit en na van het kraambed te zijn opgestaan, wachtte zij Fineo bij zijn terugkeer van Rome af en eerde hem als haar vader. En hij zeer tevreden met zijn zoo mooie schoondochter, maakte met zeer groote vreugde en blijdschap voor hen bruiloft en ontving en behield haar altijd als zijn dochter. Nadat eenige dagen later zijn zoon en zijn kleinzoon op een galei waren gestegen, nam hij ze met zich mede naar Lajazzo, waar de twee gelieven in rust en vrede, zoolang zij leefden, bleven wonen.
ACHTSTE VERTELLING.
Nastagio deglie Onesti, die een donna uit de familie Traversari bemint, verkwist zijn rijkdommen zonder wederliefde te vinden. Op verzoek der zijnen gaat hij naar Chiassi. Daar ziet hij een ridder een vrouw najagen en haar dooden en door twee honden verscheuren. Hij noodigt zijn familie en de donna door hem bemind tot een ontbijt en deze ziet diezelfde jonge vrouw in stukken rijten. Uit vrees voor een dergelijke behandeling stemt zij toe Nastagio [104] tot man te nemen.
Toen Lauretta zweeg, begon Filomena op bevel der koningin aldus: Beminnelijke donna’s. Indien het medelijden een deugd is, die in ons wordt geprezen, zoo wordt ook de wreedheid, waaraan gij U schuldig maakt door de goddelijke gerechtigheid uit U te verjagen, gewroken en om u dit aan te toonen heb ik zin U een verhaal te doen niet minder roerend dan aangenaam.
Er was vroeger in Ravenna, een zeer oude stad van Romagna een groot aantal edele ridders, onder welken een jonkman Nastagio degli Onesti, dien de dood van zijn vader en van een zijner ooms onschatbaar rijk had achtergelaten. Deze, gelijk het met jongelieden gebeurt, omdat hij zonder vrouw was, werd verliefd op de dochter van messer Paolo Traversaro [105], een meisje van veel hooger adel dan hij en hij hoopte door zijn pogingen haar op hem verliefd te maken. Maar dezen, hoe grootsch, schoon en lofwaardig ze ook waren, deden haar niet alleen geen genoegen, maar schenen haar zelfs te vervelen, zoo wreed, hard en ruw toonde zich het beminde meisje, misschien door haar bijzondere schoonheid of door haar zoo hoogen adel zoo trotsch en aanmatigend geworden, dat noch hij, noch iets van hem haar kon behagen. Dat was voor Nastagio zoo zwaar te dragen, dat hij van verdriet meermalen na zich beklaagd te hebben, van plan was haar te vermoorden. Daarna zich bedwingend, nam hij zich vaak voor haar geheel te laten varen, of, indien hij kon, haar te laten gelijk zij hem. Maar vergeefs nam hij zulk een besluit, omdat, hoe meer hem de hoop ontbrak, des te meer groeide zijn liefde aan. Daar hij volhield het meisje lief te hebben en doorging met bovenmatig geld verteren, scheen het aan sommigen van zijn vrienden en verwanten, dat hij beide: zich zelf en het zijne te verteren scheen. Daarom verzochten en raadden zij hem meermalen uit Ravenna te vertrekken en eenigen tijd in een andere plaats te vertoeven; dan zou daardoor de liefde en de verkwisting ophouden.