De Decamerone van Boccaccio

Chapter 37

Chapter 374,236 wordsPublic domain

Toen hij zich herinnerde, dat het meisje op de galerij sliep, maakte hij stil de deur open en zeide: Laat ons kijken of de nachtegaal Catharina vannacht heeft laten slapen. Hij ging verder, hief het serge omhoog, waarmee het bed was omgeven en zag Ricciardo en haar naakt en zonder dek in elkaars armen slapen op de wijze als hierboven beschreven. Nadat hij Ricciardo goed had herkend, ging hij daar weg naar de kamer van zijn vrouw, riep haar en zeide: Spoedig vrouw, sta op en kom kijken, uw dochter was zoo begeerig naar den nachtegaal, dat zij hem gevangen heeft en in haar armen houdt. De donna sprak: Hoe is dat mogelijk? Messire Lizio ging voort: Je zult het dadelijk zien. De donna, die zich haastig kleedde, volgde zonder gedruisch messer Lizio en beide kwamen bij het bed, hieven het gordijn op en daar kon mevrouw Giacomina duidelijk gewaar worden, hoe haar dochter den nachtegaal gevangen had en koesterde, dien zij zoo verlangd had te hooren zingen. De donna, die zich zeer door Ricciardo bedrogen zag, wilde schreeuwen en hem beleedigen, maar messire Lizio zeide haar: Vrouw, pas er voor op een woord te spreken, als gij op mijn liefde gesteld zijt, want heusch, omdat hij haar genomen heeft, zal zij de zijne worden. Ricciardo is van adel en een rijk jonkman; wij kunnen slechts een goede verbintenis met hem aangaan. Als hij goedwillig hier vandaan zal gaan, zal hij haar eerst hier huwen, zoodat hij den nachtegaal in zijn eigen kooi zal hebben gedaan en niet in die van anderen. Hiermee was de donna getroost, toen zij zag, dat haar man er niet kwaad over was en in aanmerking nam, dat de dochter een goeden nacht had, best had geslapen en den nachtegaal had gevangen en zij zweeg. Kort na die woorden ontwaakte Ricciardo en toen hij zag, dat het helder dag was, hield hij zich voor verloren, riep Catharina en zeide: Wee mijn ziel, hoe zullen we doen, daar de dag is aangebroken en mij hier heeft verrast! Bij die woorden kwam messer Lizio toeloopen, hief het gordijn op en zeide: Wij zullen goed te werk gaan. Toen Ricciardo hem zag, scheen het hem, dat het hart hem uit het lijf werd gerukt en nadat hij in het bed op ging zitten, zeide hij: Mijn heer, ik vraag u bij God om genade. Ik weet, dat ik als oneerlijk en slecht man den dood heb verdiend en doe daarom met mij wat gij wilt, maar wel bid ik u, dat gij mij het leven schenkt en dat ik niet zal sterven. Hierop zeide messire Lizio: Ricciardo, de liefde, die ik u toedroeg en het vertrouwen, dat ik in u had, zouden u die belooning niet waard maken, maar toch, omdat het nu eenmaal zoo is en de jeugd u tot zulk een misstap heeft gevoerd, huw, opdat gij den dood ontkomt en ik de schande, Catharina als wettige vrouw, opdat zij, gelijk dezen nacht voortaan met u zal leven. Zoo kunt gij mijn vrede en uw geluk erlangen, maar als gij het niet wilt doen, beveel uw ziel dan aan God.

Terwijl zij die woorden spraken, liet Catharina den nachtegaal vrij, verborg zich onder het dek en begon zeer te schreien en haar vader te smeeken, dat hij het Ricciardo zou vergeven. En van den anderen kant bad Ricciardo, dat zij deed, wat messer Lizio wilde, opdat zij voortaan met zekerheid allebei zulke nachten konden hebben. Maar daarvoor waren niet veel smeekbeden noodig, omdat van den eenen kant de schande over den beganen misstap en het verlangen dien te herstellen en van den anderen kant de vrees te sterven en de begeerte gezond en wel te ontkomen en ten slotte de brandende liefde en de begeerte het beminde voorwerp te bezitten, aan Ricciardo vrij deden zeggen en zonder aarzeling, dat hij bereid was te doen, wat aan messer Lizio zou behagen. Daarom liet messer Lizio zich van zijn vrouw Giacomina een van haar ringen leenen en huwde Ricciardo Catharina in hun tegenwoordigheid zonder van plaats te veranderen. Hierop gingen messer Lizio en de donna heen en zeiden: Slaap maar voort, want gij hebt dit denkelijk meer noodig dan op te staan.

Toen zij vertrokken waren, omhelsden de jongelieden elkaar opnieuw en daar zij dien nacht niet meer dan zes mijl gereisd hadden, legden zij er nog twee meer af en besloten zoo den eersten dag van hun huwelijkstocht. Toen zij daarna opstonden en Ricciardo met messer Lizio meer geregeld had gesproken, huwde hij eenige dagen later, gelijk men overeenkwam, op nieuw in tegenwoordigheid der vrienden en verwanten het meisje en leidde haar met groote vreugd naar huis en maakte een eervolle en schoone bruiloft en langen tijd in vrede en rust hoorde hij met haar naar den zang der nachtegalen dag en nacht, zooveel hij begeerde.

VIJFDE VERTELLING.

Guidotto van Cremona laat aan Giacomina van Pavia een dochter achter en sterft. Zij wordt bemind door Giannuol di Severino en Minghino di Mingole in Faënza. Zij twisten met elkaar. Wanneer men ontdekt, dat zij een zuster is van Giannòle, wordt zij aan Minghino tot vrouw gegeven. [99]

De dames hadden bij het luisteren naar de vertelling van den nachtegaal, zoo gelachen, dat, hoewel Filostrato met verhalen had opgehouden, zij zich nog niet houden konden. Maar toch, toen zij genoeg hadden gelachen, zeide de koningin: Zeker, indien gij ons gisteren bedroefd hebt, hebt gij thans u voor ons zoo beijverd, dat het onrechtvaardig zou zijn U iets te verwijten. Daarna tot Neifile het woord richtend, beval zij, dat die zou voortgaan. Deze begon blijmoedig te spreken: Omdat Filostrato met vertellen Romagna is binnengegetrokken, behaagt het ook aan mij daar wat rond te gaan met mijn verhaal.

Ik zeg dan, dat er in de stad Faënza twee Lombarden woonden, waarvan de een Guidotto van Cremona genoemd werd en de ander Giacomin van Pavia, beide mannen op leeftijd. Zij waren in hun jeugd altijd onder de wapens en soldaat geweest. Toen Guidotto stierf en hij geen vrouw naliet noch een anderen vriend of verwant, dien hij meer vertrouwde dan Giacomin, liet hij aan dien laatste een meisje na, dat hij thuis had, nauwelijks tien jaar oud, en evenzoo al wat hij op de wereld bezat en na hem lang over zijn zaken gesproken te hebben, stierf hij. In die tijden kwam de stad Faënza, die lang in oorlog en ongeluk was geweest, in beteren toestand en aan ieder stond het vrij er terug te keeren, die dit wilde; daarom kwam Giacomino, die er vroeger had gewoond en wien het verblijf er beviel, met al zijn goed er terug en voerde het kind met zich mede, dat hem door Guidotto was nagelaten en dat hij als zijn eigen dochter beminde en behandelde. Dit groeide op en werd het mooiste meisje meer dan elk ander, dat er toen in de stad woonde en zoo schoon als zij was, was zij ook welopgevoed en eerbaar. Hierdoor begonnen verscheidenen haar te begeeren, maar bovenal twee heel aardige jongelingen, die haar beide gelijkelijk liefde toedroegen, zoodat zij elkaar uit minnenijd vreeselijk gingen haten. De een heette Giannole di Severino en de andere Minghino di Mingole. Daar zij al vijftien jaar was, hadden beide haar gaarne getrouwd, als het door hun ouders zou toegestaan zijn; daarom ziende, dat zij hun op eerlijke wijze werd ontnomen, zocht elk van hen naar het beste middel om haar toch te krijgen.

Giacomino had in huis een oude dienstmeid en een knecht Crivello, een zeer aardig en vriendelijk man: met hem verbond Giannole zich en aan hem openbaarde hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte, zijn liefde en verzocht hem, dat hij hem voor zijn verlangen gunstig gezind zou zijn en beloofde hem daarvoor groote belooning. Hierop antwoordde Crivello: Ziet gij: hierin zou ik U niet anders kunnen helpen dan zoo: Wanneer Giacomino ergens gaat avondmalen, breng ik U daar, waar het jonge meisje zal zijn, want als ik wat voor U zou willen zeggen, zou zij mij niet willen aanhooren. Als U dat bevalt, beloof ik U het te doen, gij zult vervolgens dat doen, wat gij gelooft, dat goed is. Giannole zeide, dat hij niets meer verlangde en zij werden het eens. Van zijn kant had Minghino nu een bond gesloten met de meid en met haar zoo onderhandeld, dat zij meermalen boodschappen had weggebracht van het meisje en dat zij van liefde voor Minghino was ontbrand. Behalve dat had zij hem beloofd hem bij haar te brengen, wanneer Giacomino om een of andere reden ’s avonds van huis zou gaan. Niet lang na deze woorden, ging Giacomino door den invloed van Crivello bij een van zijn vrienden avondmalen en nadat hij Giannole had gewaarschuwd, kwam hij met hem overeen, dat hij, wanneer hij een bepaald teeken zou geven, zou komen en de deur open zou vinden. De meid van den anderen kant, die daar niet van wist, deed om Minghino weten, dat Giacomino niet thuis avondmaalde en zeide hem, dat hij nabij het huis moest blijven, tot zij een teeken zou geven en hij dan zich er heen zou begeven en binnen moest komen. Op den avond, daar de beide minnaars niet van elkaar wisten, maar ze elkaar wantrouwden,—kwam gevolgd door een aantal gewapende metgezellen, die gereed waren om binnen te treden, Minghino met de zijnen om het teeken af te wachten, hield zich op in het huis van een vriend, een buurman van het meisje en Giannole stond met de zijnen op een afstand van haar huis. Crivello en de meid deden hun best, daar Giacomino er niet was om de een den ander weg te krijgen. Crivello zeide tot de meid: Waarom ga je nu niet slapen? Waarom dwaal je nog zoo door het huis? En de meid zei tot hem: Maar waarom gaat gij Uw meester niet na, die U verwacht, omdat hij reeds heeft geavondmaald? En zoo kon de een den ander niet weg krijgen. Maar Crivello, die wist, dat het uur vastgesteld met Giannole gekomen was, zeide: Wat kan die mij schelen? Als zij zich niet stil houdt, zal zij er slecht bij varen. En na het afgesproken teeken gegeven te hebben, maakte hij de deur open en Giannole trad met zijn twee makkers binnen, vond het meisje in de zaal en zij pakten haar beet om haar weg te voeren. Het meisje begon weerstand te bieden en erg te schreeuwen en de meid insgelijks. Minghino werd dit gewaar, liep er hard met zijn metgezellen heen en toen hij het meisje de deur uit zag sleepen, trokken zij hun degens, en riepen allen: Ah “verraders, gij zijt des doods. Dat gaat zóó niet. Wat is dat voor geweld!” Bij die woorden begonnen zij te steken en van den anderen kant kwamen de buren op het rumoer te voorschijn met wapens en met licht en begonnen die zaak te bespotten en Minghino te helpen. Na een langen strijd ontrukte Minghino het meisje aan Giannole en bracht haar in het huis van Giacomino terug. De schermutseling was nog niet geëindigd of de manschappen van den kapitein van de stad bemoeiden zich er mee en namen velen van hen gevangen en onder de anderen bevonden zich Minghino en Crivello en ze brachten die naar de gevangenis.

Doch toen de zaak in orde was gemaakt en Giacomino terugkeerd hierover zeer neerslachtig onderzocht had, hoe het gebeurd was, bevond hij, dat het meisje er geenerlei schuld aan had en stelde hij zich weer gerust en nam zich voor, opdat zoo iets niet meer zou plaats hebben, haar zoo gauw hij kon te huwen. Toen het morgen werd, waren de ouders van den eenen en van den anderen kant bij hem. Daar zij de waarheid der historie hadden vernomen, zagen zij het kwaad in, dat er van de jongelieden uit kon voortkomen, als Giacomino wilde doen, wat hij naar alle recht kon. Met zoete woordjes verzochten zij hem, dat hij niet zoozeer acht zou slaan op de beleediging ondergaan door het onverstand der jongelieden als op de liefde en de welwillendheid, welke zij geloofden, dat hij aan hen, die hem smeekten toedroeg en boden hem bovendien aan elke schadevergoeding, die hij wilde, met de jongelieden samen, die het kwaad hadden gedaan, te betalen. Giacomino die in zijn leven heel wat had gezien en die goedhartig was, antwoordde kortweg: Heeren, als ik in mijn gebied was als gij in het Uwe, houd ik mij toch zoo voor Uw vriend, dat ik hierin als in elke andere zaak geheel zou handelen naar Uw genoegen, en bovendien moet ik dus te meer Uw verlangens vervullen, omdat gij U zelf hebt beleedigd, daar dit meisje, misschien gelijk vele meenen niet van Cremona is, noch van Pavia maar integendeel van Faentina, hoewel noch ik, noch zij, noch diegene, van wien ik het kind heb, ooit wisten van wien zij de dochter was. Daarom zal ik ten opzichte van wat gij mij verzocht, alles doen, wat ik kan. Toen de waardige mannen hoorden, dat zij van Faënza was, waren zij daarover verwonderd en na Giacomino bedankt te hebben voor zijn mild antwoord, verzochten zij hem hun te zeggen hoe zij in zijn handen was gekomen en hoe hij wist, dat zij van Faentina was. Giacomino antwoordde hun: Guidotta van Cremona was mijn metgezel en vriend en toen hij op sterven lag, zeide hij mij, dat, wanneer deze stad door Keizer Frederik genomen werd en alles werd geplunderd, hij met zijn metgezellen in een huis trad en het vol buit vond en verlaten door hen, die het bewoonden behalve door dat kind, dat ongeveer twee jaar oud was en dat, toen het hem de trappen zag opklimmen, hem vader noemde. Uit medelijden met haar, droeg hij het met alles uit het huis weg naar Fano en stierf daar, waar hij het met alles, wat hij had, mij naliet en mij opdroeg, wanneer het tijd zou zijn, haar uit te huwelijken en dat ik, wat hem had behoord, haar als bruidschat zou geven. Toen zij op den huwbaren leeftijd kwam, heb ik geen gelegenheid gehad haar te geven aan een man, die mij beviel. Ik zou het gaarne doen, uit vrees, dat een avontuur als dat van gisteren mij opnieuw overkomt.

Er was daar onder anderen een zekere Guiglielmino van Medicina, die met Guidotto bij die inneming tegenwoordig geweest was en die zeer goed wist aan wien het huis had behoord, dat Guidotto had geplunderd en toen hij hem daar onder de anderen zag, kwam hij tot deze en zeide: Bernabuccio, hoort gij, wat Giacomin zeide? Bernabuccio antwoordde: Ja, en juist dacht ik er sterk aan, omdat ik mij herinner, dat ik in die wanorde een dochtertje verloor van den leeftijd, dien Giacomin noemt. Hierop ging Guiglielmo voort: Dan is zij het zeker, omdat ik mij daar bevond, waar ik van Guidotto hoorde vertellen, dat hij zijn buit had verkregen en ik herkende, dat het uw huis is geweest. Herinner u daarom, of gij gelooft haar aan eenig teeken te kunnen herkennen. Onderzoek het, want gij zult zeker zien, dat het Uw dochter is. Bernarbuccio dacht hierover na en herinnerde zich, dat zij een litteeken in den vorm van een kruis boven het linkeroor had, ontstaan uit een zweer, die hij haar kort voor die gebeurtenis had laten uitsnijden. Daarom zonder uitstel te nemen, naderde hij Giacomino, die daar nog was en verzocht hen, dat hij hem mee naar huis nam en hem dit meisje zou toonen. Giacomino nam hem gaarne mede en liet haar voor hem komen. Zoodra Bernarbuccio haar zag, scheen hij geheel en al het gezicht van haar moeder te ontwaren, die nog een schoone vrouw was. Maar toch, daar niet bij blijvend, verzocht hij aan Giacomino, of hij zoo goed wilde zijn haar de haren te laten oplichten boven het linkeroor, waarmee Giacomino tevreden was.

Bernarbuccio naderde haar, die verlegen stond, hief met de rechterhand de haren op en zag toen het kruis. Daardoor zeker wetend, dat het zijn dochter was, begon hij te schreien en haar te omhelzen, hoewel zij het niet wilde en zeide tot Giacomino gekeerd: Mijn broeder, dat is mijn dochter. Het was mijn huis, dat door Guidotto werd geplunderd en zij werd in de plotselinge verschrikking daar achter gelaten door mijn vrouw en haar moeder en tot heden hebben wij geloofd, dat zij verbrand is in het huis, dat dien dag in de asch werd gelegd. Toen het meisje dit hoorde en hem zag als een man op leeftijd en vertrouwen schonk aan zijn woorden, begon zij door geheime kracht bewogen, zijn omhelzingen beantwoordend, met hem teerhartig te schreien. Bernarbuccio liet dadelijk de moeder halen en haar verwanten en zusters en broers en toonde haar aan hen allen, en verhaalde het gebeurde; elk ontving haar na duizend omhelzingen met groote vreugde, waarover Giacomino zeer tevreden haar naar zijn huis geleidde. De kapitein van de stad kwam dit te weten en toen hij hoorde, dat Giannole, dien hij gevangen had genomen, de zoon was van Bernarbuccio en de eigen broeder van het jonge meisje, meende hij, dat hij eendoor hem begane overtreding met goedmoedigheid door de vingers moest zien en nadat hij zich hierover met Bernabuccio en Giacomino had verstaan, wist hij ook Giannole en Minghino vrede te doen sluiten. Aan Minghino gaf hij tot groote vreugd van al zijn verwanten het meisje tot vrouw, wier naam Agnesa was en met hen samen gaf hij de vrijheid aan Crivello en de anderen, die in die zaak waren betrokken. Daarna richtte Minghino een schoone en groote bruiloft aan en na haar huiswaarts te hebben geleid, leefde hij met haar nog vele jaren in vrede en welstand.

ZESDE VERTELLING.

Gian van Procida wordt gevonden met een meisje, dat hij bemint en overgeleverd aan koning Frederik om met haar aan één paal gebonden te worden verbrand. Maar Gianni wordt door Ruggieri d’Oria herkend, ontsnapt aan de straf en wordt haar man.

Toen de novelle van Neifile geëindigd was en zeer aan de donna’s had behaagd, beval de koningin aan Pampinea zich gereed te maken er een te verhalen. Deze, een opgeruimd gezicht toonend, begon: Bekoorlijke donna’s. Zeer groot zijn de krachten der liefde en zij vereischen van de minnenden groote inspanning en werpen ze in onnoemelijke en onvoorziene gevaren, gelijk men door vele dingen, die heden en vroeger verteld werden, kan nagaan, maar niettemin heb ik lust U er nog een te vertellen van een verliefden jonkman.

Ischia is een eiland dicht bij Napels. Daar was vroeger onder anderen een heel jong, schoon en aardig meisje, Restituta, de dochter van een edelman van dat eiland, die Marin Bólgaro heette. Een jonge man van een eiland bij Ischia: Procida, Gianni [100] genaamd, had dit meisje meer dan zijn eigen leven lief en zij hem. Deze had niet slechts de gewoonte om bij dag naar Ischia te komen om haar te zien, maar reeds menigmaal was hij ’s nachts, als hij geen bark had gevonden, van Procida naar Ischia gezwommen om, als het niet anders kon, slechts de muren van haar huis te zien. Terwijl die vurige liefde voortduurde, was het jonge meisje eens op een zomerdag alleen naar den zeekant gegaan en van rots tot rots loopend met een mes in de hand om de schelpen van de steenen los te maken, kwam zij op een plaats om te rusten tusschen de wanden. Daar, zoowel om den schaduw als om de nabijheid van een fontein met koel water, waren een aantal Italiaansche jongelieden vereenigd, die op een fregat van Napels gekomen waren. Bij het gezicht van het zeer mooie, jonge meisje, dat hen nog niet had opgemerkt en dat zij alleen zagen, overlegden ze met elkaar haar te rooven en weg te voeren en op de beraadslaging volgde de daad. Zij namen haar, hoewel zij hard schreeuwde, op, brachten haar op het schip en gingen heen, en in Calabrië gekomen, twisten zij er met elkaar over, aan wien het meisje zou behooren en ieder, om kort te gaan, wilde haar hebben. Daarom konden zij het onder elkaar niet eens worden, vreesden, dat dit steeds erger zou worden en hun zaken door haar zouden worden bedorven en zij besloten haar Frederik, koning van Sicilië, [101] te geven, die toen nog jong was en daarin behagen schepte. Te Palermo gekomen, deden zij dit. De koning zag, dat zij mooi was en stelde prijs op haar, maar daar hij een weinig lijdend was, beval hij, tot hij sterker was geworden, haar in een zeer mooi paleis te midden van een zijner tuinen te brengen, welke men la Cuba noemde en er haar goed te behandelen. Dit geschiedde.

Er werd druk over het geroofde meisje op Ischia gesproken en wat dit nog verhoogde, was, dat men niet kon weten wie het waren, die haar hadden ontvoerd. Maar Gianni, wien dit meer dan wien ook leed deed en die wachtte, tot hij iets van haar op Ischia vernam en wist in welke richting het fregat was gegaan, deed er ook een bewapenen, besteeg het en kruiste zoo gauw hij kon de heele kust af van Minerva tot Scalea in Calabrië en deed overal naar het meisje onderzoek. In Scalea werd hem gezegd, dat zij door Siciliaansche zeelieden was weggevoerd naar Palermo. Daar liet Gianni, zoo gauw hij kon zich heen voeren en na veel zoeken, vond hij, dat het meisje aan den koning was geschonken en door hem in la Cuba werd bewaard, zoodat hij haast alle hoop verloor niet alleen haar ooit terug te krijgen maar zelfs haar te zien. Maar toch door de liefde weerhouden, zond hij het fregat terug en ziende, dat niemand hem er kende, bleef hij te Palermo. Dikwijls ging hij langs la Cuba en zag hij haar bij toeval op een dag aan een venster en zij hem, waarmee beide gelukkig waren. Daar Gianni zag, dat de plaats eenzaam was, naderde hij zooveel hij kon, sprak haar toe en door haar ingelicht over de wijze, waaraan hij zich moest houden om haar opnieuw daarna te spreken, ging hij heen na vóór alles de gesteldheid van de plaats te hebben opgenomen. Hij wachtte den nacht af en liet een goed deel daarvan voorbij gaan, kwam er terug en na zich vastgehaakt te hebben aan plaatsen, waaraan spechten zich zelfs niet hadden kunnen vasthouden, kwam hij in den tuin en vond daar een kleinen scheepsmast, zette dien tegen het venster door het meisje aangewezen en sprong hierlangs vrij gemakkelijk er doorheen.

Het meisje, dat haar eer als verloren beschouwde, en met die gedachten aan Gianni weerstand had geboden, meende nu niemand meer dan hem waardig die te geven en in de hoop, dat hij haar zou kunnen wegvoeren, had zij besloten hem in alles zijn zin te geven. Zij had het venster open gelaten, opdat hij sneller er binnen kon komen. Gianni trad heimelijk binnen en legde zich naast het meisje, dat niet sliep, neer. Zij, voor zij tot iets anders overgingen, verklaarde hem haar verlangen en vooral bad zij hem haar vandaar mee te nemen en haar weg te voeren. Gianni antwoordde haar, dat hij niets liever dan dat wilde en dat hij zonder twijfel, zoodra hij van haar weggegaan zou zijn, alles in het werk zou stellen, zoodat hij bij zijn eersten terugkeer, haar vandaar kon wegvoeren. Hierna omhelsden zij elkaar met het grootste genoegen en hadden die verrukking, boven welke de liefde geen grootere kan verleenen en nadat zij dit meerdere malen hadden herhaald, vielen zij, zonder dat zij het merkten, in elkaars armen, in slaap. De koning, wien het meisje op het eerste gezicht zeer had behaagd, herinnerde zich haar en toen hij zich goed voelde, besloot hij, hoewel het bijna dag was, een poosje bij haar te gaan vertoeven en ging heimelijk met enkelen van zijn dienaren naar la Cuba. Toen hij het paleis was binnen getreden, en hij de deur had laten openen van de kamer, waarin hij wist, dat het jonge meisje sliep, trad hij binnen met een groote toorts en naar het bed kijkend, zag hij haar naakt en in de armen van Gianni slapen.

Hij werd hierover dadelijk zeer verstoord en werd zoo woedend, dat zonder iets te zeggen, het maar een haar scheelde of hij had met een mes, dat hij aan zijn zijde droeg, beide gedood. Daarna denkend, dat het voor elkeen zeer laag was en ook voor een koning twee naakte menschen in den slaap te vermoorden, hield hij zich in en wilde ze in het openbaar en op den brandstapel doen sterven. Hij keerde zich tot een der metgezellen, dien hij bij zich had en zeide: Wat denkt U van dat ellendige vrouwspersoon, waarop ik al mijn hoop heb gesteld? Daarna vroeg hij hem of hij den jonkman kende, die den moed had gehad, in zijn huis te komen tot zulk een beleediging en teleurstelling. Deze, door hem ondervraagd, zeide, dat hij zich niet herinnerde ooit zoo iets te hebben gezien. De koning ging gramstorig uit de kamer en beval, dat de twee gelieven zoo naakt als zij waren, gevangen zouden worden genomen en vastgebonden en als de dag zou aanbreken naar Palermo gestuurd en op het plein aan één paal geboeid rug aan rug en zoo tot het derde uur, opdat zij door allen gezien zouden worden en daarna verbrand, gelijk zij hadden verdiend. Vervolgens keerde hij te Palermo in zijn kamer zeer verstoord terug.