De Decamerone van Boccaccio

Chapter 36

Chapter 364,072 wordsPublic domain

De koning verwonderde zich hierover en ontbood het meisje en nadat hij van haar had gehoord, dat het zoo was als Martuccio had verteld, zeide hij: Gij hebt dan Uw man wel verdiend. Hij liet zeer groote en voorname geschenken komen, gaf een deel aan haar en een deel aan Martuccio en liet hun de vrijheid met elkaar te doen, wat elk het liefst was. Martuccio bewees veel eer aan de edelvrouw, waarbij Gostanza had gewoond, en na haar bedankt te hebben voor wat zij in haar dienst had gedaan en haar geschenken te hebben gegeven, die haar te pas kwamen en haar aan God te hebben aanbevolen, ging zij niet zonder veel tranen van Gostanza heen. Na het verlof des konings bestegen zij een scheepje en met hen keerde Carapresa naar Lipari terug onder voorspoedigen wind, waar zulk een groote vreugde heerschte, dat men het nooit zou kunnen beschrijven. Hier huwde Martuccio haar en maakte een groote en schoone bruiloft en daarna verheugden zij zich lang te samen door hun liefde in vreugde en rust.

DERDE VERTELLING.

Pietro Boccamazza vlucht met Agnolella. Hij ontmoet dieven; het meisje vlucht door een woud en komt bij een burcht. Pietro wordt gevangen genomen en ontsnapt aan de dieven. Na eenige avonturen komt hij in het kasteel, waar Agnolella is, huwt haar en keert naar Rome terug.

Er was niemand onder hen, die de geschiedenis van Emilia niet prees en de koningin, die bemerkte, dat zij geëindigd had, keerde zich naar Elisa en beval haar voort te gaan. Deze, verlangend te gehoorzamen, begon: Genadige donna’s. Ik herinner mij een boozen nacht, die twee onvoorzichtige jongelieden doorbrachten, maar omdat daarop vele blijde dagen volgden en dit daarom met ons voorschrift overeen komt, behaagt het mij U dit te vertellen.

Te Rome, dat vroeger de kop der wereld was, maar thans de staart [97] er van is, leefde voor kort een jonkman Pietro Boccamazza van een aanzienlijk geslacht onder de romeinsche families en die verliefd werd op een zeer schoon en zeer begeerenswaardig jong meisje Agnolella, de dochter van een zekeren Gigliuozzo Saullo, een plebejer, maar zeer bij de Romeinen bemind. En daar hij haar liefhad, wist hij zoo te werk te gaan, dat het meisje van hem niet minder begon te houden dan hij van haar. Pietro door een heftig lijden gedreven, veroorzaakt door verlangen naar haar, vroeg haar tot vrouw. Zoodra zijn verwanten dit vernamen, gingen zij allen, naar hem toe en laakten zeer, wat hij doen wilde en anderzijds deden zij aan Gigliuozzo Saullo weten, dat hij geen acht zou slaan op Pietro’s woorden, omdat, zoo hij het deed, hij ze nooit tot vriend noch tot familie zou hebben. Toen Pietro zich den weg zag afgesneden, langs welken hij alleen meende zijn begeerte te kunnen bevredigen, was hij op het punt te sterven van verdriet en indien Gigliuozzo had toegestemd, had hij tegen het genoegen van elken bloedverwant, dien deze had, zijn dochter tot vrouw genomen. Maar toch nam hij zich bepaald voor, indien dit het meisje aanstond, te zorgen, dat het gevolg zou hebben en door de tusschenkomst van een welwillend persoon sprak hij met haar af met haar uit Rome te vluchten. Toen dit geregeld was, stond Pietro op een morgen zeer vroeg op, steeg met haar samen te paard en zij sloegen den weg in naar Alagna [98], waar Pietro zekere vrienden had, waarin hij veel vertrouwen stelde. Aldus te paard gezeten hadden zij geen tijd hun liefkoozingen voort te zetten, omdat zij vreesden vervolgd te worden, begonnen over hun minnarijen te spreken en kusten elkaar van tijd tot tijd. Daar Pietro den weg niet goed kende, namen zij, toen zij op acht mijl misschien van Rome verwijderd waren en zij rechts moesten houden, den weg links. Zij waren nog geen twee mijlen verder gereden of zij bevonden zich in de nabijheid van een klein kasteel, waaruit, daar zij er gezien waren, dadelijk twaalf knechten te voorschijn kwamen en toen zij al dicht bij hen waren, ontwaarde het meisje hen en zeide daarom schreeuwend: Pietro, laat ons vluchten, want wij worden aangevallen en zoodra hij het merkte, richtte hij het paard naar een zeer groot woud en de sporen strak aan het lijf houdend, hield zij zich aan den haarkam vast. Het paard, dat zich voelde aanzetten, droeg haar galoppeerend door het woud weg. Pietro, die meer op haar lette dan op den weg, had niet zoo snel als zij de manschappen bemerkt en terwijl hij nog keek zonder te begrijpen, vanwaar zij gekomen waren, werd hij door hen achterhaald, gevangen genomen en gedwongen van het paard te stijgen. Zij vroegen hem, wie hij was en toen hij dit gezegd had, begonnen zij onder elkaar raad te houden en te zeggen: Hij behoort tot de vrienden van onze vijanden; wat moeten wij anders doen dan hem de kleeren afnemen en het paard en hem ten spijt van de Orsini’s aan een van deze eiken ophangen? Zij werden het daar allen over eens en bevalen aan Pietro zich uit te kleeden. Terwijl hij dit deed en hij zijn treurig lot al vermoedde, kwam op eens uit een hinderlaag een troep van vijfentwintig man te voorschijn en schreeuwde achter hen: Dood aan hen, dood aan hen! Dezen door de anderen verrast, lieten Pietro staan en wendden zich om ter verdediging, maar toen zij zagen veel minder in aantal te zijn dan hun aanvallers, begonnen zij te vluchten en de anderen hen te vervolgen.

Toen Pietro dit zag, nam hij zijn goed bijeen, sprong op zijn paard en begon zoo hard hij kon te vluchten langs den weg, waarlangs hij het meisje had zien vlieden. Maar daar hij door het woud pad noch straatweg zag noch een spoor van een paard, scheen het hem daarna veiliger zoowel buiten de macht van hen, die hem hadden gevangen genomen als ook buiten die der anderen, welke hadden aangevallen, te zijn. En daar hij zijn meisje niet terug vond, begon hij bedroefder dan eenig ander man te schreien en links en rechts door het woud gaande haar te roepen, maar niemand antwoordde hem en hij durfde niet terug keeren en voorwaarts gaande wist hij niet, waar hij zou aankomen.

Van den anderen kant had hij groote angst voor de wilde dieren, die gewoonlijk in de bosschen huizen en voor zijn meisje, dat misschien al verslonden was door een beer of door een wolf. De ongelukkige Pietro liep toen den ganschen dag door het woud te schreeuwen en te roepen en kwam dikwijls op zijn schreden terug, als hij meende voorwaarts te gaan en eindelijk door het schreeuwen en klagen en den angst en het lange vasten was hij zoo vermoeid, dat hij niet meer voorwaarts kon. Toen hij den nacht zag aanbreken en hij zich geen anderen raad wist te verschaffen, vond hij een grooten eik, steeg van het paard, dat hij er aan vast bond en daarna om niet door de wilde dieren gedurende den nacht te worden verscheurd, klom hij er in. Kort daarna ging de maan op en het weer werd zeer helder. Hoewel hij den moed niet had in te slapen, daar hij bang was te vallen, was hij ook niet op zijn gemak, omdat de smart en de gedachten aan het jonge meisje hem geen rust lieten. Hij waakte zuchtend en klagend en vervloekte zijn lot.

Het vluchtende meisje, gelijk wij vroeger al zeiden, wist niet waar heen te gaan tenzij daarheen, waar haar paard haar naar toe scheen te dragen en zij begaf zich zoo diep in het woud, dat zij de plaats niet meer kon vinden, vanwaar zij er binnen was gekomen. Aldus dwaalde zij evenals Pietro den ganschen dag dan weer halt houdend dan weer voortgaande en klagend en roepend en treurend over haar ongeluk door het bosch. Eindelijk ziende, dat Pietro niet kwam en dat het reeds avond was, sloeg zij een klein pad in. Toen zij iets meer dan twee mijlen gereden had, zag zij van verre een huisje, waar zij, zoo gauw zij kon, heenging en daar vond zij een bejaard, goed man met zijn vrouw, die ook al oud was. Zij zagen haar alleen en zeiden: O kind, wat doet gij op dit uur zoo alleen in deze streek? Het treurende meisje zeide, dat zij haar gezelschap in het woud verloren had en vroeg, hoe dicht zij bij Alagna was, waarop de goede man antwoordde: Mijn dochter, dat is geen weg om naar Alagna te gaan; dat is meer dan twaalf mijlen afstand. Het meisje ging voort: En zijn er dan hier woningen om te overnachten? Hierop antwoordde de goede man: Meisje, het zal mij aangenaam zijn, als gij dezen avond bij ons blijft, maar wij willen U in ieder geval er aan herinneren, dat door deze streken bij dag als nacht, zoowel bevriende als vijandige troepen gaan, welke U herhaaldelijk groot leed en groote schade kunnen doen en indien bij ongeluk, terwijl gij er zoudt zijn, er een langs kwam en U zou zien mooi en jong als gij zijt, zouden zij U last en schande aandoen en wij zouden U niet kunnen helpen. Wij willen U dit zeggen, opdat gij, indien dit gebeurde, het ons niet kunt verwijten. Het meisje ziende, dat het al laat was, terwijl de woorden van den oude haar nog meer ontstelden, zeide: Als het God mag behagen, zal Hij U en mij dit verdriet besparen; als het mij zou overkomen, zou het veel minder zijn door mannen te worden aangerand dan in de bosschen door de wilde dieren te worden verslonden. Bij die woorden steeg zij van haar paard, trad in de hut van den armen man en avondmaalde daar met wat zij hadden, povertjes en wierp zich daarna geheel gekleed met hen samen in een bed en hield dien heelen nacht niet op te zuchten en haar ongeluk te beklagen en dat van Pietri, waarvan zij niets anders dan kwaad verwachtte. Toen de morgen al nabij was, hoorde zij een groot rumoer van menschen naderen, hierdoor stond zij op, ging op een groote plaats, die achter het kleine hutje was en zag daar een grooten hoop hooi, waarin zij zich verborg om niet zoo spoedig, indien die daar heen kwamen, gezien te worden.

Ternauwernood had zij dit gedaan of zij, die een grooten troep bandieten vormden, kwamen bij de deur van de kleine hut, lieten zich open doen, traden binnen, zagen het paard van het meisje, dat zijn zadel nog op had en vroegen wie daar was. De goede man, die het meisje niet zag, zeide: Er is hier niemand dan wij, maar dat paard, van wien het ook is, kwam hier gisteravond en wij hebben het doen binnen komen om niet door de wolven te worden verscheurd. Dan, zei het hoofd van de bende, zal het goed voor ons zijn, omdat het geen ander heer heeft. Nadat zij zich allen door het boschje hadden verspreid, ging een deel van hen naar de binnenplaats en daar zij hun lansen en hun houten schilden neerlegden, stak een van hen zijn spies, niet wetend wat te doen, in het hooi en het scheelde maar weinig of hij doodde het jonge meisje, dat daarin verborgen was en dat hij haast gedwongen had zich te vertoonen, omdat de lans zoo dicht langs haar linkerborst ging, dat het ijzer haar kleeren scheurde en zij bijna een grooten gil had gegeven uit angst gewond te worden, maar zich de plaats herinnerend, waar zij was, hernam zij al haar koelbloedigheid en hield zich stil.

De mannen van de bende braadden hun geiten- en ander vleesch aten en dronken, gingen deze hier-, gene daarheen naar hun bezigheden en namen het paard van het meisje mede. Toen zij al op eenigen afstand waren, vroeg de goede man de vrouw: Waar was ons meisje, dat gisteravond hier aankwam? Ik heb haar niet gezien, sinds wij opstonden. De goede vrouw antwoordde, dat zij het niet wist en ging kijken. Toen het meisje bemerkte, dat de roovers vertrokken waren, kwam zij uit het hooi te voorschijn, waarmee de goede man zeer vergenoegd was, omdat hij zag, dat zij niet in hun handen was gevallen en daar het al dag werd, zeide hij: Nu het morgen wordt, zullen wij, als gij wilt, U vergezellen tot een kasteel, hier vijf mijlen vandaan en dan zult gij op een veilige plaats zijn, maar gij zult er te voet moeten heengaan, omdat die schelmentroep, toen ze hier wegging, Uw paard met zich mede heeft gevoerd. Het jonge meisje, op dat punt gerust gesteld, bad hem bij God haar naar dit kasteel te leiden; daarna gingen zij op weg en kwamen er op de helft van het derde uur aan. Het kasteel behoorde aan een der Orsini’s, die zich Liello di Campo di Fiore noemde en toevallig hield zich daar zijn vrouw op, die zeer goed en heilig was. Toen zij het meisje zag, herkende zij het spoedig ontving het met vreugde en wilde alles nauwkeurig weten. Het meisje vertelde dit. De donna, die ook Pietro kende, daar deze een vriend van haar man was, werd zeer treurig over het geval en hoorend, waar hij was gevangen genomen, meende zij, dat hij dood was; zij zeide dan tot het meisje: Daar gij niet weet, wat er van Pietro geworden is, zult gij bij mij blijven, totdat ik in staat zal zijn U zonder gevaar naar Rome terug te zenden.

Pietro op den eik gezeten, zoo treurig als hij maar kon wezen, zag op het uur van den eersten slaap een kudde van wel twintig wolven komen, welke allen, zoodra zij het paard zagen, daarom een kring vormden. Het paard werd ze gewaar, hief het hoofd op, brak de teugels en wilde vluchten, maar daar het omsingeld was en niet weg kon, verdedigde het zich langen tijd met zijn tanden en zijn hoeven; eindelijk door hen ter aarde gelegd, werd het in stukken gescheurd en dit dadelijk de ingewanden uit het lijf gehaald en allen aten er van zonder iets anders over te laten dan het rif en gingen weg. Pietro, die hoopte in het paard een makker te hebben en een steun in zijn vermoeienissen, was heel neerslachtig en meende nooit weer uit dat woud te komen. Terwijl het al haast dag was, en hij bijna van koude op den boom stierf en steeds rond keek, zag hij op een mijl misschien voor zich uit een groot vuur. Toen het geheel dag werd, klom hij niet zonder vrees uit dien eik, begaf zich daarheen en ging zoover, tot hij het bereikte. Rondom dat vuur vond hij herders, die aten en zich vermaakten en hij werd uit medelijden door hen opgenomen. Nadat hij gegeten en zich verwarmd had, hun zijn ongeluk had verhaald en hoe hij daarheen was gekomen, vroeg hij hen of er daar ergens een dorp of kasteel was, waar hij heen kon gaan. De herders zeiden, dat daar misschien op drie mijl afstand een kasteel stond van Liello di Campo Fiore, waarin ook toen zijn donna zich bevond. Pietro hierover zeer vergenoegd verzocht hun, dat een van dezen hem naar het kasteel zou vergezellen, wat twee er van gaarne deden. Toen Pietro daar aankwam en zag, dat hij bij bekenden was, vroeg hij het jonge meisje te laten zoeken in het woud, waar de donna hem liet roepen; hij ging dadelijk naar haar toe; en daar hij Agnolella naast haar zag, was hij verheugd als nooit te voren. Hij verging van verlangen haar te omhelzen, maar uit verlegenheid, die hij had tegenover de donna van het kasteel, liet hij het na. En zoo hij blijde was, was de vreugde van het meisje niet geringer. De edelvrouw berispte hem zeer, toen hij na de ontvangst alles verteld had en zij hoorde, wat hem gebeurd was, omdat hij tegen den wil van zijn ouders zijn zin had gevolgd. Maar toen zij zag, dat hij toch niet anders gestemd werd en dat hij aan het meisje behaagde, zeide zij: Waarom zal ik mij moe maken? Zij houden van elkaar; zij kennen elkaar; elk is evenzeer bevriend met mijn man en hun verlangen is eerlijk en ik geloof, dat dit aan God behaagt, omdat de een aan de galg ontsnapt is en de andere aan de lans en beide aan de wilde dieren des wouds en laat het daarom maar gebeuren. En zich tot hen wendend zeide zij: Indien het u dan toch behaagt man en vrouw te worden,—en ook mij staat dit aan—doe het dan maar en hier zal bruiloft gevierd worden op kosten van Liello. Ik zal den vrede weten te stichten tusschen U en Uw ouders. Pietro was zeer blijde en Agnolella nog meer. Zij huwden toen en zoover dat in het bergland mogelijk was, bereidde de edelvrouw het bruiloftsfeest voor en daar genoten zij de eerste vruchten hunner allerzoetste liefde. Een paar dagen daarna steeg de donna met hen samen te paard en keerden zij onder goed geleide naar Rome terug, waar Pietro zijn ouders zeer vertoornd vond over wat hij had gedaan, maar weer tot een verzoening met hen geraakte. En hij leefde in groote rust en genoegen met zijn Agnolella tot in zijn ouderdom.

VIERDE VERTELLING.

Ricciardo Manardi wordt door messer Lizio van Valbona met zijn dochter gevonden. Hij huwt haar en verzoent zich met haar vader.

Toen Elisa zweeg en naar de loftuitingen hoorde van haar gezellinnen over haar verhaal, beval de koningin aan Filostrato, dat hij er een zou vertellen, die lachend begon: Ik ben zoo dikwijls door u gelaakt door u gedwongen te hebben over een pijnlijk onderwerp te spreken en u te doen klagen, dat ik mij verplicht acht, ten einde het verdriet wat te doen vergeten, dat ik u iets moet vertellen, waarom ik u zal doen lachen. En daarom wil ik u in een vrij kleine historie een liefde vertellen, die tot een vroolijk einde gevoerd werd en door geen andere smart gestoord dan door zuchten en een kortstondigen angst vermengd met schaamte.

Waarde donna’s. Het is niet lang geleden, dat er in Romagna een rijk en welgemanierd ridder leefde, die Lizio van Valbona heette. Hij kreeg, toen hij al haast oud was bij zijn vrouw, madonna Giacomina genaamd, een dochter die meer dan eenige andere in den omtrek in haar groei schoon en aardig werd en daar zij hun eenigste kind was, werd zij door dezen ten zeerste bemind en gekoesterd en met wonderbare zorg behoed in afwachting haar een groot huwelijk te doen sluiten. Nu kwam er dikwijls in het huis van messire Lizio, een knap en frisch jonkman en hield zich daar veel op; hij was van de familie Manardi van Brettinoro en heette Ricciardo, dien de heer Lizio en zijn vrouw vertrouwden als een eigen kind. Ricciardo zag het meisje dikwijls, dat zeer schoon was en vol gratie van manieren, wel opgevoed en reeds huwbaar, werd wanhopig op haar verliefd en hield zijn liefde met de grootste zorg verborgen. Het meisje zag dit en begon zonder ontmoeting te vermijden hem evenzeer lief te hebben, waarover Ricciardo zeer blijde was. En hoewel hij dikwijls zin had er haar over te spreken, had hij toch uit vrees gezwegen, maar een dag, toen hij tijd en moed vond, sprak hij: Catharina, ik bid u mij niet uit liefde voor u te doen sterven. Het jonge meisje antwoordde dadelijk: Het moge aan God behagen, dat gij ook mij niet van liefde doet sterven. Dit antwoord gaf Ricciardo veel genoegen en moed en hij zeide tot haar: Het zal aan mij niet liggen alles te doen, wat aangenaam voor u is, maar het staat aan u een middel te vinden om Uw leven en het mijne te redden. Het meisje ging voort: Ricciardo, gij ziet, hoe ik bewaakt word en daarom weet ik niet, hoe gij tot mij kunt naderen, maar indien gij een weg ziet, die ik kan volgen zonder schande, zeg mij dien en ik zal dien betreden. Ricciardo, die over vele middelen had nagedacht, zeide opeens: Mijne zoete Catharina, ik zie geen weg, behalve dat gij slapen gaat of komen kunt op de galerij, die dicht bij den tuin is van Uw vader, waar ik, als ik zou weten, dat gij er ’s nachts zijt, komen kan, hoe hoog die ook is. Hierop antwoordde Catharina: Als gij den moed hebt daar te komen, geloof ik goed te doen, door daar te gaan slapen. Ricciardo zeide, dat dit goed was. En bij die woorden kusten zij elkaar slechts één keer vluchtig en gingen heen. Den volgenden dag,—het liep reeds tegen het einde van Mei—begon het meisje zich bij haar moeder er over te beklagen, dat zij den afgeloopen nacht niet had kunnen slapen van de hevige warmte. De moeder sprak: Och kind, welke groote warmte? Het was integendeel heelemaal niet warm. Catharina ging voort: Moeder, gij moet zeggen: Naar het mij scheen en dan zult gij misschien de waarheid spreken, want gij moet bedenken hoeveel warmbloediger de meisjes zijn dan de vrouwen op leeftijd. Toen zei de donna: Mijn dochter, dat is waar, maar ik kan geen warmte en koude maken naar mijn wil, gelijk gij misschien zoudt wenschen. Men moet het weer verdragen, gelijk de seizoenen het schenken; misschien zal het van nacht koeler zijn en zult gij beter slapen. Nu God behage het—zei Catharina—maar gewoonlijk worden de nachten, wanneer men naar den zomer gaat, niet kouder. De donna vervolgde: Maar wat wil je dan, dat er gebeurt? Catharina hernam: Als vader en U het zouden goedvinden, zou ik graag een bed laten opslaan op de galerij, die naast zijn kamer is en boven den tuin en daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren en het frisscher hebben. Ik zou het daar veel beter maken dan in Uw kamer. Toen ging de moeder voort: Kind, wees gerust, ik zal het aan je vader zeggen, en wij zullen doen, wat hij wil. Toen messer Lizio dit hoorde van zijn donna, zeide hij, omdat hij oud was en misschien om die praatjes een beetje stuursch: Wie is die nachtegaal, bij wiens gezang zij slapen wil? Ik kan haar wel doen slapen bij het gezang van den krekel. Toen Catharina dit vernam, kon zij meer van boosheid dan van hitte niet alleen den volgenden nacht niet slapen, maar zij liet ook de moeder geen rust en klaagde maar steeds over de warmte. De moeder hoorde dit, kwam ’s ochtends bij messer Lizio en zeide: Messer, gij geeft niet veel om dat kind; wat hindert het U, dat zij op die galerij slaapt? Zij heeft den ganschen nacht door de warmte geen rust gehad. En bovendien verwondert gij U, dat zij er plezier in heeft den nachtegaal te hooren zingen, omdat zij een kind is. De jonge meisjes zijn begeerig naar dingen, die op hen gelijken. Messer Lizio hoorde dit en sprak: Goed, laat haar dan een bed maken gelijk gij wilt, laat er gordijnen van serge om hangen en laat ze daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren, als ze wil.

Het meisje vernam dit en liet er snel een bed opslaan en daar zij er den komenden avond zou slapen, wachtte zij er zoolang, tot zij Ricciardo zag en gaf hem een teeken, tusschen hen afgesproken, waardoor hij verstond, wat er te doen was. Toen messire Lizio bemerkte, dat het meisje naar bed was gegaan, sloot hij een deur, die van zijn kamer op de galerij uitkwam en ging ook naar bed. Ricciardo merkte, dat alles stil werd, klom met behulp van een ladder op een muur en één maal daarop haakte hij aan enkele steenen van een anderen muur en kwam hij met groote moeite en gevaar, als hij gevallen zou zijn, op de galerij, waar hij heimelijk met de grootste vreugde door het meisje werd ontvangen en na veel kussen gingen zij samen te bed en genoten gedurenden den ganschen nacht van elkaar en lieten verscheidene malen den nachtegaal zingen.

De nachten waren kort, maar het genoegen was groot en de dag al nabij wat zij niet geloofden. En zij waren nog zoo warm zoowel door het weer als door het genoegen, dat zij zonder bedekking in slaap vielen, terwijl Catharina haar rechterarm om den hals had geslagen van Ricciardo en hem met den linker elders vasthield. En zoo sliepen zij zonder te ontwaken, tot de dag aanbrak en messer Lizio opstond.