De Decamerone van Boccaccio

Chapter 35

Chapter 354,197 wordsPublic domain

Er waren nog geen vier uur verloopen, dat Cimon de Rhodiërs had achtergelaten toen bij het vallen van den nacht, welke Cimon blijder dan eenigen anderen ooit verwachtte, een zeer bar en stormachtig weer begon, dat den hemel met wolken vulde en de zee met woedende winden. Daardoor kon hij niet zien wat hij moest doen of waar hij heen moest gaan, noch zich op het schip staande houden om eenigen dienst te doen. Hoe dat aan Cimon verdroot, behoeft men niet te vragen. Het scheen, dat Zeus hem zijn verlangen had toegestaan om hem van meer teleurstelling te doen sterven, waarom hij zich eerst als dat niet was gebeurd, weinig bekommerd zou hebben. Ook zijn metgezellen beklaagden zich, maar vooral Ephigenia en zij vreesden elke golfslag en in haar geschrei vervloekte zij ruw de liefde van Cimon en laakte zijn moed en beweerde, dat die vreeselijke storm door niets anders was ontstaan, dan omdat de goden niet wilden, dat hij, die tegen hun wil haar tot echtgenoot had begeerd, van zijn aanmatigend verlangen zou genieten maar dat hij haar eerst zou zien sterven en daarna zelf ellendig zou omkomen. Bij zulke klachten en nog meer anderen wisten de zeelieden niet wat te doen en terwijl de wind steeds sterker werd, wisten of beseften zij niet, waar zij heen gingen en kwamen nabij het eiland Rhodes, maar zij herkenden dit niet en deden al hun best om te landen, zoo het mogelijk was ten einde hun leven te redden. De fortuin was hun daarin gunstig en stond hen toe te landen in een kleinen zeeboezem, waarin kort voor hen, de Rhodiërs gekomen waren, die Cimon had verlaten. Zij bemerkten pas, dat ze op het eiland Rhodes gekomen waren, toen de dageraad aanbrak en de hemel helderder werd en zij zich ternauwernood op een pijlschot afstand ontwaarden van het schip den vorigen dag door hen verlaten. Hierover was Cimon zeer treurig, vreezend, dat gebeuren zou, wat hem ook werkelijk geschiedde. Hij beval, dat men alle kracht zou aanwenden om vandaar weg te gaan en dan daarheen, waar de fortuin het behaagde ze heen te voeren, want het kon op geen andere plaats erger zijn dan daar. Zij spanden zich zeer in om daar uit te komen, maar vergeefs: de machtige wind blies in tegengestelde richting, zoodat zij uit de kleine golf niet weg konden komen, maar of ze wilden of niet, hield die hen aan het strand vast.

Toen zij het strand bereikten, werden zij door de Rhodische matrozen, die van hun vaartuig waren afgedaald, herkend. Snel liep er een van hen naar een dorp, waar in de buurt de edele Rhodische jonge mannen waren gegaan en vertelde hun, dat toevallig Cimon met Ephigenia op hun schip evenals zij daar waren aangekomen. Toen die dit hoorden, namen zij zeer verheugd velen van hun mannen mede en waren spoedig aan zee en Cimon, die al van zijn vaartuig gestegen, het plan had opgevat in een naburig woud te vluchten werd met allen en met Ephigenia gevangen genomen en naar het dorp gebracht. En vandaar, toen Lysimachos van de stad kwam, in welks nabijheid hij dat jaar de opperrechter der Rhodiërs was, voerde die met een zeer groot aantal gewapende mannen, Cimon en zijn makkers allen naar de gevangenis, gelijk Pasimundos, wien het nieuws bereikte, woedend met den senaat van Rhodes, bevolen had. Zoo verloor de ellendige en verliefde Cimon zijn Ephigenia pas door hem gewonnen zonder iets meer van haar te hebben gekregen dan eenige kussen. Ephigenia werd door vele edele vrouwen van Rhodes ontvangen en herstelde, zoowel voor de smart geleden door haar schaking als van de vermoeienis ondergaan op de toornende zee en zij bleef bij hen tot aan den dag vastgesteld voor haar bruiloft. Aan Cimon en zijn gezellen werd wegens de edelmoedigheid jegens de Rhodische jongelingen den vorigen dag betoond, het leven geschonken, wat Pasimundos met al zijn macht hun wilde ontnemen en zij werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, waarin zij, gelijk men kan denken, in smart achterbleven en zonder hoop ooit eenig genoegen te hebben.

Maar Pasimundos verhaastte zijn aanstaande bruiloft zooveel hij kon. De fortuin, of zij berouw had over den onverwachten slag, dien Cimon trof, bracht een nieuw voorval tot zijn heil teweeg. Pasimundos had een broeder, minder in jaren maar niet in deugd, die Ormisda heette en die lang had onderhandeld om als echtgenoote een edel en schoon meisje uit de stad te krijgen, Cassandra genaamd; dat Lysimachos ten zeerste lief had, maar het huwelijk was door verschillende gebeurtenissen meermalen belemmerd. Daar Pasimundos zag, dat hij gedwongen was zijn bruiloft met een groot feest te vieren, achtte hij het best, om niet meer kosten en feesten te maken, dat hij zorgde, dat op hetzelfde feest Ormisda en zijn vrouw huwen zouden. Hij hervatte daartoe de onderhandelingen met de ouders van Cassandra en met goed gevolg. Hij en zijn broeders besloten, dat Pasimundos denzelfden dag Ephigenia zou huwen, waarop Ormisda Cassandra zou trouwen. Lysimachos hoorde dit en het beviel hem in ’t geheel niet, omdat hij zich van zijn hoop verlaten zag, welke hij koesterde haar zeker te krijgen als Ormisda haar niet nam. Maar als verstandig man verborg hij zijn spijt en hij begon te bedenken hoe hij kon beletten, dat dit gevolg had en hij zag er geen anderen weg op dan haar te rooven. Dit scheen hem gemakkelijk door het ambt, dat hij bekleedde maar ook oneerlijker dan wanneer hij dien post niet had bezet. Maar om kort te gaan na lange overpeinzing week de eerlijkheid voor de liefde en besliste hij, dat, wat er ook mocht gebeuren, hij Cassandra zou rooven. En denkend aan de hulp, die hij daarvoor noodig had en de maatregelen, die hij daarvoor moest nemen, herinnerde hij zich Cimon, dien hij met zijn makkers gevangen hield en meende geen beter en geen trouwer metgezel in deze zaak te kunnen hebben dan hem. Daarom liet hij hem den volgenden nacht heimelijk in zijn kamer komen en begon hem aldus toe te spreken:

Cimon, gelijk de goden de beste en mildste schenkers van loon zijn voor de menschen, zoo beproeven zij ook het wijste hun moed en hen, die zij flink en standvastig vinden in alle omstandigheden, maken zij ook, als de besten, de grootste belooningen waardig. Zij hebben van Uw moed een zekerder bewijs gewild dan gij binnen de perken van Uws vaders huis had kunnen leveren, dien ik als overmatig rijk ken. Eerst hebben zij U door de heftige aandoeningen der liefde van een redeloos dier, gelijk ik hoorde, tot mensch willen vormen; daarna hebben zij door harde tegenspoed en thans met treurige gevangenschap willen zien of uw ziel zich van wat die was, niet verandert, wanneer gij voor korten tijd de verlangde prooi had veroverd. Indien die dezelfde is als voorheen, schonken zij U nooit zulk een vreugde als zij U thans bereiden, wat ik U wil aantoonen, opdat gij Uw krachten herwint en weer moed vat. Pasimundos, verheugd over Uw ongeluk en die met aandrang Uw dood heeft gezocht, verhaast zooveel hij kan het vieren van de bruiloft met Uw Ephigenia, opdat hij zich dan verblijdt met den buit, welke eerst de gunstige fortuin U had toegestaan en toen opeens gramstorig U ontnam. Dit moet U leed doen naar ik zelf weet, indien gij haar zoo lief hebt als ik geloof; want op denzelfden dag maakt Ormisda, zijn broeder, zich gereed, om mij een dergelijke hoon aan te doen met Cassandra, die ik boven alles bemin. Om zooveel smaad en zooveel verdriet van het ongeluk te ontgaan, zie ik geen anderen weg open dan de kracht van onze zielen en van onze rechtervuisten, waarin wij het zwaard moeten voeren en waarmee wij ons ruim baan moeten maken gij voor den tweeden en ik voor den eersten roof van onze beide vrouwen. Daarom, indien gij wilt—ik wil niet zeggen de vrijheid, waarom gij, denk ik, zonder Uw vrouw weinig geeft—dat gij Uw vrouw terug krijgt, hebben de goden, die mij bij mijn onderneming willen helpen, dit in Uw handen gesteld.

Deze woorden deden al de verloren wilskracht in Cimon terugkeeren en zonder te veel tijd voor het antwoord te nemen, zeide hij: Lysimachos, gij kunt geen sterker en trouwer makker in deze zaak hebben, indien er voor mij uit moet volgen, wat gij zegt en daarom vertel mij, wat U goed dunkt, dat ik moet doen en gij zult zien, dat het met een bewonderenswaardige kracht zal gebeuren. Lysimachos antwoordde hem: Binnen drie dagen zullen de jonge vrouwen het eerst de huizen hunner mannen betreden, waarin gij gewapend met Uw makkers en ik met de mijnen, die ik genoeg vertrouw, bij het vallen van den avond zullen binnentreden en welke wij te midden van de gasten geroofd naar een schip zullen brengen, dat ik in ’t geheim heb laten gereed maken, terwijl wij iedereen zullen dooden, die zich vermeet ons weerstand te bieden. Dit plan beviel aan Cimon en stil begaf hij zich tot den bepaalden tijd naar de gevangenis. Toen de dag van de bruiloft kwam, was de staatsie groot en prachtig en elk deel van het huis was vol van het vroolijke feest.

Lysimachus, die alles gereed had gemaakt, vereenigde Cimon en zijn makkers met zijn eigen vrienden en hij verdeelde ze, toen het oogenblik hem gekomen scheen, in drie groepen alle met wapens onder hun kleederen na ze met woorden ten gunste van zijn onderneming te hebben aangespoord. Een groep werd zonder gedruisch naar de haven gezonden, opdat niemand ze zou beletten het schip te bestijgen, wanneer het noodig zou zijn. Met de andere twee ging hij naar het huis van Pasimundos, waar hij aangekomen er een bij de deur liet, opdat niemand hem er kon insluiten of hem den aftocht belemmeren en met de derde beklom hij den trap gevolgd door Cimon. In de zaal gekomen, waar de jonge bruiden aan tafel waren gezeten om te eten met een groot aantal andere dames, wierpen zij zich vooruit, smeten de tafels omver en nadat elk van hun zijn vrouw genomen had en in handen had gesteld van zijn makkers, gaven zij order ze dadelijk naar het schip te leiden, gereed om hen te ontvangen. De jonge vrouwen begonnen te huilen en te schreeuwen, evenals de anderen en de dienaren en opeens was het huis vol rumoer en geklaag. Maar Cimon en Lysimachus, die hun zwaarden hadden getrokken en alles op hun weg verjoegen, richtten zich naar de trappen; zij daalden ze af, tot ze Pasimundos ontmoetten, die met een grooten stok in de hand op het leven afkwam: Cimon sloeg hem woedend op het hoofd, kloofde hem den schedel en deed hem dood aan zijn voeten neerstorten. Toen de ongelukkige Ormisda tot zijn hulp aansnelde, werd hij eveneens door de slagen van Cimon gedood en alle anderen, die wilden naderen, werden gekwetst en achteruit geworpen door de makkers van Lysimachos en Cimon. Zij lieten het huis achter vol bloed, vol tumult, tranen en droefenis en in een dichte groep bereikten zij te zamen met hun prooi het schip. Hierop zetten zij de vrouwen neer en klommen er zelf op met hun gezellen, toen het strand al vol gewapend volk was, dat tot bevrijding van de vrouwen aankwam. Zij staken de riemen in het water en gingen verheugd over hun bedrijven heen. Op Creta gekomen werden zij door vele vrienden en verwanten blijde ontvangen, huwden de vrouwen en na een groot feest genoten zij gelukkig van hun roof. Op Cyprus en Rhodes was het rumoer en de stoornis groot en lang door hun daad. Ten slotte nadat hun vrienden en verwanten op het eene en het ander eiland als bemiddelaars waren opgetreden, vonden die een uitweg, zoodat na eenigen tijd van ballingschap Cimon met Ephigenia gelukkig naar Cyprus terugkeerde en Lysimachus ook met Cassandra naar Rhodes en elk leefde langen tijd met zijn vrouw gelukkig in zijn land.

TWEEDE VERTELLING.

Gostanza bemint Martuccio Gomito, welke hoorend, dat hij dood is, uit wanhoop zich alleen in een bark neerzet, die door den wind naar Susa gevoerd wordt. Zij vindt hem levend terug in Tunis, doet zich aan hem kennen en daar hij zeer bevriend wordt met den koning voor geschonken raadgegevingen, huwt hij haar en keert rijk met haar terug naar Lipari.

Toen de koningin bespeurde, dat de novelle van Pamfilo uit was, gelastte zij, na die zeer te hebben geprezen, dat Emilia zou voortgaan met het verhalen van een andere, die aldus begon: Ieder moet zich terecht verheugen in de dingen, waarin men de belooning op genegenheid ziet volgen en wel omdat de liefde op den langen duur eerder vreugde verdient dan smart. Met veel grooter genoegen zal ik door deze stof te behandelen de koningin gehoorzamen dan het ik om de voorafgaande deed aan den koning.

Teedere donna’s. Gij moet dan weten, dat er in de nabijheid van Sicilië een eilandje is, Lipari genaamd, waarop nog niet lang geleden een zeer mooie meisje geboren werd, Gostanza, uit zeer achtenswaardige familie vandaar. Op haar werd een jonkman, die er woonde, Martuccio Gomito, zeer aardig en beschaafd en bekwaam in zijn vak, verliefd. Zij werd eveneens zoo door hem ontbrand, dat zij zich nooit goed gevoelde, als zij hem niet zag. En daar Martuccio haar tot vrouw begeerde, liet hij haar aan haar vader vragen. Deze antwoordde, dat hij arm was en haar daarom niet wilde geven. Martuccio verontwaardigd, omdat hij zich haar zag weigeren om zijn armoede, zwoer met eenige van zijn vrienden en verwanten nooit in Lipari terug te keeren dan rijk. Hij vertrok vandaar en begon als zeeroover de kust van Barbarije te bevaren elk bekapend, die minder machtig was dan hij. De fortuin was hem hierbij zeer gunstig, als hij zich maar met zijn voorspoed tevreden had kunnen stellen. Maar daar het hem niet genoeg was, dat hij en zijn vrienden in korten tijd zeer rijk werden, daar zij meer dan rijk wilden worden, werd hij door zekere schepen der Saracenen na een lange verdediging gevangen genomen en weggevoerd en het grootste deel van hen door de Mahomedanen verdronken. Nadat zijn schip was vernield, werd hij naar Tunis in de gevangenis gevoerd en in lange ellende bewaard. Op Lipari kwam de tijding, dat al degenen, die met Martuccio op het schip waren, verdronken. Het meisje, dat over het heengaan van Martuccio mateloos bedroefd was, toen zij hoorde, dat hij als de anderen dood was, klaagde langen tijd en besloot niet langer te leven. In ’t geheim verliet zij ’s nachts haars vaders huis en aan de haven gekomen zag zij toevallig afgescheiden van de andere schepen een visscherspink, die zij, hoewel de eigenaars er voor het oogenblik af waren, voorzien vond van een mast, zeilen en riemen. Zij klom er snel op, roeide met de riemen in zee en daar zij eenigszins de zeevaart meester was als al de vrouwen op dit eiland, heesch zij het zeil, stak de riemen in het water, wierp de roerpen achteruit en liet zich geheel gaan voor den wind. Zij dacht, dat bepaald de wind de bark zonder lading en zonder evenwicht zou omslaan of dat een schok die moest breken en verpletteren, waardoor zij, zelfs als zij het wilde ontgaan, niet kon maar zeker moest verdrinken. Zij wikkelde het hoofd in haar mantel en legde zich klagend op den bodem van de bark. Maar het gebeurde heel anders dan zij had verwacht, omdat de wind, die haar voerde, tramontaansch (noordelijk) was en zacht en er haast geen golfslag bewoog en die de bark goed leidend op den dag na den nacht, dat zij die had bestegen, haar tegen den vesper ongeveer op honderd mijlen boven Tunis op een strand dreef in de buurt van de stad Susa. [94]

Het jonge meisje bemerkte niet meer of zij in land of in zee was, want zij had besloten, wat er ook zou gebeuren het hoofd niet op te heffen en had dit dan ook niet gedaan. Er was bij toeval op het strand, toen de bark er op zou stooten, een arme goede vrouw bezig de netten der visschers uit de zon te trekken en die bij het gezicht van de bark er zich over verwonderde, dat men die met vol zeil op de kust had laten loopen. Denkend, dat de visschers er op waren ingeslapen, begaf zij zich er heen en zag er slechts een jong meisje in, dat sliep. Nadat zij het meermalen geroepen had, wist zij het eindelijk te wekken en daar zij het aan haar kleederen herkend als Christin en zij Latijn [95] sprak, vroeg zij haar, hoe zij daar zoo alleen in die bark gekomen was. Het jonge meisje, dat Latijn hoorde spreken, twijfelde er aan of zij misschien niet door een anderen wind naar Lipari was teruggekeerd en plotseling opgestaan keek zij rond en daar zij dit wel kende, vroeg zij aan de goede vrouw, waar zij was. Deze antwoordde: Mijn kind, gij zijt dicht bij Susa in Barbarije. Toen het jonge meisje dit hoorde, ging het aan den voet van de bark zitten wanhopig, dat God haar den dood niet had willen zenden en vreezend, dat haar schande zou overkomen en begon te schreien.

Toen de goede vrouw dit zag, had zij medelijden met haar en op haar aandringen slaagde zij er in haar naar haar hut mee te krijgen en daar behandelde zij haar zoo liefderijk, dat het jonge meisje haar vertelde, wat er gebeurd was. Daar de goede vrouw begreep, dat zij nog nuchter was, bracht zij het hard brood, wat water en een paar visschen en bad haar zoo, dat zij er iets van at. Na gegeten te hebben vroeg Gostanza, wie zij was. Zij zeide, dat zij van Trapani kwam en Carapresa heette en dat zij de dienstmaagd was van een paar christelijke visschers. Toen het meisje Carapresa hoorde spreken, vond zij dit, hoewel zij troosteloos was en niet wist, wat haar daartoe dreef, een goed teeken bij het hooren van dien naam en begon te hopen zonder te weten hoe en een weinig haar begeerte te laten varen om te sterven en zonder bekend te maken wie zij was of van waar, bad zij de goede vrouw om Gods wil medelijden met haar te hebben en met haar jeugd en haar eenige raad te geven, opdat men haar niet zou beleedigen. Carapresa hoorde haar als een brave vrouw, die zij was, aan, liet haar in haar hut blijven en na vlug haar netten te nebben opgehaald, kwam zij haar halen. Na haar van het hoofd tot de voeten in haar mantel gewikkeld te hebben, nam zij haar mee naar Susa en daar zeide zij tot deze: Gostanza, ik zal U bij een zeer goede saraceensche dame brengen, aan wien ik diensten doe; het is een oude en barmhartige vrouw; ik zal U zoo goed ik kan aan haar aanbevelen en ik ben er zeker van, dat zij U gaarne zal ontvangen en U als haar dochter zal behandelen; wat U betreft, gij moet al het mogelijke doen, wanneer gij bij haar blijft, om haar te dienen en haar gunst te winnen, totdat God U meer geluk zal zenden. En zij voegde de daad bij het woord.

De donna, waar de oude heen gegaan was, zag het meisje in het gelaat en begon te schreien, nam haar aan, kuste haar het voorhoofd en leidde haar toen bij de hand in haar huis, waarin zij zonder man met eenige vrouwen woonde en allen met hun handen verschillende voorwerpen maakten van zijde, van palmhout of van leer. Het meisje leerde die binnen enkele dagen vervaardigen, begon met hen samen te werken en het kwam zoo in de gunst en won zoo de genegenheid van de donna en van de anderen, dat het een wonder was. En in den korten tijd, dat zij haar die onderwezen, leerde zij hun taal. Terwijl het meisje aldus in Susa bleef, werd zij thuis al beweend als verloren en gestorven.

Destijds was Mariabdela koning van Tunis en verzamelde een jonkman van hooge geboorte en groote macht, die zich te Granada bevond een zeer groote menigte manschappen met de bewering, dat hem de heerschappij over Tunis toebehoorde en rukte tegen dien koning op om hem van den troon te jagen. Dit kwam Martuccio Gomito in de gevangenis ter ooren, die het Barbarijsch goed kende en toen hij hoorde, dat de koning van Tunis een zeer groote macht tot zijn verdediging bijeen bracht, zeide hij tot een der lieden, die hem en zijn makkers bewaakten: Wanneer ik den koning mag spreken, maak ik mij sterk hem een raad te geven, waardoor hij in zijn strijd zal zegevieren. De wachter bracht die woorden aan zijn heer over, die het dadelijk aan den koning berichtte. De koning gelastte, dat Martuccio bij hem gebracht werd en vroeg hem, wat die raad was. Deze antwoordde hem aldus: Heer, als ik wel in een vroeger tijd, toen ik Uw rijk bezocht, Uw strijdwijze heb gade geslagen, schijnt het mij, dat gij die eerder met boogschutters volgt dan met andere soldaten en daarom, als men een middel kon vinden, dat Uw tegenstanders pijlen zouden missen en de Uwen er in overvloed hadden, denk ik, dat gij in den krijg zoudt winnen. Hierop sprak de koning: Zonder twijfel, als dat kon, zou ik zeker overwinnaar zijn. Martuccio ging voort: Heer, indien gij het wilt, kan dat heel goed en ziehier hoe: gij moet voor de bogen van Uw boogschutters koorden laten maken veel dunner dan men ze gewoonlijk overal gebruikt; dan moet gij pijlen laten vervaardigen, waarvan de kepen alleen op die koorden passen en dat alles moet zoo in ’t geheim geschieden, dat Uw tegenstander het niet weet, want anders zal hij een middel vinden tot tegenweer. En ziehier waarom ik zoo spreek: wanneer de boogschutters van Uw vijand hun pijlen zullen hebben geworpen en de Uwen hun schichten, weet gij, dat de vijanden de pijlen oprapen, die de Uwen hebben afgeschoten evenals wij die van den vijand. Maar als de vijand zich van de onzen niet kan bedienen, omdat de kleine kepen niet op zijn dikke koorden passen, terwijl juist het tegenovergestelde het geval zal zijn met de schichten van den vijand, zullen de dunne koorden wel de pijlen dragen met een groote keep en zoo zullen de Uwen er overvloedig van voorzien worden, terwijl Uw tegenstanders er gebrek aan zullen krijgen. [96]

De raad van Martuccio beviel aan den koning, die een zeer wijs man was en hij volgde hem geheel op, waardoor hij den slag won. Daardoor steeg Martuccio hoog in zijn gunst en werd aldus machtig en rijk. Het gerucht van die dingen ging door het gansche land en het bereikte de ooren van Gostanza, dat Martuccio Gomito leefde, dien zij langen tijd dood had gewaand. Hierdoor ontvlamde haar liefde, die reeds in haar hart zeer was verkoeld, opnieuw en werd grooter en de gedoode hoop herleefde.

Derhalve vertelde zij geheel aan de goede dame, waar zij was, haar lot en zeide zij, dat zij verlangde naar Tunis te gaan, opdat zij met de oogen zich verzadigde aan wat de ooren van de ontvangen geruchten haar hadden doen begeeren. Deze prees haar verlangen zeer en alsof zij haar moeder was geweest, ging zij met haar op een bark te zamen naar Tunis, waar zij met Gostanza bij een bloedverwante eervol in huis werd ontvangen. En daar Carapresa met haar mee was gegaan, gelastte zij die te vernemen, wat zij van Martuccio kon te weten komen. Toen zij bevonden had, dat hij leefde en heel voornaam en Carapresa het haar had gemeld, behaagde het de edelvrouw, dat zij het zou zijn, die aan Martuccio zou berichten, dat zijn Gostanza voor hem daarheen was gekomen.

Toen zij op een dag zich begeven had daarheen, waar Martuccio woonde, zeide zij tot hem: Martuccio, in mijn huis is een dienaar van U van Lipari gekomen, die U daar in stilte wil spreken en omdat ik het niet aan anderen wilde toevertrouwen, ben ik, gelijk hij het verlangde, zelf hier gekomen om het uiteen te zetten. Martuccio bedankte haar en ging toen naar haar huis. Toen hij het meisje zag, stierf hij haast van vreugde en daar hij zich niet kon weerhouden, vloog hij haar met open armen om den hals en omarmde haar en begon uit medelijden over de vroegere ongevallen en door de blijdschap van het oogenblik zonder een woord te kunnen spreken, zeer te weenen. Martuccio zag het meisje aan, bleef eenigzins verwonderd en zei toen zuchtend: O mijn Gostanza, hoe leef je nog? Het is al lang geleden, dat ik gehoord heb, dat gij dood waart en ook in ons land wist men niets van U en na die woorden schreide hij zeer en omarmde en kuste haar. Gostanza vertelde hem al haar avonturen en de eer, die haar te beurt was gevallen bij de edelvrouw, waar zij was blijven wonen. Na vele gesprekken nam Martuccio afscheid van haar, ging naar zijn heer, den koning en vertelde hem alles, namelijk zijn lotgevallen en die van het meisje en voegde er bij, dat hij met zijn verlof volgens onze wet haar wilde huwen.