Chapter 34
Toen de medicus dit hoorde, antwoordde hij, hoe kwaad hij ook geweest was, schertsend: Gij hebt u zelf geschonken, omdat gij, waar gij geloofde van nacht een jonge man te hebben, die u zeer goed de peluw zou schudden, je een slaapkop naast je hadt. Ga daarom en zorg voor de redding van uw minnaar en pas voortaan op hem niet meer in huis te brengen, want dan zal ik je die keer en deze betaald zetten. De meid, dien het scheen, dat zij voor den eersten stap goed te werk was gegaan, ging zoo gauw zij kon naar de gevangenis, waar Ruggieri zich bevond en vleide den bewaarder zoo, dat hij haar Ruggieri liet spreken. Zij, na hem te hebben verteld, wat hij voor den Stadico moest antwoorden, indien hij wilde vrij worden, deed zoo haar best, dat zij voor den rechter kwam. Deze, voor hij naar haar wilde luisteren, omdat zij flink en sterk was, wilde eerst eens zijn haak slaan in die dwaze meid van Onzen Lieven Heer [91] en zij om gehoord te worden, had er niet op tegen en toen zij van die omhelzing was opgestaan, zeide zij: Heer, gij hebt Ruggieri van Jeroli als dief gevangen genomen, maar dat is niet waar. En met den aanvang beginnend vertelde zij hem de geschiedenis van stukje tot beetje, hoe zij als zijn minnares hem in het huis van den dokter had gebracht en hem er drank had te drinken gegeven in onwetendheid en hoe zij hem als een doode in de kist had gestopt; daarna vertelde zij, wat zij tusschen den meester-timmerman en den eigenaar van de kist had hooren praten en verklaarde zoo, hoe Ruggieri in het huis van de woekeraars kwam. De Stadico, die begreep, dat het gemakkelijk viel om te weten of het waar was, vroeg eerst aan den dokter of dat van dien drank een feit was. Toen liet hij den timmerman komen en hem aan wien de kist had behoord en de woekeraars en bevond na veel gepraat, dat de woekeraars de kist dien nacht hadden gestolen en in huis hadden gevoerd.
Ten slotte ontbood hij Ruggieri en na hem te hebben gevraagd, waar hij den vorigen avond zijn onderkomen had gevonden, antwoordde hij, dat hij dit niet wist, maar dat hij zich wel herinnerde, dat hij zijn logies zou gaan zoeken bij de meid van maëstro Mazzeo, in wiens kamer hij den drank had gedronken, omdat hij zoo’n dorst had, maar dat hij niet wist, hoe het gebeurde, dat hij in de kist der woekeraars was gevonden. De rechter, die dit alles hoorde, en er groot pleizier van had, liet het de meid en Ruggieri en den timmerman en de woekeraars meermalen opnieuw vertellen. Toen hij ten slotte zag, dat Ruggieri onschuldig was, veroordeelde hij de woekeraars, die de kist hadden gestolen tot een geldboete van tien oncen [92] en liet Ruggieri vrij. Hoezeer haar dit ten harte ging, hoeft men niet te vragen en de donna was er ten zeerste blij mee. Deze lachte er dikwijls om met hem en met de goede meid, die hem messteken had willen geven en beleefde er pleizier van, terwijl hun liefde en genoegen steeds van goed tot beter ging. En ik zou willen, dat het mij ook zoo ging, maar niet, dat ik in de kist wordt gestopt.
Zoo de eerste verhalen de harten der begeerenswaardige donna’s zeer hadden bedroefd, deed dit laatste van Dioneo ze lachen en vooral toen hij vertelde, dat de rechter zijn haak had ingeslagen, dat zij zich konden herstellen van de meewarigheid met de anderen. Maar toen de koning zag, dat de zon geel begon te worden en dat het einde van zijn heerschappij gekomen was, verontschuligde hij zich met aardige woorden over hetgeen hij had gedaan, namelijk over zoo treurige stof te hebben laten spreken en over die van den rampspoed der minnenden en toen dit geschied was, stond hij op, hief den lauwerkrans van het hoofd en terwijl de donna’s afwachtten, wie hem zou dragen, plaatste hij dien bekoorlijk op het geheel blonde hoofd van Fiammetta met de woorden: Ik draag aan u deze kroon over, als degene, die het best voor den zwaren dag van heden ons met dien van morgen zal kunnen troosten. Fiammetta, wier haren gekruld waren, lang en van goud en bij wien ze over blanke en ranke schouders vielen en waarvan het gelaat eenigzins dik was, had een glanzende, natuurlijke kleur als van blanke leliën vermengd met roode rozen, met twee oogen in het hoofd als van een pelgrims-valk en met een allerliefst klein mondje, waarvan de lipjes robijnrood waren en antwoordde lachend: Filostrato, ik neem haar gaarne aan en opdat gij beter bemerkt, wat gij hebt gedaan, wil en beveel ik, dat van nu af aan ieder zich voorbereidt om morgen te spreken van wat aan een of ander minnaar, na enkele wreede en ongelukkige voorvallen, gelukkig ten deel werd. Dit voorstel beviel aan allen. En zij, na den hofmeester te hebben geroepen en over de zaken, die te pas kwamen, met hem te hebben beschikt, gaf, nadat het heele gezelschap van zijn zetels was opgestaan, tot aan het uur van het avondmaal blijmoedig aan ieder de vrijheid. Dezen derhalve, begonnen ten deele door den tuin, welks schoonheid niet zoo spoedig ging vervelen en ten deele naar den molen, die buiten deze werkte en dezen hier en gene daar, naar hun verschillenden smaak zich onderscheidene genoegens te verschaffen tot aan het uur van het avondmaal. Toen dit was aangebroken en allen bijeen waren als naar gewoonte, aten zij bij de schoone fontein met zeer groot genoegen en wel bediend. En daarvan opgestaan, gaven zij zich, gelijk bij hen gebruik was, over aan dans en zang en terwijl Filomena den dans leidde, zei de koningin: Filostrato, ik wil niet afwijken van mijn voorgangers, maar gelijk die hebben gedaan, wil ik, dat men op mijn bevel een zang zal zingen en omdat ik er zeker van ben, dat uw liederen zoodanig zijn als uwe verhalen, willen wij, opdat geen andere dan deze dag gestoord zij door de ongelukkige liefden, dat gij er een opzegt, dat u het meest zal behagen. Filostrato antwoordde, dat hij gaarne wilde en zonder verwijl begon hij op deze wijze te zingen:
Weenend toon ik, Hoe een hart zich met recht beklaagt, Omdat Amor in zijn geloof is bedrogen.
Amor, die eerst In mijn hart haar heeft gesteld voor wie ik zucht, Zonder op heil te hopen, Gij hebt haar zoo vol deugd getoond. Dat ik elke marteling licht achtte, Die in mijn geest, Droef gebleven, Mij was overkomen; maar mijn dwaling Ken ik thans en niet zonder smart.
Wat mij mijn dwaling heeft doen kennen, Is mij van haar verlaten te zien, In wien ik alleen hoopte; Want toen dacht ik het meest te zijn In haar gratie en haar dienaar. Zonder de schade vooruit te zien Van mijn toekomstig leed Bemerkte ik, dat zij van anderen de waarde Daarin had opgenomen en mij er uit had verjaagd.
Toen ik mij daaruit verjaagd zag, Ontstond er in het hart een droeve klacht. Die er nog in klinkt. En dikwijls vervloek ik den dag en het uur, Dat mij het eerst haar verliefd gelaat verscheen Door hooge schoonheid gesierd En meer dan ooit ontvlamd, Vergaat mijn geloof, mijn hoop en mijn moed, Mijn ziel, die versmachtend dit alles verfoeit.
Hoezeer mijn smart zonder troost is, Heer, dat kunt gij gevoelen, zoo vaak ik u roep Met trieste stemme, En ik zeg u, dat ik zóó brand, Dat ik om minder foltering den dood verlang. Kom dan en maak Aan mijn wreed en ongelukkig leven Met één slag een einde en aan mijn razernij; Want waar ik ook zal gaan, zal ik die minder gevoelen.
Geen ander leven, geen andere troost Redt mij meer dan de dood van mijn smart, Dat men mij dien voortaan schenke. Maak een einde, Amor, door dezen aan mijn pijnen En dat men mijn hart van zulk een ellendig leven ontrooft. Ach, doe dit, omdat ten onrechte. Mij alle vreugd en genoegen ontnomen is, Maak haar gelukkig, door mij te doen sterven, o Heer, Gelijk gij haar gelukkig hebt gemaakt met een nieuwen minnaar.
O mijn lied, indien niemand u leert, Kan het mij niet schelen, omdat niemand Dan ik u kan zingen, En moeite alleen wil ik u geven, Dat gij Amor terug vindt en dat gij aan hem alleen Toont ten volle, hoe onverschillig Het trieste, bittere leven, Mij is, hem biddend, dat hij in beter Haven mij brengt door zijn waarde.
Weenend toon ik, enz.
De woorden van dit lied toonden duidelijk genoeg, hoe de zielstoestand was van Filostrato en de oorzaak daarvan en misschien had nog beter het gelaat van de dame het getoond, die aan den dans deelnam, indien de schaduwen van den komenden nacht den blos op haar gezicht niet zouden hebben verduisterd. Maar toen hij dit ten einde had gebracht, werden er verscheidene anderen gezongen, totdat het uur van slapen gekomen was: daarom op bevel van de koningin, trok ieder zich in zijn kamer terug.
VIJFDE DAG.
De vierde dag van de Decamerone eindigt: de vijfde vangt aan. Onder het bewind van Fiammetta spreekt men van wat met een of anderen minnaar na eenige wreede en noodlottige voorvallen gelukkig gebeurt.
Reeds was het Oosten geheel wit en hadden de rijzende stralen klaarheid verbreid door ons gansche halfrond, toen Fiammetta ontwaakt door de zoete zangen der vogelen, die van af de eerste stonde van den dag vroolijk op de jonge boomen zongen, opstond en al de andere donna’s en de drie jongelieden deed roepen. Met langzamen tred ging zij naar de velden, door de ruime vlakte met het bedauwde gras, tot de zon hoog was gestegen en wandelde met haar gezelschap in gesprek over verschillende dingen. Maar toen zij voelde, dat de zonnestralen warmer werden, richtte zij hun schreden naar hun verblijfplaats, waar zij gekomen en na zich hersteld te hebben van hun lichte vermoeidheid met beste wijnen en meelspijs, zich in den aangenamen tuin vermeiden tot aan het etensuur. Toen dat oogenblik aangebroken was en alles door den zeer bescheiden hofmeester was in orde gebracht en een lied en een of twee dansliederen waren gezongen, begonnen zij vroolijk gestemd, naar het de koningin behaagde, te eten. En toen dit ordelijk en blijmoedig was geschied en omdat zij den ingestelden regel van te dansen niet vergeten waren, voerden zij met de instrumenten en de zangen eenige dansen uit. Hierna gaf de koningin tot na het uur der siësta vrij; eenigen van hen gingen sluimeren en anderen bleven tot hun genoegen in den tuin. Maar allen verzamelden zich, toen het uur van den noen even voorbij was, daar, waar het de koningin beviel, volgens de gewoonte bij de fontein. Daar zag de koningin gezeten, alsof zij bij een rechtbank voorzitter was, naar Pamfilo en glimlachend beval zij hem de eerste te zijn, die met de verhalen van geluk zou beginnen. Hij deed dit gaarne en sprak aldus:
EERSTE VERTELLING.
Cimon wordt verstandig door lief te hebben en schaakt in zee zijn vrouw Ephigenie. Hij wordt op Rhodes in de gevangenis gezet. Lysimachos bevrijdt hem en opnieuw rooft hij met hem Ephigenia en Cassandra, als die bruiloft vieren. Zij vluchten met hen naar Creta en vervolgens, als zij hun echtgenooten zijn geworden, roept men ze naar hun huis terug. [93]
Lieve donna’s. Om een zoo blijden dag te beginnen als deze zal zijn, staan mij vele novellen voor den geest om te verhalen, waarvan er een mij het meest behaagt, omdat gij daardoor zult kunnen begrijpen, niet het heugelijke doel, waarvoor wij beginnen te spreken, maar ook hoe heilig, hoe machtig en hoe weldadig de krachten der Liefde zijn, welke velen, zonder te weten, wat zij zeggen, zeer ten onrechte veroordeelen en schandvlekken, wat, indien ik mij niet bedrieg—daar ik geloof, dat gij verliefd zijt—U zeer aan ’t hart moet gaan.
Aldus, (gelijk wij het al gelezen hebben in de antieke geschiedenissen der Cyprioten) leefde er op het eiland Cyprus een zeer edel man, die Aristippos heette, meer dan eenig ander bewoner daarvan zeer rijk aan alle aardsche goederen en als de fortuin hem niet over een zaak treurig gemaakt had, had hij meer dan wie ook tevreden kunnen zijn. En dat was deze, dat hij onder zijn overige zonen er een had, die alle andere jongelingen in grootheid en schoonheid van lichaam overtrof, maar die bijna en haast hopeloos idioot was, Galeso genaamd. Maar daar nooit de lessen van meesters, de vaderlijke liefkozingen of de kastijdingen hem iets in het hoofd hadden kunnen brengen of hem de minste welgemanierdheid hadden geleerd en hij daarentegen sterk en grof in de volkstaal sprak en zijn handelwijzen meer met die van een dier overeenstemden dan met die van een mensch, werd hij ironisch Cimon genoemd, wat in hun taal hetzelfde beteekent als in de onze: Groot Beest. De vader verdroeg zijn verloren bestaan met zwaar verdriet en reeds was hem alle hoop ontvloden niet steeds de oorzaak van zijn smart voor zich te zien, toen hij hem gelastte naar een dorp te gaan en en er bij de landbouwers te blijven. Dit was voor Cimon zeer aangenaam, omdat hem de gewoonten en de gebruiken dier ruwe menschen beter bevielen dan die der stedelingen. Toen Cimon zich dan naar het dorp begeven had en daar zich bezig hield met den veldarbeid, trad hij eens, na den middag, terwijl hij van het eene veld naar het andere ging met een stok op den nek, in een boschje, dat zeer schoon was in deze streek en dat, daar het Meimaand was, geheel was doorlooverd. Hij ging hier doorheen en alsof de fortuin hem gevoerd had, kwam hij in een kleine weide, omringd door zeer hooge boomen; in een van de hoeken was een zeer schoone en koele fontein; ter zijde van deze zag hij op het groene veld een zeer schoon jong meisje slapen in een zoo licht kleed, dat het haast niets van het blanke vleesch verborg en alleen van af den gordel naar beneden bedekt was met een wit en licht gewaad. Aan haar voeten sliepen eveneens twee vrouwen en een man, haar dienaren.
Toen Cimon haar aanzag, alsof hij nog nooit een vrouwelijke figuur had aanschouwd, leunde hij op zijn stok en zonder een woord te spreken, begon hij haar met de grootste bewondering aan te staren. En in zijn ruwe borst, waar meer dan duizend lessen niet den minsten indruk had kunnen doen doordringen van een heerlijk genot, voelde hij een aandrang ontwaken, die hem in zijn botten en groven geest zeide, dat dit jonge meisje het schoonste was wat ooit door eenig sterveling was aanschouwd. Dadelijk begon hij in iedere bijzonderheid alle deelen van haar lichaam te onderzoeken en bewonderde de haren, die hij van goud waande, het voorhoofd, den neus en den mond, de hals en de armen en vooral den weinig opwelvenden boezem en van boer opeens schoonheidsrechter geworden, verlangde hij vurig haar schoone oogen te zien, die zij gesloten hield in haar diepen slaap en om ze aan te staren had hij ineens den lust om haar te wekken. Maar daar zij hem schooner scheen dan ooit eenige vrouw, die hij eertijds had gezien, twijfelde hij er aan of zij geen godin was en toch had hij wel zooveel gevoel, dat hij de goddelijke dingen waardiger vond om geëerd te worden dan de menschelijke en hield zich daarom in, afwachtend tot zij van zelf zou ontwaken en hoewel het tijdverlies hem te groot scheen, kon hij toch door het genoten welbehagen niet heengaan. Na een lange poos werd het meisje wakker, die Ephigenia heette, en vóór dat de anderen ontwaakten; ze hief het hoofd op, opende de oogen en zag Cimon op zijn stok geleund voor haar staan, waarover zij zich zeer verwonderde en zeide: Cimon, wat zoekt gij op dit uur in dit bosch? (Cimon was door zijn manier van doen en ook door zijn grofheid zoowel als door den adel en den rijkdom van zijn vader aan iedereen in het land bekend.) Hij antwoordde niets op de woorden van Ephigenia, maar toen hij haar oogen geopend zag, begon hij vast daarin te staren en het scheen hem, dat hem daaruit een zachtheid tegenstraalde, die hem vervulde van een zaligheid nog nooit door hem gevoeld. Het meisje zag dit en begon te vreezen, dat door haar zoo star aan te zien, zijn boerschheid hem tot een daad zou drijven, die haar kon schandvlekken, daarom riep zij haar vrouwen, stond op en zeide: Cimon, ga met Zeus.
Cimon antwoordde: Ik zal met u gaan. En hoewel het meisje steeds voor hem bevreesd, zijn gezelschap weigerde, kon zij zich niet van hem bevrijden, voor hij haar had begeleid tot aan haar huis. Vandaar ging hij naar de woning van zijn vader en hield vol, dat hij niet meer naar het dorp wilde terugkeeren, wat zijn vader en de zijnen goed vonden, hoewel het hem hinderde en zij de reden trachtten te ontdekken, die hem van besluit had doen veranderen. Zoo was dan het hart van Cimon, waarin geen enkele les had kunnen binnen dringen, dank zij de schoonheid van Ephigenia door de pijl van Amor doorboord en in zeer korten tijd door van de eene gedachte tot de andere op te klimmen verwonderde hij zijn vader en al de zijnen en elkeen door wat hij begreep. Eerst vroeg hij zijn vader hem gekleed en getooid te doen gaan gelijk zijn broeders, wat deze zeer welgemoed deed. Sedert in omgang met begaafde jonge mannen volgde hij de manieren en de gewoonte der edellieden na en vooral die der verliefden en leerde niet alleen tot elks verbazing in zeer korten tijd de eerste letters, maar werd van beteekenis onder de geleerden. Daarna (en dit alles was de oorzaak der liefde, die hij Ephigenia toedroeg) legde hij niet alleen de grove en boersche taal af voor fatsoenlijke en steedsche, maar hij werd een meester in zang en muziek, in het paard rijden en den wapenhandel zoowel ter zee als te land en zeer ervaren en dapper. In het kort (opdat ik niet elke bijzonderheid van zijn deugden hoef te vertellen) eindigde hij nog niet het vierde jaar van zijn eerste liefde of hij herrees als de aardigste en de hoffelijkste jonkman en van meer uitnemenden moed dan eenig ander, die er op Cyprus was. Wat zullen wij, bekoorlijke dames, dan van Cimon zeggen? Zeker niets anders dan dat de jaloersche fortuin de groote gaven, die de hemel in zijn dappere ziel had neergelegd, gebonden had en verborgen in een zeer klein hoekje van zijn hart met de sterkste banden, welke Amor—machtiger dan deze alle—losmaakte en brak. Hij als wekker van de ingeslapen geesten, rukte door zijn kracht de deugden van Cimon uit de wreede schaduwen, die ze verduisterden in het heldere licht en toonde duidelijk, vanwaar hij de geesten aan hem onderworpen kan opheffen en waarheen hij ze met zijn stralen leidt.
Hoewel Cimon dan, door Ephigenia te beminnen gelijk verliefde jongelieden dikwijls doen, in enkele opzichten buitensporigheden beging, verdroeg Aristippos, deze in aanmerking nemend, dat Amor hem van een idioot tot een mensch had gemaakt, en bemoedigde hem in het volgen van al zijn genoegen. Maar Cimon, die weigerde Galeso genoemd te worden, daar hij zich herinnerde, dat hij zoo door Ephigenia genoemd was, wilde aan zijn verlangens een eerbaar doel geven en wilde herhaaldelijk Cypseos, den vader van Ephigenia, verzoeken hem haar tot vrouw te geven, maar Cypseos antwoordde steeds, dat hij haar toegezegd had aan Pasimundos, een edel jonkman van Rhodes, wien hij niet te kort wilde doen. Toen de tijd, vastgesteld voor de bruiloft van Ephigenia, gekomen was en de echtgenoot haar had laten halen, zeide Cimon in zich zelf: Nu is het tijd te toonen, o Ephigenia, hoe gij door mij wordt bemind. Door U ben ik man geworden en indien ik U kan bezitten, twijfel ik er niet aan roemrijker te worden dan eenig god en ik zal U zeker krijgen of sterven. Na die woorden riep hij de hulp in van eenige edele jongelieden, die zijn vrienden waren en na in het geheim een schip te hebben uitgerust met al wat noodig was voor een zeegevecht, stak hij in zee, in afwachting van het vaartuig, waarop Ephigenia naar haar echtgenoot op Rhodes zou worden vervoerd. Ephigenia ging in zee, nadat haar vader aan de vrienden van haar man alle eer had bewezen en men begaf zich op weg en richtte den steven naar Rhodes. Cimon, die niet sliep, volgde het den dag daarna met zijn schip en riep met kracht op den voorsteven van zijn schip tot hen, die op Ephigenia’s vaartuig waren: Maak halt, doe de zeilen dalen of reken er op overwonnen te worden en in zee geworpen. De tegenstanders van Cimon hadden hun wapens getrokken op de brug en maakten zich ter verdediging gereed, waarop Cimon na die woorden een ijzeren harpoen nam en die wierp op den voorsteven van de Rhodiërs, die snel wilden vluchten en dezen met geweld naar dien van zijn schip trok en verwoed als een leeuw, zonder door iemand gevolgd te worden, sprong hij daarop of hij ze allen voor niets rekende. Daar aangespoord door Amor, stortte hij zich met een wonderbare kracht tusschen de vijanden met een mes in de hand en dan deze dan gene verwondend, sloeg hij ze neer als schapen. Toen de Rhodiërs dat zagen, wierpen zij de wapens op het dek en gaven zich eenstemmig over.
Cimon sprak tot hen: Jonge mannen, noch begeerte naar buit, noch haat, die ik tegen Ü zou hebben deed mij van Cyprus vertrekken om in volle zee gewapenderhand U aan te vallen. Wat mij bewoog is voor mij iets te verkrijgen wat mij zeer dierbaar is en het is voor U gemakkelijk genoeg om mij dit in vrede toe te staan en dit is Ephigenia, door mij boven alles bemind, welke ik van haar vader niet krijgen kon als vriend en goedschiks, zoodat Amor mij dreef die op U kwaadschiks en gewapend te veroveren. Daarom wil ik voor haar zijn, wat Uw Pasimundos voor haar moest wezen; geef haar mij en ga met de gunst van Zeus. De jongelieden, die meer het geweld dan de vrijgevigheid dwong, stonden klagend Ephigenia aan Cimon af. Hij zag haar schreien en zeide: Edele donna, wees niet mistroostig, ik ben Uw Cimon, die door langdurige liefde veel meer verdiend heeft U te bezitten dan Pasimundos door gegeven belofte. Daarna keerde Cimon zich tot zijn gezellen (nadat hij haar reeds op zijn schip had doen springen zonder iets anders van de Rhodiërs aan te raken) en liet hen gaan. Cimon was toen meer dan wie ook tevreden over den zoo dierbaren verworven buit. Nadat hij eenigen tijd had genomen om haar, die weende, weer te troosten, overlegde hij met zijn makkers naar Cyprus terug te keeren. Daarom met gelijke gedachte van allen, richtte hij den steven van hun schip naar Creta, waar iedereen en het meest Cimon door oude en nieuwe verbintenissen en door veel vrienden geloofde, dat men met Ephigenia veiliger zou zijn. Maar de fortuin, die zeer blijmoedig de verovering van de donna aan Cimon had toegestaan, niet standvastig, veranderde opeens de onbeschrijfelijke vreugde van den verliefden jonkman in treurige en bittere klacht.