De Decamerone van Boccaccio

Chapter 33

Chapter 334,171 wordsPublic domain

Toen de geschiedenis van Neifile geëindigd was, niet zonder het geheele gezelschap tot groot medelijden te hebben bewogen, begon de koning, die het voorrecht van Dioneo niet wilde schenden, daar er geen ander te spreken had: Medelijdende donna’s. Ik heb thans een vertelling gereed, welke, omdat de ongelukken der liefde u zoo ontroeren, u niet minder tot erbarming zal bewegen dan de voorafgaande, omdat dezen, die ik u ga vertellen met menschen van hooger hoedanigheid geschied is en nog van treuriger verwikkeling dan die in de vorigen verhaald. Gij moet dan weten, dat, naar wat de Provençalen verhalen, er in Provence twee edele ridders leefden, die elk een kasteel en vazallen beheerschten en waarvan de een Guillaume Roussillon en de ander Guillaume Gardestagne heette. Daar zij beide mannen waren bedreven in den wapenhandel, hielden ze veel van elkaar en hadden de gewoonte altijd samen te gaan tournooien of ten steekspel te gaan, of naar iedere andere wapenoefening en gekleed in dezelfde kleuren. Hoewel elk op zijn kasteel woonde en het een van het andere wel tien mijl verwijderd was, werd toch, daar seigneur Guillaume Roussillon een zeer schoone en begeerlijke vrouw tot echtgenoote had, seigneur Guillaume Gardestagne ten zeerste ondanks de vriendschap en den omgang tusschen hen, op haar verliefd en zoo, dat hij door een en andere daad het de donna deed bemerken. Daar zij hem als een zeer dapper ridder kende, beviel haar dit en begon zij hem liefde toe te dragen, zóó dat zij niets anders dan hem verlangde en beminde, en zij verwachtte ook niets anders dan door hem te worden veroverd. Het duurde ook niet lang of dit gebeurde en zij waren te samen en meermalen beminden zij elkaar zeer. Toen zij het minder verborgen deed, werd de echtgenoot dit gewaar en was zeer verontwaardigd, waardoor de groote vriendschap, die hij voor Gardestagne koesterde, overging in een doodelijken haat. Maar hij wist dit beter te verbergen dan de twee minnenden hun liefde en overlegde, hoe ze te dooden. Toen Roussillon in dien toestand was en er een groot tournooi in Frankrijk werd aangekondigd, berichtte hij dit dadelijk aan Gardestagne en gelastte hem te zeggen, of hij, indien het hem behaagde, bij hem kwam en te samen zouden zij overleggen of zij er heen zouden gaan en hoe, Gardestagne antwoordde verheugd, dat hij zonder dralen den volgenden dag bij hem zou komen avondmalen. Roussillon vernam dit en dacht, dat de tijd was gekomen om hem te kunnen dooden en den volgenden dag steeg hij gewapend met een van zijn knechten te paard en stelde zich een mijl van het kasteel in een bosch in hinderlaag, waar Gardestagne voorbij moest komen. Na een geruime poos op hem te hebben gewacht, zag hij hem met twee bedienden bijna ongewapend naderen als iemand, die nergens op verdacht is en toen hij hem daar zag, waar hij het wenschte, doodde hij hem verraderlijk en vol boozen toeleg met een lans in de vuist en riep hem na: jij bent des doods! Dit te zeggen en hem die lans door de borst te stooten, was het werk van een zelfde oogenblik. Gardestagne zonder zich eenigszins te kunnen verdedigen of een woord te kunnen spreken, viel van die lans doorboord en stierf kort daarop. Zijn knechten, zonder herkend te hebben wie het had gedaan, keerden de koppen der paarden en vluchtten zoo snel zij konden naar het kasteel van hun heer.

Roussillon steeg af, opende met een mes de borst van Gardestagne en rukte er met eigen handen het hart uit, liet dit in een pennoen (lans-wimpel) wikkelen en beval aan een van zijn knechten, dat die het daarin zou dragen. En nadat hij aan elk had gezegd, dat ze den moed niet moesten hebben er over te spreken, steeg hij weer te paard en toen het al nacht was, ging hij weer naar zijn kasteel terug. De donna, die gehoord had, dat Gardestagne dien avond ten eten zou komen en met het grootste verlangen hem verwachtte, verwonderde zich zeer, dat zij hem niet zag naderen en zei tot haar man: Hoe komt het, heer, dat Gardestagne niet gekomen is? Hierop zeide de echtgenoot: Madame, ik heb van hem gehoord, dat hij eerst morgen hier kan zijn, waarover de donna een weinig verstoord was. Toen Roussillon was afgestegen liet hij den kok roepen en zeide tot hem: Gij zult dit hart van een wild zwijn nemen en er een gerecht van maken zoo goed en lekker om te eten als gij het maar weet, en wanneer ik aan tafel zal zijn, zult gij het mij opdragen in een zilveren schotel.

De kok nam het aan, wijdde er al zijn kunst aan en al zijn ijver, hakte het, deed er goede kruiden bij en maakte er een uitstekenden ragout van. Toen het tijd was, zette seigneur Guillaume zich met zijn vrouw aan tafel. Het maal kwam, maar hij door de begane misdaad in gedachte gestoord, at weinig. De kok bracht hem den ragout, welke hij voor de donna liet neerzetten, hield zich dien avond verzadigd en prees dien zeer. De donna, die trek had, begon er van te eten en die scheen haar goed; daarom at zij dien geheel op. Toen de ridder gezien had, dat zij hem geheel had opgegeten, zeide hij: Mevrouw, hoe is u die spijs bevallen? De donna antwoordde: Mijn heer, werkelijk, hij beviel mij goed. God helpe mij, ik geloof u—zei de ridder—en het verwondert mij niet, als dood u bevallen heeft, wat levend meer dan iets anders u aanstond.

De vrouw hoorde dit en bleef een oogenblik onbewegelijk. Toen zei ze: Hoe! Wat hebt gij mij laten eten? De ridder antwoordde: Dat, wat gij gegeten hebt, is werkelijk het hart geweest van den heer Guillaume Gardestagne, dien gij als oneerlijke vrouw hebt bemind en weet wel, dat hij het is geweest, omdat ik hem dit met deze handen uit de borst heb gerukt, kort voor ik hier kwam. Men behoeft niet te vragen of de donna dit hoorende van hem, dien zij boven alles beminde, bedroefd was en na eenige oogenblikken antwoordde zij: Gij deed wat een oneerlijk en slecht ridder moest doen; want indien ik, terwijl hij mij niet er toe dwong, hem tot den heer van mijn liefde heb gemaakt en u hiermee had beleedigd, had niet hij maar ik de straf moeten dragen. Maar dat het aan God behage, dat nooit andere spijs op een zoo nobel voedsel volgt als op het hart van dien dapperen en hoffelijken ridder, gelijk Guillaume Gardestagne was. Zij stond op en wierp zich zonder verder bedenken uit een venster achter haar. Het raam was zeer hoog boven den grond, zoodat de vrouw niet alleen stierf, maar geheel werd verpletterd. Toen seigneur Guillaume dit zag, was hij geheel verbluft en het scheen hem, dat hij kwaad had gedaan en daar hij bevreesd was voor de boeren en voor den graaf van Provence, deed hij de paarden zadelen en ging heen. Den volgenden morgen was het door de geheele streek bekend, wat er gebeurd was; daarom werden door de lieden van het kasteel van Guillaume Gardestagne en ook van die uit het slot van de donna met de grootste droefenis en weedom de twee lijken afgehaald en in de slotkapel van de vrouwe in een zelfde grafgewelf geplaatst en daarop verzen geschreven, die uitdrukten wie zij waren, die er in begraven lagen en de wijze en de oorzaak van hun dood.

TIENDE VERTELLINGEN.

De vrouw van een dokter doet haar voor dood gehouden, bedwelmden minnaar in een koffer, welke twee woekeraars met hem er in naar hun huis dragen. Zij worden hem gewaar en hij wordt voor een dief gehouden. De dienstmaagd van de donna verhaalt voor het gerecht, dat zij het was, die hem in den koffer der woekeraars deed, waardoor hij de galg ontloopt en de woekeraars worden wegens diefstal van den koffer tot geldboete veroordeeld.

Daar de koning zijn verhaal geëindigd had, bleef alleen Dioneo zijn taak over, die dit wetend en al daartoe aangespoord door den koning, begon: De verhaalde ellenden der ongelukkige liefden hebben niet slechts aan u, donna’s, maar ook mij de oogen en het hart bedroefd, waardoor ik zeer heb verlangd, dat er een einde aan kwam. Nu, God zij geloofd, zijn zij geëindigd, tenzij ik nog aan die kwade waar een slechte zou willen toevoegen, waarvoor de hemel mij behoede. Want zonder te blijven bij zulk een triestig onderwerp, zal ik over iets vroolijkers en beters beginnen, waardoor ik misschien een aanwijzing geef tot wat morgen moet verteld worden.

Gij moet dan weten, zeer schoone jonge dames, dat er nog niet lang geleden in Salerno een groot medicus in de chirurgie leefde, die maëstro Mazzeo delle Montagna [87] heette, die tot den hoogsten ouderdom gekomen, een schoone en lieve donna uit zijn stad tot vrouw had genomen in het bezit van voorname en rijke gewaden en van andere kostbaarheden en van al wat aan een donna kan behagen meer dan eenige anderen van die plaats; het is waar, dat zij het meestal koud in bed had, omdat zij door den maëstro slecht werd toegedekt. Deze, gelijk messer Ricciardo di Chinzica, van wien wij spraken, die aan de zijne de rustdagen leerde waarnemen, beweerde tegenover haar, dat slapen met een vrouw, ik weet niet hoeveel dagen kostte, om zich te herstellen en dergelijke onzin meer, waar ze maar heel slecht tevreden mee was; evenwel verstandig en van grooten geest, besloot zij om het geld voor het huis te sparen, de eerste gelegenheid de beste waar te nemen en te genieten met een ander en nadat zij hoe langer hoe meer jongelingen had beschouwd, hield zij er eindelijk een in het hart, waaraan zij met al haar hoop hechtte, met haar geheele ziel en haar geheele vermogen. De jonkman bemerkte dit en haar zeer beklagend, keerde ook hij al zijn liefde tot haar. Deze heette Ruggieri van Jeroli, van edele geboorte, maar van een slecht leven en een laakbaar gedrag, zóó dat hij verwant noch vriend had, die hem goed wilde doen of hem zien wilde en door heel Salerno werd hij beschuldigd van diefstallen en andere laagheden, waarom de donna weinig gaf, daar hij haar om een andere reden beviel en zij regelde alles zoo met een dienstmaagd, dat zij samen konden komen. En nadat zij eenig genoegen hadden gesmaakt, begon de donna hem te laken wegens zijn schandelijk leven en hem te verzoeken uit liefde tot haar hiermee op te houden en om hem de gelegenheid te geven dit te doen, begon zij hem dan met eene, dan met een andere som geld te steunen.

Terwijl zij dit intusschen samen zeer heimelijk volhielden, werd den dokter een zieke toevertrouwd, die een kwaal aan het been had. De medicus zag dit en zeide tot zijn ouders, dat, als hij er een rottend gebeente uithaalde, hij het dan heelemaal moest laten afzetten of hij zou sterven. Door hem het been er uit te snijden, kon hij genezen, maar hij zou het niet ondernemen zonder hem als ten doode opgeschreven te beschouwen. Toen zijn ouders hierin hadden toegestemd, gaven zij hem met dit doel aan hem over. De arts, die meende, dat de zieke zonder bedwelming de pijn niet zou verduren, noch zich zou laten helpen, moest tot na den vesper wachten, om dat te doen en liet voor hem ’s morgens een soort drank bereiden, welke opgedronken hem even lang zou doen slapen als hij tijd noodig had om hem pijn te doen met de bewerking. Hij liet dien drank bij zich thuis brengen en zette dien neer in een hoek van zijn kamer zonder aan iemand te zeggen wat dit was.

Het uur van den vesper brak aan en de maëstro moest tot hem gaan. Toen kwam er een bode tot hem van een zijner grootste vrienden van Amalfi [88], welke hij om niets ter wereld anders dan dadelijk zou moeten bezoeken, omdat die in een groot gevecht was geweest, waarbij velen gekwetst waren geworden. De dokter stelde het genezen van het been tot den volgenden morgen uit, besteeg zijn kleine bark en begaf zich naar Amalfi. Daar de donna wist, dat hij dien nacht niet naar huis zou komen als gewoonlijk, liet zij in stilte Ruggieri komen, liet hem in haar kamer en sloot hem daarin op tot andere lieden uit het huis zouden gegaan zijn om te slapen. Ruggieri bleef dus in de kamer op de donna wachten en had, hetzij door de vermoeienis op den dag verduurd of door zout eten te hebben genuttigd of misschien uit gewoonte een vreeselijken dorst en zag in het venster dien drank, welken de dokter voor den zieke had bereid, en denkend water te drinken, bracht hij dien aan den mond en dronk dien geheel op. Het duurde niet lang of een zware slaap beving hem en hij sluimerde in. De donna, zoo gauw ze kon, kwam in de kamer, vond Ruggieri ingeslapen, begon hem te betasten en met gedempte stem te zeggen, dat hij zou opstaan, maar het hielp niets; hij antwoordde, noch bewoog. Daardoor een weinig vertoornd stiet de donna hem met meer kracht aan en sprak: Sta op, slaapkop; want als je wilt slapen, moet je naar huis gaan en niet hier komen. Ruggieri, aldus geschud, viel van een stoel, waarop hij lag, ter aarde en toonde niet meer gevoel dan een doode. Hierover nog al ontsteld, wilde de donna hem optillen en hem nog sterker schudden, hem bij den neus nemen en aan den baard trekken; maar het was alles ijdel, hij had zijn ezel goed vastgebonden [89]. Daarom begon de donna te vreezen, dat hij dood was, maar toch begon zij hem vinnig in de huid te prikken en die te schroeien met een aangestoken kaars, maar niets baatte. Daarom geloofde zij, die geen geneeskundige was als haar man, dat hij zonder twijfel dood was. Men behoeft dus niet te vragen, daar zij hem boven alles beminde, of zij treurig was. Daar zij geen leven durfde maken, begon zij zacht over hem te klagen en te weenen over dit ongeluk. Maar na eenigen tijd uit vrees bij haar schade schande op te loopen bedacht zij, dat zij dadelijk een middel moest vinden om hem als doode het huis uit te krijgen en daar zij geen raad wist, riep zij stilletjes haar meid, toonde haar het ongeval en vroeg haar meening. De meid, die zich zeer verwonderde, hem nog trok en kneep en zonder gevoel zag, beweerde, gelijk de donna zeide, dat hij heusch dood was en gaf den raad, dat hij buitenshuis moest gebracht worden. De donna antwoordde haar: En waar zullen wij hem heen dragen, opdat men er geen erg in krijgt, dat men hem van hier heeft weggebracht wanneer het morgen zal gezien worden? De meid ging voort: Mevrouw, ik zag van avond heel laat voor den winkel van dien timmerman onzen buurman, een niet al te groote kist, die als de baas hem niet in huis heeft gezet, al te goed voor ons plan te pas komt, omdat wij hem daarin kunnen doen en hem twee of drie messteken kunnen geven en hem daar laten. Wie hem er in zal vinden, weet niet of hij van hier of elders er in is gestopt; bovendien zal men gelooven, omdat hij een gemeene jongen is geweest, dat hij uitgegaan voor iets kwaads, door een vijand van hem gedood is en daarna in de kist geduwd.

De raad van de meid beviel aan de donna, maar niet hem een por te geven en zij zeide, dat om niets ter wereld haar ziel zou dulden, dat dit gebeurde en gelastte haar te kijken of de kist daar nog stond, die zij had gezien. Zij keerde terug en zeide van ja. De meid nu, die jong en sterk was, geholpen door de donna, tilde Ruggieri op haar schouders en terwijl de donna vooruit ging om te zien of er niemand aankwam, liepen zij naar de kist, deden hem er in, sloten die en lieten haar staan. Eenige dagen te voren hadden een paar huizen verder twee jonge mannen hun intrek genomen, die op woeker leenden en die begeerig veel te verdienen en weinig te verteren, behoefte hadden aan meubelen en den vorigen dag de kist gezien hadden en samen hadden afgesproken, als die er ’s nachts bleef staan, die in huis te dragen. Toen het middernacht werd, gingen zij het huis uit, vonden die en zonder verder te kijken droegen zij die haastig, hoewel ze hun zwaar scheen, naar binnen en zetten haar in een kamer neer, waar hun vrouwen sliepen, zonder zich er om te bekommeren haar behoorlijk te plaatsen en na haar dus te hebben laten staan, gingen zij slapen.

Ruggieri, die een aardig dutje gedaan had, den drank al had verteerd en de kracht er van verwerkt, werd bij het naderen van den morgen wakker en daar hij door de bedwelming als geradbraakt was en zijn zinnen hun kracht hadden teruggekregen, bleef bij hem toch in de hersens een verbazing achter, welke niet alleen dien nacht, maar daarna verscheidene dagen hem buiten westen hield. Toen hij de oogen opende en niets zag en de handen hier en ginds uitstrekte en zich in die kist bevond, begon hij zijn herinneringen te verzamelen en tot zich zelf te zeggen: Wat is dat? Waar ben ik? Slaap ik of waak ik? Ik herinner mij toch, dat ik van avond in de kamer van mijn donna kwam en nu schijn ik in een kist te liggen. Wat wil dat zeggen? Zou de dokter zijn thuis gekomen of er een ander ding zijn gebeurd, waardoor de donna mij, die sliep, hier zou hebben verborgen? Ik geloof het en het zal zeker zoo zijn. Daarom begon hij zich stil te houden en te luisteren of hij iets gewaar werd. Toen hij dit lang had gedaan en hij het in de kist, die klein was, erg benauwd kreeg en zich geheel gekneusd voelde aan de zijde, waarop hij lag, wilde hij zich op de andere draaien, maar deed dit zoo bijdehand, dat hij met een der ribben tegen de kanten van de kist stootte, die niet op een gelijken vloer was geplaatst, en haar deed tuimelen en daarna vallen en met dien val maakte zij een groot geraas, zoodat de vrouwen, die naast elkaar sliepen, wakker werden, bang werden en uit angst zich stil hielden. Ruggieri wist niet wat te denken van den val van de kist, maar daar hij haar door dit voorval open zag, dacht hij het beter, dat er iets anders gebeurde dan er in te blijven. En daar hij niet wist, waar hij was en dan het eene, dan het andere zich verbeeldde, begon hij op den tast af door het huis te gaan om te weten of hij een trap of deur vond, waardoor hij weg kon komen. Toen de vrouwen, die wakker waren, hem hoorden stommelen, begonnen zij te roepen: Wie is daar? Ruggieri, die de stemmen niet kende, antwoordde niet; daarom begonnen de vrouwen de twee jonge mannen te roepen, die, omdat zij lang hadden gewaakt, vast sliepen en die van dit alles niets hadden bemerkt. Daarop stonden de vrouwen nog meer bevreesd geworden op, gingen naar de vensters en begonnen te schreeuwen: Houdt den dief! Houdt den dief! Toen liepen van verschillende plaatsen tal van buren, deze over het dak en gene van de eene en een derde van een andere zijde samen en traden het huis binnen en ook de jongelieden, ontwaakt door dit rumoer, stonden op. Ruggieri (die dit zag en door verbazing buiten zich zelve naar geen kant wou of kon vluchten) gaven zij gevangen in handen van de wachters van den baljuw dier gemeente, die daar op het leven waren toe geloopen. Voor den schout gebracht, omdat hij door allen voor een grooten schurk werd gehouden, werd hij dadelijk op de pijnbank gelegd en bekende in het huis van den woekeraar te zijn getreden om te stelen; daarom wilde de baljuw hem zonder uitstel laten opknoopen. Het nieuwtje werd ’s ochtends door heel Salerno verbreid, dat Ruggieri gevat was om te stelen in het huis der woekeraars. Toen de donna en de meid dit hoorden, waren zij zoo vol verbazing over dit nieuws, dat zij haast geloofden, dat, wat zij den afgeloopen nacht gedaan hadden, niet gebeurd was, doch slechts een droom geweest was. Maar bovendien voelde de donna over het gevaar, waarin Ruggieri verkeerde, zulk een smart, dat ze haast niet tot bedaren was te krijgen. Kort na drie uur, toen de medicus van Malfi teruggekeerd was, vroeg hij, waar de drank was gebleven, omdat hij zijn zieke wilde genezen en toen hij vond, dat de flesch leeg was, maakte hij een groot rumoer, dat er niets in het huis op zijn plaats bleef. De donna, die door erger smart gepijnigd werd, antwoordde woedend: Wat zoudt gij zeggen, meester, bij een gewichtige zaak, als gij voor zoo’n omgevallen flesch met drank al zoo’n spektakel maakt! Is er niet meer van te krijgen op de wereld? Hierop ging de maëstro voort: Vrouw, gij dacht, dat het klaar water was; het is het niet, maar een drank om te doen slapen. En hij vertelde haar, waarom hij die had bereid. Toen de donna dit had gehoord, meende zij, dat Ruggieri die gedronken had en hem daarom dood had geschenen en zeide: Maëstro, dat wisten wij niet en maakt u daarom een anderen. Kort daarop keerde de meid, die op bevel van mevrouw uit was gegaan om te weten, wat men van Ruggieri vertelde, terug en zeide: Madonna, men zegt van Ruggieri, dat hij een slechte kerel is en dat, naar wat ik kon vernemen, vriend noch verwant is opgestaan of het wil om hem te helpen, en men houdt het voor zeker, dat de Stadico [90] hem morgen laat ophangen.

En behalve dat zal ik u een andere nieuwe zaak vertellen, die ik meen te begrijpen, namelijk hoe hij in het huis der woekeraars is geraakt en hoort u wel: u kent wel de timmerman, waar tegenover de kist stond, waar wij hem in stopten; hij was juist met iemand, die beweerde, dat het zijn kist was, in den grootsten twist ter wereld, want hij vroeg er een prijs voor en de meester antwoordde, dat hij de kist niet had verkocht, maar dat die hem van nacht was ontstolen.

Hierop antwoordde deze: Het is niet waar, gij hebt hem integendeel verkocht aan de twee woekeraars, gelijk die mij van nacht vertelden, toen ik in hun huis was op het oogenblik, dat Ruggieri er gevangen werd genomen. De timmerman antwoordde: Dat liegen ze, want ik verkocht hun die nooit, maar ze hebben die van nacht gestolen; laten wij naar hen toe gaan. En dadelijk gingen zij eensgezind naar het huis der woekeraars en ik ben hier gekomen. En gelijk gij kunt zien, begrijp ik, dat op die manier Ruggieri, waar hij gevonden werd, heen is gevoerd, maar ik weet niet, hoe hij er uit is gekomen. De donna begreep toen best, hoe het met de zaak stond, vertelde aan de meid, wat zij van den dokter gehoord had en verzocht haar tot de bevrijding van Ruggieri hulp te verleenen, daar zij tegelijkertijd, als ze wilde, Ruggieri kon doen ontkomen en haar eer kon dienen. De meid sprak: Madonna, onderricht mij het en ik zal gaarne alles doen. De donna, die het benauwd had en met onmiddellijk beraad overlegd had, wat er moest gedaan worden, stelde de meid geregeld op de hoogte. Deze ging eerst naar den dokter en begon klagend te zeggen: Messer, ik moet u vergeving vragen voor een groote domheid, die ik jegens u heb begaan. De dokter zei: Hoe zoo? En de meid, die niet ophield met schreien, ging voort: Mijnheer, gij weet, wat met den jongen Ruggieri van Jeroli het geval is, met wien ik, terwijl ik hem beviel, zoowel door vrees als door liefde dit jaar heb geleefd. Daar hij wist, dat u gisteravond niet hier waart, drong hij zoo bij mij aan, dat ik hem in uw huis in mijn kamer meenam om te slapen en daar hij dorst had en ik geen toevlucht had tot water of wijn en ik niet wilde, dat mevrouw, die in de zaal was, mij zou zien, herinnerde ik mij, dat ik in uw kamer een flesch met water gezien had. Ik liep daar heen, gaf hem dit te drinken en zette de flesch weer neer, waar ik haar vandaan had gehaald, waarover ik hoorde, dat u in huis groote ruzie hebt gemaakt. En zeker beken ik, dat ik kwaad deed, maar wie doet dit wel eens niet? Het spijt mij erg, dat ik het gedaan heb, niet zoozeer daarom als om wat er uit zal volgen, dat Ruggieri op het punt staat het leven te verliezen. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat u mij vergeeft en dat u mij toestaat, dat ik Ruggieri ga helpen, waarin ik het kan.