Chapter 32
Messire Negro, die al oud was en van goedmoedigen en beminnelijken aard, begon bij die woorden, te huilen, hief zijn dochter teerhartig op en zeide: Kind, het zou mij aangenamer zijn geweest, als gij er een gekozen had, die mij voor u geschikter had geschenen en als gij er een hebt genomen gelijk U beviel, zou ook dat mij nog genoegen hebben gedaan, maar dat gij hem verborgen hebt door uw weinig vertrouwen, dat doet mij verdriet en meer nog, dat ik het niet heb geweten. Maar toch, omdat het zoo is, wil ik, wat ik gedaan zou hebben om u te bevredigen, als hij nog leefde, namelijk hem eeren als mijn schoonzoon, hem nu doen na den dood. Hij keerde zich daarop tot de zonen en zijn verwanten en gelaste hun, dat de begrafenis, die zij voor Gabriotto in orde brachten, grootsch en eervol zou zijn. Intusschen waren de mannelijke en vrouwelijke familieleden van het meisje toegeloopen, die het nieuws hadden vernomen en alle donna’s en mannen, die er in de stad waren. Toen het lichaam in het midden van den hof geplaatst was op de doek van Andreuola met al haar rozen, werd hij niet alleen door haar en haar familie, maar in het openbaar door alle vrouwen van de stad en door vele mannen beweend. En hij werd niet bij wijze van een plebejer, maar van een ridder uit de openbare binnenplaats met de grootste eer op de schouders van de edelste burgers naar het graf gedragen. Eenige dagen later, toen de schout volhardde bij wat hij gevraagd had en messire Negro er zijn dochter over gesproken had, wilde zij er niets van hooren. Toen haar vader haar hierin haar zin gaf, werden zij en haar dienstmaagd in een klooster, dat wel bekend was om zijn heiligheid, non, waarin beide langen tijd eerbaar leefden.
ZEVENDE VERTELLING.
Simona bemint Pasquino; zij komen in een tuin samen, waar Pasquino zich met een salie-blad de tanden wrijft en sterft. Simona wordt gevangen genomen en om aan den rechter te toonen, hoe hij gestorven is, doet zij het ook en sterft op haar beurt. [84]
Pamfilo had zich van zijn taak gekweten, toen de koning, die niet het minste medelijden toonde met Andreuola, Emilia aanzag en haar vertrouwelijk te kennen gaf, dat het hem aangenaam zou zijn, indien zij hun, die gesproken hadden, zou navolgen. Deze zonder eenig uitstel begon: Waarde gezellinnen. De novelle, verteld door Pamfilo, drijft mij er toe u er een te verhalen geheel aan de zijne gelijk. Zoo ook van Simona gezegd moet worden, dat zij als Andreuola haar minnaar verloor en als deze werd gevangen genomen, bevrijdde zij zich niet door kracht en deugd, maar door een plotselingen dood van haar rechters.
En gelijk het al onder ons gezegd is, dat, hoewel Amor graag de huizen der edelen bewoont, hij niet weigert in die der armen te verblijven, maar integendeel er soms zijn krachten toont, doet hij zich als de machtigste meester bij de rijksten vreezen. Dit zal zoo niet geheel dan toch voor een groot deel uit mijn vertelling blijken, waarbij het mij behaagt in onze stad terug te keeren, waarvan wij heden door over zooveel dingen te spreken en door verschillende deelen der wereld te doorreizen, ons zoo ver hebben verwijderd.
Er leefde dan niet lang geleden in Florence een schoon en lief jong meisje, wanneer men haar karakter beschouwde en de dochter van een armen vader, die Simona heette, en hoe gaarne zij ook met eigen handen haar brood wilde verdienen en haar bestaan onderhouden met het spinnen van wol, was zij toch niet zoo arm van ziel, dat zij niet brandde om Amor in haar hart te ontvangen, die onder de trekken en de aangename woorden van een jonkman van niet hooger stand dan zij en belast was door zijn meester, een wolhandelaar, haar de wol te brengen, een grooten lust toonde om er plaats in te vinden. Na hem dus te hebben ontvangen in den vorm van den bekoorlijken jongeling, die haar beminde en die Pasquino heette, brandde zij zeer van verlangen en durfde niet verder gaan met spinnen en bij iedere streng gesponnen wol, die zij om den spil draaide, stiet zij duizend zuchten uit heeter dan vuur, en dacht aan hem, die haar deze te spinnen had gegeven. Hij van den anderen kant, die er zich voor beijverde, dat de wol van zijn meester goed gesponnen werd, lette alleen op die, welke Simona spon en op geen andere of zij alleen het heele weefsel moest maken. Daar de een waakte en de ander blij was bewaakt te worden, en de een meer begeerte had en de andere meer vrees en schaamte verjoeg dan gewoonlijk, vereenigden zij zich tot gemeenschappelijke genoegen. Deze genoegens bevielen hun zoo, dat zij niet alleen niet wachtten tot de een door den ander werd uitgenoodigd, maar dat beide genoodzaakt werden het elkaar te vragen. Terwijl zoo hun heerlijkheid van den eenen dag op den anderen voortging en bij het voortgaan steeds vermeerderde, zeide Pasquino tot Simona, dat hij wilde, dat zij een middel zocht om in den tuin te komen, waar hij haar heen wilde leiden, opdat zij dit meer op hun gemak en met minder argwaan konden verkrijgen. Simona zeide, dat het haar beviel en nadat zij op een zondag na den eten aan haar vader te verstaan had gegeven, dat zij plan had naar den aflaat van San Gallo te gaan, begaf zij zich met een van haar gezellinnen, Lagina genaamd, naar den tuin, die Pasquino haar had aangewezen. Daar vond zij hem met een van zijn vrienden, die Puccino heette, maar die lo Stramba (de Krombeen) werd genoemd en nadat er een nieuwen liefdebond was gesloten tusschen Stramba en Lagina, namen zij hun genoegen waar in het eene deel van den tuin en lieten Stramba en Lagina in een ander deel hun gang gaan.
Er was in dat deel van de gaarde, waar Pasquino en Simona zich hadden begeven, een zeer groote en schoone salie-struik. Zij zetten zich aan diens voet neer en na zich langen tijd te hebben verheugd en veel te hebben gesproken over een avondmaal, dat zij in dien tuin rustig wilden houden, keerde Pasquino zich tot dien grooten plant, plukte daarvan een blad en begon zich daarmede de tanden en het tandvleesch te wrijven, zeggende, dat de salie zeer goed reinigde van alles wat er in achter bleef, wanneer men gegeten had. En nadat hij zich een weinig had gewreven, keerde hij met zijn praten terug tot het avondmaal, waarvan hij eerst sprak. Hij ging daar nog niet lang mede voort, toen hij geheel van uiterlijk begon te veranderen en na dien omkeer duurde het maar kort, dat hij het gezicht en de spraak verloor en weldra stierf hij. Simona dit ziende, begon te schreien en te jammeren en Stramba en Lagina te roepen. Zij kwamen haastig aanloopen en daar zij Pasquino niet alleen dood zagen, maar geheel gezwollen en vol donkere vlekken op het gelaat en het lichaam, riep Stramba opeens: O, slecht schepsel, jij hebt hem vergiftigd. Hij maakte veel alarm, zoodat het door velen, die vlak bij den tuin woonden, werd vernomen. Deze kwamen op het geschreeuw aanzetten. Toen zij hem dood vonden en opgezwollen en Stramba hoorden klagen en Simona hoorden beschuldigen, dat zij hem verraderlijk had vergiftigd en zij, door de smart over het onverwachte ongeluk, dat haar haar minnaar had ontnomen, buiten zich zelve zich niet wist te verdedigen, werd door allen beweerd, dat het was gelijk Stramba zeide. Zij werd daarom gevangen genomen, terwijl ze steeds bitter weende en naar het paleis van den schout gebracht. Daar, op aandringen van Stramba, l’Atticciato (de Sterke) en Malagevole (de Lastige), gezellen van Pasquino, die er bij waren gekomen, begon een rechter zonder uitstel aan de zaak te geven, het feit te onderzoeken. Daar hij niet kon begrijpen, dat zij bij deze gebeurtenis kwaadwillig of schuldig was geweest, wilde hij in haar tegenwoordigheid het lijk zien en de plaats en het middel, door haar aan hem verteld, omdat hij het door haar woorden niet goed genoeg begreep. Hij liet haar dus zonder gedruisch naar de plek voeren, waar het lichaam van Pasquino nog lag, gezwollen als een vat, en nadat hij er later heen was gegaan en zich over den doode had verwonderd, vroeg hij haar, hoe het gebeurd was. Zij ging naar de saliestruik en na elk voorafgaand voorval verteld te hebben, deed zij om het gebeurde geheel te doen begrijpen, juist gelijk Pasquino had gedaan door zich met een van de bladen de tanden te wrijven. Ondertusschen werd dit door Stramba en l’Atticciato en door de andere vrienden en metgezellen van Pasquino in tegenwoordigheid van den rechter nietig en ijdel verklaard en zij met meer nadruk van misdaad beschuldigd en eischten zij niet anders dan dat de brandstapel de straf voor zulk een boosheid zou zijn. De ongelukkige was door smart over den verloren minnaar en door vrees voor de straf, geëischt door Stramba, ontzet en doordat zij zich met het blad de tanden gewreven had, viel zij in den toestand, waarin eerst Pasquino verkeerd had, tot groote verbazing van de aanwezigen, neer.
O gelukkige zielen, wien het op één dag ten deel valt de hevige liefde en het vergankelijke leven te eindigen! En gelukkiger nog, indien gij te samen op een plaats heengaat! En het gelukkigst, indien gij elkaar hiernamaals lief hebt en zooals gij het hier deed! Maar gelukkig boven allen de ziel van Simona—naar ons oordeel,—waarvan de fortuin niet duldde, dat de onschuld onder de getuigenis leed van Stramba en l’Atticciato en Malagevole, misschien wolkaarders of nog minder soort lieden, en die het voor zich een eervoller weg vond om met hetzelfde stervenslot van haar minnaar zich aan hun schurkerij te onttrekken en de ziel van haar Pasquino door haar zoo bemind, te volgen. De rechter geheel ontsteld evenals allen, die er bij waren, wist niet wat te zeggen en bleef langen tijd onbewegelijk. Toen tot meerder nadenken gekomen, zeide hij: Dit bewijst, dat die salie vergiftig is, wat gewoonlijk niet met die plant het geval is. Maar opdat deze geen ander op die wijze schade kan doen, moet men die tot de wortels afhakken en in het vuur smijten. Toen dit door den tuinwachter in tegenwoordigheid van den rechter was gebeurd, had men den grooten struik nog niet neer gehouwen of de oorzaak van den dood der arme minnenden bleek. Er was onder den struik van die salie een pad van wonderlijke grootte, waarvan zij bevestigden, dat het venijn de plant moést hebben vergiftigd. Daar niemand de pad durfde naderen, legden zij rondom een zeer grooten hoop van droog hout en verbrandden hem met de salie-struik. Dat was het einde van het proces van den heer rechter bij den dood van den armen Pasquino. Hij met zijn Simona werden zoo opgezwollen door Stramba en l’Atticciato en Guccio Imbratta en Malagevole in de kerk van San Paolo begraven, waarvan zij parochianen waren.
ACHTSTE VERTELLING.
Girolamo bemint Salvestra; toegevend aan de beden van zijn moeder, gaat hij naar Parijs, keert terug en vindt haar gehuwd. Hij treedt heimelijk in haar huis en sterft aan haar zijde. Men draagt hem in een kerk, waar Salvestra aan zijn zijde sterft.
Het verhaal van Emilia vond haar einde, toen op bevel des konings, Neifile aldus begon: Waardige donna’s. Naar mijn meening zijn er lieden, die meenen meer te weten dan anderen en die minder weten en daarom zijn ze niet alleen verwaten genoeg tegen den raad der menschen maar ook tegen de natuur der dingen hun denkwijze te stellen, uit welke aanmatiging reeds zeer groote kwalen zijn voortgekomen, terwijl men er nooit iets goeds uit zag volgen. En omdat onder de andere, natuurlijke dingen, zij, die het minst raadgevingen of tegenspraken duldt, de liefde behoort, wier aard het is, dat zij eer zich zelf verteert dan dat zij zich ophoudt bij een ontvangen waarschuwing, is het mij te binnengevallen U een vertelling te doen van een donna, die trachtend wijzer te zijn dan zij behoorde te wezen en was en die de zaak niet gedoogde, waarin zij haar verstand wou toonen en gelooft de liefde uit het hart te kunnen rukken van een minnaar, welke de sterren wellicht er in geplaatst hadden, er toe kwam tegelijkertijd de liefde en de ziel uit het lichaam van haar zoon te verdrijven.
Er was dan in onze stad, naar hetgeen de ouden verhalen, een zeer groot en rijk koopman, wiens naam Leonardo Sighieri [85] luidde, die van zijn donna een zoon Girolamo had en na diens geboorte, nadat hij zijn zaken met zorg had geregeld, uit dit leven scheidde. De voogden van het kind met zijn moeder te samen leidden goed en eerlijk zijn zaken. Het kind groeide op met de anderen van de buren en sloot met meer dan eenig ander uit den omtrek vriendschap met een meisje van zijn leeftijd, de dochter van een kleermaker. Toen de ouderdom toenam, veranderde de vriendschap in liefde en zoo vurig, dat Girolamo zich niet goed voelde, als hij haar soms niet zag en zeker had zij hem niet minder lief dan hij haar.
De moeder van den jongen, die dit gezien had, schold hem verscheidene malen en sloeg hem. Daarna, daar Girolamo zich niet weerhouden kon, beklaagde zijn moeder zich er over bij zijn voogden en daar zij geloofde, door den grooten rijkdom van haar zoon, van den pruimenboom een oranje-appel te kunnen plukken, zeide zij tot hen: Die jongen van ons, die nauwelijks veertien jaar is, is zoo verliefd op de dochter van onzen buurman, den kleermaker, die Salestra heet, dat, indien wij haar niet uit zijn oogen weg halen, hij haar tot zijn ongeluk op een goeden dag tot vrouw zal nemen, zonder dat iemand het weet en ik zal daarna nooit meer vroolijk zijn of hij zal verteren, als hij haar met een ander zal zien trouwen en daarom schijnt het mij, dat gij om het te ontwijken hem ergens ver hier vandaan moet sturen om in een winkel te dienen, opdat zij op die manier van hem verwijderd, hem niet zien kan en daar uit de gedachte zal gaan en wij hem later een welgeboren donna tot vrouw kunnen geven. De voogden zeiden, dat de donna gelijk had en dat zij naar hun vermogen zouden handelen. Nadat zij het kind in den winkel hadden laten roepen, begon er een te zeggen op beminnelijken toon: Mijn jongen, je wordt nu groot; het is goed, dat gij zelf uw zaken leert behartigen; daarom zouden wij er zeer mee ingenomen zijn; als gij eenigen tijd in Parijs zoudt vertoeven, waar gij zult zien, hoe een groot deel van uw geld verhandeld wordt zonder te rekenen, dat gij er veel beter en meer opgevoed en rijker zult worden, wat hier niet gebeuren kan, daar gij er vele ridders en baronnen en edellieden zult zien, en als gij hun zeden hebt leeren kennen, kunt gij hier later terugkeeren. De jongen luisterde ingespannen en antwoordde kort, dat hij er niets van wilde weten, omdat hij even goed als een ander meende in Florence te kunnen blijven. De waarde heeren hoorden dit en berispten hem nog meer, maar daar zij uit hem geen ander antwoord konden krijgen, vertelden zij het aan de moeder.
Deze fel vertoornd, niet wegens zijn weigering naar Parijs te gaan maar om zijn liefde, beleedigde hem zwaar en toen om het te verzoeten met lieve woordjes begon zij hem te vleien en hem zacht te vragen, of hij wou doen, wat zijn voogden wenschten en zij wist hem zoo te bepraten, dat hij toestemde er een jaar en langer te blijven en dat gebeurde. Girolamo ging dus zeer verliefd naar Parijs en werd er met uitstel op uitstel twee jaar gehouden. Vandaar keerde hij meer dan ooit ontvlamd terug, vond zijn Salvestra gehuwd met een goed jonkman, tentenmaker van beroep en was daarover uiterst bedroefd. Maar toen ziende, dat het niet anders kon, deed hij zijn best zich rust te verschaffen en na ontdekt te hebben, waar zij woonde, begon hij volgens de gewoonte der verliefde jongelieden daar langs te gaan in het geloof, dat zij hem niet vergeten had, gelijk hij haar niet. Maar de zaak nam een anderen keer; zij dacht niet meer aan hem, alsof zij hem nooit had gezien en als zij er zich nog iets van herinnerde, toonde zij het tegendeel, wat de jongeling in korten tijd gewaar werd en niet zonder zeer groote smart. Maar niettemin deed hij, al wat hij kon om dit in zijn ziel te verbergen; daar echter niets scheen te helpen, besloot hij om niet weg te kwijnen haar te spreken. Nadat hij door een buurman ingelicht was, hoe het huis van zijn vriendin was gebouwd, trad hij er op een avond, toen zij en haar man waren gaan waken bij buren, in ’t geheim binnen en verborg zich in haar kamer achter tentendoeken, die er waren uitgespannen en wachtte, totdat zij huiswaarts gekeerd en te bed waren en hij zag, dat de man sliep en ging toen naar die zijde, waar hij gemerkt had, dat Salvestra was gaan liggen, legde zijn hand op haar borst en zeide zachtjes: O mijn ziel, slaapt gij al! De vrouw, die niet sliep, wilde schreeuwen, maar de jonkman sprak haastig: Bij God, schreeuw niet, want ik ben uw Girolamo. Toen zij dit hoorde, zeide zij sidderend: Zeg, bij God, Girolamo, ga heen; de tijd is voorbij, dat het in onze kindsheid niet verboden was verliefd te zijn; ik ben, gelijk gij ziet gehuwd; daarom past het niet meer, dat ik op een anderen man acht geef dan op mijn echtgenoot en nu bid ik u bij den eenigen God, dat gij heengaat. Want als mijn man u zou bespeuren, kunnen wij onderstellen, dat, zoo er geen ander kwaad uit voortkomt, er toch uit zou volgen, dat ik noch in vrede noch in rust meer met hem zou kunnen leven, waar ik door hem bemind in rust met hem leef. De jonkman hoorde die woorden en voelde diepe smart en toen hij aan den vroegeren tijd dacht en aan zijn liefde nooit door den afstand verminderd en er de vele beden en beloften van vroeger bijvoegde, bezat hij er niets meer van. Daarom met het verlangen te sterven, bad hij haar ten slotte, dat zij, als loon voor zooveel liefde, zou toestaan, dat hij naast haar ging liggen, zoodat hij zich een weinig kon verwarmen, want hij was door het wachten als ijs geworden. Hij beloofde haar, dat hij er niets van zou zeggen, noch haar zou aanraken en dat hij heen zou gaan, als hij een weinig verwarmd was.
Salvestra, die medelijden met hem had, stond hem dit onder die voorwaarden toe. Aldus strekte hij zich naast haar uit zonder haar aan te raken en in een opwelling herdenkend de langdurige liefde, haar toegedragen, en haar tegenwoordige hardheid en de verloren hoop, besloot hij niet langer te leven en zijn geest in zich zelf vernietigend, sloot hij de vuist en stierf aan haar zijde. Na eenigen tijd verwonderde zich de jonge vrouw over zijn standvastigheid, vreesde, dat haar man zou wakker worden en begon te zeggen: Wel, Girolamo, waarom ga je niet weg? Maar daar zij hem niet hoorde antwoorden, dacht zij, dat hij was ingeslapen. Daarom de hand uitstrekkend om hem te wekken, begon zij hem te betasten en hem aanrakend, voelde zij een ijzige koude, waarover zij zich zeer verbaasde. Toen zij hem met meer kracht beroerde en voelde, dat hij niet bewoog, zag zij na dit meermalen te hebben herhaald, dat hij dood was. Hierover was zij zeer bedroefd en bleef in groote verlegenheid niet wetend wat te doen. Ten slotte bedacht zij te zien, wat haar echtgenoot zou zeggen alsof het een ander persoon betrof en na hem te hebben gewekt, vertelde zij wat haar overkomen was, alsof het met een ander gebeurd was en vroeg hem daarop, wat, indien het haar gebeurde, te doen stond. De goede man antwoordde, dat het hem scheen, dat men hem, die dood was in stilte naar zijn huis moest voeren en hem daar laten, zonder eenige kwaadwilligheid jegens de vrouw te hebben, welke hem niet voorkwam te hebben gefaald. Toen zeide de jonge vrouw: Wel, dat moeten wij dan doen, en zijn hand nemend liet zij hem den dooden jonkman aanraken. Hij, zeer ontsteld, stond op, stak een licht aan en zonder met de vrouw verder te spreken, trok hij het lijk zijn eigen kleeren aan, en zonder uitstel, overtuigd van de onschuld zijner vrouw, tilde hij dit op zijn schouders, droeg het naar de deur van diens huis, legde het neer en liet het daar achter.
Bij het aanbreken van den dag, toen men den man dood voor de deur zag, ontstond er een groot rumoer, vooral door de moeder en nadat men overal gezocht had en gekeken en noch wond noch stoot ontdekte, geloofden de doktoren algemeen, dat hij van verdriet was dood gebleven, zooals hij daar lag. Het lichaam werd dan ook in een kerk gebracht en hier kwam de moeder met vele andere verwante donna’s en buurvrouwen en zij begonnen over hem zeer heftig te weenen en te treuren. Terwijl het geklaag zeer groot werd, zeide de goede man, in wiens huis hij gestorven was, tot Salvestra: Zeg, doe een mantel over je hoofd, ga naar de kerk, waar Girolamo is heen gevoerd, begeef je tusschen de vrouwen en luister, naar wat men u vertelt. Ik zal hetzelfde doen onder de mannen, opdat wij vernemen of men iets kwaads van ons zegt. Dit beviel aan de jonge vrouw, die door een laat medelijden was aangegrepen, want zij verlangde hem te zien, aan wien zij bij zijn leven met niet één kus genoegen had willen doen en ging er heen. Maar het is wonderlijk te denken, hoe moeilijk de krachten der liefde zijn te verklaren. Het ongeluk opende dat hart, dat de blijde fortuin van Girolamo niet had kunnen doordringen en al de oude vlammen laaiden weer omhoog en veranderden dit tot zooveel erbarmen, toen zij het gelaat van den doode zag, dat zij verborgen onder haar mantel en gemengd tusschen de andere donna’s geen stand hield, voor zij tot het lijk was genaderd. Daar stiet zij een schrillen kreet uit, wierp zich op het gelaat van den jonkman en had den tijd niet zijn gelaat met tranen te baden, want ternauwernood had zij hem aangeraakt of, gelijk het Girolamo gebeurd was, ontnam de smart haar het leven. De andere vrouwen wilden haar bemoedigen, zeiden, dat zij wat op zou staan en herkenden haar nog niet. Toen zij zich nog niet verhief en men haar wilde doen oprijzen en onbewegelijk vond en haar toch zich deed verheffen, zag men dat zij Salvestra was en tegelijk bespeurde men, dat zij was gestorven. Daarop begonnen de vrouwen, door dubbel medelijden bewogen, nog meer te weeklagen. De tijding verspreidde zich buiten de kerk onder de mannen, en bereikte ook haar echtgenoot, die tusschen hen stond en die zonder te hooren naar troost of steun van wie ook, langen tijd weende. En toen hij de geschiedenis, die dien nacht gebeurd was van dien jonkman en zijn vrouw aan een genoegzaam aantal van hen had verteld, deed die elkeen leed. Toen de overleden jonge vrouw was opgenomen en versierd gelijk men dit gewoon is met de dooden te doen, legde men haar op dezelfde baar naast den jongen man en nadat daar lang was getreurd, werden beide in eenzelfde graf begraven en hen, die de liefde niet als levenden had kunnen vereenigen, verbond onafscheidelijk de dood.
NEGENDE VERTELLING.
Seigneur Guillaume Roussillon geeft zijn gemalin het hart te eten van seigneur Guillaume Gardestagne, dien hij doodde en dien zij beminde. Als zij dit te weten komt, werpt zij zich uit een hoog venster op de aarde, sterft en wordt met haar minnaar begraven. [86]