De Decamerone van Boccaccio

Chapter 31

Chapter 314,128 wordsPublic domain

Er waren dan in Messina drie jonge broeders en kooplieden en vrij rijk gebleven na den dood van hun vader, die van San Gimignano [82] was, en zij hadden een zuster, een jong, zeer schoon meisje van goede manieren, welke zij, wat er ook de reden van ware, nog niet hadden uitgehuwelijkt. Behalve dat hadden die drie broeders in een van hun winkels een Pisaansch jonkman Lorenzo genaamd, die al hun zaken leidde en deed. Deze was zeer knap van persoon en heel aardig en had meermalen Lisabetta gezien, zoodat hij aan haar ten zeerste begon te behagen, wat Lorenzo bemerkte en een en ander maal op dezelfde wijze liet hij zijn andere verliefdheden ter zijde en begon zijn geest naar haar alleen te richten. En het ging zoo, daar de een de ander gelijk beviel, dat het niet lang duurde of, toen zij zeker van elkaar waren, zij deden, wat elk het meest verlangde. Daar zij hiermee voortgingen en te samen genoeg plezierigen tijd en voldoening hadden, wisten zij het niet zoo geheim te doen of op een nacht, toen Lisabetta daarheen ging, waar Lorenzo sliep, bemerkte het de oudste van de broeders, zonder dat zij het gewaar werd.

De broeder, die een verstandig jongmensch was, hoezeer de zaak hem ook hinderde, die hij kende, toch tot een eervoller besluit geleid, overwoog zonder een woord te spreken of te zeggen, verschillende dingen en wachtte tot den volgenden morgen. Toen de dag was aangebroken vertelde hij aan zijn broeders, wat hij in den afgeloopen nacht van Isabetta en Lorenzo gezien had en met hen te samen na lang beraad, kwam hij tot de beslissing, opdat noch voor hen, noch voor de zuster er eenige schande uit zou volgen, er stil over heen te gaan en te veinzen, dat zij er niets van hadden gezien of geweten tot de tijd kwam, waarop zij zonder schade en gevaar voor hen, die blaam, voor dit verder ging, aan het gezicht konden onttrekken. Zoo bleven zij schertsen en lachen met Lorenzo, gelijk zij gewoon waren en toen zij eens deden of zij alle drie uit de stad gingen voor hun uitspanning, namen zij Lorenzo mede. Op een eenzame en afgelegen plaats gekomen, zagen zij de kans schoon en doodden Lorenzo, die er in ’t geheel niet voor gewaakt had en begroeven hem, zoodat niemand het merkte. In Messina teruggekeerd vertelden zij, dat zij hem voor hun zaken ergens heen hadden gestuurd, wat licht werd geloofd, omdat zij gewoon waren hem dikwijls naar buiten te zenden. Toen Lorenzo niet terug keerde en Isabella het meermalen en dringend aan de broeders vroeg als iemand, wien die lange afwezigheid kwelde, zeiden zij eens, toen zij het zeer met nadruk herhaalde: Wat wil dat zeggen? Wat hebt gij met Lorenzo te maken, dat gij zoo vaak naar hem vraagt? Als gij het niet meer zult vragen, zullen wij U een antwoord geven, dat U aangenaam is. Daardoor bleef het jonge meisje droef en treurig, vreezend en niet wetend, zonder dat zij er meer om vroeg en meermalen riep en bad zij ’s nachts, dat hij zou komen en dikwijls beklaagde zij zich met vele tranen over zijn lange afwezigheid en zonder een oogenblik zich op te vroolijken bleef zij altijd wachten. Op een nacht, toen zij lang over Lorenzo had geklaagd, die niet terugkeerde en zij ten slotte schreiend was ingeslapen, verscheen haar Lorenzo in den droom, bleek en geheel ontdaan met verscheurde en bebloedde kleederen en het scheen haar, dat hij zeide: O Lisabetta, gij doet niets dan mij roepen en treurt over mijne lange afwezigheid en gij beschuldigt mij wreed met uw tranen. Weet daarom, dat ik niet meer hier kan terugkeeren, omdat op den laatsten dag, dat gij mij hebt gezien, uw broeders mij doodden en de plaats aanwijzend, waar zij hem hadden begraven, zeide hij haar, dat zij hem niet meer moest roepen of verwachten en hij verdween. Het meisje werd wakker, had vertrouwen in den droom en weende bitter. Toen het morgen werd, durfde zij niets aan de broeders zeggen, nam zich voor naar de aangewezen plaats te gaan en te zien, of het waar was, wat er in haar droom was geopenbaard. Nadat zij verlof had gekregen wat buiten de stad te gaan voor haar genoegen, ging zij in gezelschap van een dienstmeid, die vroeger bij hen was en die alles van haar wist, er zoo spoedig mogelijk heen.

Zij veegde de droge bladeren weg, die er lagen, en waar de aarde minder hard scheen begon zij te graven. Zij had nog niet lang gezocht of zij vond het lichaam van haar ongelukkigen minnaar nog in geen enkel opzicht misvormd of bedorven, waardoor zij duidelijk begreep, dat haar visioen waar was geweest. Hierover treuriger dan eenige andere vrouw zag zij in, dat het daar de plaats niet was om te jammeren en had zij, als ze had gekund, gaarne het heele lichaam weggedragen om het een eervolle begrafenis te geven, maar ziende, dat dit niet kon, sneed zij, zoo goed ze kon, met een mes het hoofd van den romp en na dit gewikkeld te hebben in een doek en over de rest van het lichaam de aarde te hebben geworpen, stopte zij ’t in het schort van de dienstmaagd zonder door iemand te zijn opgemerkt, ging vandaar heen en keerde naar huis terug. Daar sloot zij zich met het hoofd in de kamer op, klaagde lang en bitter, baadde het geheel met haar tranen en gaf het overal duizend kussen. Toen nam zij een groote en schoone pot van het soort, waarin men de majoleine of basiliek plant en deed dit er in, gewikkeld in een laken. Daarna bedekte zij die met aarde en plantte er verscheidene stammen van den basiliek op en besproeide die met niets anders dan rozen- of oranjebloesem-water of met haar eigen tranen. En zij had de gewoonte aangenomen altijd bij dat hoofd te gaan zitten en het met al haar liefde te beschouwen, omdat die haar Lorenzo verborgen hield en als zij het lang bestaard had, boog zij zich er over en begon lang te schreien, totdat de basiliek doorweekt was van tranen. Die plant, zoowel door de lange en voortdurende zorg als door de vetheid der aarde, welke uit het ontbonden hoofd voortkwam, dat er in was, werd zeer schoon en geurde sterk. Toen het jonge meisje voortging zoo te treuren, werd het meermalen door de buren gezien. Dezen, terwijl de broeders zich verwonderden, omdat haar schoonheid verwelkte en dat haar oogen hol in het hoofd stonden, zeiden tot hen: Wij hebben gemerkt, wat zij elken dag doet.

De broeders hoorden dit, werden het gewaar en nadat zij haar dit eenige malen verweten hadden en het niet hielp, lieten zij dien pot in ’t geheim weghalen. Toen zij dien niet terug vond, vroeg zij hem met den grootsten aandrang weer velen malen terug en toen men dien haar niet gaf, hield zij niet op met klagen en weenen, werd ziek en vroeg in haar lijden niets anders dan haar bloempot. De jongelieden verwonderden zich zeer over haar vraag en wilden ten slotte zien, wat die pot inhield. Zij wierpen de aarde er uit, zagen het laken en daarin het hoofd, nog niet zoo verteerd, of zij herkenden aan het gegolfde haar, dat het dat van Lorenzo was. Zij verbaasden zich zeer sterk en vreesden, dat men dit te weten zou komen. Nadat zij dit hadden begraven, gingen zij zonder het de ouders te zeggen, voorzichtig uit Messina weg en na alles voor hun vertrek te hebben in orde gebracht, togen zij naar Napels. Het meisje hield niet op met weenen en altijd om haar bloempot roepend, stierf zij en zoo eindigde die ongelukkige liefde. Maar toen de geschiedenis aan velen na zekeren tijd bekend werd, was er iemand, die er het volgende lied op dichtte, wat men nog zingt:

Wie was de slechte Christen, Die mij mijn bloempot heeft afgenomen, Waarin mijn basiliek was van Salerno! Hij was met kracht gegroeid. Ik plantte hem met eigen hand Den dag zelf van mijn geboorte, Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid.

Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid En de zonde is zeer groot. O ongelukkige, die mij Een pot met bloemen had gezaaid. Hij was zoo schoon, dat ik in zijn schaduw sliep, Benijd door de menschen. Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.

Hij is mij ontroofd en voor mijn deur. Ik was daarover zeer bedroefd. Ongelukkige, hoe ben ik niet gestorven, Ik, die er zoozeer aan was gehecht! Toch den vorigen dag, dat ik slecht waakte Voor den heer, die ik zoo beminde. Ik had hem gansch omringd van majoleine.

Ik had hem gansch omringd van majoleine Gedurende de schoone maand van Mei; Ik besproeide hem elke week drie malen; Ook zag ik, hoe hij goed wortel vatte. Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.

Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd. Ik kan hem niet meer verbergen, Maar als ik van te voren had geweten, Dat dit mij zou gebeuren, Zou ik voor de deur hebben geslapen Om mijn bloempot te bewaren: De groote God moge mij helpen.

De groote God moge mij helpen, Indien het Hem behaagt Tegen den man, die zoo schuldig jegens mij is, Die mij in pijn en kwelling heeft gebracht, Die mijn basiliek heeft gestolen, Welke vol was van zooveel geur, Zijn balsem streelde mij zoo zeer.

Zijn balsem streelde mij zoo zeer, Zoo frisch geurde hij En ’s ochtends, als ik hem besproeide Bij het rijzen van de zon, Was iedereen verwonderd: Waar komt zooveel geur vandaan? En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.

En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet. uit liefde voor mijn pot met bloemen. Als iemand mij zou willen wijzen, waar die is, Zou ik die graag terugkoopen; Ik heb in mijn beurs wel honderd onsen goud Die ik hem gaarne zal geven, En een kus, als hij het zou verlangen.

ZESDE VERTELLING.

Andreuola bemint Gabriotto; zij verhaalt hem een droomgezicht en hij haar een ander. Vlak daarop sterft hij in haar armen; terwijl ze hem met een meid van haar naar huis dragen, worden zij door de wacht aangehouden en vertelt zij, wat er gebeurd is. De schout wil haar geweld aandoen, maar zij weigert. Haar vader herkent haar en nadat zij onschuldig is bevonden, wordt zij in vrijheid gesteld. Zij weigert volstrekt in de wereld te leven en wordt non. [83]

Deze novelle door Filomena verhaald, trok de dames zeer aan, omdat zij dat lied dikwijls genoeg hadden hooren zingen, maar zij hadden nooit kunnen weten, zelfs als zij het vroegen, welke de reden was, waarom dat was gemaakt. Maar toen de koning het slot er van had gehoord, beval hij aan Pamfilo de ingestelde orde te volgen. Pamfilo zeide toen: De droom in het voorafgaande verhaal vermeld geeft mij stof U er een te vertellen, waarin van twee droomen sprake is, welke betreffen de eene, wat gebeurd was, de andere wat gebeuren zou en ternauwernood waren die droomen verteld door hen, die ze hadden gehad of het gevolg van beide kwam. En toch, verliefde donna’s, moet gij weten, dat het een algemeene neiging is van elk levend wezen verschillende dingen in een droom te zien, welke, hoewel zij aan hem, die droomt zeer waar schijnen, wanneer hij ontwaakt sommigen hem waar, anderen waarschijnlijk voorkomen en voor een deel met elke waarheid tegenstrijdig zijn; toch bevindt men, dat velen zijn uitgekomen. Daardoor hechten velen aan elke droom zooveel geloof, als zij zouden verleenen aan de dingen, die zij wakend zien en zij bedroeven of verheugen zich naar wat zij volgens dezen of vreezen of hopen. En er zijn er integendeel ook, die er niets van gelooven, voor zij zich in het reeds voorspelde gevaar zien. Ik vind noch de eenen noch de anderen te loven, omdat droomen noch altijd waar, noch altijd valsch zijn. Dat ze niet altijd waar zijn, kan elk van ons een voldoend aantal keeren hebben waargenomen, en dat zij niet altijd valsch zijn, is hiervoor reeds in de geschiedenis van Filomena aangetoond en in de mijne wil ik, gelijk ik het van te voren zeide, ook bewijzen. Daarom meen ik, dat men door geen tegenstrijdigen droom moet nalaten deugdzaam te leven en te handelen noch daarvoor de goede waarschuwingen verwaarloozen; wat tegennatuurlijke en slechte dingen betreft, moet men er niets van gelooven, hoezeer droomen daarvoor gunstig schijnen en met gunstige uitleggingen versterken zouden, wie ze heeft en ook in het in het tegenovergestelde moet men geen volkomen vertrouwen schenken.

In de stad Brescia was een edelman, messer Negro van Ponte Carraro genaamd, die onder meerdere zonen een dochter had, welke Andreuola heette, een mooi, jong meisje en zonder man, welke toevallig op een buurman van haar, Gabriotto, verliefd werd, een man van lage afkomst, maar vol lofwaardige manieren en van persoon knap en bekoorlijk en met de samenwerking en de hulp van de meid, handelde het meisje zoo, dat Gabriotto niet alleen wist, dat hij door Andreuolo bemind werd, maar meermalen in een schoonen tuin van haar vader tot genoegen van beide partijen werd geleid. En opdat niets anders dan alleen de dood hen in hun zalige liefde zou scheiden, werden zij in ’t geheim man en vrouw. Terwijl aldus tersluiks hun bijeenkomsten voortgingen, scheen het meisje op een nacht ingeslapen in een droom te zien, dat zij met Gabriotto was, dien zij tot groot genoegen van beide in haar armen hield en terwijl zij zoo bij elkaar bleven, leek het haar, dat uit zijn lichaam een donker en vreeselijk ding te voorschijn kwam, welks vorm zij niet kon herkennen en dat het ding Gabriotto beetpakte en ondanks haar met wonderlijke kracht hem uit haar armen nam en met hem onder den grond verdween; de een kon den ander nooit meer terugzien, waarover zij onnoemelijk veel smart voelde en daarop ontwaakte zij. Hoewel zij ontwaakt blij was door te zien, dat zij het slechts had gedroomd, kreeg zij van het droomgezicht angst. Toen Gabriotto den volgenden nacht bij haar wilde komen, deed zij zooveel zij kon haar best, dat hij dien avond daar niet kwam. Maar daar zij toch zijn wil zag, ontving zij, opdat zij niets anders vermoedde, hem den volgenden nacht in haar tuin, waar zij na vele witte en roode rozen geplukt te hebben, omdat ’t het seizoen er voor was, met hem aan de voeten van een schoone en klare fontein in den tuin ging zitten. Nadat zij elkaar een goede en lange ontvangst hadden bereid, vroeg Gabriotto wat de reden was, waarom zij zijn komst den vorigen dag had ontweken. Het meisje verhaalde hem den droom, dien zij den vorigen nacht had gehad en de argwaan, die haar daardoor had aangegrepen. Gabriotte hoorde dit, lachte er om en zeide, dat het een groote dwaasheid was aan eenigen droom geloof te slaan, omdat die voortkomen uit overlading van de maag of gebrek aan voedsel en dat men elken dag ziet, dat ze ijdel zijn. Daarop zeide hij: Indien ik acht had willen geven op droomen niet op een van u, maar op een, die ik den vorigen nacht heb gehad, zou ik niet hier gekomen zijn, waarbij ik in een schoon en heerlijk woud scheen te wezen. Daar ving ik op jacht een ree zoo mooi en bekoorlijk, als men er nooit een zag. En het scheen mij, dat zij witter was dan sneeuw en in korten tijd zoo eigen met mij werd, dat zij mij in ’t geheel niet meer verliet. Van mijn kant scheen zij mij zoo dierbaar, naar het mij voorkwam, dat ik, om door haar niet te worden verlaten haar een halsband van goud om den hals deed, en dat ik haar met een gouden keten in de hand hield. Daarna leek het mij, dat die ree een oogenblik rustte en de kop op mijn borst houdend daaruit een panter, zwart als kool—ik weet niet van waar—voortkwam, uitgehongerd en vreeselijk van aanblik en dat die op mij toekwam. Alle weerstand scheen mij onmogelijk; het was of die zijn muil in mijn linkerborst zette en zoover door beet, dat hij tot mijn hart kwam, mij dit ontroofde en het wegdroeg. Ik voelde hierdoor zulk een pijn, dat mijn droom ophield en ik zocht ontwaakt met de hand dadelijk of er niets aan de borst mankeerde, maar daar ik geen letsel vond, spotte ik zelf er mee, dat ik gezocht had. Maar wat wil dat zeggen? Ik heb van zulke en erger dingen er genoeg gezien en van niets ter wereld is mij daardoor meer of minder overkomen. Laat ze daarom varen en laten wij ons den tijd aangenaam maken. Het meisje, zeer ontsteld door haar droom, hoorde het en dit werd haar te veel, maar om Gabriotto geen reden tot ongenoegen te geven, verborg zij haar angst zooveel mogelijk. En terwijl zij zich bevredigde door hem meermalen te omhelzen en te kussen en door zich van hem te laten omhelzen en kussen, vreezend en niet wetend, staarde zij meer dan gewoonlijk rond en keek door den tuin of zij niets zwarts van eenige zijde zag aankomen. Toen dit zoo voortduurde, slaakte Gabriotto een groote zucht, omarmde haar en zij zeide: Wee, mijn ziel, help mij, ik sterf!—en bij die woorden viel hij op het gras van het perk op de aarde. Het jonge meisje zag dit, en hief hem op, trok hem op haar borst en sprak klagend: O mijn lieve heer, o wat voelt gij? Gabriotto antwoordde niet, maar hevig sidderend en bedekt met zweet ging hij na korten tijd uit dit leven. Hoe vreeselijk en treurig dit voor het meisje was, kan ieder zich denken. Zij klaagde zeer en riep hem meermalen vergeefs. Maar daar zij toch merkte, dat hij dood was, nadat zij elk deel van zijn lichaam onderzocht had en hem geheel koud vond en niet wetend wat te doen of te zeggen, ging zij betraand als zij was en vol angst haar meid roepen, welke van die liefde kennis droeg en toonde deze haar ellende en haar smart. Toen zij samen droevig eenigen tijd hadden geklaagd over het doode gelaat van Gabriotto, zei het meisje tot de dienstmaagd: Omdat God mij deze heeft ontnomen, wil ik niet langer leven. Maar voor ik mij van kant maak, zou ik willen, dat wij een middel zochten om behoorlijk mijn eer te dienen en de geheime liefde, die er tusschen ons was en dat het lichaam, waaruit de genadige ziel verdwenen is, begraven wordt.

Hierop antwoordde de meid: Mijn kind, zeg niet u zelf te willen dooden, omdat gij, indien gij hem hier verloren hebt, hierdoor hem in de andere wereld ook zult verliezen, want gij zult naar de hel gaan, waar ik zeker ben, dat zijn ziel niet is neergedaald, omdat hij een goed jonkman was, maar het is veel beter u te sterken en er aan te denken en met gebeden en andere goede dingen zijn ziel te helpen; indien deze het voor eenige, begane zonde noodig heeft. Er is een middel om hem spoedig in dezen tuin te begraven, wat nooit iemand zal weten, omdat niemand bekend is, dat hij er ooit kwam en als gij dit niet wilt, laten wij hem dan buiten den tuin brengen en hem daar laten. Dan zal hij morgen gevonden worden en naar zijn huis gedragen en begraven door zijn familie. Het meisje, hoezeer het ook vol droefenis was en voortdurend weende, luisterde toch naar den raad van haar meid; en nadat zij het eerste niet goed had gevonden, antwoordde zij op het tweede: God wil zeker mij niet toestaan, dat een zoo lieve jonkman, zoo door mij bemind en mijn man, als een hond zou begraven worden of op straat zou worden achter gelaten. Hij heeft mijn tranen gehad en zooveel ik zal kunnen, zal hij die van zijn familie hebben en het schiet mij nog te binnen, wat wij hiervoor moeten doen.

Snel zond zij haar weg om een stuk zijden doek te halen, dat zij in haar koffer had en toen zij terugkwam, spreidden zij het op de aarde uit en plaatsten daarop het lichaam van Gabriotto na hem het hoofd op een kussen te hebben gelegd. Met vele tranen sloten zij hem de oogen en den mond, vlochten hem een krans van rozen en na hem geheel bedekt te hebben met rozen, die zij hadden geplukt, sprak zij tot de meid: Van hier tot aan de deur van zijn huis is de afstand klein, daarom zullen gij en ik, gelijk wij van plan waren, hem daarheen dragen en hem van hier daarheen voeren. Het zal niet lang duren, dat het dag wordt en hij zal opgenomen worden en hoewel dit geen troost zal wezen voor de zijnen, zal dit toch een voldoening zijn voor mij, in wiens armen hij stierf. Bij die woorden wierp zij zich op nieuw met overvloedige tranen op zijn gelaat en weende langen tijd. Eindelijk sterk aangespoord door haar meid, omdat het dag werd, stond zij op, trok denzelfden ring, waarmee zij zich met Gabriotto had verbonden, van haar vinger, deed dien aan den zijne en zeide schreiend: Mijn lieve heer, indien Uw ziel mijn tranen ziet of indien eenige kennis of gevoel na het heengaan daarvan in het lichaam overblijft, ontvang dan welwillend van deze de laatste gift, die U bij Uw leven zoo beminde. Bij die woorden viel zij bewusteloos op hem neer en na weer te zijn bijgekomen en opgestaan, nam zij met de meid samen het doek op, waarover het lijk lag, gingen er mee den tuin uit en gingen naar zijn huis. Terwijl zij zich daarheen begaven, werden zij toevallig opgemerkt door de wachters van den schout, die door een of andere oorzaak daar juist langs kwamen en zij werden met den doode aangehouden.

Andreuola, die meer begeerde te sterven dan te leven en die de knechten van de overheid kende, zeide vrijmoedig: Ik weet wie gij zijt en dat het vluchten mij niet zou baten; ik ben bereid met U voor de rechters te verschijnen en die te zeggen, wat er gebeurd is, maar laat niemand van U begeeren mij aan te raken, indien ik U gehoorzaam ben, noch dit lichaam te naderen, opdat ik hem niet beschuldig. Aldus, zonder te worden aangeraakt, ging zij met het heele lichaam van Gabriotto naar het paleis. Toen de baljuw dit hoorde, stond hij op, liet haar in zijn kamer komen en onderzocht wat er plaats had gegrepen. Nadat hij door een paar doktoren had laten schouwen of de goede man door vergift of iets anders was omgebracht, bevestigden allen van niet, maar dat er een gezwel bij het hart was doorgebroken, dat hem had doen stikken. Toen hij dit hoorde en begreep, dat zij er weinig schuld aan had, deed hij zijn best haar te doen blijken, dat hij haar wilde geven, wat hij niet kon verkoopen en zeide, dat, als zij zijn genoegen wilde bevredigen, hij haar zou loslaten, maar als zijn woorden niet hielpen, dat hij haar naar willekeur door geweld zou krijgen. Maar Andreuola door verontwaardiging ontvlamd en zeer sterk geworden, verdedigde zich moedig, en stiet hem met beleedigende en fiere woorden terug.

Doch toen het dag werd en dit verteld was aan messire Negro, ging deze doodelijk bedroefd met vele van zijn vrienden naar het paleis en toen hij door den schout van alles op de hoogte was gesteld, vroeg hij schreiend of zijn dochter hem werd teruggegeven. De schout, die zich eerst wilde verontschuldigen wegens het geweld, dat hij de jonge vrouw had willen aandoen, voor hij door haar beschuldigd werd, begon haar standvastigheid te prijzen en zeide, dat hij, wat hij gepoogd had, deed om haar op de proef te stellen. Daarom bij het zien van haar vasten wil, had hij groote liefde voor haar opgevat en indien dit behaagde aan hem, die haar vader was evenals aan haar, zou hij, hoewel zij een man had gehad van lagen afkomst, haar gaarne huwen. Terwijl hij zoo sprak, werd Andreuola voor haar vader geleid en, wierp zich weenend aan zijn voeten en zeide: Vader, ik geloof niet, dat het noodig is U de geschiedenis te vertellen van mijn liefde en mijn ongeluk, want ik ben er zeker van, dat gij, die gehoord hebt en weet; en daarom vraag ik zooveel ik kan, vergiffenis voor mijn misslag, namelijk zonder uw voorkennis den man te hebben gekozen, die mij het meest beviel. En ik vraag dat niet, opdat mij het leven zal geschonken worden, maar om als uw dochter en niet als uw vijandin te sterven. En schreiend viel zij aan zijn voeten.