De Decamerone van Boccaccio

Chapter 30

Chapter 304,179 wordsPublic domain

Marseille is gelijk gij weet gelegen in Provence aan den oever der zee, een antieke en zeer voorname stad en die vroeger vol was van rijke lieden en van grooter kooplui dan men heden ziet. Onder deze was er een Arnaud Claude genaamd, een man van geringe geboorte, maar van goede trouw en eerlijke koopmanschap grenzeloos rijk aan bezittingen en geld, die van zijn vrouw meerdere dochters had, van welke drie meisjes waren ouder dan de zonen. Van de eerste waren er twee tweelingen van vijftien jaar en de derde was veertien. De ouders verwachtten niets anders om ze te huwen dan de terugkeer van Arnaud, die met zijn waren naar Spanje was gegaan. Van de twee eersten waren achtereenvolgens de namen Ninetta en Madeleine, de derde heette Berthole. Op Ninetta was een jong edelman, die helaas arm was en Restagnon heette, vurig verliefd en het meisje op hem. Zij hadden zoo te werk weten te gaan, dat, zonder dat iemand ter wereld het wist, zij in hun liefde zich verheugden en reeds hadden zij zich er een heelen tijd in verblijd, toen twee jonge metgezellen, waarvan de een Fouques heette en de ander Hugues en waarvan de vaders dood waren en die zeer rijk achter bleven, de een op Madeleine en de ander op Berthole verliefd werden. Restagnon bemerkte dit, daar Ninetta hem er op gewezen had en dacht zijn eigen geldgebrek te kunnen overwinnen door hun liefde. Hij verbond zich met hen en vergezelde dan den een en dan den ander en soms beide om hun donna’s en de zijne te zien en toen hij genoeg met hen bekend en bevriend was, riep hij ze eens bij zich thuis en zeide tot hen: Zeer waarde jongelui, onze omgang kan u verzekerd hebben, hoe groot de vriendschap is, die ik u toedraag en dat ik voor u zou doen, wat ik voor mij zelf zou verrichten en omdat ik u zeer mag lijden, wil ik u uiteenzetten wat mij is te binnen gevallen en daarna zult gij met mij samen die partij kiezen, welke u het voordeeligst zal schijnen. Gij, als uwe woorden niet liegen en ook door wat ik uit uw daden bij dag en nacht meen te begrijpen, brandt van zeer groote liefde voor de twee jonge dames door u bemind en ik voor de derde, hun zuster voor welken gloed, als gij het eens kunt worden, het hart mij een zeer zacht en aangenaam geneesmiddel wijst, namelijk dit: Gij zijt zeer rijke jongelieden, wat ik niet ben; indien gij uw bezittingen tot een wilt verbinden en mij tot den derden bezitter met u te samen er van wilt maken en overleggen naar welk deel der wereld wij willen gaan om een heerlijk bestaan met hen te hebben, geeft mijn hart mij zonder twijfel mij in het volgende te doen: dat de drie zusters met een groot deel der goederen van hun vader met ons mede zullen gaan, waarheen wij willen en daar kan ieder met de zijne en wij dus als drie broeders, leven als de tevredenste menschen, die er op de wereld zijn te vinden. Aan u staat het verder partij te kiezen door u hiermee te vereenigen of het na te laten. De twee jongelieden, die zeer ontgloeiden, toen zij hoorden, dat zij hun meisjes zouden krijgen, vermoeiden zich niet te veel met beraadslagen, maar zeiden, dat men dit moest navolgen, wat zij bereid waren te doen. Toen Restagnon dit antwoord van de jongelieden ontvangen had, ontmoette hij een paar dagen later Ninette, bij wien hij niet zonder groote moeite kon komen en nadat hij eenigen tijd met haar samen was geweest, vertelde hij haar wat hij met de jongelui afgesproken had en deed zijn best met vele redeneeringen haar dit voornemen te doen bevallen. Maar dit beviel haar zeer, omdat zij nog meer dan hij verlangde hem zonder argwaan te zien. Daarom antwoordde zij vrijmoedig, dat zij het goed vond en dat de zusters en het meest hierin, dat zouden doen wat zij wilde, en zeide hem, dat hij elk gunstig middel hiertoe zoo gauw hij kon, moest aanwenden. Restagnon keerde tot de jongelieden terug, die hem sterk aanspoorden tot wat hij besproken had en hun zeide, dat van den kant van hun donna’s het werk op den goeden weg was, Zij beraadslaagden onder elkaar om naar Creta te gaan, verkochten enkele bezittingen die zij hadden onder voorwendsel baar geld te krijgen voor den handel, maakten al het andere te gelde, kochten een fregat en bewapenden dit heimelijk geheel, en wachtten den gegeven termijn af. Anderzijds zette Ninette, die genoeg van de begeerte van haar zusters wist, met mooie woorden hen tot zooveel verlangen hiernaar aan, dat zij zich verbeeldden niet meer te kunnen leven, eer dit gebeurd was. Toen de nacht aanbrak, waarin zij het fregat moesten bestijgen, haalden de drie zusters na een groote kist van hun vader geopend te hebben, daaruit een zeer groote hoeveelheid geld en juweelen, gingen hiermee alle drie volgens de afspraak stil uit het huis en vonden de drie minnaars, die hen wachten. Met hen bestegen zij dadelijk het schip, staken de riemen in het water en gingen weg. Zonder zich ergens op te houden kwamen zij den volgenden avond te Genua, waar de jonge minnenden voor het eerst weer vreugde en genoegen hadden van hun liefde. Nadat zij zich voorzien hadden van al wat zij noodig hadden, gingen zij weg en van haven tot haven kwamen zij, voor acht dagen om waren, zonder hindernis op Creta, waar zij zeer groote en schoone gronden kochten en zij vrij dicht bij Candia [76] zeer fraaie en aangename woningen deden bouwen. Daar begonnen zij met veel bedienden, met honden en vogels en paarden, bij gastmalen en feesten en in vreugde met hun donna’s als de tevredenste menschen ter wereld bij wijze van baronnen te leven. Aldus gelijk wij iederen dag zien, dat de aangenaamste dingen vervelen, wanneer men er te grooten overvloed van heeft, begon Restagnon, die veel van Ninette gehouden had en die haar tot zijn behagen hebben kon en zonder eenige vrees genoeg van haar te krijgen en bijgevolg zijn liefde te verflauwen. Toen hij zich op een feest bevond, had een jong meisje van dit eiland hem zeer behaagd. Het was een schoone en lieve donna, die hij met den grootsten ijver volgde en hij begon haar wonderlijk te vieren en te eeren. Ninette merkte dit, werd zeer jaloersch op hem, zoodat hij geen pas kon verzetten of ze wist het en kwelde hem daarna met woorden en schimp. Maar gelijk de overvloed der dingen hinderlijk wordt, zoo vergroot de onthouding van begeerten het verlangen en zoo vermeerderden de scheldwoorden van Ninette de vlammen der nieuwe liefde van Restagnon. Door verloop van tijd—hetzij Restagnon de gunsten van de donna verkreeg of niet—verviel Ninette, die het van wie ze het ook hoorde, voor waar hield, tot zulk een droefheid, toen tot zulk een toorn en daarna tot zulk een woede, dat de liefde voor hem omsloeg in fellen haat, en zij besloot, verteerd door gramschap door den dood van Restagnon de beleediging te wreken, die zij meende, dat haar was aangedaan.

Zij ging naar een oude Griekin, zeer ervaren in het samenstellen van vergiften en haalde haar door beloften en geschenken over een doodelijke drank te bereiden, die zij zonder verder te aarzelen op een avond aan Restagnon te drinken gaf, die het warm had en er niet op lette. De kracht daarvan was zoo groot, dat die hem vóór den morgen gedood had. Toen Fouques en Hugues en hun vrouwen diens dood hoorden zonder te weten, dat hij door vergift was vermoord, beweenden zij hem bitter met Ninetta te samen en deden hem eervol begraven. Maar weinige dagen later werd de oude vrouw, die voor Ninette het venijnige vocht had klaar gemaakt, voor een andere misdaad gevangen genomen, die bij haar andere misdrijven op de pijnbank dit bekende en ten volle aangaf, waardoor dit was geschied. Hierdoor kwam de hertog van Creta zonder er iets van te zeggen, een nacht stil in het paleis van Fouques en zonder eenig rumoer of tegenspraak, voerde hij Ninette, die in hechtenis werd genomen, weg. Fouques en Hugues hadden van den hertog gehoord—en hun donna’s weer van hen—waarom Ninette was gevangen genomen, wat hun zeer onaangenaam was en zij deden alles om Ninette aan den brandstapel te ontrukken, waartoe zij dachten, dat zij zou worden veroordeeld, als een, die het wel had verdiend. Maar het scheen niets te helpen, omdat de hertog vast besloten was recht te doen. Madeleine, die een mooi, jong meisje was en lang den hertog had begeerd zonder ooit iets te hebben willen doen, dat hem zou behagen, verbeeldde zich, dat zij hierdoor haar zuster van den vuurdood zou kunnen redden en gaf hem door een voorzichtigen bode te kennen, dat zij tot elk bevel van hem gereed was, waaruit twee zaken moesten volgen: ten eerste, dat zij haar zuster veilig en vrij zou terug krijgen, ten tweede, dat dit een geheim zou blijven. De hertog hoorde de boodschap, deze beviel hem en hij dacht lang na, wat hij zou doen. Eindelijk stemde hij toe en zeide, dat hij bereid was. Alsof hij inlichtingen van hen wilde hebben, liet hij Fouques en Hugues een nacht gevangen nemen en sliep met toestemming van Madeleine in ’t geheim met haar. Nadat hij eerst deed of hij Ninette in een zak had laten doen en dienzelfden nacht in zee werpen met een steen om den hals, voerde hij haar met zich mede naar haar zuster terug en gaf haar deze als loon. Hij verzocht haar, dat zij ’s morgens zou vertrekken en dat die nacht, welke de eerste van hun liefde was geweest niet de laatste zou zijn. Bovendien gelastte hij haar, dat zij de schuldige donna wegzond, opdat zij hem niet zou schandvlekken en hem niet zou noodzaken haar opnieuw te vervolgen. Den volgenden morgen werden Fouques en Hugues vrijgelaten, nadat zij hadden hooren vertellen, dat Ninette dien nacht verdronken was geworden en zij geloofden dit en keerden terug naar hun huis om hun vrouwen over de dood van hun zuster te troosten, hoewel Madeleine haar best deed haar goed verborgen te houden, maar toch bemerkte Fouques, dat zij er was. Hierover was hij zeer verwonderd en kreeg dadelijk argwaan (daar hij al bemerkt had, dat de hertog Madeleine had bemind) en vroeg haar, hoe het mogelijk was, dat Ninette zich daar bevond. Madeleine spon een lang verzinsel uit om het hem te willen verklaren, die haar, omdat hij slim was, weinig geloofde en die haar dwong de waarheid te zeggen, wat zij na weinig praten dan ook maar deed. Fouques door smart overwonnen en in woede ontbrand trok een degen en terwijl zij tevergeefs genade vroeg, doodde hij haar. Hij vreesde den toorn en de vervolging van den hertog, liet haar dood in de kamer achter en begaf zich daarheen, waar Ninette was en zeide haar met een geveinsd vroolijk gelaat: Laten wij dadelijk heengaan, waar het door uw zuster afgesproken is, waarbij ik u zal leiden, opdat gij niet meer in handen van den hertog valt.

Ninette geloofde dit en daar zij bang was en daardoor verlangde te vertrekken, begaf zij zich met Fouques zonder verder afscheid van haar zuster te nemen op weg. En met dat weinige geld, waarop Fouques de hand kon leggen, gingen zij naar de haven, bestegen een bark en nooit kwam men te weten, waar zij landden. Den volgenden dag, toen Madeleine vermoord gevonden werd, waren er eenigen, die door nijd en haat jegens Hugues het dadelijk aan den hertog berichtten. De hertog, die Madeleine zeer beminde, liep hierdoor in groote woede naar het huis, nam Hugues gevangen en zijn vrouw en dwong hen, die van de zaak nog niets wisten namelijk van het vertrek van Fouques en Ninette, te bekennen gezamenlijk schuldig te zijn met Fouques aan den dood van Madeleine. Daar zij door die bekentenis terecht den dood vreesden, kochten zij met groote list degenen, die hen bewaakten, om, door hun een zekere hoeveelheid geld te geven, die zij in hun huis voor mogelijke gelegenheden verborgen hadden gehouden en met de wachters zelf, zonder tijd te hebben iets vandaar te kunnen medenemen, bestegen zij een bark en vluchtten ’s nachts naar Rhodes, waar zij in armoede en ellende niet lang leefden. Zoo voerden hen en anderen de dwaze liefde van Restagnon en de woede van Ninette tot zulk een einde.

VIERDE VERTELLING.

Gerbino, ondanks het gegeven woord van koning Guiglielmo, zijn grootvader, valt een schip aan van den koning van Tunis om een dochter van dezen te schaken. Zij wordt gedood door hen, die op het schip waren. Gerbino doodt ze allen en op zijn beurt wordt hem later het hoofd afgeslagen.

Toen Lauretta haar verhaal geëindigd had, zweeg zij en elk in het gezelschap pratend deze met gene en die met een ander, treurde over het ongeluk der minnenden en de een laakte de toorn van Ninette en de ander zei dit en een derde dat, toen de koning van een diepe gedachte bevrijd, het gelaat ophief en aan Elisa een teeken gaf, dat zij zou voortgaan, welke nederig begon: Bekoorlijke donna’s. Er zijn genoeg menschen, die gelooven, dat Amor alleen zijn pijlen werpt, nadat men door het gezicht ontbrand is, en spotten met hen, die willen staande houden, dat men van hooren zeggen verliefd kan worden. Dat dezen bedrogen uitkomen, zal duidelijk blijken uit een novelle, welke ik wil vertellen. Gij zult er uit zien, dat niet alleen de faam prikkelt zonder dat de minnenden elkaar ooit hebben aanschouwd, maar het zal duidelijk worden, dat die allen hier tot een ellendigen dood heeft gevoerd.

Guiglielmo, de tweede koning van Sicilië [77], gelijk de Sicilianen willen, had twee kinderen, een zoon Ruggieri en een dochter Gostanza. Deze Ruggieri [78] stierf voor zijn vader en liet een zoon na Gerbino genaamd, die door zijn grootvader met zorg werd opgevoed, een schoone jongeling werd en beroemd door dapperheid en hoffelijkheid. En zijn faam bleef niet alleen beperkt binnen de grenzen van Sicilië, maar klinkend in verschillende deelen der wereld, was zij zeer verbreid in Barbarije, dat in dien tijd aan den koning van Sicilië schatplichtig was. En onder velen, wier ooren de groote faam van de kracht en de hoffelijkheid van Gerbino bereikte, was een dochter van den koning van Tunis, die, volgens elk, die haar had gezien, een der schoonste schepsels was, welke ooit door de natuur werd gevormd en met een groote en edele ziel. Deze, die gaarne van dappere mannen hoorde spreken, ontving met zooveel welwillendheid de moedige daden door Gerbino verricht door den een en den ander verteld, dat zij, in zich zelf zich verbeeldend hoe hij moest wezen, hevig op hem verliefd werd en liefst van hem sprak en luisterde naar wie dit deed. Van den anderen kant had de groote naam van haar schoonheid en waardigheid op gelijke wijze Sicilië bereikt en kwam niet zonder groote bekoring noch vergeefs Gerbino ter oore, zoo dat hij niet minder op haar ontvlamde dan zij op hem. Hierdoor tot hij een eerlijke reden van zijn grootvader verkreeg tot verlof om naar Tunis te gaan, gelastte hij aan elken vriend van hem, die daar heenging aan haar zooveel mogelijk zijn geheim en groote liefde op de meest geschikte manier toe te vertrouwen en hem nieuws van haar te melden. Een van hen deed dit op zeer schrandere wijze, onder voorwendsel juweelen voor dames te brengen gelijk de kooplieden en te laten zien. Hij openbaarde haar geheel de hartstocht van Gerbino en bood zich aan om voor haar en haar zaken te zorgen. Zij ontving met een blij gelaat den bode en de boodschap en nadat zij hem had geantwoord, dat zij van gelijke liefde brandde, zond ze hem een van haar duurste juweelen als getuigenis. Gerbino ontving dit met zooveel vreugde, als hij eenige kostbaarheid maar ontvangen kon, schreef door diens bemiddeling haar meermalen, zond zeer dure geschenken en maakte met haar bepaalde afspraken om elkaar, indien de fortuin het zou toestaan, te zien en met haar te spreken.

Doch toen de zaken aldus voortgingen en wat langer duurden dan noodig was en het jonge meisje en Gerbino wederkeerig van liefde brandden, huwde de koning van Tunis haar uit aan den koning van Granada. [79] Zij was hierover zeer bedroefd denkend, dat zij niet alleen door den afstand verder van haar gelietde verwijderd was, maar dat zij hem geheel werd ontvoerd. En als zij een middel had geweten, opdat dit niet zou gebeuren, zou zij van haar vader gevlucht zijn en naar Gerbino zijn gekomen. Evenzoo was Gerbino, toen hij van dit huwelijk hoorde, zeer bedroefd en dacht er dikwijls over of er een middel zou zijn om haar met geweld te schaken, indien zij over zee naar haar echtgenoot zou gaan. De koning van Tunis, die iets van die liefde vernomen had en van het voorstel van Gerbino en die bevreesd was voor zijn moed en zijn kracht, verzocht, toen de tijd gekomen was om haar weg te sturen, aan koning Guglielmo hem te verklaren, wat die voornemens was en wat hij van plan was te doen om verzekerd te zijn, dat hij noch door Gerbino noch door wie ook hierin belemmerd zou worden. Koning Guglielmo, die een oud man was, die niets van de verliefdheid van Gerbino had bespeurd en zelfs niet vermoedde, dat hem daartoe die zekerheid gevraagd werd, stond die gaarne toe en ten teeken hiervan zond hij aan den koning van Tunis zijn handschoen. Toen hij die waarborg had ontvangen, liet hij een zeer groot en schoon schip in de haven van Carthago uitrusten en het voorzien van al wat noodig was voor wie er op moest gaan en het wapenen en inrichten om daarop de dochter naar Granada te zenden. Hij wachtte niet anders af dan gunstig weer. De jonge dame, die alles wist en zag, zond in stilte een van haar dienaren naar Palermo en gelastte hem, dat hij Gerbino in haar naam liet groeten en hem zeggen, dat zij binnen enkele dagen naar Granada zou gaan, waardoor men dan nu zou zien of hij zulk een dapper man was, als men zeide en of hij haar zoozeer beminde, als hij haar meermalen had te kennen gegeven.

Hij, aan wien de boodschap was opgedragen, verrichtte deze zeer goed en keerde naar Tunis terug. Toen Gerbino dit hoorde en wist, dat koning Guglielmo, zijn grootvader de geruststelling had gegeven aan den koning van Tunis, wist hij niet wat te doen, maar toch werd hij door liefde aangespoord, en had hij de woorden der donna begrepen. Om niet laf te schijnen ging hij naar Messina, waar hij ijlings twee lichte galeien deed bewapenen; nadat hij er dappere mannen op geplaatst had, begaf hij zich met die schepen naar Sardinië, omdat hij meende, dat daar het vaartuig van de donna moest voorbijgaan. Het gevolg van zijn plan bleef niet lang uit, daar weinige dagen later het schip met weinig wind niet ver van de plaats, waar hij het in stilte verwachtte, aankwam. Gerbino zag dit en zeide tot zijn metgezellen: Heeren, wanneer gij zoo dapper zijt als ik denk, geloof ik niet, dat een van u nooit liefde zal gevoeld hebben of nog gevoelt, zonder welke, naar ik zelf meen, geen sterveling eenige deugd of iets goeds in zich kan dragen en als gij verliefd geweest zijt of nog zijt, zal het voor u gemakkelijk zijn te begrijpen wat ik verlang. Ik heb lief en de liefde drijft mij u deze inspanning te veroorzaken en wie ik lief heb, bevindt zich op het schip, dat gij daar voor u ziet, hetwelk met dat wat ik het meeste begeer vol groote rijkdommen is, die wij, als gij dappere kerels zijt, met weinig moeite door flink te vechten, kunnen veroveren. Van deze zegepraal zoek ik niets anders als aandeel voor mij dan een vrouw; uit liefde tot haar voer ik de wapenen; al het andere behoore u volop. Laat ons dus gaan en met goed geluk het schip aanvallen. God, gunstig gestemd voor onze onderneming, houdt het hier vast zonder het wind te verte verleenen. De knappe Gerbino had zooveel woorden niet noodig, omdat de Messineezen, die hem vergezelden, begeerig waren naar buit en reeds geneigd waren dat te doen, waartoe Gerbino ze met woorden aanzette. Daarom hieven zij bij het slot van zijn woorden een luid geschreeuw aan van: Zoo zij het! en de trompetten klonken, zij grepen de wapens, staken de riemen in het water en bereikten het schip. Zij, die er op waren, zagen de galeien van verre komen en daar zij niet konden vertrekken, maakten zij zich gereed tot verdediging. De schoone Gerbino, toen hij het naderde, beval, dat de heeren van het schip op de galeien zouden komen, indien zij geen gevecht wenschten. De Saracenen, wetend wie zij waren en wat zij wenschten, zeiden, dat dit tegen de verzekering was hun gegeven door den koning van hun aanvallers en tot teeken daarvan toonden zij den handschoen van koning Guiglielmo en weigerden volstrekt ooit, tenzij door een strijd, zich over te geven of iets wat zich op hun schip bevond af te staan. Gerbino, die op den achtersteven van het schip de donna gezien had, veel schooner, dan hij in zich zelf had gedacht, nog meer dan vroeger ontvlamd, antwoordde bij het toonen van den handschoen, dat er geen valken waren, zoodat er geen handschoen noodig was [80] en zich, daar ze de donna niet wilden overgeven, gereed te maken den slag te beginnen, welke zonder uitstel plaats had. Zij begonnen elkaar duchtig met pijlen te beschieten en met steenen te gooien en lang tot schade van beide vochten zij op die wijze. Ten slotte zag Gerbino, dat het weinig hielp, nam een klein scheepje, dat hij van Sardinië had meegevoerd, stak het in brand en naderde met de twee galeien vlak bij het vaartuig. De Saracenen ontwaarden dit en begrepen, dat zij zich moesten overgeven of sterven, lieten de koningsdochter op het dek komen, die in het ruim weende en leidden die naar den voorsteven van het schip. Zij riepen Gerbino en doodden haar, terwijl zij voor zijn oogen genade en hulp smeekte, wierpen haar in zee en zeiden: Neem haar, wij geven haar gelijk wij kunnen en gelijk uw trouw het heeft verdiend. Gerbino, die hun wreedheid zag, verlangend te sterven, liet zich niet lettend op pijl of steen tot het schip naderen en daarop geklommen, ondanks zij, die zich daar bevonden, doodde hij vele Saracenen evenzoo als een hongerige leeuw onder een kudde kalven gekomen, die dan deze, dan gene ombrengt, en eerst zijn woede, welke de honger is, met zijn tanden en nagels verzadigt. Zoo deed hij het met een degen in de hand dan deze dan gene vermoordend. Reeds wies het vuur op het aangestoken schip en had hij er door zijn matrozen laten afhalen, wat de vijanden tot betaling kon dienen, toen hij er afdaalde met een niet zeer blijde overwinning op zijn tegenstanders behaald.

Vervolgens liet hij het lichaam van de schoone donna uit zee ophalen en beweende het langen tijd met vele tranen. Hij keerde naar Sicilië terug en liet haar in Ustica, een klein eilandje zoo goed als tegenover Trapani, eervol begraven en keerde bedroefder dan wie ook terug naar huis. Toen de koning van Tunis het nieuws hoorde, zond hij zijn gezanten in het zwart gekleed naar koning Guglielmo, beklaagde zich over de belofte, die zoo slecht was gehouden en vertelde hem hoe alles gebeurd was. Hierover was koning Guglielmo zeer vertoornd en daar hij geen weg zag om de gerechtigheid te weigeren, (die zij van hem eischten) liet hij Gerbino gevangen nemen en hij zelf, zonder dat de beden van een zijner baronnen hem konden vermurwen, veroordeelde hem tot onthoofding en liet hem het hoofd in zijn tegenwoordigheid afhakken, daar hij liever zonder kleinzoon wilde blijven dan gehouden worden voor een vorst zonder trouw. Zoo stierven dus binnen weinige dagen de twee minnenden zonder eenige vrucht van hun liefde te hebben genoten een kwaden dood, gelijk ik gezegd heb.

VIJFDE VERTELLING.

De broeders van Isabella dooden haar minnaar; hij verschijnt haar in een droom en wijst haar de plaats aan, waar hij begraven is. Zij graaft in stilte het hoofd op en plaatst dit in een pot van basiliek. [81] Daarbij blijft zij iederen dag langen tijd weenen, de broeders nemen haar dien af en zij sterft kort daarop van smart.

Toen het verhaal van Elisa geëindigd was en door den koning nogal werd geprezen, werd aan Filomena opgedragen te spreken; deze vol medelijden met den ongelukkigen Gerbino en zijn donna, begon na een teedere zucht: Gracieuse donna’s, mijn novelle zal niet handelen over menschen van zoo hoogen stand als die waren, van welke Elisa heeft gesproken, maar zij zal daarom niet minder roerend zijn. En het zal mij dat herinneren, wat Messina mij voor kort in ’t geheugen riep, waar het voorval plaats had.