Chapter 29
Eenige dagen later ging hij vergezeld van een zijner getrouwen naar het huis van madonna Lisetta en nadat hij zich met haar alleen in een zaal had begeven en door geen anderen kon gezien worden, wierp hij zich voor haar op de knieën en sprak: Madonna, ik bid God, dat gij mij vergeeft, wat ik u Zondag, toen ik over uw schoonheid sprak, gezegd heb, daar ik er den volgenden nacht zoo wreed voor gekastijd ben, dat ik daarna mij niet meer kon oprichten voor heden. Toen vroeg de malle donna: En wie kastijdde u aldus? Alberto ging voort: Dat zal ik u vertellen. Toen ik ’s nachts bezig was te bidden gelijk ik steeds gewoon ben, zag ik opeens in mijn cel een groote glans en eer ik mij had kunnen omwenden om te zien, wat dat beteekende, zag ik boven mij een schoonen jongeling met een grooten stok in de hand, die mij bij de kap greep, mij neerdrukte en mij zoo ranselde, dat hij mij geheel radbraakte. Ik vroeg hem daarna, waarom hij zoo te werk was gegaan en hij antwoordde: Omdat gij heden u verstout hebt de hemelsche schoonheid van madonna Lisetta te misprijzen, welke ik, God uitgezonderd, boven alles lief heb. Toen vroeg ik: Wie is u! Hierop antwoordde hij, dat hij de engel Gabriël was. O mijn heer, zei ik, ik bid u mij te vergeven. Toen voegde hij er bij: Welnu, ik zal u vergeven, mits gij naar haar toe gaat, zoo spoedig gij kunt en u doet vergeven door haar. Maar als zij het niet doet, zal ik hier terugkeeren en ik zal je zooveel slaag geven, dat ik jou je heele leven zal vergallen, zoolang als je op deze wereld blijft. Wat hij mij daarop vertelde, durf ik u niet mede te deelen, indien gij mij niet eerst genade schenkt. Donna Leeghoofd, die niet erg galachtig was uitgevallen, werd zeer blijde, toen zij die woorden hoorde en geloofde, dat alles waar was en zeide kort daarop: Ik zei het wel, broeder Alberto, dat mijn schoonheden hemelsch waren, maar als God mij helpt, heb ik medelijden met u en opdat u geen kwaad meer overkomt, vergeef ik u, indien gij mij naar waarheid verhaalt, wat de engel u daarna zeide. Fra Alberto ging voort: Madonna, omdat gij mij hebt vergeven, zal ik het u gaarne zeggen, maar denk aan een ding, dit zeg ik u, dat gij er u voor wacht aan wien ook ter wereld te vertellen, wat de engel Gabriël mij meldde, dat ik u moest berichten en dat gij hem zoo bekoorde, dat hij meermalen ’s nachts bij u zou zijn gekomen, als het niet was geweest om u niet te verschrikken. Nu bericht hij u door mijn mond, dat hij een nacht bij u wil komen en een heelen tijd bij u wil blijven en omdat hij engel is en gij hem niet in de gedaante daarvan, als hij komt, kunt aanraken, zegt hij, dat hij om u een plezier te doen in de gestalte van een man wil komen en daartoe vraagt hij of gij hem wilt laten weten, wanneer hij kan komen en in de gedaante van wien en dat hij zich hierheen zal begeven. Hierom moogt gij u meer dan eenige andere donna, die leeft, gelukkig achten. Madonna de Zottin antwoordde toen, dat het haar zeer zou bevallen, indien de engel Gabriël haar lief had, daar zij hem zeer beminde en dat zij nooit faalde op de plaatsen, waar zij zijn beeld zag, een kaars te branden, die niet minstens een mattapan [72] waard was en dat hij op welk uur hij verkoos mocht komen; dat hij haar heel alleen in de haar kamer zou vinden, maar op voorwaarde dat hij haar niet voor de Heilige Maagd in den steek zou laten, waarvan men haar verteld had, dat die deze zeer welgezind was en dat scheen haar ook zoo te zijn, want overal waar zij hem slechts zag, lag hij voor deze op de knieën. Bovendien stond het aan hem te komen in welken vorm hij maar wilde, mits zij er maar niet bang voor behoefde te zijn. Toen zeide fra Alberto: Madonna, gij spreekt verstandig en ik zal alles op zijn best met hem in orde brengen gelijk gij zegt. Maar gij kunt mij een groote gunst bewijzen, die aan u niets zal kosten en dat is deze, dat gij verlangt, dat hij in mijn gedaante komt. En hoor, waardoor gij mij aldus een gunst bewijst, hij zal mij den geest uit het lichaam trekken en dien in het paradijs voeren. Hij zal in mijn lichaam wezen, zoolang hij met u zal zijn en ik zal zoolang in het paradijs zijn. De domme juffrouw antwoordde: Dat bevalt mij zeer. Ik wil, dat in plaats van de slagen, die hij u om mijnentwil gaf, gij dien troost zult deelachtig worden. Toen sprak broeder Alberto: Zorg dan, dat hij vannacht de deur van uw huis open vindt om binnen te kunnen treden, omdat, wanneer hij in menschelijk gedaante komt, gelijk hij zal doen, hij alleen door deze binnen kan gaan. De donna antwoordde, dat het zou gebeuren. Broeder Alberto ging heen en zij bleef zoo verheugd achter, dat zij geen oogenblik meer stil kon blijven zitten en dat het haar duizend jaar scheen te duren, eer de engel Gabriël kwam. Broeder Alberto die bedacht, dat hij dien nacht ruiter en geen engel moest wezen, begon zich met meelspijzen en ander goed voedsel te versterken, opdat hij niet licht van het paard zou worden geworpen. En nadat hij verlof had gekregen, begaf hij zich met een metgezel, toen het nacht was, naar het huis van een zijner vriendinnen, waar hij meermalen van was uitgegaan, wanneer hij merries moest berijden. Vandaar, toen het oogenblik hem gekomen scheen, begaf hij zich verkleed naar de woning van de donna en toen hij daar binnen was gekomen, veranderde hij zich met de kleeren, die hij bij zich droeg, in den engel en klom naar boven en trad de kamer van de donna in. Toen deze hem zoo in het wit zag, knielde zij voor hem neer, de engel zegende haar, deed haar opstaan en gaf haar een teeken, dat zij naar bed moest gaan. Zij geneigd om te gehoorzamen, deed dit spoedig en de engel ging naast de hem toegewijdde donna liggen. Broeder Alberto was een knap man en forsch van lichaam en hij stond maar al te goed op zijn beenen. Daar hij bij donna Lisetta lag, die frisch was en teeder en hij haar heel wat beteren bijslaap gaf dan haar man, vloog zij menigen nacht zonder vleugels, waarover zij zeer tevreden was. Bovendien sprak hij haar veel van de hemelsche glorie. Toen de dag naderde en hij zijn terugkeer had geregeld, ging hij met zijn gewone kleeren naar buiten en ging naar zijn metgezel, welke, opdat hij niet bang hoefde te wezen om alleen te slapen, de huishoudster vriendelijk gezelschap had gehouden. Nadat de donna had ontbeten, ging zij met haar gezellin naar broeder Alberto en vertelde hem nieuws van den engel Gabriël en wat zij gehoord had van de glorie van het eeuwige leven en wat hij gedaan had en voegde er nog wonderlijke verzinsels bij. Hierop antwoordde broeder Alberto: Madonna, ik weet niet, hoe gij u met hem bevonden hebt. Wel weet ik, dat van nacht, toen hij bij mij kwam en ik uw boodschap aan hem had gebracht, hij mijn ziel dadelijk tusschen zooveel bloemen en rozen voerde, als men er ooit van aanschouwde en ik bleef tot vanmorgen bij de vroegmetten in een van de bekoorlijkste oorden, die er bestond. Wat er met mijn lichaam gebeurd is, weet ik niet. Zeide ik het u niet sprak de donna.—Uw lichaam bleef den geheelen nacht in mijn armen met den engel Gabriël en als gij mij niet gelooft, zie dan onder de linkerborst, waar ik een sterke kus aan den engel gaf, zoodat het spoor er van verscheidene dagen zal blijven. Vervolgens ging broeder Alberto voort: Ik zal heden wel iets doen, wat ik sinds lang niet gedaan heb: ik zal mij ontkleeden om te zien of gij de waarheid spreekt. En na veel onzin te hebben verteld, ging de donna naar huis terug, waarheen sedert broeder Alberto zich meermalen begaf in de gedaante van een engel zonder op eenige hindernis te stuiten.
Eens echter, toen madonna Lisetta bij een van haar buurvrouwen was en zij met haar over de schoonheid sprak, zeide zij om die van haar zelf boven elke andere te stellen als een vrouw, die weinig goeds in haar hoofd had: Als gij wist aan wien mijn schoonheid bevalt, zoudt gij werkelijk over de anderen zwijgen. De buurvrouw begeerig om dit te hooren, daar zij haar wel kende, zeide: Madonna, gij kunt de waarheid zeggen, maar toch, daar ik niet weet wie het is, zouden anderen het niet zoo licht gelooven. Toen antwoordde de donna, die zeer onnoozel was:—Buurvrouw, dat mag men niet zeggen, maar mijn minnaar is de engel Gabriël, die mij meer dan zichzelf lief heeft als de schoonste donna gelijk hij zegt, die er is op de wereld of aan de zeekust. [73] De buurvrouw wilde er om lachen maar zij hield zich goed om haar meer te doen praten en zeide: Bij God, madonna, als de engel Gabriël uw minnaar is en hij heeft dit gezegd, moet dit wel zoo zijn, maar ik geloofde niet, dat de engelen die dingen deden. De donna zeide: Buurvrouw, gij vergist u, bij Christus’ wonden, hij behandelt mij beter dan mijn echtgenoot en hij zegt mij, dat dit hierboven ook gebeurt, maar omdat ik hem mooier schijn dan wie ook in den hemel, is hij verliefd op mij geworden en komt hier om heel dikwijls met mij samen te zijn. Begrijpt gij het nu?
Toen de buurvrouw van madonna Lisetta was weggegaan, scheen het haar duizend jaar lang te duren eer zij ergens was, waar zij dit weer kon vertellen en toen zij op een feest was in een groot gezelschap van donna’s, verhaalde zij die historie achtereenvolgens. Deze dames vertelden het aan hun echtgenooten en aan andere donna’s en dezen aan weer anderen en aldus was in minder dan twee dagen Venetië er vol van. Maar onder degenen, dien dit ter oore kwam, waren ook haar schoonbroeders, die zonder iets te zeggen, zich vast hadden voorgenomen dien engel te vinden en om te weten te komen of hij vliegen kon en zij stonden verscheidene nachten op den loer. Toevallig kwam broeder Alberto hiervan niets ter ooren, die om weer de donna te zien een nacht daar heen was gegaan. Ternauwernood had hij zich ontkleed of haar schoonbroeders, die hem hadden zien komen, waren aan den uitgang van de kamer om hem open te doen. Toen broeder Alberto merkte, wat er aan de hand was en geen andere schuilplaats vond, opende hij een venster, dat op het Groote Kanaal uitzag en wierp zich daarna te water. De diepte was er zeer groot, maar hij kon goed zwemmen, zoodat hem niets kwaads gebeurde. Na naar een ander deel van het Kanaal te zijn gezwommen trad hij haastig in een geopend huis en bad een man, die daar binnen was, dat die hem om Gods wil het leven zou sparen en verzon maar wat waarom hij op dat uur zich daar zoo naakt bevond. De goede man tot medelijden bewogen en die naar zijn werk moest gaan, liet hem op zijn bed, liggen en zeide hem, dat hij er tot zijn terugkeer moest blijven en na hem binnen te hebben gesloten, ging hij aan den arbeid.
De schoonbroeders van de donna vonden in de kamer gekomen, dat de engel Gabriël, die er de vleugels had achtergelaten, was weggevlogen. Hierover teleurgesteld beleedigden zij de donna zeer, lieten haar ten slotte mistroostig achter en keerden naar huis terug met de pij van den engel Gabriël. Ondertusschen, terwijl het licht was geworden, hoorde de goede man, terwijl hij op den Rialto was, dat de engel Gabriël bij nacht had geslapen bij madonna Lisetta en door de schoonbroeders gevonden, uit angst zich in het Kanaal had geworpen en men wist niet, wat er van hem geworden was. Daarom dacht hij, dat die bij hem in huis het moest wezen. Toen hij daar gekomen was en hem had herkend en over veel met hem gesproken had, kwam hij met hem overeen, dat, als hij niet door hem wilde aan de schoonbroeders overgeleverd worden, hij hem vijftig ducaten moest laten bezorgen en dit gebeurde. Daarna, toen broeder Alberto verlangde er uit te gaan, zeide hem de goede man: Daar is geen middel voor, tenzij gij dit niet wilt. Wij zullen heden een feest maken, waarop ieder een man leidt als een beer gekleed of als een wilde of in een andere vermomming en zoo zullen wij een jacht maken op het plein van San Marco en als dat gedaan is, eindigt het feest en dan gaat ieder met dengeen, dien hij geleid heeft, waar hij wil. Indien gij wilt, dat men niet zal weten wie gij zijt, zal ik u in een van die vermommingen daar brengen en ik zal u vervolgens kunnen leiden, waar gij verkiest. Anders zie ik niet, hoe gij hieruit zult kunnen gaan zonder herkend te worden, want de zwagers van de dame van meening, dat gij op eenige plaats in den omtrek verborgen zijt, hebben overal schildwachten uitgezet om u te krijgen.
Hoewel het hard scheen aan broeder Alberto zoo vermomd te vertrekken bracht de vrees hem er toch toe, die hij voor de verwanten van de donna had en zeide hij aan hem, waar hij heen gebracht wilde worden en dat hij tevreden zou zijn, mits men hem er heen leidde. Nadat hij hem heelemaal met honing had ingewreven, bestoken had met kleine veeren en hem een keten in den mond had gedaan, een masker voor het gelaat en in de eene hand een groote stok had gegeven en in de andere twee groote honden, die hij van de slagerij had gebracht, zond hij iemand naar den Rialto, die bekend maakte, dat wie de engel Gabriël zien wilde naar het San Marco-plein moest gaan. En dit is de Venetiaansche betrouwbaarheid! [74] Toen dit gedaan was, liet hij hem er uitgaan, hield hem van achteren vast aan een keten, niet zonder groot rumoer van de menigte, die om strijd riepen: Wat is dat? Wat is dat? en leidde hem het plein op, waar degenen, die hem achterna gegaan waren en ook degenen, die de bekendmaking op den Rialto hadden gehoord, een eindelooze massa menschen vormden. Toen zij daar waren aangekomen op een verheven en hooge plaats, bond hij den wildeman aan een zuil, en deed of hij de jacht afwachtte, terwijl aan dien laatste de muggen en de paardenvliegen, omdat hij met honing was ingewreven, zeer grooten last veroorzaakten. Maar toen de ander het plein zeer vol zag en deed of hij zijn wildeman wilde ontketenen, trok hij broeder Alberto het masker af en zeide: Heeren, daar het wilde zwijn niet ter jacht komt en die anders niet doorgaat, wil ik, opdat gij niet voor niets zijt gekomen, dat gij den engel Gabriël ziet, die ’s nachts van den hemel ter aarde daalt om de Venetiaansche donna’s te troosten. Zoodra het masker was afgerukt, werd Fra Alberto dadelijk door allen herkend, tegen wien zich een algemeen gejouw verhief, terwijl men hem de grofste scheldwoorden en de grootste beleedigingen toevoegde, die men ooit een schurk nagaf en behalve dat wierp elk, deze hem eene, gene hem een andere hoop vuil in het gezicht. Zoo hielden zij hem een heelen tijd vast, totdat toevallig het nieuws tot zijn ordebroeders was doorgedrongen en zes van hen er heen kwamen, hem een kap op den rug gooiden en hem geketend niet zonder zeer groot rumoer naar hun huis voerden, waar hij werd gevangen gezet en men gelooft, dat hij na een ellendig leven stierf. Aldus durfde hij, die voor goed werd gehouden en die kwaad deed, hoewel men het niet geloofde, den engel Gabriël spelen en vermomd als wilde man, werd hij op den langen duur, gelijk hij verdiend had, geschandvlekt en beklaagde vergeefsch de bedreven zonden. Zoo behage het aan God, dat het aan alle anderen zal gaan.
DERDE VERTELLING.
Drie jongelieden worden op drie zusters verliefd en vluchten met hen naar Creta. De oudste doodt haar minnaar uit jaloezie, de tweede redt de oudste zuster het leven door te slapen met den hertog van dit eiland, wier minnaar haar doodt en met de oudste vlucht. De derde minnaar en de derde zuster worden beschuldigd van den moord; zij bekennen dit na gevangen genomen te zijn en uit vrees voor den dood koopen zij den bewaarder om en vluchtten arm naar Rhodes, waar zij in ellende sterven. [75]
Toen Filostrato het einde der geschiedenis van Pampinea gehoord had, bleef hij eenigen tijd stil en zeide toen naar haar gekeerd: Er was wel wat goeds—en dat beviel mij—in het slot van uw verhaal, maar er was in den aanvang te veel in om te lachen, wat ik liever niet had gewild. Daarop sprak hij naar Lauretta gewend: Donna, volgt u nu met een beter verhaal, indien dit kan. Lauretta zeide lachend: Gij zijt te wreed jegens de minnenden, indien gij toch maar voor hen een ongelukkig einde wenscht. En ik om u te gehoorzamen zal u er een vertellen van hen, die eveneens er slecht bij voeren en weinig pleizier van hun liefde beleefden en na die woorden begon zij:
Jonge dames. Gelijk gij zeer goed kunt begrijpen, kan elke ondeugd in het grootste nadeel verkeeren voor hem, die er misbruik van maakt en dikwijls ook voor anderen. En onder de gebreken, die ons met losse teugels in het verderf voeren, schijnt mij de drift te behooren, welke geen andere is dan een plotselinge en ondoordachte beweging, ontstaan door een gevoel van treurigheid, dat alle rede verdrijft en onze geestesoogen met duisternis verblindend in de ziel een hevige woede doet ontvlammen. Daar dit dikwijls bij de mannen gebeurt en bij den een meer dan bij den ander, ziet men die ondeugd met nog grooter nadeel bij de vrouwen, omdat die in hen lichter ontbrandt, met helderder vlam ontstoken wordt en minder zelfbedwang ze weerhoudt. Daar is niets wonderlijks in, omdat wij het vuur, als wij willen opletten, van nature eerder lichte en zwakke dingen zullen zien aantasten dan harde en zwaardere. Toch—en de mannen nemen het niet als een kwaad op—zijn wij veel gevoeliger dan zij zijn en veel bewegelijker. Daarom in aanmerking nemend, dat wij hiertoe van nature geneigd zijn en als we daarna beschouwen, hoe onze zachtmoedigheid en welwillendheid aan de mannen een groote rust en genot schenken, met welken wij moeten leven en dat aldus de drift en de woede een groot nadeel en gevaar zijn en dat wij hierdoor een sterker karakter bewaren, wil ik met mijn geschiedenis aantoonen, waarin de liefde van drie jongelieden en even zooveel donna’s gelijk ik hierboven zeide, door den toorn van een hunner van gelukkig zeer ongelukkig is geworden.