Chapter 28
Toen Ghismonda haar vader had aangehoord en wist, dat niet alleen haar geheime liefde ontdekt was, maar ook Guiscardo was gevangen genomen, gevoelde zij een onuitsprekelijke smart en stond op het punt met geschrei en tranen gelijk de vrouwen meestal doen die te toonen, maar toch, zij overwon in haar trotsche ziel die zwakheid, hield haar gelaat met bewonderenswaardige kracht onbewegelijk en besloot liever dan te smeeken niet langer te blijven leven, daar zij dacht, dat haar Guiscardo al dood was. Daarom zeide zij niet als een klagende vrouw of een, die berispt wordt over haar fout, maar zorgeloos en dapper, met strak en open gelaat en geenszins verontrust tot haar vader: Tancredi, ik ben noch bereid tot ontkennen noch tot smeeken, omdat noch het een mij tot iets dienen zou, noch het andere mij iets waard is en behalve dat ben ik niet van plan door eenige daad uw zachtmoedigheid en liefde te winnen, maar de waarheid te zeggen en ik wil eerst met ware redenen mijn eer verdedigen en dan met feiten ten sterkste de grootheid van mijn ziel toonen. Het is waar, dat ik Guiscardo bemind heb en nog bemin en als men hiernamaals lief heeft, zal ik niet ophouden dit te doen, maar de vrouwelijke zwakheid heeft mij niet zoozeer daartoe gebracht als uw weinige zorg om mij weer uit te huwen en zijn deugd. Het moet u duidelijk zijn, Tancredi, daar gij van vleesch zijt, dat gij een dochter van vleesch hebt voortgebracht en niet van steen of van ijzer en gij moet u ook herinneren hoewel gij nu oud zijt, hoe en hoedanig en met welk een kracht de wetten der jeugd zich doen gelden. En hoewel gij u als man in uw beste jaren in den wapenhandel heb geoefend, moet gij even goed weten wat ledigheid en de zoetheid van het leven vermag bij de ouden niet minder dan bij de jongen. Ik ben uit u van vleesch geboren en ik heb zoo weinig geleefd, dat ik nog jong ben en door het een en ander was ik vol begeerte naar bijslaap, waar het huwelijk bij is gekomen, als wonderbare kracht en het kennen van dit genot dit verhoogde. Daar ik aan die krachten geen weerstand kon bieden, was ik geneigd die te volgen, welke mij aantrokken als een jonge vrouw en ik werd verliefd. Voorzeker, ik verzette mij er tegen met al mijn deugd, te willen dat, waartoe deze natuurlijke zonde mij aantrok, noch aan u noch aan mij schande zou veroorzaken. Hiertoe hadden voor mij de barmhartige Amor en de welwillende fortuin een weg gevonden en mij die aangewezen, waardoor ik zonder dat iemand het merkte, mijn verlangen kon voldoen. En dat wat gij hebt bewezen en weet, ontken ik niet. Ik heb Guiscardo genomen niet bij toeval gelijk velen doen, maar na rijp beraad heb ik hem boven elkeen uitgekozen en heb hem met overleg bij mij binnen gevoerd en met een wijze volharding van mij en van hem heb ik mij lang in mijn begeerte verheugd. Het schijnt dus, dat gij, behalve dat ik uit liefde heb gezondigd mij met nog meer bitterheid verwijt,—daar gij meer de gewone meening volgt dan de waarheid—dat ik (alsof gij niet ontroerd moest zijn als ik een edelman had uitgekozen boven hem) mij met een man van lage afkomst heb opgehouden. Gij bemerkt niet, dat gij hierin niet mijn zonde, maar die der fortuin afkeurt, die dikwijls genoeg de onwaardigen hoog verheft en de waardigsten doet zinken. Maar dit ter zijde latend, let een weinig op de beginselen der dingen: gij zult dan bemerken, dat ons aller vleesch gemaakt is uit een massa vleesch en dat de schepper elke ziel geschapen heeft met gelijke krachten en met gelijke deugd. De deugd onderscheidde ons eerst, die allen gelijk geboren werden en worden; en die deze bezaten en er het grootste deel van hadden, werden edelen genoemd en de rest bleef volk. En hoewel een tegengestelde gewoonte die wet heeft verkracht, is die nog niet verdwenen, noch vernietigd door de natuur of door goede zeden. Dus wie zich goed gedraagt, toont daardoor van adel te zijn, en als iemand hen anders noemt, is het niet hij, die genoemd wordt, maar hij die noemt, welke een fout begaat. Zie onder al uwe edellieden en onderzoek hun deugd, hun zeden en hun manieren en beschouw van den anderen kant die van Guiscardo; indien gij zonder vijandigheid wilt oordeelen, zult gij hem zeer edel noemen en al die edellieden dorpers. Over de deugd en de waarde van Guiscardo heb ik niet geoordeeld naar de meening van iemand anders maar naar uwe woorden en met mijn oogen. Wie prees hem ooit zoo aan als gij, toen gij hem hebt aanbevolen in al die lofwaardige dingen, in welke een waardig man moet geprezen worden? En zeker niet ten onrechte, want als mijn oogen mij niet hebben bedrogen, werd hem door u geen lof verstrekt, welke hij niet verdiende, maar heel veel meer dan uwe woorden het konden uitdrukken. Indien ik mij hierin toch eenigszins bedrogen heb, dan ben ik het door u. Zult gij dan nu zeggen, dat ik met een man van lage afkomst heb omgegaan? Dan zult gij geen waarheid spreken, maar indien gij zult zeggen met een arm man, zal men u tot uwe schande kunnen na geven, dat gij een waardig man als uw dienaar niet in goeden stand hebt kunnen verheffen. De armoede ontneemt aan niemand zijn adel, maar wel zijn bezittingen. Vele koningen, vele groote vorsten waren vroeger arm en velen van hen, die de aarde spitten en het vee hoedden, waren eenmaal zeer rijk en zoo is het nog heden. De laatste twijfel, dien gij bij u zelf verwekt, namelijk wat gij met mij hebt te doen, verjaag dien geheel, indien gij in uwen hoogsten ouderdom geneigd zijt te doen, wat gij als jonkman niet gewoon waart namelijk wreed te worden; oefen jegens mij uwe wreedheid uit, die niet van zins ben eenige smeekbede tot u te richten, als gij daartoe de eerste aanleiding vindt in de zonde, indien er gezondigd is. Want ik verzeker u, dat, wat gij van Guiscardo zult gemaakt hebben of maken zult, zal ik met mijn eigen handen van mij maken als gij het niet doet. Welnu, ga als de vrouwen huilen en breng door wreed te worden met een zelfden dood hem en mij om, als wij het aan u verdiend hebben.
De vorst leerde aldus de grootheid van ziel van zijn dochter kennen, maar hij geloofde niet, dat zij zoo sterk geneigd was tot datgene, wat zij zeide en waarop haar woorden zinspeelden. Hij ging van haar weg en nadat hij de gedachte verwijderd had, dat zij er zelf onder zou lijden, bedacht hij een middel om zijn brandende liefde in het leed van anderen te verkoelen en beval aan twee man, die Guiscardo bewaakten, dat zij hem zonder gedruisch den volgenden nacht zouden worgen en hem zijn hart zouden brengen, na hem dit te hebben uitgerukt. Zij deden dit gelijk hun bevolen was. Daarop liet de prins den volgenden dag een grooten en schoonen gouden beker komen, liet daarin het hart van Guiscardo doen, zond zijn meest vertrouwden bediende naar zijn dochter en gelastte hem haar het volgende te zeggen bij het overreiken van dezen: Uw vader zendt u dit om u te troosten over hetgeen gij het meest bemind hebt gelijk gij hem troostte over wat hij het meest lief had.
Ghismonda niet afgebracht van haar beslist plan, liet toen haar vader haar had verlaten, kruiden komen en vergiftige wortels, die zij afkookte en in water oploste om ze gereed te hebben, als gebeuren zou, wat zij vreesde. Toen de knecht gekomen was zoowel met de aanbieding als met de woorden van den vader, nam zij den beker met een strak gelaat aan, deed dien open, zag het hart en hoorde de woorden en hield het voorzeker, dat dit het hart was van Guiscardo. Daarom het aangezicht heffend naar den bediende, zeide zij: Er past geen minder waardige bewaarplaats dan van goud aan een hart, als dit is: hierin heeft mijn vader passend gehandeld. Bij die woorden naderde zij den beker, kuste het en zei: In alles, altijd en tot het einde van zijn leven heb ik bij mijn vader teedere liefde voor mij gevonden, maar thans meer dan ooit en daarom zult gij hem van mijn kant voor een zoo groot geschenk de laatste liefdebetuigingen teruggeven, die ik hem ooit vergelden kan.
Bij die woorden boog zij zich over den beker, dien zij omklemde, en sprak het hart aanschouwend: O zeer teedere schuilplaats van al mijn vreugden, vervloekt zij de wreedheid van hem, die mij dwingt u met stoffelijke oogen te zien! Het was mij genoeg u steeds met die des geestes te aanschouwen. Gij hebt uw loopbaan volbracht: gij zijt gekomen tot het eind, dat ieder bereikt; gij hebt de ellenden en de zorgen der wereld achtergelaten en gij hebt van uw vijand zelf het graf, dat gij hebt verdiend. Niets ontbrak u om een volkomen begrafenis te hebben dan de tranen van haar, die u bij uw leven zoozeer heeft bemind en opdat gij die zoudt ontvangen, gaf God het mijn onvermurwbaren vader in u aan mij toe te zenden en ik zal ze u wijden, hoewel ik besloten had met droge oogen te sterven en met een door niets ontzet gelaat. En wanneer ik u die zal hebben geschonken, zal ik zonder verwijl maken, dat mijn ziel u dienend bij die komt, welke gij zoo zorgvuldig hebt bewaard. En met welk ander geleide dan dit zou ik tevredener of geruster kunnen vertrekken naar de onbekende gewesten? Ik ben er zeker van, dat zij nog hierin is en dat zij de plaatsen van uwe en mijn vreugden aanschouwt. En deze, waarvan ik zeker ben, dat hij mij bemint, verwacht mij, die hem het meest lief had. Daarna alsof zij een bron in het hoofd had, zonder kreten te uiten gelijk de vrouwen gewoon zijn, boog zij zich over den beker en zuchtend begon zij zooveel tranen te storten, dat het vreeselijk was om te zien en kuste tallooze malen het doode hart.
Haar jonkvrouwen, die om haar heen stonden, begrepen niet wat dat hart beteekende of wat die woorden zeggen wilden, maar door medelijden overwonnen, weenden zij allen en vroegen haar tevergeefs met een uitdrukking van erbarming naar de oorzaak van haar tranen en trachtten haar, zoo goed ze wisten en konden, te troosten. Toen zij genoeg scheen geschreid te hebben, hief zij het hoofd op, wischte haar oogen af en sprak: O teer bemind hart, elke plicht jegens u heb ik volbracht, mij rest niets anders om te doen dan om u met mijn ziel te begeleiden. En bij die woorden liet zij zich het fleschje geven, waarin het water was, dat zij den vorigen flag had klaar gezet, wat zij in den beker deed, waarin het hart met haar tranen was gewasschen en zonder eenige vrees hief zij het aan den mond en dronk het geheel leeg. Daarna legde zij zich met den beker in de hand te bed en zich zoo eerbaar mogelijk in haar kleeren wikkelend, strekte zij haar lichaam daarop uit; dicht bij haar hart bracht zij dat van den vermoorden minnaar en wachtte zonder iets meer te zeggen op den dood. Haar kamervrouwen, die deze dingen hadden gezien en gehoord, maar die niet wisten, wat voor water het was, dat zij had gedronken, lieten alles aan Tancredi melden. Deze bevreesd voor wat zou gebeuren, daalde ijlings naar de kamer van zijn dochter af, waar hij juist kwam, toen zij op het bed lag. En toen hij te laat zich had opgeheven om haar met zoete woorden te troosten en zag in welk een toestand zij was, begon hij smartelijk te schreien. Hierop sprak de donna: Tancredi, laat die tranen dienen voor een voorval minder gewenscht dan dit en wijdt ze niet aan mij, die ze niet verlang. Wie zag ooit iemand, behalve u weenen over wat hij zelf heeft gewild! Maar toch, indien er iets van de liefde, die gij mij vroeger hebt toegedragen nog in u leeft, sta mij als laatste geschenk dan toe, daar het niet naar uw zin was, dat ik zwijgend en in stilte met Guiscardo leefde, dat mijn lichaam met het zijne, waar gij het hebt doen neerwerpen, openlijk begraven wordt. De beklemming van zijn tranen belette den vorst te antwoorden. Toen voelde de jonge vrouw haar einde naderen, drukte het doode hart aan haar borst en sprak: Blijf achter met God, want ik ga heen. En de oogen sluitend en zonder bewustzijn verscheidde zij uit dit smartelijk leven. Zulk een treurig einde, als gij nu hebt gehoord, had de liefde van Guiscardo en Ghismonda. Nadat Tancredi hen zeer had beklaagd en te laat berouw had over zijn wreedheid, liet hij hen onder de algemeene droefenis van alle Salerners beide eervol in een zelfde tombe begraven.
TWEEDE VERTELLING.
Broeder Alberto laat aan een dame gelooven, dat de engel Gabriël verliefd op haar is en laat zich voor dien engel doorgaan om verscheidene malen met haar samen te zijn. Uit vrees voor haar verwanten ontvlucht hij haar huis en verschuilt zich bij een armen man, die hem den volgenden dag op het plein brengt vermomd als wildeman. Daar wordt hij herkend door haar zwagers en naar den kerker gevoerd.
De geschiedenis door Fiammetta verhaald had het gezelschap reeds meermalen de tranen in de oogen doen staan, maar toen deze geëindigd was, zeide de koning met een somber gelaat: Het leven schijnt mij van weinig waarde, als ik dit moest geven voor de helft van het genot, dat Ghismonda met Guiscardo had en niemand van u moet er zich over verwonderen, daar het hiermee zoo gesteld is, dat ik levend mij steeds duizend dooden voel sterven zonder dat mij gedurende al dien tijd het minste beetje genot wordt geschonken. Maar wanneer ik voor het oogenblik mijn lotgevallen in hun eigen kring besloten laat, wil ik toch, dat Pampinea met treurige verhalen en ten deele aan mijn avonturen gelijk, met spreken vervolgt; indien zij voortgaat gelijk Fiammetta is begonnen, zal ik zonder eenigen twijfel een verkoeling voelen dalen op mijn vuur. Toen Pampinea zag, dat het haar beurt was, begreep zij veeleer door haar welgezindheid van haar gezelschap het verlangen daarnaar dan dat des konings door diens woorden derhalve meer geneigd het een weinig op te vroolijken dan alleen aan het bevel des konings te voldoen, en daardoor gedwongen te zijn een vertelling te verhalen om te lachen zonder van het voorgestelde onderwerp af te wijken, maakte zij zich gereed en begon aldus:
De menschen uit het volk gebruiken dit spreekwoord: Die slecht is en voor goed wordt gehouden, kan kwaad doen zonder dat men het gelooft. Dit verschaft mij overvloed van stof om over hetgeen mij is voorgesteld te spreken en bovendien om aan te toonen, hoe groot en hoedanig de huichelarij is der monniken. Met hun breede en lange gewaden en hun kunstmatig verbleekte gezichten en met hun nederige en zachte stem als zij anderen vragen en trotsch en barsch om in anderen hun eigen ondeugden te misprijzen, verklaren zij, dat zij door te nemen en anderen door te geven, tot verlossing komen. Bovendien niet als menschen, die het Paradijs moeten winnen evenals wij, maar als bezitters en heeren daarvan geven zij aan ieder, die sterft naar de hoeveelheid geld door hem nagelaten een meer of minder goede plaats en trachten hiermee eerst zich zelf, indien zij dit gelooven en vervolgens anderen, die in hun woorden vertrouwen stellen, te bedriegen. Als het mij geoorloofd was dit aan te toonen, gelijk ik wenschte, zou ik naar aanleiding hiervan spoedig uiteen zetten, hoeveel zij onder hun wijde kappen verborgen houden. Maar mocht het Gode behagen, dat aan allen in hun kunstenmakerij overkwam, wat aan een Minderbroeder geschiedde, geen onbeduidend jonkman maar een, die voor een van de beste casuisten [71] werd gehouden te Venetië. Dat wil ik heel graag vertellen om hierdoor een weinig uw zielen vol medelijden met den dood van Ghismonda, misschien met gelach en plezier op te beuren.
Er leefde dan, zeer waarde dames, te Imola een man van een boos en verdorven gedrag, die Berto della Massa heette, waarvan de slechte daden bij de bewoners van die stad zeer bekend waren en hem zoo brandmerkten, dat er niemand meer in Imola was, die niet alleen niet aan de leugens, maar ook niet aan de waarheden, die hij vertelde, geloofde. Daarom, toen hij gewaar werd, dat zijn bedriegerijen er niet meer hielpen, ging hij wanhopig naar Venetië, een vergaarbak van allerlei onzedelijkheid en dacht daar op andere wijze naar zijn boosheid te werk te gaan, wat hij aldaar niet had kunnen doen. En alsof hij door zijn geweten gekweld werd wegens de valschheden vroeger door hem gedaan, toonde hij zich van een uiterste nederigheid en bovendien beter katholiek dan ieder ander en werd Minderbroeder. Hij liet zich broeder Alberto van Imola noemen en in hun gewaad begon hij voor den schijn een leven van ontbering te leiden en de boete en het vasten te prijzen en hij at geen vleesch en dronk geen wijn, wanneer hij er geen had, die hem beviel. Men had ternauwernood gemerkt, dat hij van een dief een wellusteling, een falsaris, een moordenaar, een groot prediker was geworden zonder daarom de genoemde ondeugden te hebben verbeterd, die hij als hij kon, in ’t geheim bot vierde. Bovendien, daar hij priester was geworden, weende hij altijd bij het altaar, wanneer hij de mis bediende en velen zagen hem schreien over het lijden van den Verlosser, als iemand wien de tranen weinig kostten, als hij het wilde. En in korten tijd door zijn prediken en tranen wist hij op zoo’n wijze de Venetianen te misleiden, dat hij tot vertrouwde en bewaarder van elk testament werd gemaakt, dat er opgesteld werd en kassier van de gelden van velen en biechtvader en vertrooster van vele mannen en vrouwen. Zoo was hij van wolf herder geworden en zijn roep van heiligheid was daar veel grooter dan ooit die van Franciscus van Assisi. Nu kwam een onnoozele en dwaze jonge dame, die madonna Lisetta van het huis Quirino heette en de vrouw van een groot koopman, die met de galeischepen naar Vlaanderen was gegaan met andere dames bij dien broeder biechten. Deze dame zat aan zijn voeten en nadat zij hem als Venetiaansche—en die zijn allen dwaas—een deel van haar zonden gebiecht had, nam broeder Alberto haar in verhoor en vroeg haar of ze niet een of anderen minnaar had. Daarop antwoordde zij met een verontwaardigd gezicht: Och, messire de monnik, hebt u geen oogen in uw hoofd? Schijnen mijn schoonheden u geschapen als die der anderen? Ik zou te veel minnaars hebben, als ik wilde; maar de mijnen zijn er niet op gemaakt om door deze of gene bemind te worden. Hoevelen ziet u er, waarvan de schoonheden gevormd zijn als de mijnen, van mij, die nog in het paradijs schoon zou zijn? En bovendien vertelde zij zooveel over haar eigen schoonheid, dat het vervelend was om aan te hooren. Broeder Alberto begreep dadelijk, dat zij verwaand was en daar dit hem een terrein scheen voor zijn plannen, werd hij dadelijk zeer op haar verliefd. Maar hij hield zijn valstrikken voor een geschikter oogenblik verborgen en om zich voor een heilige uit te geven, begon hij haar voor ditmaal te berispen en haar te zeggen, dat dit een ijdele roem was en meer van die dingen. Daarom zei de donna hem, dat hij een ezel was en dat hij de eene schoonheid niet van de andere wist te onderscheiden. Broeder Alberto, die haar niet al te boos wilde maken, liet haar, nadat zij gebiecht had, heengaan met de andere vrouwen.