De Decamerone van Boccaccio

Chapter 27

Chapter 273,940 wordsPublic domain

Maar eer ik aan ieder ga antwoorden, staat het mij aan ten mijnen gunste niet een heele novelle te verhalen, opdat het niet schijnt, dat ik mijn verhalen met die van een zoo lofwaardig gezelschap wil vermengen als dit was, waarvan ik u hier sprak, maar een deel er van, opdat uit zijn gebrekkigheid zelf blijkt, dat het niet van u is en nu aan mijn vijanden het verhalende, zeg ik: [69]

In onze stad leefde al lang geleden een burger, die Filippo Balducci heette, een man van zeer nederige afkomst, maar rijk en zeer benijd en ervaren in de zaken betreffende zijn beroep. Hij had een vrouw, die hij zeer beminde en zij hem; zij leidden samen een rustig leven en deden voor niets meer hun best dan om elkaar geheel te behagen. Nu gebeurde het als met elkeen, dat de goede donna kwam te sterven en aan Filippo niets anders van haar naliet dan een zoon door haar ter wereld gebracht, die misschien twee jaar oud was. Hij bleef over den dood van zijn donna zoo troosteloos als ooit iemand, wanneer die een geliefd wezen verloor. En ziende, dat hij alleen was gebleven zonder de gezellin, die hij het meest beminde, nam hij zich voor niet meer van deze wereld te zijn maar zich te wijden aan den dienst van God en hetzelfde te doen met zijn kleinen zoon. Nadat hij daarom alles aan de armen gegeven had, ging hij zonder verwijl naar den berg Asinajo [70] en daar trok hij zich met zijn zoon in een kleine hut terug, waarin zij beide van aalmoezen in vasten en bidden leefden en hij zich ten sterkste er voor hoedde met zijn zoon van eenige wereldlijke zaak te spreken of hem er iets van te laten zien, opdat dit hem niet van dezen dienst afleiden zouden, maar altijd van de glorie van het eeuwige leven en van God en van de heiligen en leerde hem niets anders dan de heilige gebeden en hij liet hem vele jaren zoo leven, en nooit uit de hut gaan of hem ooit iets anders aanschouwen. De eerwaarde man placht soms naar Florence te gaan en vandaar, geholpen naar zijn behoeften, keerde hij naar zijn hut terug. Toen de jongen al achttien jaar was en Filippo al oud, vroeg hij hem eens, waar hij heenging. Filippo zeide het hem. De jongen antwoordde: Vader, gij zijt nu oud en kunt slecht vermoeienis verdragen; waarom brengt gij mij niet een keer naar Florence, opdat, wanneer gij mij de vrienden en vromen van God en van u doet kennen, ik die jong ben en mij beter kan inspannen, voor onze behoeften later naar Florence kan gaan, wanneer het u bevalt? En gij kunt dan hier blijven.

De eerwaarde man, die bedacht, dat zijn zoon al groot was en zoo gewoon was aan den dienst van God, dat de dingen der wereld hem moeilijk voortaan daaraan konden onttrekken, zeide tot zich zelf: Hij redeneert goed. Daarom, toen hij er heen moest gaan, nam hij hem mee. Toen de jonkman daar de paleizen zag, de huizen, de kerken en al de andere zaken, waarvan de heele stad vol was, begon hij, omdat hem nooit uit zijn herinnering zoo iets voorstond, zich zeer te verbazen en vroeg van velen aan zijn vader, wat dat waren en hoe zij heetten. De vader vertelde hem dit. En hij, die dit vernam, bleef voldaan en vroeg nu iets anders. Terwijl de zoon zoo vroeg en de vader zoo antwoordde, ontmoetten zij toevallig een gezelschap schoone en getooide jonge meisjes, die van een bruiloft kwamen. Toen de jongeling die zag, vroeg hij ook wat dat voor een ding was. De vader sprak dan: Mijn zoon, sla de oogen ter aarde neder; kijk er niet naar, dat is een kwaad ding. De zoon ging voort: O hoe heeten die? De vader, om niet in den zinnelijken geest des jongelings een schadelijke, zondige begeerte op te wekken, wilde ze niet bij hun eigen naam noemen, maar zeide: Het zijn ganzen.

Het is wonderbaar om te hooren! Hij, die er nooit een gezien had, bekommerde zich niet meer om de paleizen, om os, paard noch ezel, noch om geld, noch om wat hij ook had aanschouwd, maar zei onmiddellijk: Vader, ik bid u, dat gij zorgt, dat ik zulk een gans krijg. Wee mij, mijn zoon, sprak de vader, zwijg, zij zijn een boos ding. De zoon vroeg hem toen: Ik weet niet, wat gij zegt, noch waarom die wezens slecht zijn; wat mij betreft, mij heeft nog nooit iets zoo schoon of bekoorlijk geschenen als dezen zijn. Zij zijn schooner dan de geschilderde engelen, die gij mij meermalen hebt doen aanschouwen. Kijk, als gij om mij geeft, zorg dan dat wij een van die ganzen naar boven medenemen en ik zal die voeren. De vader sprak: Ik wil het niet; gij weet niet, waarmee zij zich voeden. En hij bemerkte dadelijk, dat de natuurdrift machtiger was dan zijn geest en had er berouw van zijn zoon naar Florence te hebben gevoerd.

Maar dit is tot hiertoe van deze geschiedenis voldoende verteld en ik wil mij weer wenden tot hen, die ik deze verhaald heb. Eenige van mijn verbeteraars zeggen, dat ik kwaad doe, o jonge dames, doordat ik mij er te veel op toeleg u te behagen en dat ge mij te veel bekoort. Dit beken ik openlijk, namelijk, dat gij mij bekoort en dat ik mijn best doe u te bevallen. En ik vraag hen, waarom zij er zich over verwonderen als zij niet eens in aanmerking nemen, dat ik de verliefde kussen gekend heb en de heerlijke omhelzingen en de zalige samenkomsten, welke men van u, allerzoetste donna’s, dikwijls geniet. Zij schijnen er alleen op te letten, dat ik gezien heb en voortdurend zie uw sierlijke manieren en uw begeerenswaardige schoonheid en uw schoonen tooi en behalve dat uw aristocratische eerbaarheid. Zou dan iemand die gevoed, opgegroeid en volwassen is op een wilden en eenzamen berg binnen de muren van een enge hut zonder ander gezelschap, dan zijn vader, zoodra hij u ziet, niet u alleen begeeren, niet u alleen verlangen, niet u alleen met hartstocht volgen? Laten zij, die mij misprijzen, mij maar bijten, mij verscheuren, als ik, wiens lichaam de hemel geheel heeft geschapen om u te beminnen en die van af mijn kindsheid u mijn ziel heb gegeven, de kracht maar heb van het licht uwer oogen, de zachtheid van uwe honingzoete woorden te gevoelen en ik ontbrand door uw medelijdende zuchten, terwijl gij mij bekoort of als ik mijn best doe u te behagen en zeker indien ik er op let, dat gij ook aan een kleinen kluizenaar, aan een jonkman zonder gevoel, haast aan een wild beest hebt bekoord? Voorzeker wie u niet bemint, en niet verlangt door u bemind te worden als iemand, die noch de genoegens noch de kracht der natuurlijke aandrift voelt noch kent, laat die mij maar hekelen; daar geef ik weinig om. En zij, die tegen mijn leeftijd gaan spreken, toonen, dat zij slecht weten, dat de prei, die een witten kop heeft, een groenen staart bezit. Aan hen, scherts ter zijde latend, antwoord ik, dat ik tot de uiterste grens van mijn leven mij niet zal schamen daarin genoegen te vinden, waarin Guido Cavalcanti en Dante Alighieri al bejaard en messire Cino van Pistoja al zeer oud een eer stelden, en het hoog schatten hierin behagen te scheppen. En als het niet gaan was buiten de gewone manier van vertellen, zou ik geschiedenissen ter verdediging aanvoeren en ik zou toonen, dat die allen vol zijn met voorbeelden van antieke en waardige mannen, die in hun rijpste jaren hun best hebben gedaan aan de donna’s te behagen. En als die het niet weten, laten zij dan maar gaan en het leeren.

Dat ik mij met de Muzen op den Parnassus moet bezighouden, ik beken, dat dit een goede raad is, maar ik kan niet mijn heele leven bij de Muzen blijven, noch zij bij mij, en wanneer de man van hen scheidt en zich vermeit hen te aanschouwen, die op dezen gelijken, valt dat niet te laken. De Muzen zijn donna’s en hoewel de donna’s niet verlangen, wat de Muzen begeeren, hebben zij er op het eerste gezicht overeenkomst mee, zoodat, als die mij om niets anders bekoorden, zij het daarom moesten doen zonder te rekenen, dat vroeger voor mij de dames de oorzaak waren, dat ik duizend verzen dichtte, wat de Muzen nooit van mij verkregen. Wel hielpen zij mij en wezen mij, hoe die duizend te maken en misschien, dat zij, bij het schrijven van deze geschiedenissen, hoewel die zeer onbeduidend zijn, verscheidene malen tot mij gekomen zijn om bij mij te blijven misschien ten dienste en ter eere van de gelijkenis, die de donna’s met hen hebben. En daarom als ik ze samen stel, verwijder ik mij noch van den berg Parnassus, noch van de Muzen, wat ongelukkig velen meenen.

Maar wat zullen wij zeggen tot hen, die zooveel bezorgdheid over mijn honger hebben, dat zij mij raden mij brood te verschaffen? Zeker, ik weet het niet, wanneer ik er over denk, wat hun antwoord zou zijn; als ik uit nood het hun zou vragen, dan meen ik, dat zij zouden zeggen: Ja, zoek het met verdere vertelsels te verdienen. En vroeger hebben de dichters er meer met hun fantasiën bij gevonden dan vele rijken onder hun schatten. Velen zelfs door hun verhalen te verbeelden, deden hun leven bloeien, terwijl integendeel velen bij het zoeken naar meer brood dan ze noodig hadden, jong te gronde gingen. Wat meer? Dat zij mij wegjagen, wanneer ik er hun om vraag? Neen, Goddank, heb ik het nog niet noodig en mocht de nood toch nog komen, dan weet ik volgens den Apostel, den overvloed te verdragen en de armoede en daarom dat niemand zich meer met mij bemoeit dan ik het doe met een ander.

Voor hen, die zeggen, dat ik de dingen niet vertel zooals ze gebeurd zijn, zou ik zeer op prijs stellen, dat zij de bronnen voor den dag haalden, en dan, als ze met wat ik schrijf in strijd waren, zou ik zeggen, dat hun aanmerkingen juist waren en ik zou mijn best doen ze zelf te verbeteren. Maar zoolang mij niets anders voor de oogen komt dan praatjes, zal ik ze in hun meening laten, de mijne volgen en van de hunne zeggen, wat zij van de mijne beweren. En denkend, dat ik er voor ditmaal genoeg op heb geantwoord, zeg ik, dat ik met Gods hulp en de uwe, liefste donna’s, waarop ik hoop, gewapend en met veel geduld hiermee zal voortgaan en het hoofd keer tegen dien wind in, welke ik laat blazen. Omdat ik niet zie, dat er voor mij iets anders uit kan voortvloeien dan wat er met het stof gebeurt, dat, wanneer een wind blaast, of niet van de aarde opstuift of als het wordt opgeheven, omhoog wordt gedragen en dikwijls op de hoofden der menschen, op de kronen der koningen en keizers en dikwijls op de trotsche paleizen en de verheven torens neerkomt, waarvan het, als het weer neerslaat, niet lager kan dalen dan het reeds opgejaagd is. En als ik mij er ooit op toelegde met al mijn kracht u te behagen, zou ik mij er nu meer dan ooit aan wijden, want ik weet, dat men met recht niets anders zal kunnen zeggen dan dat de anderen en ik, die u liefhebben, zeer natuurlijk handelen. Tegen die wetten in te gaan, namelijk tegen de natuurwetten, gebeurt niet alleen dikwijls tevergeefs, maar tot groote schade van de daders. Ik beken, dat ik die krachten niet heb en dat ik ze hiervoor niet begeer; en als ik ze had, zou ik ze liever anderen leeren dan ze zelf te gebruiken. Laten daarom mijn vijanden zwijgen en als zij niet kunnen in vuur raken, doordat zij zoo verstompt leven in hun genoegens, of liever in hun verdorven begeerten, laten zij mij in het korte leven mij gesteld, de mijnen gunnen. Maar om terug te keeren tot hetgeen, waarvan wij zeer zijn afgeweken, o schoone donna’s, laten wij daarvan weer uitgaan en de ingestelde orde volgen.

De zon had van den hemel elke ster en van de aarde den vochtigen nevel van den nacht verdreven, toen Filostrato opstond, zijn geheele gezelschap deed herrijzen en nadat zij zich in den schoonen tuin hadden begeven, gingen zij daarin wandelen. Toen het etensuur gekomen was, ontbeten zij daar, waar zij den vorigen avond gegeten hadden. En na geslapen te hebben, toen de zon op zijn hoogste punt stond, verhieven zij zich en volgens gewoonte zetten zij zich neer bij de schoone fontein. Daar beval Filostrato aan Fiammetta, dat die met de vertellingen zou beginnen, welke zonder verder te wachten, wat er gelast werd, vol gratie aldus begon:

EERSTE VERTELLING.

Tancredi, prins van Salerno doodt den minnaar van zijn dochter en zendt haar zijn hart in een gouden beker. Het jonge meisje neemt vergift in en sterft.

Onze koning heeft ons heden een moeilijk onderwerp opgegeven om te behandelen als wij bedenken, dat wij, bijeen gekomen om elkaar op te vroolijken, moeten verhalen van de tranen van anderen, waarvan men niet kan spreken zonder dat zij, die er van vertellen of die er van hooren, geroerd worden. Misschien heeft hij het bevolen om een weinig het genoegen gedurende de voorafgaande dagen gesmaakt, te temperen, maar wat hem er ook toe mag hebben bewogen, ik zal, daar het aan mij niet past zijn wil te veranderen, een betreurenswaardig voorval vertellen of veeleer ongelukkig en uw tranen waard.

Tancredi, prins van Salerno, was een zeer menschlievend en welwillend heer, (als hij niet op zijn ouden dag de handen bezoedeld had met het bloed van verliefden), die in zijn heele leven niet meer dan een dochter had en die veel gelukkiger zou geweest zijn, als hij die niet bezeten had. Deze werd door haar vader even teer bemind als ooit een andere dochter, en juist door die teedere genegenheid, hoewel zij sinds vele jaren den leeftijd te boven was om te trouwen, omdat hij van haar niet wilde scheiden, huwde hij haar niet uit. Nadat hij haar eenigen tijd had gegeven aan een zoon van den hertog van Capua, bleef zij korten tijd bij hem, werd weduwe en keerde weer naar haar vader terug. Zij was zeer schoon van lichaam en van gelaat zooals ooit een vrouw het was, jong, schelmsch en slimmer dan het in sommige omstandigheden van een donna geëischt wordt. Zij leefde met haar vader teeder als een groote donna, verzorgd met vele kiesche oplettendheden, maar daar zij bemerkte, dat haar vader door de liefde, die hij haar toedroeg, er weinig aan dacht om haar uit te huwen en het haar geen eerbare zaak scheen het hem te vragen, dacht zij zoo mogelijk in stilte een minnaar haar waardig te krijgen. Zij zag, dat vele heeren het hof van haar vader bezochten, edelen en uit het volk, gelijk wij dit aan hoven aanschouwen en nadat zij op de manieren en de gewoonten van velen had acht gegeven, behaagde haar onder de anderen een jonge knecht van haar vader, die Guiscardo heette, een man van zeer nederige afkomst, maar door deugd en nobele manieren beter dan wie ook en op hem werd zij in stilte, hem vaak ziende, zeer verliefd, en prees steeds meer zijn gedrag. En de jonkman, die van zijn kant ook niet dom was, had het van haar opgemerkt en droeg haar zoo in het hart, dat hij aan niets anders dacht dan haar te beminnen. Terwijl zij zoo elkaar in stilte lief hadden en het meisje niets anders verlangde dan met hem samen te komen en zij die liefde aan niemand wilde toevertrouwen, dacht zij een nieuw middel uit om hem die te bekennen. Zij schreef een brief, legde hem daarin uit, wat hij den volgenden dag moest doen na dien in een hollen stok te hebben gestoken en gaf dien schertsend aan Guiscardo met de woorden: Maak er voor uwe dienares een blaasbalg van, opdat zij er het vuur mee zal doen opvlammen. Guiscardo nam hem aan en denkend, dat zij niet zonder reden hem dien gaf en zoo sprak, ging heen en begaf zich daarmee naar huis. Toen hij de stok onderzocht en vond, dat die hol was, opende hij dien en vond er haar brief in, las deze en wel begrijpend, wat hem te doen stond, was hij de gelukkigste man, die ooit heeft bestaan en maakte zich gereed om naar de jonge vrouw te gaan door het middel, hem door haar aangewezen.

Er was ter zijde van het paleis van den prins een grot in den berg uitgehold, zeer lang geleden daar gemaakt, waarin een gat met geweld daarin geboord eenig licht in die spelonk gaf. De opening was verlaten en met struiken en kruiden begroeid, verborgen. Men kon in die grot komen langs een geheime trap in een der gelijkvloersche kamers van het paleis, waarin de donna verblijf hield, hoewel die door een stevige deur gesloten was. En die trap was geheel aan allen uit het geheugen gegaan, daar die in lange tijden niet was gebruikt, zoodat bijna niemand zich meer herinnerde, waar die was. Maar Amor, voor wiens oogen niets geheim is, of hij ziet het, had het de verliefde donna doen onthouden. Deze, opdat niemand er iets van zou merken, had vele dagen om een middel geworsteld om dien uitgang open te krijgen. Toen dit gelukt was en zij in de grot was afgedaald en het gat had gezien, waardoor zij Guiscardo bevolen had te trachten bij haar te komen, had zij hem de hoogte aangegeven, die dit van den grond verwijderd was. Om hierin te voorzien had Guiscardo haastig een koord met knoopen en strikken klaar gemaakt om daarlangs te kunnen afdalen en weer opklimmen en gekleed in leer, dat hem tegen de struiken beschermde, ging hij zonder dat hij het iemand zeide den volgenden nacht naar het gat en na een der einden van het koord aan een sterken stam te hebben vastgemaakt, die in de holte van het gat was ontstaan, liet hij zich daardoor in de grot glijden en wachtte de donna af. Deze deed den volgenden dag of zij wilde slapen, zond haar kameniers weg en na zich alleen in haar kamer te hebben opgesloten, maakte zij de deur open en daalde in de grot af, waar zij Guiscardo vond en zij zich samen zeer verheugden. Zij gingen samen naar haar kamer en bleven er een groot deel van den dag met het grootste genoegen. Nadat zij alles zeer voorzichtig hadden geregeld, opdat hun liefde geheim zou blijven, keerde Guiscardo naar de grot terug, sloot zij de deur en ging zij tot haar kameniers naar buiten. Daarop ging Guiscardo bij het invallen van den nacht langs het touw klimmend door het gat, waarin hij binnen was gekomen, weer heen en begaf zich naar huis. Nu hij den weg had geleerd, keerde hij meermalen in verloop van tijd er terug. Maar de fortuin, afgunstig op zulk een lang en een zoo groot genoegen, veranderde de vreugde der beide minnenden door een treurig voorval in droeve klacht.

Tancredi was gewoon soms geheel alleen in de kamer van zijn dochter te komen en daar bij haar te blijven, wat met haar te praten en dan heen te gaan. Deze was op een dag na den eten daar gekomen, terwijl de donna, die Ghismonda heette, in een van haar tuinen was gegaan met al haar jonkvrouwen, zonder dat hij er door iemand was gezien of opgemerkt en daar hij haar niet in haar vermaak wilde storen en de vensters van de kamer gesloten vond en de gordijnen van het bed omlaag, zette hij zich aan de voeten daarvan neer op een verhooging en met het hoofd op het bed geleund en de gordijnen om zich heen getrokken, alsof hij zich daar met zorg had verborgen, sliep hij in. Terwijl hij aldus sluimerde kwam Ghismonda, die per ongeluk dien dag Guiscardo had ontboden en haar vrouwen in den tuin had achtergelaten, stilletjes binnen in de kamer en na die gesloten te hebben en zonder te merken, dat er iemand was, maakte zij de deur open, waarachter Guiscardo haar wachtte en toen zij naar het bed gingen, gelijk zij gewoon waren, en samen schertsten en grappen maakten, werd Tancredi wakker en merkte en zag wat Guiscardo en zijn dochter deden. Hierover zeer treurig, wilde hij eerst schreeuwen, maar besloot toen te zwijgen en verborgen te blijven, indien hij kon, om voorzichtiger te doen—en met minder schande voor hem zelf—wat hem daartoe reeds inviel. De twee minnenden bleven lang te samen, gelijk zij gewoon waren, zonder Tancredi te zien en toen het hun tijd scheen, verlieten zij het bed; Guiscardo keerde in de grot terug en zij ging de kamer uit. Hieruit sprong Tancredi zoo oud als hij was door een venster in den tuin en zonder door iemand gezien te zijn, keerde hij doodelijk bedroefd naar zijn kamer terug. Op zijn bevel werd bij den uitgang van het gat den volgenden nacht Guiscardo in zijn eersten slaap, in leer gekleed van het paartje gevangen nemen en in ’t geheim werd hij voor Tancredi gebracht. Toen deze hem zag, zeide hij klagend: Guiscardo, mijn welwillendheid jegens U had de beleediging en de schande niet verdiend, die gij mij hebt aangedaan, gelijk ik nu met eigen oogen heb gezien. Hierop antwoordde Guiscardo niet anders dan dit: Amor vermag dikwijls meer dan wij. Tancredi beval toen, dat hij heimelijk in een kamer van het kasteel werd bewaakt en zoo geschiedde het. Den volgenden dag, terwijl Ghismonda hier niets van wist en Tancredi in zich zelf verschillende en onderscheidene nieuwe dingen daarover had bedacht, kwam hij na den eten volgens zijn gewoonte in de kamer van zijn dochter, liet haar daar roepen en na zich daarin met haar te hebben opgesloten begon hij klagend te spreken: Ghismonda, het scheen mij, dat ik uwe deugd en uwe eerbaarheid kende, maar ik zou het nooit geloofd hebben, wanneer het mij gezegd was, indien ik het niet met eigen oogen gezien had, dat gij u zoudt overleveren aan een man, die uw echtgenoot niet was. Hierover zal ik het weinige van mijn leven, dat mij als ouden dag dient, altijd treurig blijven, als ik het mij herinner. En had het God maar behaagd, omdat gij u tot zulk een oneerbaarheid liet verleiden, dat gij een man hadt genomen van U passenden adel, maar onder de velen, die mijn hof bezoeken, hebt gij Guiscardo uitgekozen, een jonkman van zeer lage afkomst, aan ons hof uit barmhartigheid van kindsbeen af tot heden opgevoed. Hierdoor hebt gij mij in groote verlegenheid gebracht, daar ik niet weet, hoe ik met u moet handelen. Wat Guiscardo betreft, dien ik van nacht heb laten gevangen nemen, toen hij uit het gat kwam en in de gevangenis liet zetten, weet ik wat mij te doen staat, maar God weet, hoe ik met u moet te werk gaan. Aan den eenen kant trekt mij de liefde, die ik u meer heb toegedragen dan ooit een vader zijn dochter deed en aan den anderen kant de zeer rechtmatige verontwaardiging, die mij beving wegens uw groote dwaasheid. Gene wil, dat ik u vergeef en deze dat ik tegen mijn wil wreed tegen u ben. Maar voor ik beslis, wensch ik dat te hooren, wat gij hierop hebt te zeggen. Bij die woorden boog hij het gelaat voorover en weende zoo bitter als een hevig geslagen kind.