Chapter 26
Toen zij zwanger was, wilde zij de edelvrouw niet langer lastig vallen met dien dienst, maar zij sprak tot haar: Mevrouw, God en u zij dank, heb ik nu, wat ik verlangde, en daarom is het tijd, dat ik doe wat u aangenaam zal zijn, opdat ik daarna vertrek. De edelvrouw zei haar, dat, indien zij had, wat zij begeerde, dit haar genoegen deed, maar dat zij het niet had gedaan met eenige hoop op belooning, doch omdat het haar scheen, dat zij dit moest doen om goed te handelen. De gravin ging voort: Madonna, dit bevalt mij zeer en van mijn kant ben ik niet van plan u iets te geven als belooning, maar om goed te doen, wat mij plicht schijnt. De edelvrouw toen door noodzakelijkheid gedwongen, vroeg haar met groote verlegenheid honderd lire om haar dochter te doen trouwen. De gravin, die haar verlegenheid zag en haar bescheiden vraag hoorde, gaf er haar honderd vijftig en zooveel schoone en dure juweelen, dat die evenveel waard waren, waarover de edelvrouw meer dan tevreden zoo goed zij kon de gravin bedankte, welke afscheid van haar nam en naar de herberg terugkeerde. De edelvrouw om aan Beltram elke reden te ontnemen iets meer te gelasten of om verder in haar huis te komen, ging met haar dochter te zamen in haar land naar de woning van haar verwanten. Wat Beltram betreft, hij ging naar zijn verblijf daar terug, toen hij eenigen tijd later door zijn vazallen werd geroepen en hoorde, dat de gravin zich had verwijderd. De gravin wetend, dat hij Florence had verlaten en naar zijn gebied was teruggekeerd, was zeer tevreden en bleef zoolang in die stad, tot het oogenblik der bevalling kwam en baarde twee jongens, die zeer op hun vader geleken en die zij met zorg liet zoogen. Toen het tijd werd, begaf zij zich op weg zonder door iemand gekend te worden, kwam te Montpellier en na eenige dagen te hebben uitgerust en omtrent den graaf inlichtingen te hebben gekregen en waar hij zich bevond en zij wist, dat hij op Allerheiligen te Roussillon een groot feest moest geven van edelvrouwen en ridders, ging zij weer in pelgrimskleed, gelijk zij gewoon was, daarheen. Zij vernam, dat de dames en heeren in het paleis van den graaf bijeen waren om aan tafel te gaan en zonder van kleederen te verwisselen klom zij met die knaapjes op haar armen naar de zaal en ging van gast tot gast, tot waar zij den graaf zag, wierp zich aan zijn voeten en zeide: Mijnheer, ik ben uw ongelukkige echtgenoote, welke om u in huis te laten terugkeeren en blijven, langen tijd rondgezworven heeft. Ik herwin u door God, zoo gij u aan de voorwaarden houdt mij gesteld door de twee ridders, die ik u toezond. Ziedaar op mijn armen niet slechts één zoon van u, maar twee en ziehier uw ring. Het is dus tijd, dat ik door u ontvangen word als uw vrouw volgens uw belofte. De graaf dit hoorende was geheel buiten zichzelf en herkende den ring en ook de kinderen, die zoo op hem leken, maar hij zeide: Hoe kan dit gebeurd zijn? De gravin tot groote verbazing van den graaf en van alle aanwezigen vertelde achtereenvolgens, wat er gebeurd was en hoe. De graaf, die zag, dat zij de waarheid sprak en haar volharding en haar scherpzinnigheid bewonderde en ook die zoo schoone knaapjes, wierp zoowel wegens de belofte, die hij had gedaan als om aan al zijn vazallen en edelvrouwen genoegen te doen, zijn wreede koppigheid van zich af, daar zij allen hem vroegen haar als zijn wettige echtgenoote voortaan te ontvangen en te eeren en deed de gravin opstaan. Hij omhelsde en kuste haar, herkende haar als zijn wettige vrouw en de kinderen als de zijnen. Hij liet haar met gewaden overeenkomstig haar rang kleeden en tot groote blijdschap van allen, die er waren en van al zijn andere vazallen, die dit vernamen, maakte hij niet alleen dien dag, maar vele anderen een zeer groot feest en van af dien tijd eerde hij haar steeds als zijn echtgenoote en vrouw, beminde haar en stelde haar zeer hoog.
TIENDE VERTELLING.
Alibek wordt kluizenaarster. De monnik Rustico leert haar den duivel naar de hel te sturen; dan vandaar geroofd, wordt zij de vrouw van Neerbal. [62]
Dioneo, die ijverig bij het verhaal van de koningin had toegeluisterd, zag, dat het geëindigd was en dat aan hem alleen de beurt bleef om te vertellen. Zonder bevel af te wachten begon hij lachend: Genadige donna’s. Gij hebt misschien nooit gehoord, hoe men den duivel terug jaagt naar de hel en daarom zonder af te wijken van het onderwerp, waarover gij allen gesproken hebt, ga ik u dit verhalen. Misschien kunt gij, als gij het verneemt, er de ziel bij winnen en erkennen, dat, hoezeer Amor veel liever de vreugdevolle paleizen en de fluweelige salons bewoont dan de armelijke hutten, hij niettemin tusschen de dichte bosschen, de wilde bergen en de verlaten spelonken zijn kracht doet gevoelen, waaruit men kan begrijpen, dat alles aan zijn macht onderworpen is.
Dus om tot het feit te komen, zeg ik, dat in de stad Capsa [63] in Barbarije vroeger een zeer rijk man leefde, die behalve eenige zoons een schoone en lieve dochter had, die Alibek heette. Deze was geen Christin en daar zij van vele Christenen, die in de stad waren, het christelijk geloof en het dienen van God hoorde roemen, vroeg zij op een goeden dag aan een er van op welke wijze en hoe men het gemakkelijkst God kon dienen. Deze antwoordde haar, dat diegenen God het best dienden, die vooral de wereldsche zaken ontvluchtten gelijk zij deden, welke zich in de eenzaamheid der woestijnen van Thebaïda hadden terug getrokken. Het meisje, dat hoogst eenvoudig was en misschien veertien jaar oud, ging niet door een zelfbewust maar door een kinderlijk verlangen zonder er iemand iets van te laten merken, den volgenden morgen naar de woestijn van Thebaïda [64] geheel alleen in ’t geheim en met groote inspanning den honger verdurend bereikte zij na eenige dagen die eenzame oorden. Zij zag van verre een huisje, ging er heen en vond op den drempel een heiligen man, die verwonderd haar te zien haar vroeg wat zij daar kwam zoeken. Zij antwoordde, dat zij door een ingeving van God in Zijn dienst zocht te komen en dat hij haar zou leeren, hoe het haar paste Hem te dienen. De waardige man, die haar jong en zeer schoon vond en vreesde, dat hij, als hij haar hield, door den duivel zou worden verleid, prees haar goede gezindheid en nadat hij haar eenige wortels had te eten gegeven en wilde appels en dadels en wat water om te drinken, zeide hij: Mijn dochter, niet ver van hier woont een heilig man, die in de dingen, welke gij zoekt meer meester is dan ik; gaat gij naar hem toe. Zij begaf zich op weg. Zij kwam bij hem en nadat zij dezelfde woorden vernam en verder ging, kwam zij aan de cel van een jongen kluizenaar, een zeer vroom en goed man, die Rustico heette en zij vroeg hem, wat zij ook de anderen gevraagd had.
Deze om zijn standvastigheid op een groote proef te stellen, stuurde haar niet als de anderen weg, maar hield haar in zijn cel en toen de nacht kwam, maakte hij haar een bed van palmtakken en op dezen vroeg hij haar zich uit te strekken. Toen dit gedaan was, kon hij de verleiding niet langer weerstand bieden om slag te leveren. Hij weldra hierdoor bedrogen, boog zonder te veel verzet het hoofd en gaf zich als overwonnene over. En de heilige gedachten, de gebeden en de oefeningen ter zijde latend, begon hij in zijn herinnering de jeugd en de schoonheid van het jonge meisje terug te roepen en behalve dat te peinzen over den weg en de manier, die hij moest volgen bij haar, opdat zij niet bemerkte, hij als een besluiteloos man wilde bereiken, wat hij van haar verlangde.
Na eerst eenige vragen gesteld te hebben als proef, bemerkte hij spoedig, dat zij nooit een man gekend had en dat zij even eenvoudig was, als zij er uit zag. Daarom maakte hij het plan om onder het voorwendsel van God te dienen haar tot zijn bevrediging over te halen. Voor alles toonde hij haar met vele woorden aan, hoezeer de duivel een vijand is van God den Heer en daarna gaf hij haar te verstaan, dat men hiermee den grootsten dienst deed aan God den duivel naar de hel terug te jagen, waartoe God hem verdoemd had. Het meisje vroeg hem, hoe hij dit deed. Rustico antwoordde hierop: Gij zult het spoedig weten en daartoe zult gij doen, wat gij mij ook zult zien verrichten. Hij begon zich van de weinige kleeren te ontdoen, die hij aanhad en bleef geheel naakt en zoo deed ook het kind; hij deed haar op de knieën liggen, alsof zij wilde bidden en plaatste haar recht tegenover hem. In die houding, toen Rustico meer dan ooit in begeerte ontbrand was door haar zoo schoon te zien, kwam de prikkel des vleesches, wat Alibek zag en verwonderd deed zeggen: Rustico, wat is dat, wat ik bij u zie, dat bij u zoo uitsteekt en wat ik niet heb? O mijn dochter, zeide Rustico, dat is de duivel, waarvan ik je gesproken heb. En ziet gij: hij kwelt mij nu in de hoogste mate, zoodat ik het ternauwernood kan uithouden. Toen zeide het jonge meisje: O God zij geloofd, dat ik beter af ben dan gij, omdat ik dien duivel niet heb. Rustico antwoordde: Gij zegt de waarheid, maar gij bezit iets anders wat ik niet heb en dat hebt gij daarvoor in ruil. Alibek hernam: Wat dan? Hierop antwoordde Rustico: Gij hebt de hel en ik verzeker u, dat ik geloof, dat God u hierheen heeft gezonden voor het heil van mijn ziel, opdat, terwijl die duivel mij zooveel kwelling veroorzaakt, gij zooveel medelijden moet hebben om toe te staan, dat ik hem in die hel breng, waardoor gij mij een zeer groote verlichting zult schenken en aan God een zeer groot welgevallen en dienst bewijzen, indien gij hier gekomen zijt om te doen, wat gij zegt. Het meisje antwoordde te goeder trouw: Mijn vader, daar ik die hel heb, mag dit gebeuren, wanneer het u zal behagen. Rustico sprak: Mijn dochter, wees gezegend, laten wij dan beginnen en laten wij hem er brengen, opdat hij mij dan met rust laat. Na die woorden legde hij het meisje op een van hun twee bedden en toonde haar, hoe zij zich moest houden om dien door God vervloekte gevangen te houden. Het meisje, dat nog nooit een duivel naar de hel had gestuurd, voelde eerst een weinig pijn, waarom zij tot Rustico zeide: Zeker, mijn vader, die duivel moet een kwade wezen, en werkelijk een vijand des Heeren, want zelfs in de hel doet hij anderen lijden, als hij er in is gestuurd. Rustico ging voort: Mijn dochter, hij zal er niet altijd zoo blijven. En om te zorgen, dat dit niet gebeurde, stuurden zij zes keer achter elkaar, voor zij van het bed opstonden den duivel naar de hel, zoodat zij hem eindelijk het hoofd deden buigen en hij zich stil hield. Maar daarna toen zij hem meermalen deden terugkeeren en het gehoorzame, jonge meisje zich er steeds toe leende, begon het spelletje haar te behagen en zeide zij tot Rustico: Ik zie wel, dat de waarde mannen in Capsa waarheid spraken, dat den Heer te dienen zulk een aangename zaak was. En zeker herinner ik mij niet, dat ik ooit iets anders deed, wat mij zooveel genoegen en behagen verschafte als den duivel naar de hel te jagen. Daarom meen ik, dat ieder, die zich met iets anders bezighoudt dan God te dienen een beest is. Hierdoor ging zij dikwijls Rustico opzoeken en zeide tot hem: Mijn vader, ik ben hier gekomen om God te dienen en niet om rust te houden; laten wij weer den duivel in de hel doen. Bij zoo’n gelegenheid zeide zij eens: Rustico, ik weet niet, waarom de duivel uit de hel vlucht, want als hij er zoo graag bleef, wanneer de hel hem ontvangt en gevangen houdt, zou hij er nooit uit komen.
Doordat het meisje dikwijls Rustico uitnoodigde en tot den dienst des Heeren hem opwekte, trok zij hem zoo het katoen uit het hemd, dat hij zich koud voelde, wanneer een ander zou hebben gezweet. Daarom begon hij aan het meisje te zeggen, dat de duivel niet gekastijd en naar de hel gestuurd moest worden dan, wanneer hij trotsch het hoofd ophief. En wij hebben hem, Goddank, zoo getuchtigd dat hij den hemel bidt om rustig te blijven, en zoo legde hij aan het meisje het zwijgen op. Deze, toen zij zag, dat Rustico haar niet terug riep om den duivel naar de hel te sturen, zeide hem eens: Rustico, als uw duivel geranseld is en u geen last meer veroorzaakt, laat mijn hel mij geen rust, daarom zult gij goed doen, dat gij met uw duivel helpt om de razernij in mijn hel te stillen, gelijk ik u geholpen heb om met mijn hel den trots van uw duivel te buigen. Rustico, die van kruidwortelen en water leefde, kon moeilijk op de uitnoodigingen ingaan en zeide haar, dat er te veel duivels noodig zouden zijn om de hel tot bedaren te brengen, maar dat hij zou doen, wat hij kon. Zoo voldeed hij haar enkele malen maar zoo weinig, dat dit niet meer was dan een boon te werpen in den muil van een leeuw. Hierover was het jonge meisje zeer ontstemd wien hij God niet zoo scheen te dienen, als zij wilde.
Terwijl tusschen den duivel van Rustico en de hel van Alibek dit door te veel begeerte en te weinig macht gaande was, brak er in Capsa een brand uit, die in het eigen huis den vader van Alibek, al zijn kinderen en dienaars verbrandde, zoodat Alibek de erfgename werd van al diens goederen. Dadelijk begon een jonkman Neerbal genaamd, die in bandeloosheid al zijn bezittingen verkwist had en vernam, dat zij nog leefde, haar te zoeken en vond haar terug, eer het gerecht beslag had gelegd op de goederen van haar vader als van een man gestorven zonder erfgenaam. Tot groot genoegen van Rustico en tegen den wil van haar bracht hij haar terug naar Capsa en nam haar tot vrouw en werd met haar te samen erfgenaam van het groote, ouderlijke goed. Doch toen haar gevraagd werd door de vrouwen, voor zij met Neerbal had geslapen, met wat zij God in de woestijn had gediend, antwoordde zij, dat zij Hem diende door den duivel naar de hel te jagen en dat Neerbal een groote zonde had bedreven door haar aan dien dienst te onttrekken. De vrouwen vroegen: Hoe jaagt men den duivel daarin? Het meisje toonde het hun met woorden en met gebaren. Zij moesten daar zoo om lachen, dat zij het nog doen en zeiden: Wordt maar niet neerslachtig kind, neen, want men doet dat hier ook en Neerbal zal God den Heer ook goed met u dienen. Toen daarna de een na de ander het door de stad verspreidden, werd het daar een algemeen gezegde, dat men God geen meer welgevalligen dienst kon bewijzen dan door de duivel in de hel te doen. Dit gezegde vandaar over zee gekomen bestaat nog. Daarom, jonge dames, die Gods genade noodig hebt, leer den duivel in de hel sturen, omdat dit den Heere welgevallig is en aan hen, die het doen en omdat er veel goeds uit kan geboren worden en volgen.
Wel duizend malen had het verhaal van Dioneo de eerbare donna’s doen lachen, zoo komiek schenen hun zijn woorden. Toen de historie ten einde was, en de koningin zag, dat de termijn van haar heerschappij was verstreken, hief zij daarom den lauwer van het hoofd, welke zij zeer lieftallig zette op dat van Filostrato en zeide: Wij zullen spoedig zien of de wolf beter de schapen weet te leiden dan de schapen het de wolven deden. Toen Filostrato dit hoorde zeide hij lachend: Als ik dat geloofd had, zouden de wolven aan de schapen geleerd hebben den duivel in de hel te jagen niet erger dan Rustico bij Alibek deed en spreekt daarom niet van de wolven, waar gij nog geen schapen zijt geweest. In ieder geval naar het mij gegeven zal zijn, zal ik de mij opgedragen regeering aanvaarden. Hierop antwoordde Neifile: Luister, Filostrato, gij hadt, terwijl gij ons wilde onderrichten, wijsheid kunnen opdoen, gelijk Masetto van Lamporecchio van de nonnen en zoo dikwijls hebben te spreken, dat uw beenderen zonder meester geleerd hadden te toeteren. [65]
Filostrato ziende, dat zij net zooveel schichten hadden als hij pijlen, hield op met schertsen en begon zich te wijden aan het bestuur des rijks. Hij liet den hofmeester roepen, van wien hij wilde weten hoe de zaken stonden en behalve aan deze, gaf hij naar hetgeen hij meende, dat goed was en het gezelschap zou voldoen, in stilte bevelen, voor zoolang zijn heerschappij zou duren. Daarna keerde hij zich tot de donna’s en zeide: Verliefde donna’s. Sinds mijn ongeluk, weet ik wel uit mijn lijden, dat ik steeds door de schoonheid van een uwer ben onderworpen geweest aan Amor en noch mijn nederigheid, noch mijn gehoorzaamheid, noch hem te volgen daarin, wat mij bekend is tot hulp bij al zijn gewoonten hebben mij iets geholpen, daar ik eerst voor een ander verlaten en daarna steeds van kwaad tot erger ben vervallen, en zoo geloof ik, dat ik van hier den dood tegemoet ga. Daarom wil ik, dat men morgen van niets anders spreekt dan van wat met mijn lotgevallen overeenstemt, namelijk van hem, wier liefde een ongelukkig einde had, omdat ik op den duur verwacht, dat het mij zeer ongelukkig zal gaan, ware het slechts door den naam, waarmee gij mij noemt, vanwege haar, die wel weet, dat ik gedwongen werd mij zoo te noemen [66]. En bij die woorden stond hij op om aan elk tot het avondmaal vrij te geven. De tuin was zoo schoon en bekoorlijk, dat niemand er uit wilde gaan om elders grooter genoegen te scheppen. Integendeel, daar de hitte al zoo was afgenomen, dat men niet vermoeid werd door de geiten, de konijnen en de andere dieren te volgen, die zich daar bevonden en die, terwijl men gezeten was, meer dan honderd maal de aanwezigen in de war brachten door tusschen hen in te springen, gingen zij die na. Dioneo en la Fiammetta begonnen te zingen van Messire Guiglielmo en van de Dame del Vergiù; Philomena en Pamfilo gingen zitten schaken, en zoo, deze dit en gene dat doende, vloog de tijd om en verraste het ternauwernood verwachte uur van het avondmaal. Toen de tafels bij de schoone fontein waren geplaatst, aten zij met het grootste genoegen. Filostrato om niet af te wijken van den weg, die de koninginnen voor hem gegaan waren, beval, toen de tafels werden weggezet, dat Lauretta een dans zou vormen en een lied zou zingen. Zij zeide: Mijnheer, ik weet niets van de zorgen der anderen, maar ik heb er geen onder de mijnen, dat geschikt is voor den geest van een zoo blijmoedig gezelschap. Indien gij er, van die ik heb, een wilt hooren, zal ik U dit gaarne voordragen. Daarop zei de koning: Al wat van U komt, kan niet anders dan schoon en bekoorlijk zijn, daarom zing het gelijk gij het hebt. Lauretta met een zeer liefelijke stem maar op een ietwat klagelijke wijze begon aldus, terwijl de anderen antwoordden:
Geen troostelooze Heeft zich zoo te beklagen als ik, Want, helaas, ik zucht vergeefs in liefde.
Hij, die den hemel beweegt en elke ster Maakte mij naar zijn welbehagen Lief, bekoorlijk, gracieus en schoon Om hier omlaag aan elk hoog verstand Eenig teeken te geven Van de schoonheid, die Hem altijd voor oogen staat, En de menschelijke onvolmaaktheid, Die mij slecht heeft gekend, Viert mij niet maar heelt mij zelfs geminacht.
Vroeger was er een, die mij lief had en die gaarne Als jong meisje mij nam In zijn armen en daarna in al zijn gedachten En voor mijn oogen geheel ontvlamde. En de tijd, die licht voorbij vliegt Verkwiste hij geheel met mij te beminnen, En ik, die hoffelijk ben, Maakte hem mijner waardig, Maar nu tot mijn droefenis mis ik hem.
Toen kwam tot mij een trotsche En fiere jonkman, Die zich edel roemde en dapper En mij nam en hield en met valsche gedachte Jaloersch is geworden. Daarover, helaas, ben ik wanhopig, In waarheid wetend Dat ik, voor het heil van velen ter wereld Gekomen, door één geheel ben vermeesterd.
Ik verfoei mijn ongeluk, Toen ik om vrouw te worden Het ja! ooit uitsprak; zoo schoon en blijde Zag ik mij vroeger in het donker onheil, waarin ik nu Een hard leven leid, Terwijl ik minder dan vroeger als eerbaar bekend ben. O smartbrengende vreugde! Waarom ben ik niet gestorven, Voor ik dit en zoo heb beleefd!
O dierbare minnaar, waarover ik eerst Meer dan over ieder ander blijmoedig was, En die thans in den hemel is bij Hem, Die ons schiep, zie heb medelijden Met mij, die voor anderen U niet kan vergeten: doe mij gevoelen, Dat de vlam niet is uitgebluscht, Die voor mij U verteerde, En erlang daar voor mij het wederzien.
Hier eindigde Lauretta het lied, dat door allen geprezen op verschillende wijze werd begrepen. Er waren er, die het op zijn Milaneesch wilden verstaan en volhielden dat een goed varken beter is dan een mooi meisje. Anderen waren van een meer verheven en beter en waarder gedachte, maar het voegt niet er nu over uit te weiden. Hierna liet de koning, die op het gras en tusschen de bloemen vele fakkels had doen aansteken, verscheidene andere liederen zingen, tot elke ster begon te dalen, die was opgegaan. Daarom beval hij, toen het hem tijd scheen om te slapen, dat elk tot een goeden nacht naar zijn kamer terugkeerde.
VIERDE DAG.
De derde Dag van de Decamerone eindigt; de vierde vangt aan, waarop onder het bewind van Filostrato gesproken wordt van hen, wier liefde een ongelukkig einde had.
Zeer geliefde donna’s. Zoowel door de woorden van wijze mannen, die ik hoorde als door de vele dingen meermalen door mij gezien en gelezen, meende ik, dat de hevige en brandende wind van de afgunst slechts de hooge torens of de verhevenste toppen der boomen kon schudden, maar ik vond mij in mijn meening bedrogen; daarom vluchtend en altijd mijn best doende de wreede kracht van dien wind te ontvluchten, was ik er steeds op uit niet alleen door de vlakten, maar ook door de diepste valleien te gaan. Wat duidelijk genoeg kan blijken aan wien de hier gegeven geschiedenissen beschouwt, welke door mij niet alleen zijn geschreven in de florentijnsche volkstaal en in proza en zonder titel, [67] maar ook in den meest gewonen en sobersten stijl, zooveel als maar mogelijk is. Toch heb ik daardoor niet kunnen beletten, dat ik geheel door zulk een wind wreed werd geschud en ook bijna ontworteld en geheel verscheurd door de beten van den nijd. Daarom kan ik best begrijpen, dat het waar is, wat de wijzen plegen te zeggen, dat alleen de ellende in de tegenwoordige wereld zonder afgunst is.
Er zijn dan, bescheiden dames, enkele lieden geweest, die deze novellen lezende, hebben gezegd, dat gij mij te veel behaagt en dat het geen eerlijke zaak is, dat ik er zooveel behagen in schep u te willen bekoren en u te troosten en anderen hebben het nog erger genoemd u te prijzen gelijk ik deed. Anderen, die wilden voorgeven, bedachtzamer te spreken, hebben gezegd, dat het op mijn leeftijd [68] niet past mij voortaan met die dingen bezig te houden, namelijk met de donna’s te spreken of hen te behagen. En velen zeggen, zeer twijfelend aan mijn goeden naam, dat ik beter deed bij de Muzen op den Parnassus te blijven dan mij met die dwaasheden onder u te mengen. En er zijn er ook, die meer met teleurstelling dan met wijsheid spreken, en die gezegd hebben, dat ik bescheidener deed er aan te denken, vanwaar ik brood kon krijgen dan die fratsen voort te zetten en wind te happen. En zekere anderen doen hun best aan te toonen, dat de dingen anders zijn gebeurd door mij verhaald dan ik ze voorstel, tot nadeel van mijn arbeid. Aldus, waarde dames, terwijl ik tot uw dienst strijd, is het door zulke vlagen van nijd, door zulke wreede tanden, door zulke woorden, dat ik word geslagen, beleedigd en levend doorboord, welke dingen ik met kalm gemoed—God weet het—hoor en verneem. En voor zoover uw verdediging op mij in dit alles rust, ben ik niet van plan mijn krachten te sparen; integendeel zonder zooveel te antwoorden als noodig is, wil ik met een kort antwoord mij er de ooren van bevrijden en dit zonder uitstel doen, zoodat, terwijl ik nog niet tot het derde deel van mijn werk gekomen ben, en zij al talrijk zijn en zich heel wat aanmatigen, ik meen, voor ik aan het einde kom, dat zij zoo zich kunnen vermenigvuldigen, dat—zij in het begin niet beantwoord—mij met weinig moeite er onder kunnen werken, en dat uw krachten, hoe groot die ook zijn, er ook niet voldoende tegen zouden wezen.