Chapter 25
De abt liet aldus den volgenden nacht met een nagemaakte stem Ferondo in de gevangenis roepen en hem zeggen: Ferondo, troost u, want het behaagt God, dat gij ter wereld terugkeert; daar opgestegen zult gij van uw vrouw een zoon krijgen, dien gij den naam moet geven van Benedetto, omdat u die genade geschonken is door de gebeden van uw heiligen abt en van uw vrouw en door de liefde van den heiligen Benedictus. Toen Ferondo dit hoorde, was hij zeer blijde en zeide: Dat bevalt mij zeer. Onze Lieve Heer geve aan mijnheer den goeden God een goed jaar en aan den abt en aan Sint Benedictus en aan mijn goede, zoete, lieve vrouw. De abt liet hem in den wijn, dien hij hem stuurde, zooveel van het poeder sturen, dat hij hem misschien vier uur deed slapen, hem zijn kleeren terug gaf en hem met zijn monnik samen stil weer in de kist legde, waarin hij opgesloten was geweest, ’s Ochtends bij het krieken van den dag kwam Ferondo bij zinnen, en zag door een spleet van de kist licht, wat hij wel in geen tien maanden gezien had: daarom, nu hij meende weer levend te worden, begon hij te roepen: Doe mij open! doe mij open! en hij begon zelf hard met het hoofd tegen den deksel van de kist te bonzen, zoo sterk, dat hij dien, omdat ze niet zwaar was, ophief en bijna weg schoof. Toen de monniken de vroegmetten hadden opgezegd, liepen zij daarheen, herkenden de stem van Ferondo en zagen hem al uit de kist komen; zij door de vreemdheid van dit feit ontzet, vluchtten en gingen naar den abt. Deze, die deed, alsof hij uit het gebed zich verhief, zeide: Mijn zonen, weest niet bevreesd, neem het kruis en het wijwater en kom bij mij, en laat ons dat aanschouwen wat Gods macht wil openbaren, en zoo deed hij. Ferondo was geheel wit als een man, die langen tijd den hemel niet had kunnen zien, uit de kist te voorschijn gekomen. Toen hij den abt zag, viel hij dien te voet en zeide: Mijn vader, uw gebeden, naar wat mij werd geopenbaard, en die van Sint Benedictus en van mijn vrouw hebben mij uit de pijnen van het vagevuur bevrijd en mij in het leven doen terugkeeren waarom ik God bid, dat hij u een goed jaar zal geven en goede dagen, nu en het geheele leven door. De abt zeide: Geprezen zij Gods macht, ga dan, mijn zoon, nadat Hij u hier heeft teruggezonden en troost uw vrouw, die steeds, sinds gij uit dit leven zijt gegaan, in tranen is gebleven, en wees van nu af aan Gods vriend en dienaar. Ferondo zeide: Mijn heer, dit is mij goed gezegd, laat mij maar gaan, want, zoodra ik haar zal vinden, zal ik haar zoo kussen als ik haar liefheb. De abt, die met zijn monniken was achtergebleven, veinsde over die gebeurtenis een groote verbazing en liet er vroom het Miserere om zingen.
Ferondo keerde naar zijn dorp terug, waar ieder hem schuw aanzag, gelijk men het vreeselijke schouwspelen pleegt te doen, maar hij riep de menschen terug en hield vol, dat hij weer uit den doode was opgestaan. Ook zijn vrouw was evenzeer bang voor hem. Maar toen men wat meer gerust gesteld was, en men zag, dat hij levend was, en men hem heel wat vroeg, die veilig uit het vagevuur was weer gekomen, antwoordde hij allen en bracht hun tijdingen van de zielen van hun verwanten en verzon uit zichzelf de schoonste fabels van de wereld over de dingen uit het vagevuur en vertelde ook in aller aanwezigheid van de openbaring hem gedaan bij monde van Ragnolo Braghiello [60], voor hij weer opstond. Hierop naar zijn vrouw teruggekeerd, en weer in het bezit gekomen van zijn goederen maakte hij haar zwanger, naar hij meende, en toevallig gebeurd het, dat op den gewenschten tijd volgens de meening van dwazen, die gelooven, dat de vrouw de kinderen negen maanden dragen—de donna een zoon baarde, die Benedicto Ferondo werd genoemd. De reis van Ferondo en zijn woorden, daar iedereen geloofde, dat hij weer was opgestaan, deden de faam der heiligheid van den abt zonder einde toenemen.
Ferondo, die wegens zijn minnenijd veel slaag had gehad, was er zoo van genezen, dat hij volgens de belofte, voor den abt aan de donna gedaan, voortaan nooit meer jaloersch was. De donna leefde hierdoor tevreden en eerbaar met hem als vroeger, zoo eerbaar, dat, wanneer zij kans zag zij gaarne met den heiligen abt samen kwam, die haar goed en ijverig in haar grootste behoeften had gediend.
NEGENDE VERTELLING.
Gilette de Narbonne geneest den koning van Frankrijk van een zweer. Zij vraagt tot echtgenoot Bertram de Roussillon, die haar tegen zijn zin huwt en naar Florence gaat uit baloorigheid. Hij wordt er verliefd op een jong meisje, onder wier naam Giletta met hem slaapt en van hem een tweeling krijgt. Hierna begint hij haar te beminnen en behoudt haar tot vrouw.
Daar de koningin het voorrecht van Dioneo niet wilde vernietigen, bleef alleen aan haar te spreken over, toen hiermee de geschiedenis van Lauretta ten einde was. Daarom begon deze, zonder te wachten, dat de haren het haar verzochten en zeer verlangend te vertellen, aldus:
Wie zal een verhaal doen, dat mooi schijnt, na dit van Lauretta te hebben gehoord? Zeker is het een voordeel voor ons geweest, dat zij niet de eerste was, want alsdan zouden die van de anderen weinig hebben bekoord, maar toch hoop ik, dat het nog zal gebeuren met die, welke nog dezen dag verteld moeten worden. Maar hoe het ook zij, wat mij nu over het voorgestelde onderwerp invalt, zal ik u verhalen.
Er leefde in het koninkrijk Frankrijk een edelman, dien men Isnard, graaf de Roussillon noemde, die, omdat hij niet zeer gezond was, altijd een dokter bij zich hield, meester Gérard de Narbonne genaamd. Genoemde graaf had een eenigen, kleinen zoon Beltram [61] genaamd, die heel mooi en aardig was en dien men met andere kinderen van zijn leeftijd opvoedde, onder welken een kind was van dien dokter, dat Giletta heette. Dit meisje voelde voor dien Beltram een eindelooze liefde en heviger dan gewoonlijk op dien teederen leeftijd het geval is. Toen de graaf dood was en hij in handen des konings werd gesteld, moest hij naar Parijs gaan, waarover het jonge meisje ontroostbaar bleef. Toen haar vader kort daarop insgelijks stierf, was zij, als zij maar een gunstige gelegenheid had kunnen vinden, graag daarheen getogen om Beltram te zien. Maar daar zij streng bewaakt werd, omdat zij rijk en alleen was achtergebleven, zag zij er geen eerlijk middel toe. Daar zij al op huwbaren leeftijd kwam en Beltram nooit had kunnen vergeten, had zij al velen, aan wie haar verwanten haar wilden doen trouwen, geweigerd zonder de reden te verklaren. Terwijl zij meer dan ooit van liefde voor Beltram brandde, daar zij gehoord had, dat hij een zeer schoon jonkman was geworden, kwam de tijding tot haar, dat de koning van Frankrijk door een gezwel, dat hij op de borst had en dat slecht was genezen, een zweer had overgehouden, die hem zeer veel pijn en angst veroorzaakte. Er was nog geen geneesheer te vinden, hoewel velen het beproefd hadden, die hem hiervan hadden kunnen bevrijden, maar allen hadden het verergerd. Hierdoor wilde de koning daarover wanhopig van geen enkele verdere raad of hulp weten. Maar ook was de jonge dame nu zeer tevreden en dacht zij niet alleen een gewettigde reden te hebben om naar Parijs te gaan, maar als het de kwaal was, welke zij onderstelde, kon zij het licht gedaan krijgen om Beltram tot echtgenoot te bezitten. Vandaar, dewijl zij vroeger van haar vader heel wat had geleerd, dat zij haar poeder van zekere heilzame kruiden klaarmaakte, voor de ziekte, welke zij het meende te zijn, te paard steeg en naar Parijs ging.
Zij hield zich eerst met niets anders bezig dan Beltram te zien en daarna voor den koning verschenen, vroeg zij hem als gunst haar zijn kwaal te toonen. De koning, die haar een schoon en voorkomend jong meisje vond, kon haar niet weigeren en toonde haar die. Zoodra zij die zweer gezien had, maakte zij zich dadelijk sterk die te kunnen genezen en zeide: Majesteit, als het u behaagt, heb ik hoop op God u zonder eenige pijn of lijden in acht dagen van dit ongemak te hebben verlost. De koning spotte in zich zelf eerst om haar woorden en zeide: Wat de beste doktoren van de wereld niet hebben gekund of geweten, zou een jonge vrouw dat vermogen? Hij bedankte haar dus voor haar goeden wil en antwoordde, dat hij zich had voorgenomen niet meer den raad van een dokter te volgen. Het meisje sprak: Heer, gij minacht mijn kunde, omdat ik jong en vrouw ben, maar ik herinner u er aan, dat ik niet met mijn wetenschap genees, maar met Gods hulp en de kennis van meester Gérard de Narbonnees, die mijn vader was en een zeer beroemd arts, toen hij leefde. Toen dacht de koning bij zich zelf: Misschien is zij mij van God gezonden; waarom beproef ik niet, wat zij kan doen, daar zij zegt mij in korten tijd te zullen genezen? En na besloten te hebben het te beproeven, zeide hij: En als u mij niet geneest, mejuffrouw, na mij van mijn besluit te hebben afgebracht, wat wilt gij, dat er uit volgt? Heer, antwoordde de jonge dame, laat mij bewaken en als ik u in acht dagen niet genees, laat mij dan verbranden; maar als ik u wel herstel, wat zal ik dan voor belooning krijgen? De koning hernam: Gij schijnt mij nog ongetrouwd; indien gij dit doet, zullen wij u goed en voornaam uithuwen, Het jonge meisje zeide: Neen, het doet mij waarlijk genoegen, dat gij mij uithuwt, maar ik wil een echtgenoot gelijk ik u zal vragen zonder een van uw zonen of een prins van het vorstelijk Huis te verlangen. De koning beloofde haar dadelijk dit te doen. Het meisje begon onverwijld haar kuur en voor den vastgestelden termijn maakte zij hem beter. Hierdoor zeide de koning, toen hij zich genezen gevoelde: Mejuffrouw, u hebt uw echtgenoot gewonnen. Zij antwoordde: Dan, heer, heb ik Beltram de Roussillon gewonnen, welke ik van af mijn kindsheid begon te beminnen en die ik altijd zeer lief heb gehad. Het scheen den koning een lastig ding om haar dien te schenken, maar omdat hij het beloofd had en zijn woord niet wilde breken, liet hij hem tot zich roepen en zeide tot hem: Beltram gij zijt nu een groot, volwassen man; wij willen, dat gij terugkeert om uw graafschap te besturen en gij zult een jonge dame met u mede voeren, die wij u tot echtgenoote hebben gegeven.
Beltram vroeg: En wie is die jonge dame, heer? De koning antwoordde: Het is degene, die mij met haar geneesmiddelen de gezondheid heeft terug geschonken. Beltram, die haar kende en gezien had, zeide, hoewel zij hem zeer schoon leek maar wist, dat zij niet van een afkomst was, die met zijn adel overeenstemde, zeer verontwaardigd: Heer, waarom wilt gij mij een doktores tot vrouw geven? God verhoede, dat ik ooit zoo’n vrouw neem. De koning antwoordde: Wilt gij dan, dat wij ons woord niet nakomen, wat wij om onze gezondheid te herwinnen aan die jonge dame gaven, die u als loon hiervoor tot man vroeg? Heer, hernam Beltram, gij kunt mij alles ontnemen, wat ik bezit en mij geven als uw onderdaan aan wien het u behaagt. Maar wees er zeker van, dat ik nooit over dit huwelijk tevreden zal wezen. Toch—sprak de koning—zult gij het zijn, omdat de jonge dame mooi en wijs is en veel van u houdt; daarom hopen wij, dat gij een veel aangenamer leven met haar zult hebben dan met een edelvrouw van hooger geboorte. Beltram zweeg en de koning liet groote toebereidselen maken voor het bruiloftsfeest. Toen de hiervoor bestemde dag gekomen was, huwde Beltram, hoe ongaarne hij het ook deed, de juffrouw, die hem meer dan zichzelf liefhad. Hierop als iemand, die reeds bij zichzelf heeft bedacht, wat hem te doen staat, zeide hij, dat hij naar zijn graafschap wilde terugkeeren en er het huwelijk wilde voltrekken en vroeg verlof aan den koning. Hij steeg te paard en ging niet naar zijn graafschap, maar begaf zich naar Toscane. Hij wist, dat de Florentijnen oorlog voerden met de Sienneezen en hij koos voor de eersten partij. Hij werd bij hen met vreugde en eer ontvangen en tot kapitein gemaakt van een zeker aantal manschappen. Toen hij van hen goeden voorraad had ontvangen, bleef hij een langen tijd in hun dienst. De jonge vrouw weinig tevreden met dit voorval, hoopte door goed te werk te gaan hem in zijn graafschap terug te roepen en ging naar Roussillon, waar zij door allen als hun gebiedster werd ontvangen. Daar vond zij, gedurende den langen tijd, dat zij zonder den graaf was, alles verwaarloosd en in verwarring en als een verstandige vrouw bracht zij alles weer in orde. Haar onderhoorigen waren hierover zeer tevreden, stelden haar zeer hoog, droegen haar groote liefde toe en laakten den graaf zeer, dat hij met haar niet tevreden was. Toen de dame in het land alles in orde had gebracht, deed zij dit aan den graaf door twee ridders weten en verzocht hem, indien het om haar was, dat hij niet in het graafschap kwam, het haar te berichten en dat zij dan om hem genoegen te doen, zou vertrekken. Hierop antwoordde deze zeer hard: Laat zij daarin haar zin volgen, ik voor mij zal bij haar komen, wanneer zij dezen ring aan den vinger heeft en een zoon van mij gewonnen op den arm. Hij stelde dien ring zoo op prijs, dat hij er nooit van scheidde wegens de kracht, die men hem had verteld, dat deze bezat. De twee ridders begrepen de hardheid van de voorwaarde gesteld in die bijna onmogelijke dingen en ziende, dat zij door hun woorden hem niet van zijn plan konden afbrengen, keerden zij naar de donna terug en verhaalden haar zijn antwoord. Deze zeer bedroefd, overlegde na lang nadenken of die twee dingen mogelijk konden worden, omdat zij dan haar echtgenoot terug kreeg.
En na gedaan te hebben wat zij plicht dacht, verzamelde zij een deel der grootste en voornaamste vazallen van haar graafschap, vertelde hun geregeld en met zachte woorden, wat zij al gedaan had uit liefde voor den graaf en toonde, wat er uit was voortgekomen. Ten slotte zeide zij, dat haar plan niet was door haar verblijf aldaar den graaf in eeuwige ballingschap te houden, maar dat zij integendeel de rest van haar leven met pelgrimstochten wilde doorbrengen en met diensten van barmhartigheid tot heil van haar ziel. Zij verzocht hun, dat zij de bewaking en de regeering van het graafschap overnamen en aan den graaf zouden berichten, dat zij het gebied vrij en verzorgd gelaten en er zich uit verwijderd had om nooit meer in Roussillon terug te keeren.
Toen zij zoo sprak, werden er heel wat tranen door de goede vazallen geschreid en veel beden tot haar gericht, opdat het haar zou behagen van plan te veranderen en te blijven, maar zij bereikten niets. Zij, na hen aan God te hebben aanbevolen, ging vergezeld van een neef en een kamervrouw in pelgrimskleederen, goed voorzien van geld en dure edelsteenen op weg zonder te weten, waar zij heen ging en zij hield geen rust voor zij binnen Florence was. Bij toeval daar aangekomen, trok zij zich terug in eene kleine herberg, welke een goede weduwe hield en bleef daar geheel als een arme pelgrimsvrouw verlangend iets van haar heer te hooren. Toevallig zag zij aldus den volgenden dag Beltram te paard met zijn compagnie de herberg voorbijgaan en zij vroeg, hoe goed zij hem ook kende, wie hij was. De herbergierster antwoordde: Dat is een aardig en hoffelijk, vreemd edelman, die graaf Beltram heet en die in deze stad zeer bemind is. Het is de verliefdste man ter wereld op een van onze buren, een edelvrouw maar arm. Ze is zeer fatsoenlijk en huwt nog niet uit armoede, maar blijft bij haar moeder, een zeer wijze en goede donna. En misschien, als die haar moeder niet was, had zij al gedaan wat aan den graaf zou hebben behaagd. Toen de gravin die woorden hoorde, onthield ze die goed en na alles nauwkeurig te hebben onderzocht en elke bijzonderheid te hebben gezien, vormde zij haar plan. Nadat haar het huis was aangewezen en de naam van de donna en van haar dochter, bemind door den graaf, ging zij er op een dag in pelgrimskleed stil heen. Zij vond de donna en haar dochter in armoede, groette hen en zeide aan de donna, dat zij, wanneer het haar schikte, haar wilde spreken. Nadat de edelvrouw was opgestaan, zeide zij bereid te zijn haar aan te hooren en toen zij alleen in een kamer getreden waren en zich neerzetten, begon de gravin: Madonna, het schijnt mij, dat de fortuin u als mij vijandig is, maar als gij wilt, zult gij toevallig ons beiden, u en mij, tevreden kunnen stellen. De donna antwoordde, dat zij niets anders verlangde dan zich op eerzame wijze te troosten. De gravin vervolgde: Ik heb uw woord noodig, maar als ik er op vertrouw en gij bedriegt mij, zult gij uw eigen zaken en de mijnen bederven. Zeker, zei de edelvrouw, zeg mij al, wat u bevalt, want nooit zult gij u door mij bedrogen vinden. Toen vertelde haar de gravin, die begon over haar eerste liefde, wie zij was, en wat er geschied was tot op dien dag van haar bezoek zóó, dat de edelvrouw vertrouwde op haar woorden, ook omdat zij die al ten deele van anderen gehoord had en kreeg medelijden met haar. De gravin vertelde haar lotgevallen en ging voort: Gij hebt bij mijn andere ongelukken die twee dingen gehoord, die ik noodig heb om mijn man terug te krijgen. Ik ken niemand anders, die ze mij kan verschaffen dan gij, indien het waar is, wat ik verneem, dat de graaf, mijn echtgenoot, ten zeerste uw dochter bemint.
De edelvrouw antwoordde: Madonna, of de graaf mijn dochter bemint, weet ik niet, maar hij geeft er zich zeer den schijn van. Maar wat kan ik hierbij doen, dat gij verlangt? Madonna, antwoordde de gravin, ik zal het u zeggen. Doch ten eerste wil ik u dat uiteenzetten, wat ik wil, dat er voor u uit volgt, indien gij mij van dienst zijt. Ik zie, dat uw dochter schoon en groot genoeg is voor een huwelijk en naar wat ik vernomen heb en meen te begrijpen, is het gebrek aan geld om haar uit te huwen, dat u haar thuis doet houden. Ik ben van plan tot loon voor den dienst die gij mij zult bewijzen, haar van mijn geld spoedig een bruidschat te schenken, die gij zelf voornaam genoeg zult achten en voldoende om haar te laten trouwen. De donna, die het noodig had, beviel dit, maar daar zij een adellijken geest had, zeide zij: Mevrouw, zeg mij wat ik voor u kan verrichten en als dat mij fatsoenlijk schijnt, zal ik het gaarne doen en gij zult daarna handelen gelijk gij verkiest. De gravin zeide: Ik heb noodig, dat gij door iemand, dien gij vertrouwt, aan den graaf mijn echtgenoot, laat zeggen, dat uw dochter bereid is hem elk genoegen te doen, mits zij er zeker van kan zijn, dat hij haar zoo bemint gelijk hij voorgeeft en dat zij het nooit moet gelooven, indien hij haar niet den ring geeft, dien hij aan de hand draagt en van welken zij gehoord heeft, dat hij daaraan zoo gehecht is. Als hij u dien geeft, zult gij dien aan mij schenken en daarna zult gij uw dochter opdragen te zeggen, dat zij gereed is zijn genoegen te doen. Gij zult hem in ’t geheim hier laten komen en gij zult mij in plaats van uw dochter aan zijn zijde doen liggen. Misschien zal God mij de genade schenken zwanger te worden en zoo met zijn ring aan den vinger en een kind door hem verwekt op den arm, zal ik hem heroveren en ik zal bij hem blijven gelijk een vrouw met haar man leven moet, en daarvan zult gij dan de oorzaak zijn. Dit scheen aan de edelvrouw een heel ding, daar zij vreesde, dat er misschien voor haar dochter schande uit volgen zou; maar daar zij toch vond, dat het een eerlijke zaak was, dat de goede dame haar man terugkreeg en dat zij tot een eerbaar doel zich er toe zetten om dit te doen, vertrouwde zij op haar goede en fatsoenlijke gezindheid en beloofde het niet alleen aan de gravin maar binnen weinige dagen met geheime voorzorg, volgens den last haar opgedragen, had zij dien ring (hoe bezwaarlijk dit den graaf ook scheen) en liet haar in plaats van de dochter op meesterlijke wijze met hem samenslapen. Na de eerste samenkomsten zeer hartstochtelijk door den graaf verlangd, werd de gravin naar het Gode behaagde zwanger van twee knapen gelijk de tijdige bevalling deed blijken. En de edelvrouw bevredigde niet slechts eens de gravin met omhelzingen van haar echtgenoot maar vele malen, zoo heimelijk te werk gaande, dat hij er nooit een woord van wist. De graaf geloofde altijd, dat hij niet bij zijn vrouw was geweest maar bij degene, die hij beminde. Hij gaf haar, toen hij ’s ochtends heenging, verscheidene schoone en dure geschenken, welke de gravin alle met zorg bewaarde.