Chapter 24
De rechtbank, die, toen het dag werd, volkomen op de hoogte scheen gesteld van de zaak, liet Aldobrandino spoedig vrij en liet een paar dagen later de boosdoeners, die den moord hadden begaan, het hoofd afslaan. Toen Aldobrandino aldus vrij was tot groote vreugde van hem en zijn vrouw en al zijn vrienden en kennissen en daar hij zeker wist, dat het door de bemoeiing van den pelgrim kwam, hielden zij hem in huis, zoolang hij in de stad wou blijven. Daar konden zij niet genoeg te zijner eere en vreugde doen en vooral de donna, die wel wist, voor wien zij dit deed. Maar na eenigen tijd, toen hij meende, dat hij de broeders moest verzoenen met Aldobrandino, en hij niet alleen wist, dat zij door diens vrijspraak gekwetst waren maar uit vrees ook gewapend herinnerde Aldobrandino aan de belofte dit in orde te maken. Aldobrandino antwoordde edelmoedig, dat hij bereid was. De pelgrim liet hem den volgenden dag een fraai gastmaal gereed maken, waarop hij zeide, dat hij zijn verwanten en hun vrouwen, de vier broeders en hun donna’s zou ontvangen en voegde er aan toe, dat hij zelf dadelijk ze van zijn kant tot een feestmaal zou uitnoodigen ten teeken van vrede. Daar Aldobrandino, over al wat den pelgrim behaagde, tevreden was, ging deze dadelijk naar de vier broeders en na met hen genoeg woorden te hebben gewisseld, die met betrekking tot de zaak vereischt werden, wist hij hen ten slotte met onweerlegbare redenen vrij gemakkelijk er toe over te halen de vriendschap van Aldobrandino te herwinnen door hem vergeving te vragen. Toen dit geschied was, noodigde hij ze den volgenden morgen met hun donna’s tot een middagmaal uit en zij van zijn goede trouw verzekerd namen de uitnoodiging aan. Den volgenden morgen op het etensuur kwamen de vier broeders van Tedaldo, nog gekleed in het zwart, met eenigen van hun vrienden naar het huis, waar Aldobrandino ze wachtte. Daar, voor allen, die door Aldobrandino verzocht waren om hen gezelschap te houden, wierpen zij de wapens ter aarde en stelden zich ter beschikking van hem, dien zij vergeving vroegen, voor hetgeen zij hem hadden gedaan. Aldobrandino ontving ze weenend met erbarmen en na ze allen op den mond gekust te hebben en de zaak met weinig woorden te hebben afgehandeld, vergaf hij elke ondergane beleediging. Daarna kwamen al hun zusters en hun vrouwen, allen in het bruin gekleed naderbij en zij werden door madonna Ermellina en door de andere dames vriendelijk ontvangen. Toen de heeren zoowel als de dames bij het feestmaal uitstekend bediend waren en daar niets bij was, wat men kon misprijzen, behalve een stilzwijgen veroorzaakt door de pas geleden smart, uitgedrukt in de donkere kleeren van de verwanten van Tedaldo, (waardoor het denkbeeld en het gastmaal zelf van den pelgrim door enkelen werd gelaakt, wat hij wel gemerkt had), stond hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte om dit te doen eindigen op en zeide, terwijl men nog vruchten zat te eten: Niets heeft ontbroken om dit gastmaal vroolijk te maken dan Tedaldo, dien ik, daar gij hem voortdurend bij U hadt zonder hem te kennen, U wil toonen. Hij wierp de kap en het heele pelgrimsgewaad achterwaarts, bleef in een rok van groene zijde staan en werd niet zonder aller grootste verbazing beschouwd en lang duurde het voor hij herkend was en voordat men het waagde te gelooven, dat hij het was. Toen Tedaldo dit zag, begon hij veel gebeurtenissen te vertellen die op hun verwantschap betrekking hadden. Hierdoor kwamen de broeders en de andere mannen, alle de oogen vol vreugdetranen, tot hem om hem te omhelzen en daarna deden zoo ook de donna’s, de vreemde zoowel als de verwante, behalve mevrouw Ermellina. Toen Aldobrandino dit zag, zeide hij: Wat beteekent dat, Ermellina? Waarom betuigt gij geen vreugde aan Tedaldo als de andere donna’s? Waarop, terwijl allen het hoorden, de donna antwoordde: Niets zou ik hem liever hebben betuigd en niemand wil dit meer dan ik, die hem meer verplicht ben dan ieder ander, in aanmerking genomen, dat ik U door zijn daden heb terug gekregen. Maar de laster over mij gesproken op den dag, dat wij hem beklaagden, dien wij geloofden, dat Tedaldo was, weerhouden mij. Hierop antwoordde Aldobrandino: Ga Uw gang, gelooft gij, dat ik hecht aan de lasteraars? Door naar mijn geluk te streven, heeft hij voldoende getoond, dat dit onwaar is, zoodat ik het ook nooit gelooven zal. Sta gauw op, ga en omhels hem. De donna, die niet anders wenschte, was niet langzaam in het gehoorzamen van haar echtgenoot; daarom verhief zij zich gelijk de anderen hadden gedaan en deed hem, door hem te omhelzen, groot genoegen.
Deze edelmoedigheid van Aldobrandino beviel aan de broeders van Tedaldo en aan elk man en vrouw, die er was en elke wrok, die had kunnen ontstaan in de geest van enkelen door de gesproken woorden, werd gebluscht. Toen aldus elk Tedaldo gevierd had, rukte hij zelf de zwarte kleeren der broeders van het lijf en de bruinen van de zusters en de schoonzusters en hij wenschte, dat men er andere kleeren liet komen. Toen zij op nieuw gekleed waren, gaf men veel zangen en dansen en andere genoegens ten beste. Hierdoor had het gastmaal, dat zoo stil begon, een rumoerig einde. En zij gingen allen, zooals zij waren, naar het huis van Tedaldo en daar hielden zij het avondmaal. En meerdere dagen daarna zetten zij op die manier volhoudend het feest door. De Florentijnen beschouwden Tedaldo langen tijd als een weder opgestaan mensch en als een wonder, en bij velen, ook bij de broeders bleef er nog een zwakke twijfel in de ziel of hij het was of niet, en zij wilden het nog niet vast gelooven en zij hadden het misschien nooit geheel geloofd, als er niet een feit gebeurd was, waardoor het hun klaar werd wie gedood was en wie dit was geweest. Eens kwamen voetknechten van Lunigiana langs hun huis en toen die Tedaldo zagen, gingen zij hem tegemoet met de woorden: Goeden dag, Faziuolo! Hierop antwoordde Tedaldo in tegenwoordigheid van de broeders: Gij hebt mij voor een ander gehouden. Toen dezen dit hoorden, schaamden zij zich, vroegen hem vergeving en zeiden: In waarheid gelijkt gij meer op onzen metgezel, die zich Faziuolo van Pontremoli noemt dan wien wij ooit op iemand zagen gelijken en die hier misschien voor veertien dagen of iets meer kwam en waarvan wij nooit konden weten, wat er van hem geworden was. Het is wel waar, dat wij verwonderd waren over het pak, dat gij draagt, daar deze soldaat was als wij. De oudste broeder van Tedaldo kwam bij die woorden nader en vroeg, hoe die Faziuolo gekleed was. Zij zeiden dit en men vond, dat het juist was geweest gelijk zij beweerden. Hierdoor, behalve door deze en andere teekens, werd herkend, dat wie vermoord was geworden, Faziuolo was geweest en niet Tedaldo, zoodat vandaar de argwaan bij de broeders en bij allen verdween. Tedaldo nu, die zeer rijk was geworden, volhardde in zijn liefde en zonder dat de donna zich weer vertoornde, ging hij stil te werk en genoten zij hiervan langen tijd. God late ons genieten van de onze.
ACHTSTE VERTELLING.
Ferondo, door het slikken van zekere poeders, wordt voor dood begraven. Door den abt, die met zijn vrouw zich verheugt, wordt hij uit de kist gehaald en in een gewelf gezet, waar men hem doet gelooven, dat hij in het vagevuur is. Daarna weder opgestaan neemt hij een zoon van den abt, waarvan zijn vrouw beviel, als den zijne aan.
Toen het lange verhaal van Emilia ten einde was, dat evenwel door zijn lengte niemand verveelde, maar door alle erkend werd kort te zijn verteld, daar men acht gaf op de hoeveelheid en de verscheidenheid der daarin vermelde gebeurtenissen, schonk de koningin, die door een enkel teeken aan Lauretta haar verlangen had te kennen gegeven, haar gelegenheid om te beginnen: Zeer geliefde donna’s. Ik geloof, dat ik U een waarheid moet zeggen, die veel meer dan op wat zij was, op een leugen geleek en die ik mij herinnerde, toen ik hoorde, dat iemand in plaats van een ander beweend en begraven werd. Ik zal U dan vertellen, hoe een levende als doode begraven werd en hoe daarna hij zelf en vele anderen geloofden, dat hij als een geest weer was opgestaan en door hen als heilige vereerd werd, ofschoon hij veeleer verdiende als schuldige te worden veroordeeld.
Er was dan en er is nog in Toscane een abdij gelegen, gelijk wij er velen zien, op een plaats weinig door de menschen bezocht, waarin een monnik abt werd gemaakt, die in alles zeer heilig was, behalve in den omgang met vrouwen en hij wist dit zoo sluw aan te leggen, dat niemand het vermoedde en men er ver van was het te weten, omdat hij in ieder opzicht voor zeer heilig en eerlijk werd gehouden. Nu was de abt bevriend met een zeer rijken boer, die Ferondo heette, een zeer zinnelijk en grof man zonder opvoeding (wiens sympathie om geen andere reden aan den abt beviel dan omdat hij er zich mee vermaakte hem met zijn onnoozelheid vaak voor den mal te houden). Hierbij bemerkte de abt, dat Ferondo een zeer schoone vrouw tot echtgenoote had, waarop hij zoo vurig verliefd werd, dat hij dag en nacht aan niets anders meer dacht. Maar daar hij hoorde, dat Ferondo—hoezeer in andere opzichten onnoozel en dwaas—in het beminnen en bewaken van zijn vrouw zeer wijs was, werd hij haast wanhopig. Maar toch, hoewel Ferondo zeer slim was, slaagde hij er in hem met zijn vrouw soms een luchtje te laten scheppen in den tuin van het klooster en hier sprak hij met hen bescheiden over de zaligheid van het eeuwige leven en van de zeer heilige werken van vele vroegere mannen en vrouwen, zoodat bij de donna de begeerte opkwam bij hem te biechten. Zij vroeg en verkreeg daarvoor het verlof van Ferondo. Toen de donna bij den abt kwam biechten tot zijn groot genoegen en zij zich aan zijn voeten had gezet, begon zij voor iets anders dit te zeggen: Mijn heer, als God mij den waren echtgenoot had gegeven of niet, misschien zou het mij dan licht vallen op Uw aansporingen den weg te betreden, waarvan gij mij hebt gesproken en die naar het eeuwige leven leidt; maar wanneer ik Ferondo beschouw en zijn dwaasheid, kan ik mij weduwe noemen en toch ben ik in zoover getrouwd, dat ik, zoolang ik leef, geen ander tot echtgenoot mag hebben. En hij, zoo dwaas als hij is, is zonder eenige reden zoo vreeselijk jaloersch op mij, dat ik hierdoor niet anders dan in verdriet en ongeluk met hem kan leven. Hierom, de eerste keer dat ik U weer biecht, bid ik nederig zooveel ik kan, dat gij, wat dit aangaat, eenige raad zult geven, omdat het biechten, als ik van af dien keer niet goed begin te handelen, mij overigens weinig zal helpen.
Die redeneering trof den abt met groot genoegen; het scheen hem, dat de fortuin hem den weg naar zijn grootste verlangen geopenbaard had en hij zeide: Mijn dochter, ik geloof, dat het een groote smart is voor een mooie en teergevoelige vrouw als gij zijt tot man een gek te hebben, maar ik geloof, dat het nog erger is, een jaloersche te hebben. Daarom, daar gij allebei in hem bezit, geloof ik gaarne, wat gij van Uw verdriet zegt. Maar om kort te gaan, ik zie er raad noch baat voor behalve dit eene, dat Ferondo zich van dien naijver geneest. Het middel om hem te verbeteren zou ik al te goed weten te bereiden, mits gij den moed hebt geheim te houden, wat ik U zal zeggen. De donna zeide: Mijn vader, twijfel daar niet aan, omdat ik liever zou sterven dan dat ik aan anderen vertelde, wat gij mij zegt voor anderen te moeten verzwijgen. Maar hoe kan dat gebeuren? De abt antwoordde: Indien wij willen, dat hij beter wordt, is het noodig dat hij in het vagevuur gaat. En hoe, vroeg de donna, zal hij daar levend in kunnen gaan. De abt hernam: Hij moet sterven en zoo zal hij er in gaan, en wanneer hij zooveel pijn zal doorstaan hebben, dat hij van zijn jaloerschheid zal zijn genezen zullen wij met zekere gebeden God smeeken, dat hij in dit leven terugkeert en Hij zal het doen. Dus, zei de donna, zal ik weduwe moeten blijven? Ja, antwoordde de abt, gedurende een zekeren tijd, waarin gij wel zult moeten oppassen niet met een ander te huwen, omdat God het U kwalijk zou nemen, en als Ferondo hier terugkeert, zoudt gij naar hem toe moeten gaan en hij jaloerscher zijn dan ooit. De donna zeide: Mits hij geneest van die ziekte, zal ik tevreden zijn, daar het mij niet behaagt altijd als in een gevangenis te leven; doe wat gij wilt. Toen zeide de abt: Goed, ik zal het doen, maar welke belooning zal ik krijgen voor dien dienst? Mijn vader, zeide de donna, dat wat gij verkiest, mits ik het kan; maar wat kan een vrouw als ik doen voor een man als gij, dat hem bevalt. Toen zeide de abt: Madonna, gij kunt niet minder voor mij doen dan ik voor u, omdat, wanneer ik er toe bereid ben te doen, wat uw welzijn en troost moet zijn, gij evenzoo dat kunt doen, wat tot heil en geluk van mijn leven kan strekken. Toen zeide de donna: Indien dit zoo is, ben ik bereid. Dan, zei de abt, zult gij mij uw liefde geven en gij zult mij met u te goed doen, waarnaar ik zoo vurig verlang en wat mij verteert. De donna antwoordde bij die woorden geheel verschrikt: Wee mij, mijn vader, wat vraagt gij? Ik geloofde, dat gij een heilige waart en gaat het nu voor heilige mannen aan degenen, die tot hen komen om raad, zulke dingen te vragen? Hierop hernam de abt: Mijn schoone ziel, verwonder u niet, omdat hierdoor de heiligheid niet minder wordt, daar die in de ziel zetelt en wat ik u vraag een zonde des lichaams is. Maar hoe dit ook zij, uw begeerlijke schoonheid heeft zooveel geweld over mij gehad, dat de liefde mij dwingt aldus te handelen. En ik zeg u, dat gij meer dan andere donna’s op uw schoonheid u kunt beroemen, daar ik meen, dat zij aan de heiligen behaagt, die gewoon zijn die des hemels te zien en bovendien hoewel ik abt ben, ben ik een man als de anderen en gelijk gij ziet, ben ik nog niet oud. Dat moet voor u niet moeilijk zijn om te doen; gij moet het integendeel verlangen, omdat, terwijl Ferondo in het vagevuur zal blijven, ik u, die u bij nacht gezelschap houdt, dien troost zal geven, dien hij u moest schenken. Nooit zal iemand er iets van merken, daar ieder van mij dit gelooft en meer dan wat gij kort geleden geloofde. Weiger de genade niet, die God u schenkt, want de vrouwen zijn talrijk, die zouden begeeren wat gij hebben kunt en zult hebben, indien gij wijs naar mijn raad luistert. Behalve dat heb ik mooie juweelen en kostbare steenen, die ik niet wil, dat aan een ander zullen behooren dan aan u. Doe dus, mijn zoete hoop, voor mij, wat ik voor u gaarne doe. De donna hield het gelaat omlaag en wist niet hoe hem te weigeren en het hem toe te staan scheen haar ook niet goed; daardoor scheen de abt, die zag, hoe zij had geluisterd en niet dadelijk antwoordde, dat hij haar al half had overreed en ging met vele andere woorden na de laatsten voort, eer hij ophield en omdat hij zich ingepraat had, dat dit wèl gedaan was. Daardoor zeide zij heel verlegen, dat zij tot elk verzoek van hem bereid was, maar niet te kunnen voor Ferondo in het vagevuur was gegaan. Hierop antwoordde de abt zeer tevreden: Wel, wij zullen maken, dat hij er dadelijk naar toegaat, zorg maar, dat hij morgen of overmorgen mij komt opzoeken.
Na deze woorden en na haar heimelijk een zeer fraaien ring in handen te hebben gegeven, liet hij haar gaan. De donna verheugd over het geschenk en in afwachting van de anderen, keerde tot haar gezellinnen terug om bijna wonderbare dingen te vertellen over de heiligheid van den abt en ging met hen naar huis. Een paar dagen daarna ging Ferondo naar de abdij, waar, zoodra de abt hem zag, deze zich voornam hem naar het vagevuur te sturen en zocht naar een poeder van wonderbare kracht, dat hij van een machtig Vorst had gekregen uit de streken van den Levant, die beweerde, dat de Oude van den Berg [59] het gewoon was te gebruiken, wanneer hij iemand slapend naar het paradijs wou sturen, of hem er uit voeren, en dat het in meerdere of mindere dosis gegeven, zonder eenige hindernis meer of minder hem deed slagen, die het nam, en dat zoolang zijn kracht duurde, het voor drie dagen slapen voldoende was. Hij gaf het in een beker wijn, die nog troebel was, aan Ferondo in zijn cel te drinken zonder dat die het merkte en voerde hem vervolgens in het klooster, waar hij met verschillende anderen van zijn monniken zich over zijn dwaasheden begon te vermaken. Het duurde niet lang of het poeder begon te werken en Ferondo werd door zulk een plotselingen en zwaren slaap bevangen, dat hij nog staande insluimerde en zoo neerviel. De abt, die net deed of hij ongerust werd over dit ongeval, liet hem ontkleeden, koud water halen, het in zijn gezicht werpen en vele andere middelen beproeven om hem tot het leven terug te voeren en het bewustzijn te hergeven, alsof hij door een of andere maagaandoening of iets anders was aangetast. Toen de abt en de monniken zagen, dat hij van dit alles niets gewaar werd, men hem den pols voelde en geen gevoel bespeurde, geloofden allen als zeker, dat hij dood was. Daarom lieten zij aan zijn vrouw en aan zijn bloedverwanten zeggen, dat zij er allen haastig heen zouden komen en toen de vrouw met haar familie hem eenigen tijd hadden beweend, werd hij, gekleed als hij was, door den abt in een doodkist gelegd.
De donna keerde naar huis terug en zeide, dat zij nooit van een klein kind wilde scheiden, dat zij van hem had en aldus achtergebleven begon zij het kind en den rijkdom te beheeren, die aan Ferondo behoord hadden.
Gedurende den nacht stond de abt met een bologneeschen monnik in wien hij veel vertrouwen stelde en welke dien dag van Bologna gekomen was, heimelijk op; zij haalden Ferondo uit de kist en droegen hem in een gewelf, waarin men in ’t geheel geen licht zag en dat tot gevangenis was ingericht voor monniken, die iets misdreven hadden. Nadat zij hem als monnik hadden aangekleed, zetten zij hem op een bos stroo en lieten hem daar blijven, tot hij tot zich zelf zou komen. Ondertusschen begon de bologneesche monnik, door den abt onderricht van wat hij te doen had, zonder dat anderen er iets van wisten, op te letten, tot Ferondo ontwaakte. De abt ging den volgenden dag met eenigen van zijn monniken bij wijze van bezoek naar het huis van de donna, welke hij in het zwart gekleed vond en bedroefd, en na haar wat getroost te hebben herinnerde hij haar de belofte. De donna zag zich vrij en zonder belemmering van Ferondo of anderen en bespeurde bovendien aan den vinger van den abt een anderen schoonen ring, zeide, dat zij bereid was en stelde met hem vast, dat hij den volgenden nacht kwam. Zoo ging de abt, toen de nacht inviel, gekleed in het gewaad van Ferondo en door zijn monnik vergezeld, sliep met haar tot den morgen met het grootste genot en welbehagen en keerde toen naar de abdij terug, welken weg hij voor denzelfden dienst vaak aflegde en ieder, zoowel bij het komen als bij het gaan, als hij een keer ontmoet werd, geloofde, dat het Ferondo was, die door die streek liep om een boete te doen en er werden heel wat praatjes over verteld onder het grootste deel der dorpers en ook aan de vrouw zelf, die wel wist, wat het beteekende.
Toen Ferondo ontwaakte en zich daar bevond zonder te weten waar hij was, kwam de bologneesche monnik binnen met een vreeselijke stem en met een roede in de hand, pakte hem beet en gaf hem een flink pak slaag. Ferondo, klagend en schreeuwend deed niets dan vragen: Waar ben ik? waarop de monnik antwoordde: Je bent in het vagevuur. Wat! zei Ferondo: dus ik ben dood? De monnik hernam: Welzeker. Hierop begon Ferondo over zich zelf te huilen en over zijn vrouw en zijn zoon en vertelde de ongehoordste dingen van de wereld. Toen bracht de monnik hem te eten en te drinken. Ferondo dit ziende zeide: O, eten de dooden? Ja, zei de monnik, en wat ik u breng, is datgene, wat uw vrouw vanmorgen naar de kerk bracht om missen te laten lezen voor uw ziel en God de Heer wil, dat dit u hier wordt aangeboden. Toen sprak Ferondo: Heere, geef haar een goed jaar, ik wenschte haar zeer veel goeds, voor ik stierf, zóó dat ik haar den ganschen nacht in mijn armen hield en niets deed dan haar kussen en meer, wanneer ik er lust in had. Daarop, omdat hij er groote behoefte aan had, begon hij te eten en te drinken en zeide, omdat de wijn hem niet goed genoeg scheen: God zal haar straffen, omdat zij aan den priester geen wijn gaf uit het vat tegen den muur. Maar toen hij had gegeten, pakte de monnik hem opnieuw beet en gaf hem met dezelfde roede een groot pak ransel. Ferondo zei tot hem, na te hebben geschreeuwd: Zeg, waarom doe jij mij dat? De monnik sprak: Omdat God de Heer mij bevolen heeft, dat het u twee keer per dag gebeurt. En waarom? vroeg Ferondo. De monnik voegde er bij: Omdat jij jaloersch bent geweest, terwijl je de beste donna had, die er in jou streken als echtgenoote te vinden was. Wee mij, klaagde Ferondo, gij zegt de waarheid en zij was de zachtzinnigste, zij was zoeter dan suiker; maar ik wist niet dat God het den man kwalijk nam jaloersch te wezen; anders zou ik het niet geweest zijn. De monnik sprak: Gij had dit moeten bemerken, toen gij daarboven leefde en er u van moeten zuiveren en als het ooit gebeurt, dat gij er terug keert, zorg dan in gedachten te houden, wat ik nu bij u maken zal, dat gij daar nooit meer jaloersch zult zijn. Ferondo zeide: Och, keert daar wel iemand terug, die sterft? Zeker, zei de monnik, als God het wil. O, antwoordde Ferondo, als ik er ooit terugkeer, zal ik de beste echtgenoot ter wereld zijn, ik zal haar nooit slaan, ik zal haar nooit beleedigen, behalve over den wijn, dien zij mij vandaag heeft gestuurd, en ook omdat zij mij geen kandelaar heeft gezonden en ik in het duister heb moeten eten. De monnik sprak: Dat deed ze wel, maar zij branden bij de missen. O, zei Ferondo, gij zegt de waarheid, en voorzeker, indien ik er terugkeer, zal ik haar laten doen, wat zij wil. Maar zeg mij, wie zijt gij, dat gij mij dat doet? De monnik antwoordde: Ik ben ook dood en kom van Sardinië en omdat ik het vroeger zeer prees in mijn heer jaloersch te zijn, ben ik door God tot dezelfde straf gedoemd, die ik u moet geven tot eten en drinken en slaag, tot God over u en mij anders zal beschikken. Ferondo vroeg: Zijn er geen anderen dan wij met ons beide? De monnik hervatte: Zeker, duizenden, maar gij kunt ze zien noch hooren evenmin als zij u. Ferondo vroeg: hoever zijn wij van onze landen? Hojo, antwoordde de monnik: heel wat verder dan wij kunnen rijden. Duivels, dat is ver! riep Ferondo en naar het mij schijnt, moeten wij buiten de wereld zijn, zoo’n afstand als dat is. Aldus met zulke en gelijksoortige gesprekken, met eten en slaag werd Ferondo tien maanden lang gevangen gehouden, in welke de abt dikwijls genoeg zeer gelukkig de schoone donna bezocht en vaak met haar de mooiste gelegenheid van de wereld had.
Maar zooals de ongelukken gebeuren, werd de donna zwanger en daar zij het spoedig had bemerkt, zeide zij het aan den abt; daarom scheen het beide goed, dat Ferondo dadelijk uit het vagevuur tot het leven zou worden teruggeroepen en dat hij tot haar terugkeerde en zij vertelde, dat ze van hem zwanger was.