Chapter 23
Tedaldo hoorde dit en begon er over na te denken, hoevele en hoedanig de dwalingen waren, welke de geesten der menschen kunnen bevangen, ten eerste peinzend over de broeders, die een vreemde hadden beweend en in zijn plaats begraven en die daarna den onschuldige door valsche verdenking hadden beticht, die hem met onware getuigenissen hadden gedoemd te sterven en behalve dat de blinde strengheid der wetten en der rechters, die dikwijls genoeg als zoogenaamd ijverige zoekers naar de waarheid door martelingen het valsche doen bewijzen en die zich handlangers noemen der gerechtigheid en van God, terwijl zij de helpers zijn van het onrecht en van den duivel. [58] Daarna keerde hij zijn gedachte naar de redding van Aldobrandino en stelde vast, wat hij te doen had. Toen hij ’s ochtends opstond, liet hij zijn knecht achter en toen het hem tijd scheen, ging hij alleen naar het huis van zijn donna. Toevallig vond hij de deur open, trad binnen en zag haar op den grond zitten in een klein, gelijkvloersch zaaltje, dat daar was, vol tranen en verdriet, waardoor hij uit medelijden schreide, haar naderde en sprak: Madonna, kwel U zelve niet; Uw vrede is nabij. De donna, dit hoorend, hief het hoofd op en zei weenend: Mijn goede man, gij schijnt mij een buitenlandsch pelgrim, wat weet gij van vrede of van mijn verdriet? Toen antwoordde de pelgrim: Madonna, ik ben van Constantinopel en ik ben sinds kort hier gezonden door God om Uw tranen in een lach te veranderen en Uw echtgenoot van den dood te bevrijden. Hoe, zeide de dame, als gij van Constantinopel zijt en sinds kort toch maar hier, weet gij wie mijn echtgenoot en ik zijn? De pelgrim, beginnend bij het begin, vertelde de heele geschiedenis van het ongeluk van Aldobrandino, zeide haar wie zij was, hoelang zij gehuwd was en meer andere dingen, die hij zeer goed uit zijn zaken kende. De donna was daarover zeer verwonderd, hield hem voor een profeet, knielde voor hem en verzocht hem bij God, als hij voor het heil van Aldobrandino was gekomen, voort te maken, daar de tijd kort was. De pelgrim, die voorgaf een zeer heilig man te zijn, zeide: Mevrouw, sta op, ween niet, let wel op hetgeen ik U zeggen zal en neemt U in acht dit nooit aan een ander te vertellen: Door hetgeen God mij heeft geopenbaard, is de kwelling, die gij thans ondervindt, het gevolg van een zonde, vroeger door U bedreven, welke God ten deele heeft willen uitwisschen met dit verdriet en Hij wil, dat gij U er geheel van bevrijdt, daar gij anders tot een grooter leed zult vervallen.
Toen antwoordde de donna: Messire, ik heb genoeg gezondigd, maar ik weet niet, waarom God de Heer wil, dat ik mij meer van de eene dan van de andere zonde bevrijdt. Als gij het wel weet, zeg het mij dan en ik zal doen, wat ik kan om mij er van te verlossen. Madonna, zei toen de pelgrim, ik weet wel, welke zonde dat is en ik zal u niet ondervragen om het nog beter te weten, maar opdat gij door het zelf te bekennen er meer berouw over zult hebben. Doch laat ons tot het feit zelf komen. Zeg mij: herinnert gij U ooit een minnaar gehad te hebben? Toen de donna dit hoorde, slaakte zij een diepe zucht en verwonderde zich zeer, dat ooit iemand dit wist, behalve hij die gedood was en welke, voor Tedaldo gehouden, begraven werd, tenzij men er iets van verraden had met zekere woorden onvoorzichtig geuit door den metgezel van Tedaldo, die dit wist en zij antwoordde: Ik zie, dat God U al de geheimen der menschen openbaart en daarom ben ik bereid U de mijnen te bekennen. Het is waar, dat ik in mijn jeugd een ongelukkig jonkman zeer lief had, wiens dood aan mijn man wordt toegeschreven, hetgeen ik evenzeer betreur als dit mij verdriet deed, omdat, hoewel ik mij hard en barsch jegens hem getoond heb voor zijn vertrek, noch zijn lange afwezigheid, noch zijn treurige dood hem uit mijn hart konden rukken. Hierop antwoordde de pelgrim: De ongelukkige jongeling, die gedood is, heeft U nooit bemind, maar wel Tedaldo Elisei. Maar zeg mij: Wat was de reden waarom gij boos op hem waart? Heeft hij U ooit beleedigd? Hierop antwoordde de donna: Neen, dat bepaald nooit, maar de reden van mijn toorn waren de woorden van een vervloekten monnik, waaraan ik eens biechtte, omdat, toen ik hem eens sprak van de liefde, dien ik dezen toedroeg en de vriendschap, die ik voor hem had, hij mij zulk een spektakel maakte, dat ik er nog bang van ben, en hij beweerde, dat, als ik niet ophield, ik in het diepst van de hel in den muil van den duivel zou terecht komen en dat ik geworpen zou worden in het eeuwige vuur. Hierdoor werd ik zoo bevreesd, dat ik besloot heelemaal geen vriendschap met hem te onderhouden en om er geen aanleiding toe te geven, wilde ik boodschap noch brief meer van hem ontvangen. Ik geloof, dat als hij meer had doorgezet—maar naar ik vermoed, ging hij wanhopig weg—ik, daar ik hem zag verteren als sneeuw voor de zon, mijn hard voornemen had laten varen, omdat ik geen grooter verlangen had dan naar hem.
Toen sprak de pelgrim: Madonna, dit is de eenige zonde, die U thans kwelt. Ik weet zeker, dat die Tedaldo U geen geweld zou hebben aangedaan; want toen gij verliefd op hem werd, hebt gij dit uit eigen beweging gedaan, daar hij U beviel en omdat gij het zelf wilde, kwam hij tot U en maakte van Uw vriendschap gebruik, waarin gij met woorden en daden hem zooveel lieftalligheid toonde, dat gij, indien hij ook al het eerst verliefd werd, zijn liefde wel duizend maal deed verdubbelen. Indien dit zoo was (en ik weet, dat het zoo was), welke reden hadt gij dan om U zoo streng van hem te vervreemden? Hieraan hadt gij eerst moeten denken en indien gij meent er berouw over te moeten hebben als van iets slechts, hadt gij het niet moeten doen. Gelijk hij de Uwe is geworden, zijt gij het de zijne. Gij kondt voorgeven naar verkiezing te doen of hij de Uwe niet was; maar U zelf aan hem te onttrekken, die de Uwe was, dit was een diefstal en onbehoorlijk, daar dit tegen zijn wil geschiedde. Nu moet gij weten, dat ik monnik ben en dus al hun gewoonten ken en als ik wat vrij in Uw voordeel er van spreek, is mij dat niet verboden gelijk aan een ander en het bevalt mij dit te doen, opdat gij ze voortaan beter zult kennen dan gij tot nu toe schijnt te hebben gedaan. Vroeger waren de monniken zeer heilige en eerbare mannen maar wie zich thans broeders noemen en er voor willen worden gehouden, hebben van het monnikschap niets anders dan de kap en zelfs die niet, omdat, terwijl de stichters der orden bevalen, dat die nauw, armoedig en van grof goed zouden zijn en van den geest getuigden, die de wereldsche zaken minachtte, wanneer zij het lichaam in zulk een simpel gewaad staken, zij thans rijk en dubbel en schitterend en van fijne stof zijn en ze die in een sierlijken en priesterlijken vorm hebben gebracht, zoodat zij zich niet schamen in de kerken en op de wandelplaatsen, gelijk de leeken met hun gewaden doen, er als pauwen mee te pronken. En gelijk de visscher met het net met één ruk in de rivier veel visschen tracht te vangen, zoo in hun wijde dracht rondgaande, doen zij hun best vele huichelaarsters, vele weduwen en tal van andere dwaze vrouwen en mannen te vatten, wat meer dan eenige andere godsdienstoefening hun voornaamste bezigheid is. Daarom, om U oprechter toe te spreken, dragen zij niet de kap der monniken maar alleen hun kleuren. En terwijl de vroegeren het heil der menschen zochten, begeeren zij tegenwoordig de vrouwen en het geld en zij hebben er al hun zinnen op gezet en zetten die er op met spektakel en hun bangmakerij de geesten der dwazen te ontstellen en voor te geven, dat zij met aalmoezen en missen hun zonden kunnen uitwisschen, opdat hun, die uit luiheid en niet uit vroomheid monnik worden en om niet te werken, deze brood geve, gene wijn verschaft en een ander zielemissen voor zijn voorvaderen betaalt. En het is wel zeker, dat de aalmoezen en de gebeden van zonden reinigen, maar indien zij, die de aalmoezen geven, zagen aan wie zij dit doen, of ze zouden kennen, zouden zij die even graag houden of ze liever voor evenveel andere zwijnen werpen. Naarmate anderen minder grooten rijkdom bezitten, zijn zij daarentegen meer tevreden en doen zij hun best met hun geschreeuw en hun bedreigingen anderen geld te ontrooven, dat hun eenig verlangen uitmaakt. Zij bulderen tegen de wellust der mannen, opdat zij, die aldus overschreeuwd zijn, afstand doen van de vrouwen en de vrouwen naar de bulderaars komen; zij vervloeken den woeker en de oneerlijke winsten, opdat zij aangewezen om die terug te geven, hun kappen rijker kunnen maken bij hun jacht op bisschopstitels en andere, hoogere priester-waardigheden met dezelfde winsten, waarmee zij hebben beweerd, dat die tot het verderf leidden van wie ze maakten.
Wanneer zij over deze dingen en vele andere schanddaden, die zij bedrijven, onderhouden worden, hebben zij als antwoord klaar: Doe, wat wij zeggen en niet wat wij doen en meenen, dat dit een waardige verontschuldiging is voor elke zware zonde, alsof het eerder aan de schapen mogelijk is om standvastig te zijn en van ijzer dan aan hun zieleherders. En hoevelen er niet zijn aan wien zij zulk een antwoord geven, dat die het niet begrijpen door de manier, waarop zij dit geven, dat weet een groot deel van hen. De hedendaagsche monniken willen, dat gij doet, wat zij zeggen, namelijk dat gij hun beurs vult met geld, dat gij hun uwe geheimen toevertrouwt, dat gij de kuischheid bewaart, geduldig zijt, de beleedigingen vergeeft, u er voor hoedt kwaad te spreken, allemaal goede, eerlijke en heilige dingen. Maar waarom dit? Opdat zij dat kunnen doen, wat, als de leeken het deden, zij niet zouden kunnen. Wie weet niet, dat zonder geld hun luiheid niet kan voortduren? Indien gij er geen plezier meer in hebt aan hen uw geld te verkwisten, kan de broeder in de orde niet meer luieren. Indien men buitenshuis niet naar de vrouwen gaat, zijn de broeders binnenshuis hun plaats kwijt. Indien gij geduldig zijt en beleedigingen vergeeft, zal de broeder niet in uw huis durven komen om uw huisgezin te schandvlekken. Maar waarom zal ik mij bij alles ophouden? Zij beschuldigen zich elken keer, dat zij in tegenwoordigheid van wie hen hooren deze verontschuldigiging aanvoeren. Waarom blijven zij zelf niet thuis, als zij niet gelooven kuisch en heilig te kunnen zijn? Of als zij dit toch willen nakomen, waarom volgen zij dan niet dit andere heilige woord van het Evangelium: Christus begon te doen, daarna te spreken? Laten zij ook eerst handelen en dan de anderen les lezen. Ik heb er onder de mijnen duizenden gezien, verliefd, minnaars, bezoekers, niet alleen van de wereldlijke vrouwen maar ook van de nonnen en juist onder degenen, die het meeste drukte maken op hun kansels. Waarom zullen wij zulke lieden naloopen? Die het doet, doet wat hij wil, maar God weet of hij wijs doet. Maar aangenomen, dat men toch moet toegeven, wat de monnik, die U berispt, zegt, namelijk dat het een zeer ernstig misdrijf is de echtelijke trouw te verbreken, is het dan niet erger een mensch te bestelen? Is het niet veel erger hem te dooden of hem in ballingschap te sturen om de wereld door te zwerven? Dat zal ieder erkennen. Dat een vrouw van de genegenheid van een man gebruik maakt is een natuurlijke zonde, maar hem te berooven, te verwonden of te verjagen komt voort uit laagheid van aard. Dat gij Tedaldo bestolen hebt door U aan hem te onttrekken, die uit eigen beweging de zijne zoudt geworden zijn, heb ik U al vroeger aangetoond. Ik beweer ook, dat, in zooverre het van U afhing, gij hem hebt getoond, omdat het van U niet afhing, die steeds meer wreedheid voorgaaft, dat hij zich niet eigenhandig van kant maakte en de wet zegt, dat hij, die de oorzaak is van het kwaad, dat geschiedt, even schuldig is als hij, die het kwaad doet. En dat gij van zijn ballingschap en van zijn zwerven door de wereld gedurende zeven jaren de oorzaak zijt, kan men ook niet ontkennen. Zoodat gij een veel grooter zonde hebt bedreven door een der drie gezegde dingen dan door Uwe betrekking tot hem. Maar laat ons zien. Verdiende Tedaldo dit misschien? Zeker niet; gij hebt het zelf al erkend, ook zonder dat ik weet, dat hij U meer bemint dan gij hem. Niemand was zoo geëerd, zoo verheven, zoo verheerlijkt als gij boven iedere andere donna door hem, indien hij zich bevond op een plaats, waar hij eerlijk en zonder argwaan op te wekken, van U kon spreken. Al zijn rijkdom, al zijn eer, al zijn vrijheid, alles van hem gaf hij U in handen. Was hij niet van adel en jong? Was hij niet schoon vergeleken bij zijn andere medeburgers? Was hij niet uitmuntend in die dingen, die aan de jongelingen eigen zijn? Was hij niet bemind? Werd hij niet op prijs gesteld? Werd hij niet gaarne door iedereen gezien? Gij zult hierop toch niet neen antwoorden? Dus, hoe hebt gij naar het woord van een mallen, dommen en jaloerschen broeder zulk een wreed besluit tegen hem kunnen nemen? Ik begrijp niet wat die dwaling is van de vrouwen, die de mannen ontwijken en ze weinig achten, wanneer zij bedenken wat zij zelf zijn en hoe groot en hoedanig de adel is, die God aan den man boven elk ander wezen heeft geschonken en zij er zich op moesten beroemen, wanneer zij door een van hen bemind worden en hem boven alles moesten liefhebben en alles moesten doen om hem te behagen, opdat hij nooit zou ophouden hen te beminnen. Wat gij gedaan hebt, bewogen door het woord van een monnik, die zeker een of andere vraat is, een liefhebber van taarten, dat weet gij. En misschien zou hij verlangen zich op dezelfde plaats te stellen, waaruit hij zijn best doet anderen te verdrijven. Dit is de zonde, welke de goddelijke gerechtigheid, die met juiste balans al haar werken ten uitvoer brengt, niet ongestraft heeft willen laten en gelijk gij U zelf aan Tedaldo hebt willen onttrekken, zoo was en is nog Uw man zonder reden door Tedaldo in gevaar en gij in tegenspoed. Wanneer gij daarvan bevrijd wilt worden, dan is wat U past te beloven en het best om te doen, dat gij, indien ooit Tedaldo uit zijn lange ballingschap hier terug komt, hem Uw gunst, Uw liefde, Uw welwillendheid en vriendschap terug geeft en in dien toestand hem terug brengt, waarin hij was, voordat gij, dwaas genoeg, den mallen broeder geloofde.
Toen de pelgrim zijn woorden geëindigd had, zeide de donna, die zeer aandachtig ze opving, omdat die redeneeringen haar zeer waar schenen en omdat zij zich werkelijk om die zonde, hiernaar hoorend, bezocht achtte: Vriend van God, ik weet genoeg, dat de dingen die gij zegt, waar zijn en ik erken voor een groot deel door Uwe verklaring wat de monniken waard zijn, die ik tot nu toe allen voor heiligen heb gehouden en zonder twijfel beaam ik, dat mijn misstap groot is geweest in hetgeen ik tegen Tedaldo deed en als het mij mogelijk is, zal ik het gaarne vergoeden op de wijze door U gezegd. Maar hoe kan dit! Tedaldo zal nooit kunnen terugkeeren; hij is dood en omdat het dus niet kan, weet ik niet waarom ik noodig heb het te beloven. Hierop antwoordde de pelgrim: Madonna, Tedaldo is heelemaal niet dood naar hetgeen God mij bewijst, maar levend, gezond en wel, mits hij Uwe gunst heeft. Toen zeide de donna: Pas op hetgeen gij zegt; ik zag hem dood voor mijn deur getroffen door verscheidene messteken, ik hield hem in mijn armen en heb zijn dood gelaat met vele tranen besproeid, welke misschien de oorzaak waren, dat men er zooveel over sprak, als men er op lasterlijke wijze over gepraat heeft. Toen zeide de pelgrim: Madonna, wat gij ook beweert, ik verzeker U, dat Tedaldo leeft en als gij wilt beloven hem te behandelen, gelijk ik gezegd heb, hoop ik, dat gij hem spoedig zult zien. Toen hernam de donna: Dat doe ik gaarne en zal ik gaarne doen en niets zou mij zoo tot vreugde kunnen strekken dan mijn man vrij te zien buiten gevaar en Tedaldo levend. Nu scheen het Tedaldo tijd zich bekend te maken en de donna met de zekerste hoop omtrent haar echtgenoot te sterken en sprak hij: Mevrouw, opdat ik U betreffende Uw man gerust stel, moet ik U een geheim openbaren, dat gij moet bewaren zonder ooit in Uw gansche leven er iets van te verraden.
Zij waren op een vrij afgezonderde plaats en alleen en de donna had het grootste vertrouwen gekregen in de heiligheid, welke de pelgrim scheen te vertoonen. Daarom trok Tedaldo een ring, dien hij zorgvuldig bewaard had en welke de donna hem den laatsten nacht had gegeven, dat zij samen geweest waren, te voorschijn en zeide, terwijl hij dien vertoonde: Madonna, kent gij dien? Toen de donna dien zag, herkende zij dien en antwoordde: Zeker, heer, ik gaf dien aan Tedaldo. Daarop verhief zich de pelgrim en de kap terugwerpend en den hoed van het hoofd, sprak hij in het florentijnsch: En kent gij mij? Toen de donna hem zag en begreep dat hij Tedaldo was en geheel ontzet, bevreesd voor hem als voor dooden, die men als levenden ziet loopen, verschrikte zij en zij ontving hem niet als Tedaldo teruggekeerd van Cyprus maar als Tedaldo teruggekeerd uit het graf en wilde in angst vluchten. Tedaldo sprak tot haar: Madonna, vrees niet, ik ben uw Tedaldo levend en gezond en ik stierf niet, noch was ik dood, hoewel gij en mijn broeders het gelooven. De vrouw een weinig gerust gesteld, met ontzag voor zijn stem en hem wat langer beschouwend, werd er zekerder van, dat hij Tedaldo was, wierp zich weenend om zijn hals, kuste hem en sprak: Mijn lieve Tedaldo, gij zijt gelukkig teruggekeerd. Tedaldo omarmde en kuste haar en zeide: Madonna het is nu nog geen tijd voor een inniger ontvangst, ik wil te werk gaan, opdat Aldobrandino U gezond en veilig zal worden teruggegeven. Wat dat betreft hoop ik, dat gij voor morgen tijdingen zult vernemen, die u zullen bevallen. Indien ik werkelijk, gelijk ik geloof, goede hoop heb omtrent zijn behoud, zal ik vannacht bij U kunnen komen en het U meer op mijn gemak kunnen vertellen dan thans. Hij wierp opnieuw de kap terug en den hoed, kuste de donna nog eens, versterkte haar met goede hoop, nam afscheid van haar en ging daarheen, waar Aldobrandino in de gevangenis zat en dacht meer aan de vrees voor den naderenden dood dan aan de hoop op toekomstig behoud. Alsof hij er heen was gegaan om hem te troosten, kwam hij er binnen met toestemming van de bewaarders, zette zich naast hem en zeide: Aldobrandino, ik ben een vriend van U door God tot U gezonden om U te verlossen, die wegens Uw onschuld medelijden met U had. Daarom, indien gij uit eerbied voor Hem mij een kleine gunst wilt toestaan, dien ik U zal vragen, zult gij zonder twijfel voor morgenavond in plaats van het doodvonnis, dat U wacht, dat van Uwe bevrijding vernemen. Aldobrandino antwoordde hem: Beste man, daar gij U voor mijn behoud beijvert en ik U niet ken noch mij herinner U ooit gezien te hebben, moet gij een vriend zijn gelijk gij zegt. En werkelijk de zonde, waarvoor men zegt, dat ik ter dood veroordeeld moet worden, heb ik nooit bedreven; ik heb genoeg anderen gedaan, die mij er misschien toe gebracht hebben. Maar dit zeg ik U tot Gods eere, indien Hij thans met mij erbarming heeft, zal ik gaarne een groote daad doen liever dan een kleine en die liever doen dan beloven. Daarom: vraag wat U behaagt, daar ik die belofte zonder twijfel, als ik er aan ontsnap, zal nakomen. Toen zeide de pelgrim: Wat ik wil, is niets anders dan dat gij de vier broeders van Tedaldo vergeeft, die U zoover gebracht hebben, daar zij geloofden, dat gij aan diens dood schuldig waart en dat gij hen als broeders en vrienden aanneemt, als zij U hiervoor vergeving vragen. Aldobrandino antwoordde: Niemand weet, hoe zoet de wraak is, noch hoezeer men die verlangt, behalve hij, die de beleediging ontvangen heeft, maar ik zal ze gaarne, opdat God mijn bevrijding wenscht, vergeven en vergeef hen thans en als ik hier levend en ongedeerd uitkom, zal ik mij er aan houden zoo hierin te handelen, dat het U aangenaam zal zijn.
Dit beviel den pelgrim en zonder hem iets anders te zeggen, vroeg hij hem vooral goeden moed te houden, daar hij zeker, voor de volgende dag zou eindigen, beslissende tijdingen zou hooren omtrent zijn bevrijding. Hij nam afscheid van hem, ging naar het gerechtshof en sprak in het geheim tot een ridder, die er zich bevond: Mijnheer, elkeen moet er zich voor beijveren, dat de waarheid der dingen bekend wordt en het meest diegenen, welke de plaats bekleeden, die gij inneemt, opdat niet zij de straf dragen, welke de zonde niet hebben bedreven en opdat de ware zondaars gestraft worden. Opdat dit geschiedt, ben ik tot Uw eer en tot straf van degenen, die dit heeft verdiend, hier gekomen. Gelijk gij weet, zijt gij streng tegen Aldobrandino Palermini te werk gegaan en het schijnt als waar te zijn bevonden, dat hij het is, die Tedaldo Elisei heeft vermoord en gij zijt op het punt hem ter dood te laten brengen. Dit is zeker verkeerd, daar ik hoop, eer het middernacht is, de moordenaars van den jongen man U in handen te stellen. De brave man, dien het lot van Aldobrandino verontwaardigde, leende gaarne het oor aan de woorden van den pelgrim en nadat hij verschillende dingen hierover met hem besproken had, liet hij op diens aandringen in hun eersten slaap de twee gebroeders herbergiers en hun knecht zonder weerstand gevangen nemen. Toen hij hun om te weten, hoe de dingen gebeurd waren, wou laten pijnigen, lieten zij dit niet toe, maar ieder voor zich en daarna allen te zamen bekenden openlijk, dat zij het geweest waren, die Tedaldo Elisei hadden gedood, terwijl zij hem niet kenden. Men vroeg hen de reden en zij antwoordden: Omdat hij aan een van hun vrouwen, terwijl zij niet in de herberg waren, veel last had veroorzaakt en haar had willen dwingen zijn wil te doen. De pelgrim ging, na dit te hebben vernomen met verlof van den edelman heen en in stilte begaf hij zich naar het huis van madonna Ermellina en vond haar, terwijl elk daar ter ruste was gegaan, hem alleen wachtend en eveneens verlangend goede tijdingen van haar man te hooren en bereid zich geheel met haar Tedaldo te verzoenen. Toen hij tot haar kwam, zeide hij met een verheugd gelaat: Mijn zeer geliefde donna, verblijdt U, daar gij zeker Uw Aldobrandino morgen gezond en ongedeerd hier zult terug hebben. En om haar meer geloof te schenken verhaalde hij haar alles, wat hij gedaan had. De donna door die zoo onverwachte gebeurtenissen, namelijk Tedaldo levend te zien, dien zij werkelijk als dood had beweend en Aldobrandino vrij van gevaar, dien zij voor enkele dagen als overleden meende te moeten beweenen, zoo blijde als zij nog nooit was, omhelsde en kuste haar Tedaldo innig en nadat zij samen naar bed waren gegaan, hadden zij met goeden wil een heerlijke en aangename rust en genoten ten zeerste van elkaar. Toen de dag naderde, stond Tedaldo op na al voor de donna te hebben uiteengezet, wat hij doen wilde en na haar opnieuw te hebben verzocht dit zeer stil te houden, ging hij weer in pelgrimskleed uit haar huis om als het tijd was, zich met de zaken van Aldobrandino bezig te houden.