Chapter 22
In Napels, die aloude stad, en misschien even bekoorlijk, zoo niet meer dan iedere andere van Italië, leefde vroeger een jonge man, bekend door den adel van zijn bloed en befaamd om zijn rijkdommen, die Ricciardo Minutolo heette. [55] Deze, hoewel hij tot vrouw een zeer schoone en zeer begeerenswaardige jonge donna had, werd op een ander verliefd, die volgens de meening van allen verre in schoonheid alle andere schoone napolitaanschen overtrof en die Catella heette, de vrouw van een jonge man insgelijks van adel, Fillipello Fighinolfi genaamd, die hij als zeer eerbare vrouw beminde en liefhad boven alles.
Daar nu Ricciardo Minutolo deze Catella beminde en alles in het werk stelde om de gunst en de liefde van die donna deelachtig te worden en hij door dit alles zijn begeerte niet kon voldoen, was hij bijna wanhopig. Omdat hij zich van die liefde niet wist noch kon losmaken, wou hij noch sterven noch leven. En in dien toestand werd hem door dames, die met hem verwant waren, op een goeden dag geraden, dat hij van die liefde afstand zou doen, omdat hij vergeefs moeite deed, want Catella kende geen ander geluk dan haar Filippello met wien zij zoo jaloersch leefde, dat zij geloofde, dat iedere vogel, welke door de lucht vloog, dien aan haar zou ontrooven. Ricciardo, die van de jaloerschheid van Catella had gehoord, maakte opeens een plan voor zijn begeerten en deed of hij aan de liefde voor Catella wanhoopte en zijn genegenheid naar een andere donna richtte en uit liefde tot haar begon hij wapenspelen en tournooien te vertoonen en al die dingen te doen, welke hij voor Catella pleegde te verrichten. Het duurde niet lang of zoo goed als alle Napolitanen en ook Catella geloofden, dat hij niet meer Catella maar die andere donna het meest lief had. Hij hield zoo vol zich voor ieder gesloten te houden, dat niet de anderen slechts maar ook Catella de terughoudendheid liet varen, die zij jegens hem toonde om de liefde, die hij haar placht toe te dragen en zij begon hem ais buurman vriendelijk te groeten en aan te zien, gelijk zij het anderen deed. Toen het warm weer was en vele groepjes van dames en heeren volgens Napolitaansche gewoonte aan den zeekant gingen verblijf houden en daar ontbeten en avondmaalden, ging Ricciardo, die wist, dat ook Catella daar met haar gezelschap heen gegaan was, er met het zijne heen en werd in dat der donna’s van Catella ontvangen na zich eerst lang te hebben laten bidden, alsof hij niet zeer verlangend was er in te verblijven. Hier begonnen de donna’s en met hen Catella met hem te schertsen over zijn nieuwe liefde, waardoor hij veinsde zeer ontbrand te zijn en gaf hun ruim stof er over te babbelen. Toen op den langen duur de donna’s, deze hier en gene daarheen waren gegaan, gelijk men op die plaatsen doet, en Catella met weinigen achter gebleven was, waar Ricciardo zich bevond, wierp Ricciardo haar een woord toe over een zekere liefde van Filipello, haar man, waardoor zij plotseling zeer jaloersch werd en innerlijk gansch van verlangen begon te branden te weten, wat Ricciardo bedoelde. Na zich eenigen tijd te hebben ingehouden, kon zij het niet langer verduren en vroeg Ricciardo, dat hij bij de liefde van de donna, die hij het meest beminde, haar een genoegen kon doen te verklaren, wat hij van Filippello gezegd had. Deze zeide: Gij hebt mij bezworen in naam van iemand, wien ik niet durf te weigeren, wat gij mij vraagt en daarom haast ik mij het u te zeggen, mits gij mij belooft, dat gij er nooit over zult spreken noch met hem noch met anderen, voor gij er het bewijs van hebt, dat, wat ik zal zeggen, waar is; dus, wanneer gij wilt, zal ik u onderrichten, hoe gij het kunt te weten komen. Wat hij vroeg, stond de donna aan en deed haar te meer gelooven, dat het waar was. Zij zwoer hem het nooit te zeggen. Nadat hij haar dus ter zijde had genomen, opdat zij niet door anderen zouden gehoord worden, begon Ricciardo aldus te spreken: Madonna, indien ik u zou beminnen, zooals ik u vroeger lief had, zou ik iets durven zeggen, wat ik geloof, dat u verdriet zou doen, maar omdat die liefde voorbij is, zal ik mij minder hoeden u de waarheid van alles te openbaren. Ik weet niet of Filipello ooit zich boos heeft gemaakt over de liefde, die ik u toedroeg of dat hij heeft geloofd, dat ik ooit door U werd bemind. Maar of dit zoo zij of niet, ik toonde het nooit uit mezelve, maar thans, misschien den tijd afwachtend, wanneer hij geloofde, dat ik er minder argwaan in zou hebben, schijnt hij mij dat te willen doen, wat ik vermoed, dat hij vreest door mij aan hem te zijn gedaan, namelijk zijn genoegen er van te nemen met mijn vrouw en naar wat ik bespeurde, heeft hij haar sinds korten tijd heimelijk met meerdere boodschappen vervolgd, welke ik allen van haar heb vernomen en zij heeft de antwoorden gezonden, gelijk ik haar beval. Maar toch van morgen, voor ik hier kwam, heb ik in huis met mijn vrouw een andere in druk gesprek gevonden, welke ik dadelijk beoordeeld heb naar wat zij is, waarom ik de mijne riep en haar vroeg wat die verlangde. Zij zei mij: Zij is de handlangster van Filippello, dien gij, door het geven van antwoorden en van hoop, mij op den hals hebt geschoven en zij zegt, dat hij, voor alles wil weten, wat ik van plan ben en dat hij, wanneer ik mocht willen, zou maken, dat ik heimelijk hier in de stad in een badhuis zou komen. Daarom bidt en smeekt hij mij. En was het niet, dat gij mij er toe bracht, ik weet niet waarom, deze onderhandelingen vol te houden, dan zou ik mij er op de een of andere manier aan onttrokken hebben, zoo, dat hij nooit zou nagespoord hebben, waar ik was. Toen scheen het mij, dat dit te ver ging en dat het niet meer was uit de houden en ik het U moest zeggen, opdat gij zult weten, welk loon Uw gansche vertrouwen kreeg en waardoor ik als op het punt was te sterven. En opdat gij niet gelooft, dat dit woorden zijn en verzinsels, maar gij het, wanneer de begeerte er U toe drijft, duidelijk zoowel kunt zien als tasten, heb ik mijn vrouw voor de persoon, die haar wachtte, als antwoord laten opstellen, dat zij bereid zou zijn morgen op het uur van den noen, als iedereen slaapt, in dat badhuis te zijn. De vrouw vertrok van haar hierover zeer voldaan. Nu meen ik niet, dat gij gelooft, dat ik haar er heen zal zenden, maar als ik in Uw plaats was, zou ik maken, dat hij mij vond in plaats van haar, die hij er gelooft te zullen vinden en als ik eenigen tijd met hem samen zou geweest zijn, zou ik hem laten bemerken, met wien hij geweest was en ik zou hem dan de eer aandoen, die hem toe kwam. Als gij aldus handelt, zou hij zich zoo schamen, dat tegelijkertijd de beleediging, die hij U wil aandoen en mij, gewroken zal zijn. Toen Catella dit hoorde, begon zij zonder eenigzins acht te geven wie het was, die het haar vertelde of op zijn bedriegerijen naar de gewoonte der jaloersche menschen, dadelijk aan zijn woorden geloof te slaan en zekere dingen, voor dien tijd gebeurd, hiermede in verband te brengen. En in plotselingen toorn ontbrand antwoordde zij, dat ze het dadelijk doen zou, dat het niet zoo moeilijk was uit te voeren en dat zij zeker, als hij er kwam, hem zoo zou beschamen elken keer, dat zij hem met een vrouw zag, dat zijn hoofd er van zou draaien. Ricciardo was hierover tevreden, het scheen hem, dat zijn overleg goed was geweest en gevolg had, hij versterkte haar daarin nog met vele andere woorden en deed het haar nog meer gelooven, terwijl hij haar verzocht het aan niemand te vertellen, dat zij het van hem had gehoord, wat zij hem bij haar geloof in God toezegde.
Den volgenden morgen ging Ricciardo naar een goede vrouw, die het badhuis, dat hij naar Catella genoemd had, hield, vertelde haar, wat hij van plan was te doen en verzocht haar hem hierin zooveel zij kon ter wille te zijn.
De goede vrouw, die hem zeer verplicht was, zeide hem, dat zij dit gaarne deed en beschikte met hem, wat er noodig was om te doen of te zeggen. Zij had in het huis, waar de badinrichting was, een zeer donkere kamer, omdat er in deze geen enkel venster was, dat licht gaf. Deze maakte de goede vrouw volgens de aanwijzingen van Ricciardo in orde en plaatste er zoo goed zij kon een bad in, waarin Ricciardo gelijk hij het had voorgeschreven zich neerlegde en Catella begon af te wachten. De donna ging na de woorden van Ricciardo, waaraan zij meer geloof hechtte dan noodig was, vol gramschap ’s avonds naar huis, waarheen toevallig Filippello insgelijks vol andere gedachten thuis kwam en haar misschien niet zooveel aandacht schonk als hij gewoon was te doen. Toen zij dit zag, kreeg zij nog meer argwaan dan zij had en sprak in zich zelf: Hij is zeker met zijn geest bij die donna, met welke hij morgen gelooft genoegen en bevrediging te hebben, maar dat zal bepaald niet gebeuren en met die gedachte en met het voornemen, hoe zij het hem moest zeggen, als zij daar met hem geweest was, bleef zij den ganschen nacht bezig. Maar wat er meer van te zeggen? Bij het begin van den noen, nam Catella haar kamenier met zich mede en zonder haar plan te veranderen, ging zij naar het badhuis, dat Ricciardo haar had aangewezen en na hier de goede vrouw gevonden te hebben, vroeg zij haar of Filippello er dien dag geweest was. Zij antwoordde daarop voorgelicht door Ricciardo: Is u die donna, die hem moet komen spreken? Catella antwoordde: Dat ben ik. Gaat u, zeide de goede vrouw, hem dan opzoeken. Catella, die hem ging zoeken, welke zij niet had willen vinden, liet zich naar de kamer leiden, waar Ricciardo was, kwam met het hoofd gesluierd daar binnen en sloot er zich in op. Ricciardo zag haar komen, stond verheugd op en na haar in zijn armen te hebben gesloten, zeide hij langzaam: Wees welkom, mijn ziel. Catella om goed te veinzen, dat zij een andere was dan zij voorgaf, omhelsde en kuste hem en ontving hem blijde, zonder een woord te spreken, vreezend, als zij sprak door hem herkend te worden. De kamer was zeer donker, waarover elk der beide partijen tevreden was. Alleen door er lang te blijven kregen de oogen er meer macht.
Ricciardo bracht haar naar het bed zonder te spreken uit zeer groote vrees, dat zij anders zijn stem zou herkennen en zij bleven daar tot groot genoegen en voldoening van beide partijen. Maar toen het aan Catella den tijd scheen haar opgevatte verontwaardiging te openbaren, begon zij van hevigen toorn ontbrand aldus te spreken: Wat is het geluk der vrouwen gering en hoe slecht wordt de liefde van velen door hun echtgenooten beloond! Ik, ongelukkige, die ik ben, heb U al meer dan acht jaar lief gehad, ik heb U meer dan mijn leven bemind en gij, gelijk ik bemerkt heb, brandt en verteert U geheel door de liefde voor een vreemde vrouw, schuldige en slechte man, die gij zijt. Met wie denkt gij nu te zijn geweest? Gij zijt samen met degene, die gij al genoeg met valsche liefkoozingen hebt bedrogen, en dien gij liefde voorspiegelde, terwijl gij op een ander verliefd waart. Ik ben Catella en niet de vrouw van Ricciardo, oneerlijke bedrieger, die je bent. Hoor of je mijn stem herkent; ik ben het wel en het schijnt mij, dat wij wel duizend jaar moeten leven, eer ik U kan beschaamd maken zooals gij het verdient, gemeene, schandelijke hond, die je bent. Helaas! ongelukkige, die ik ben, voor wien heb ik zooveel jaren liefde gekoesterd? Voor dien bedriegelijken hond, die, meenend een vreemde vrouw in de armen te hebben, mij meer liefkoozingen en liefdesbetuigingen heeft gegeven in dien korten tijd, dat ik met hem geweest ben dan in al den anderen, dat ik overigens met hem leefde. Gij zijt nu, verraderlijk beest, wel goed geweest, die tehuis U zoo zwak, overwonnen en machteloos placht te toonen. Maar geloofd zij God, dat gij Uw veld en niet dat van een ander hebt bewerkt, gelijk gij geloofde. Ik verwonder mij er niet over, dat gij mij vannacht niet zijt genaderd; gij dacht elders te zijn om Uw last af te werpen en wilde als een kersversch ridder den veldslag beginnen, maar dank zij God en mijn slimheid is het water toch daarheen geloopen, waar het moest. Waarom antwoordt gij niet, trouwelooze kerel? Waarom spreekt gij hier niet over? Ben je door mij te hooren stom geworden? Bij God, ik weet niet wat mij weerhoudt, dat ik je niet de handen in de oogen zet en ze uitruk. Je dacht, dat verraad heelemaal in het geheim te kunnen doen. Bij God! De een weet er net zooveel als de ander van; het is niet gelukt. Ik heb je beter speurhonden achter de hielen gezet dan je geloofde.
Ricciardo moest in zich zelf om die woorden lachen en zonder iets te antwoorden omhelsde en kuste hij haar en meer dan ooit gaf hij haar hartstochtelijke liefkoozingen. Daarop ging zij door: Ja, dacht je mij nog met je geveinsde liefkoozingen te bedriegen, vervelende kerel, die je bent en mij te verzoenen en tevreden te stellen? Ge hebt gedwaald. Ik zal er nooit over getroost worden, voordat ik je er over geschandvlekt heb in tegenwoordigheid van al de familie en buren en vrienden, die wij hebben. Of ben ik, gemeene vent, niet net zoo mooi als die vrouw van Ricciardo Minutolo? Ben ik ook niet edelvrouw? Waarom antwoordt je niet, vervloekte hond? Wat heeft zij meer dan ik? Ga weg, raak mij niet aan, want je hebt nu al te veel wapenfeiten verricht. Ik weet wel, dat thans, nu ge weet wie ik ben, je met geweld kunt doen, wat je hebt gedaan, maar als God mij Zijn genade geeft, zal ik je de begeerte er naar doen gevoelen. En ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik dien Ricciardo laat komen, die mij meer dan zich zelf heeft lief gehad en die er zich nooit op kon beroemen, dat ik hem ook maar één keer heb aangekeken en ik weet niet of het kwaad zou zijn het te doen. Gij hebt geloofd uwe vrouw hier te hebben en het is of gij haar gehad hebt: in zoover dat het niet van u afhing; zoo ook ik, als ik hem had gehad, zou jij het mij niet met recht kunnen verwijten.
Nu was het genoeg en de verwijten van de donna waren groot; toch besloot Ricciardo denkend, dat, als hij haar in dat geloof liet, er veel kwaad uit zou volgen zich aan haar bekend te maken en haar uit den waan te verlossen, waarin zij was. Nadat hij haar in zijn armen had gesloten en zoo goed had beetgepakt, dat zij zich niet kon wegrukken, zeide hij: Mijn zoete ziel, wat ik niet door eerlijk te beminnen vermocht, heeft Amor mij geleerd met bedrog te verkrijgen, ik ben uw Ricciardo. Toen Catella dit hoorde en zijn stem herkende, wilde zij zich dadelijk uit het bed werpen maar kon niet; daarom wilde zij schreeuwen, maar Ricciardo sloot haar met een hand den mond en zeide: Madonna, het is niet mogelijk, dat wat geschiedde, toch niet heeft plaats gehad, al zoudt u je heele leven blijven doorschreeuwen. En indien gij het toch zoudt doen of iets zoudt uitrichten, waardoor iemand dit ooit merkt, zullen er twee zaken uit voortkomen. De eene zal wezen, (waarom gij niet weinig moet geven) dat uw eer en uw goede naam verdwenen zullen zijn, omdat, zoodra gij zegt, dat ik het hier tot bedrog heb laten komen, ik zal zeggen, dat het niet waar is, maar u hier heb doen komen voor geld en voor geschenken, die ik u had beloofd, waarover gij, omdat ik ze u niet zoo mild gegeven heb, als gij hoopte, kwaad zijt en die woorden spreekt en dit rumoer maakt. En gij weet, dat de wereld meer geneigd is het kwade dan het goede te gelooven en daarom zal men mij eerder gelooven dan u. Daaruit zal tusschen Uw man en mij doodelijke vijandschap volgen en het zou kunnen gebeuren, dat ik hem eerder zou dooden dan hij mij. En daarom, hart van mijn lichaam, schandvlek mij niet en breng niet gelijktijdig Uw man en mij in strijd. Gij zijt de eerste niet en zult de laatste niet zijn, die bedrogen is en ik heb dit ook niet gedaan om U Uw man te ontnemen, maar door de overmatige liefde, die ik U toedraag en die ik bereid ben U steeds toe te dragen om Uw nederigste dienaar te zijn. En daar het al lang geleden is, dat ik en mijn goederen en al wat ik kan en begeer, de Uwen zouden geweest zijn en tot Uw dienst, ben ik van plan, dat ze het van nu af aan meer dan ooit zullen wezen. Nu zijt gij onderricht in de andere zaken en ik ben er zeker van, dat gij het ook hierin zult zijn. Catella weende bitter, terwijl Ricciardo die woorden sprak, en daar zij zeer boos was en hem zeer sterke verwijten deed, gaf zij niettemin zooveel toe aan de waarheid van Ricciardo’s woorden, dat zij het mogelijk dacht te gebeuren, wat Ricciardo beweerde en daarom zeide zij: Ricciardo, ik weet niet of God de Heer mij zal toestaan de beleediging en het bedrog te verduren, die gij mij hebt aangedaan; ik wil hier niet schreeuwen, waar mijn onnoozelheid en mijn bovenmatige jaloerschheid mij gebracht hebben; maar wees van één ding zeker, dat ik nooit weer blijmoedig zou zijn, eer ik mij op een of andere wijze zal hebben gewroken over hetgeen gij mij hebt gedaan. En laat mij daarom los, houdt mij niet langer vast. Gij hebt gehad, wat gij verlangd hebt en gij hebt mij bedrogen gelijk U beviel. Het is nu tijd om te eindigen. Laat mij los, bid ik U.
Ricciardo, die zag, dat haar geest nog veel te vertoornd was, had zich voorgenomen haar nooit los te laten, voor hij van haar den vrede had verkregen. Daarom begon hij haar met zeer zachte woorden te verzoenen en zei haar zooveel en bad en bezwoer haar zoo, dat zij, overwonnen, goed met hem werd. En met wederzijdsch goedvinden bleven zij langen tijd daarna met het grootste genoegen bijeen. En toen de donna bevond, hoeveel zoeter de kussen waren van den minnaar dan van den echtgenoot, verkeerde haar hardheid jegens Ricciardo in teedere liefde en zij beminde hem vanaf dien dag zeer innig en daar zij heel slim te werk gingen, hadden zij menigmaal genoegen van hun liefde. God late ons van de onze genieten.
ZEVENDE VERTELLING.
Tedaldo in twist met zijn geliefde verlaat Florence. Hij komt na eenigen tijd vermomd als pelgrim terug, spreekt met de donna, doet haar haar dwaling kennen en bevrijdt haar echtgenoot van den dood, dien men beschuldigt hem te hebben vermoord, verzoent hem met zijn broeders en verheugt zich daarna listig met diens vrouw.
Reeds zweeg Fiammetta door allen geprezen, toen de koningin om geen tijd te verliezen haastig aan Emilia opdroeg te spreken. Deze begon: Het behaagt mij in onze stad terug te keeren, waaruit mijn twee voorgangers wilden vertrekken om u te toonen, hoe een onzer burgers zijn verloren donna herwon.
Er leefde dan eens in Florence een jonkman van adel, die Tedaldo degli Elisei [56] heette en die vreeselijk verliefd was op een dame Monna Ermellina genaamd en de vrouw van Aldobrandino Palermini en die voor zijn lofwaardige manieren wel verdiende zijn verlangen te bevredigen. Hiertegen verzette zich het Noodlot als de vijandin der gelukkigen; wat de oorzaak er ook van zij, nadat de donna een tijd lang behagen had gehad in Tedaldo, wilde zij hem in ’t geheel niet meer bekoren en niet alleen geen boodschappen meer van hem ontvangen maar hem in ’t geheel niet meer zien, zoodat hij zeer neerslachtig en ontstemd werd, doch zijn liefde was zoo verborgen, dat niemand geloofde, dat dit de oorzaak was van zijn droefheid. En sinds hij op verschillende wijzen zijn uiterste best had gedaan de liefde te heroveren, die hij buiten zijn schuld scheen verloren te hebben en hij alle moeite vergeefsch zag, besloot hij zich uit de wereld terug te trekken om niet door het aanschouwen van zijn dood háár te verheugen, die de oorzaak was van zijn lijden. Nadat hij het geld medegenomen had, dat hij krijgen kon, ging hij heimelijk zonder er een woord over te spreken met een vriend of verwant weg, alleen wel met één metgezel, die alles wist en kwam te Ancona, waar hij zich Filippo di Santodeccio liet noemen. Na daar met een rijk koopman kennis te hebben gemaakt, trad hij bij hem in dienst en ging met hem op een schip van deze naar Cyprus. Zijn gewoonten en manieren bevielen den koopman zoo, dat hij hem niet alleen een goed salaris gaf, maar hem ten deele tot zijn compagnon maakte en hem bovendien een groot deel van zijn zaken in handen liet, welke hij zoo goed en met zulk een ijver dreef, dat hij in enkele jaren een goed, rijk en beroemd koopman werd. Zoo doende, hoewel hij zich dikwijls zijn wreede donna herinnerde, hevig door de liefde was gekwetst en zeer verlangde haar terug te zien, was hij zoo standvastig, dat hij zeven jaren lang in dien strijd meester bleef.
Maar eens, toen hij op een goeden dag op Cyprus een lied hoorde zingen, dat door hem zelf was gemaakt en waarin gesproken werd van de liefde, die hij zijn donna toedroeg en zij hem, en hoe hij door haar was bekoord en hij dacht, dat het niet kon zijn, dat zij hem had vergeten, ontbrandde hij van zulk een verlangen haar weer te zien, dat hij het niet langer kon uithouden en zich gereed maakte naar Florence terug te keeren. Toen hij al zijn zaken in orde had gemaakt, kwam hij alleen met een knecht te Ancona en toen daar zijn bagage was aangekomen, zond hij die te Florence naar een vriend van zijn Ancoonschen compagnon en hij kwam zelf daarna vermomd als pelgrim, die van het Heilige Graf terugkeerde, met zijn knecht. In Florence aangekomen, begaf hij zich naar een herberg van twee gebroeders, die dicht bij het huis was van zijn donna. Hij ging het eerst naar haar huis om als het kon haar te zien. Maar hij zag de ramen en de deuren en alles gesloten, zoodat hij zeer twijfelde of ze niet dood was of vandaar was verhuisd. Hierover zeer nadenkend begaf hij zich naar het huis van haar broeders, waarvan hij vier van dezen alle in het zwart gekleed zag, en was daarover zeer verwonderd. Daar hij wist, dat hij zóó was veranderd van kleed als van de persoon, die hij was, toen hij vertrok, dat hij niet licht kon herkend worden, sprak hij flinkweg een schoenmaker aan en vroeg hem, waarom die lieden in het zwart gekleed waren. De schoenmaker antwoordde: Die zijn in het zwart gekleed omdat nog geen veertien dagen geleden een broeder van hen, die sinds lang niet hier was en Tedaldo heette, vermoord werd en ik begrijp wel, dat zij voor het gerecht hebben bewezen, dat een zekere Aldobrandino Palermini, die gevangen is genomen, hem vermoord heeft, omdat hij diens vrouw welgezind was en niet herkend was teruggekomen om met haar te zijn.
Tedaldo was er zeer over verbaasd, dat iemand zoo op hem leek, dat men dien voor hem aanzag en het ongeluk van Aldobrandini hinderde hem. Toen hij gemerkt had, dat de donna leefde en gezond was en het reeds nacht werd, keerde hij vol verschillende gedachten naar de herberg terug en nadat hij het avondmaal had gebruikt met zijn knecht, werd hij naar de hoogste verdieping van het huis gezonden om te slapen en daar zoowel door de vele gedachten, die hem kwelden als door de slechtheid van het bed en misschien door het schrale avondeten, was de helft van de nacht al voorbij, toen Tedaldo nog niet kon insluimeren. Het scheen hem in het midden van den nacht, dat hij iemand van het dak van het huis daarin hoorde afdalen [57] en daarna zag hij door de spleten van de kamerdeur een licht naderen. Daarom stilletjes tegen een spleet geleund, begon hij af te loeren, wat dat beteekende en hij zag een zeer schoon, jong meisje het licht vasthouden en drie mannen naar haar toe komen, die van het dak daar waren afgedaald. Nadat zij elkaar hadden verwelkomd, zeide een van hen tot het jonge meisje: Wij kunnen, God zij geloofd, voortaan gerust zijn, omdat wij zeker weten, dat de dood van Tedaldo Elisei is bewezen door zijn broeders ten laste van Aldobrandino Palermini. Deze heeft het bekend en het doodvonnis is al geschreven. Maar men moet niettemin goed zwijgen, omdat, wanneer men toch zou te weten komen, dat wij het gedaan hebben, wij aan hetzelfde gevaar zouden zijn blootgesteld, waarin Aldobrandino nu verkeert. Toen dit met de donna besproken was, die zich hierover zeer verheugd toonde, gingen zij naar beneden om te slapen.