Chapter 2
Anderen waren van een nog wreeder gevoelen (alsof dat soms veiliger zou zijn) en zeiden, dat er geen ander en beter middel tegen de pest bestond dan er voor te vluchten en door deze redeneering aangezet, voor niets zorgend dan voor zichzelf, verliet een groot aantal zoowel mannen als vrouwen hun eigen stad, hun eigen huizen, hun positie en familie en goederen en zochten de anderen steden op of althans hun omtrek, alsof Gods toorn over de ongerechtigheid der menschen met die pest van de plaats, waar zij waren, niet voort kon gaan, maar Hij die alleen had verwekt om diegenen te tuchtigen, welke zich binnen de muren der stad mochten bevinden; zij raadden niemand er te blijven en beweerden, dat zijn laatste uur dan gekomen was. Daar zij, die een andere meening hadden, niet allen stierven, vluchtte daardoor niet iedereen; van beide partijen werden er echter velen ziek. Zij versmachtten verlaten alom, alhoewel zij, toen zij zelf gezond waren, een voorbeeld van levenswijze hadden gegeven, aan hen, die gezond bleven. Laten wij verzekeren, dat de eene burger den ander vermeed, en daar zoo goed als niemand voor een ander zorgde en bloedverwanten elkaar zelden of nooit bezochten, was er van verre met den zoo veroorzaakten schrik zulk een verbijstering gekomen in de gemoederen der mannen en vrouwen, dat de eene broeder den ander verliet en de neef de nicht en de zuster den broeder en dikwijls de vrouw haar echtgenoot; en (wat erger is en haast ongeloofelijk) de vaders en moeders vermeden hun kinderen, of het de hunnen niet waren, te bezoeken en te helpen. Hierdoor bleef voor hen, wier aantal niet was te schatten, zoowel mannen als vrouwen, die ziek werden, geen andere hulp dan de barmhartigheid van vrienden (en van hen waren er maar weinig) of de hebzucht van oppassers, die voor hoog salaris en schandelijke overeenkomsten dienden. Hun aantal was door dit alles toch niet groot en de mannen zoowel als de vrouwen waren dom en in vele gevallen nooit voor dergelijke werk gebruikt, terwijl ze voor niets anders dienst deden dan eenige dingen aan te reiken door de lijders gevraagd of om ze bij te staan, als zij stierven. Wanneer zij die dienst verrichtten, gingen ze dikwijls met winst en al dood. Daar de zieken verlaten waren door buren, verwanten en vrienden en gebrek hadden aan oppassers, ontstond een gebruik, vroeger ongehoord, dat een vrouw, hoe bekoorlijk en schoon en lief ze ook was, wanneer zij ziek werd, zorg droeg een man tot haar dienst te hebben, wie hij ook mocht zijn, jong of oud, waarvoor zij zonder eenige schaamte elk lichaamsdeel ontblootte niet anders dan zij voor een vrouw zou gedaan hebben. Want de nood van haar lijden eischte dit, wat bij hen, die genazen, misschien de oorzaak was van minder kuischheid in den tijd, die volgde. Bovendien overviel de dood velen van hen slechts door tegenspoed, die gered zouden zijn, indien ze geholpen waren.
Tengevolge daarvan, zoowel door het gebrek aan de noodige oppassing, welke de zieken niet konden krijgen als door de hevigheid van de pest was de massa van hen, die dag en nacht stierven zoo groot in de stad, dat het schrikbarend was om het te hooren vertellen, als men er slechts acht op gaf. Daardoor als van zelf ontstonden naast vroegere gewoonten van de burgers zeden in strijd met die, welke in zwang waren gebleven.
Het was gewoonte (gelijk we het nog in gebruik zien), dat de verwanten en de buurvrouwen zich in het huis van den doode verzamelden, en hier met hen, die hem meer vermaagschapt waren, treurden; en van den anderen kant vereenigden zich vóór het huis van den doode de buren en een aantal andere burgers met zijn mannelijke familieleden en naar den rang van den overledene kwam de geestelijkheid en werd hij op de schouders van zijn makkers met begrafenispraal van waskaarsen en zangen gedragen naar de kerk, voor zijn overlijden door hem aangewezen. Die gebruiken hielden, toen de felheid van de pest begon toe te nemen, of geheel of grootendeels op en er kwamen geen andere nieuwen voor in de plaats, zoodat niet alleen tal van lieden stierven zonder klaagvrouwen, maar er waren er genoeg, die zonder getuige uit dit leven scheidden en maar zeer weinigen, wien vrome klaagzangen en de bittere tranen van zijn familieleden bleven voorbehouden. Liever in de plaats daarvan sleten die hun leven door zooveel mogelijk te lachen en te schertsen en gezellig feest te vieren, welke gewoonte de vrouwen, die grootendeels de vrouwelijke vroomheid hadden afgelegd, voor hun lijfsbehoud zeer goed hadden geleerd. Er waren er maar weinigen, wier lichamen door meer dan tien of twaalf van de buren ter kerk vergezeld werden, en voor welken de eerzame en achtbare burgers, en niet een soort doodgravers, voortgekomen uit den laagsten stand, die zich ook aldus lieten noemen en die deze diensten voor geld verrichtten, onder de baar traden en haar met haastige passen niet naar die kerk brachten, welke zij voor hun dood hadden aangewezen, maar naar de meest naburige meestal achter vier of zes geestelijken met weinig kaarslicht en menigmaal zonder één priester. Dezen met de hulp van die doodgravers zonder zich met een te langen of plechtigen lijkdienst te vermoeien, brachten die in de eerste de beste grafstede, welke zij open vonden. Van den lageren stand en misschien voor een groot deel van de middelklasse was de aanblik der alle ellende nog veel erger, omdat die het meest door hoop of door armoe in hun huizen werden teruggehouden of in hun buurt bleven en bij duizenden ziek werden en noch bediend, noch geholpen met wat ook, zonder eenige verzachting stierven. Er waren er genoeg, die op den openbaren weg bij dag of nacht omkwamen en velen, die in hun huizen heengingen, deden eerst door den stank van hun ontbonden lichamen dan aan de buren bemerken, dat zij dood waren; zoowel hiervan als van anderen, die overal bezweken, waren er een groot aantal. Er werd door de meeste buren een middelweg gebruikt, daartoe niet minder bewogen door vrees, opdat de besmetting van de dooden hun geen kwaad deed, als door de barmhartigheid, die zij jegens de overledenen hadden.
Zij, zoowel door eigen kracht als met behulp van de dragers, zooveel ze er van konden krijgen, sleepten de lichamen der reeds gestorvenen uit hun huizen en plaatsten die voor hun deuren, waar vooral ’s morgens, wie uit was gegaan, er talloos veel had kunnen zien. Zij lieten vervolgens baren komen en er waren er, die bij gebrek daaraan, ze op een plank legden. Er was geen baar, die niet twee of drie tegelijk er van torste, en het kwam misschien maar één keer voor, dat van deze niet vrij zeker kon gezegd worden, dat zij de echtgenoote en den man, de twee of drie broeders of den vader en den zoon of op die wijze de familie droeg. Het gebeurde zeer vaak, dat, wanneer twee of drie priesters met een kruis voor één baar afzonderlijk liepen, dat drie of vier baren geheven door dragers, zich daarachter voegden; en waar de priesters geloofden, dat zij één doode begroeven, deden zij er dit zes of acht of nog meer. Zij werden ook niet geëerbiedigd met een enkelen traan of kaarslicht of begeleiding; ook werd de toestand van dien aard, dat men geen andere zorg droeg voor de menschen, die stierven, dan men voor geiten over had. Daardoor bleek het duidelijk genoeg, dat, terwijl de natuurlijke loop der dingen bij weinige en zeldzame verliezen niet aan wijzen kon leeren die te dragen met geduld, de grootste van de rampen zelfs de eenvoudige zielen had kunnen maken tot verstandige en ongevoelige lieden. Blijkbaar door de groote menigte dooden, die naar elke kerk iederen dag en zoo goed als ieder uur, al naar het viel, gedragen werd, maakte men, daar de gewijdde aarde voor de begrafenissen niet voldoende was en daar men vooral aan ieder volgens de oude gewoonte een eigen plaats wilde geven, op de akkers van de kerken, omdat elke plek grond vol was, zeer groote kuilen, waarin men de later aangebrachten bij honderd neerliet en in deze opgehoopt—gelijk men koopwaren laag op laag in schepen legde—bedekte men ze met weinig aarde zoover, dat die tot den rand van de kuil kwam. Maar opdat ik niet later aan iedere bijzonderheid van de voorbijgegane ellende, onze stad overkomen, nog herinner, vermeld ik, dat, toen deze booze tijd die bezocht, zij bij haar voortduur evenmin de omliggende streek spaarde, waar (ik laat de dorpen ter zijde, die door hun kleinheid bij de stad begrepen waren) in de verspreide hofsteden en de velden de ongelukkige boeren en armen en hun families zonder eenige hulp van dokter of steun van een oppasser op de wegen en op hun akkers en in hun huizen, onverschillig bij dag en bij nacht, niet als menschen maar als beesten stierven. Daardoor werden zij als de poorters in hun gewoonten bandeloos en zorgden niet meer voor hun werk of hun zaken. Allen ook als op den dag, wanneer de dood, dien zij verwachten, zou komen, deden hun best op allerlei wijze niet hun toekomstige winsten van vee en land en van hun gedanen arbeid te vermeerderen maar te verkwisten, wat ze er van in voorraad hadden. Aldus gebeurde het, dat de koeien, de ezels, de schapen, de geiten, de zwijnen, de kippen en zelfs de honden, het trouwst aan de menschen, uit hun eigen verblijfplaatsen verjaagd door de velden wegliepen naar willekeur, waar ook het graan verlaten en niet binnengehaald maar wel gemaaid was. En velen, die over dag goed gevoed waren, dronken zich zonder toezicht van den herder ’s nachts in hun stal zat, of ze verstand hadden. Hieraan valt nog toe te voegen (wanneer ik het platteland ter zijde laat en tot de stad terug ga) dat, indien het niet in die mate is en zoozeer was door de wreedheid des hemels en misschien ten deele door die der menschen, zoowel door de kracht van de pest als doordat vele zieken slecht waren geholpen en hunne behoeften verwaarloosd, ook door de vrees, die vele gezonden hadden, men het aantal menschen, die zeker binnen de muren van de stad Florence stierven, boven de honderdduizend schat. Hoevelen zou men misschien vóór den verderfelijken ramp niet gedacht hebben daarbij te moeten tellen? O hoeveel groote paleizen, hoeveel fraaie huizen, hoeveel trotsche woningen, vroeger vol families, vol heeren en dames, bleven tot op den minsten bediende ledig! O hoeveel aanzienlijke geslachten, hoeveel groote erfgoederen, hoeveel befaamde rijkdommen zag men zonder den wettigen erfgenaam blijven! Hoeveel invloedrijke mannen, hoeveel schoone vrouwen, hoeveel lieve kinderen, die door geen minderen dan Galienus, Hippocrates of Esculaap gezond zouden geacht wezen, ontbeten ’s morgens met hun ouders, met gezellen en vrienden, die op den invallenden avond in de andere wereld met hun afgestorven verwanten het avondmaal hielden!
Ik zelf voelde aandrang om tusschen zooveel ellende te gaan zwerven en nu wil ik achterwege laten, wat ik gerust weglaten kan. Ik zeg dan, dat, terwijl onze stad in dien toestand was, bijna leeg van bewoners, (gelijk ik later van een betrouwbaar persoon vernam) toevallig in de eerbiedwaardige kerk van Santa Maria Novella op een Dinsdagmorgen zeven jonge dames bijeen kwamen, toen er haast niemand anders was en nadat zij den heiligen dienst er gehoord hadden in rouwgewaad, gelijk in die omstandigheden vereischt werd. Allen waren aan elkaar verbonden door vriendschap, nabuurschap of verwantschap en geen een was er ouder dan achtentwintig of jonger dan achttien; elk van hen was ontwikkeld, van edel bloed, mooi gevormd, rijk van kleederdracht en van fatsoenlijk uiterlijk. Het is mij niet veroorloofd hun ware namen te melden, indien de reden althans gegrond is. Ik wil dit niet, opdat zij over de dingen, die volgen en die door hen verhaald en gehoord zijn, in de toekomst zich niet hoeven te schamen. Want de wetten op de vermaken zijn thans wat streng, en waren toen door de bovenvermelde oorzaken niet slechts voor hun leeftijd maar ook voor een veel rijperen zeer zacht. Ook wil ik aan nijdigaards geen gelegenheid geven, die gereed zijn ieder fatsoenlijk leven te bezoedelen, door eenigerlei daad de eerbaarheid der waardige dames te verkleinen met schadelijke praatjes. En opdat ieder later zonder verwarring kan begrijpen, wat elk van hen hun vertelde, ben ik van plan door namen, die met hun hoedanigheid of geheel of ten deele overeenkomen, ze aan te duiden. Aldus zullen wij niet zonder reden de eerste en de oudste Pampinea noemen, en de tweede Fiammetta, de derde Filomena, de vierde Emilia, en wij zullen Lauretta als de vijfde aanduiden en de zesde zullen wij Neifila en de laatste Elisa noemen. Dezen, die nog geen besluit hadden genomen, maar toevallig in een deel der kerk bijeen waren gekomen en als in een kring zich geplaatst hadden om te zitten, begonnen na heel wat zuchten en nadat zij het prevelen van paternosters hadden gestaakt, met elkaar te redeneeren over den aard der vele en verschillende tijdsomstandigheden en na eenige oogenblikken, toen de anderen zwegen, begon Pampinea aldus te spreken:
Mijn lieve donna’s, gij kunt als ik meermalen gehoord hebben, dat niemand kwaad doet, die goed zijn verstand gebruikt. Het is natuurlijk van iedereen, bij wat er op deze aarde gebeurt, zooveel mogelijk zijn leven te sterken en te behouden en te verdedigen. Men geeft dit zelfs zoover toe, dat het een enkele maal al is voorgekomen, dat zonder eenige schuld menschen om dit te behouden elkaar hebben gedood. En indien de wetten dit veroorloven, in wier betrachting het voor ieder sterveling goed is te leven, hoeveel te meer zonder iemand te hinderen is het voor ons en ieder ander niet zedelijk voor het behoud van ons leven die middelen te kiezen, welke in ons vermogen zijn? Ieder oogenblik, dat ik onze wijze van doen van dezen morgen beschouw en ook die van vroeger en bedenk, hoedanige en welke onze redeneeringen zijn, begrijp ik—en gij kunt het eveneens begrijpen,—dat ieder van ons aan zich zelf moet twijfelen: en dit nog verwondert mij niet, maar sterk verbaast mij (in aanmerking nemend, dat wij alle vrouwelijk gevoel hebben), dat wij zelf niet bemerken eigenlijk ieder voorbehoedmiddel te vreezen. Wij blijven hier, naar het mij schijnt niet anders dan om er de geheel vrijwillige en noodzakelijke getuigen van te zijn hoeveel dooden hier ten grave worden gedragen en om te hooren of de broeders van hier binnen, van welke het aantal haast tot nul is geworden, op de verplichte uren hun dienst afzingen, of om aan ieder, die hier verschijnt, onzen rang en de grootte van onze ellende te doen zien. Ook: indien wij van hier weggaan, of de lijken of de zieken van buiten zien vervoerd worden of hen aanschouwen, die het gezag der publieke wetten vroeger tot ballingschap dwong voor hun misdaden, en die daar als ’t ware mee spotten, dewijl zij gewaar worden, dat de uitvoerders daarvan dood of ziek zijn en met weerzinwekkende brutaliteit het grondgebied afloopen of het schuim der stad, dat op ons bloed verhit is en zich doodgravers noemt en om ons te beleedigen paard rijdt en overal rondgaande met gemeene liedjes onzen trots kwetst. Wij hooren hier niets anders dan: die zijn dood en de anderen zijn er om te sterven, en, indien er iemand in staat zou zijn om ze te hooren, zouden wij overal droevige klachten vernemen. Indien wij naar onze huizen terugkeeren (ik weet niet of u gebeurt, wat mij overkomt) ontstel ik bij de gedachte van een groot gezin er niemand te vinden dan mijn knecht en ik voel al mijn haren te berge rijzen, en het schijnt mij, dat, waar ik er ga of sta, ik er hun schimmen zie en zij mij verschrikken en niet met de gewone herinnering, die ik van hen pleeg te hebben, maar met een afschuwelijk uiterlijk, niet begrijpend, wat hen zoo deed veranderen. Daarom schijnt het mij niet goed zoowel hier als hier buiten of thuis te blijven, en het komt mij nog meer zoo voor van ons dan van iemand, die geen toevluchtsoord heeft en die daarheen niet gaan kàn als wij, die er wel een hebben, en die tòch hier gebleven zijn. Ik heb meermaals gezien en gehoord, (indien er toch enkelen zoo zijn) dat deze zonder eenig onderscheid te maken tusschen fatsoenlijke en onfatsoenlijke dingen, dat doen, wat de begeerte hen ingeeft, zoowel alleen als in gezelschap en bij dag als bij nacht wat hun het best bevalt. En niet slechts de wereldsche lieden maar ook de in kloosters afgezonderden, die zich zelf wijs maken, dat goed is, wat hun bevalt en slechts aan de anderen mishaagt, denken zich op die wijze te bevrijden, nadat zij de gehoorzaamheid aan de regels verbroken hebben, zich aan de lusten des vleesches hebben overgegeven; en ze zijn wulpsch geworden en wellustig. Indien (wat duidelijk blijkt) dit zoo is, wat zullen wij hier dan doen? Waarop wachten wij? Wat denken wij? Waarom zullen wij voor ons heil trager en langzamer zijn dan het geheele overig deel van de burgers? Achten wij ons minder goed dan al de anderen? Of gelooven wij, dat ons leven met een sterker keten aan ons lichaam is gebonden dan dat bij anderen zoo is en in die mate, dat wij er in ’t geheel geen zorg voor behoeven te dragen, die de macht schenkt het te verdedigen? Wij dwalen, wij zijn bedrogen: hoe groot is onze overmoed, indien wij dit onderstellen? Zooveel keeren als wij ons zouden herinneren hoedanige en welke de jongelieden en de meisjes geweest zijn, die door deze wreede pest bezweken, zouden wij daarin een zeer overtuigend argument vinden. En opdat wij door domheid of traagheid daartoe niet vervallen, waaruit wij gelukkig op eenigerlei wijze, als we het maar willen, kunnen ontsnappen (ik weet niet of u dit zoo zal voor komen als aan mij), zou ik het opperbest gedaan achten, dat wij uit dit gebied vertrekken zóó als we hier bij elkaar zijn, gelijk wij vele malen al hebben gedaan en plegen te doen. Laten wij als de dood de slechte voorbeelden hier ontvluchten en met eere naar onze buitenplaatsen in de provincie gaan, met welke ieder van ons rijkelijk bedeeld is, om daar te blijven en opdat wij daar die feestelijkheid, die vreugde, dat genoegen smaken, wat wij kunnen zonder met eenige daad de grens van wat betaamt, te overschrijden. Daar hoort men de vogeltjes zingen; daar zullen wij de heuvels en de velden zien groenen en de akkers van graan zien golven gelijk de zee en van boomen op wel duizend manieren. En de hemel ziet men er ruimer, die, hoewel hij vertoornd is, daarom er niet zijn eeuwige schoonheden verbergt, welke daar veel heerlijker zijn om te aanschouwen dan de verlaten muren van onze stad. Daar is de lucht veel frisscher dan hier en de dingen, thans noodig om te leven zijn er in grooter overvloed en het verdriet is er minder. En wel, omdat, hoewel daar de boeren sterven als hier de burgers, de rouw er minder is, waar de huizen en de bewoners zooveel meer verspreid zijn dan in de stad. En anderzijds hier, zoo ik goed zie, verlaten wij niemand, zoo, dat zelfs wij eerder kunnen zeggen in waarheid hier verlaten te zijn, omdat de onzen hetzij stervend hetzij den dood ontvluchtend, alsof wij de hunnen niet waren, ons in al dien rouw hebben achtergelaten. Er kan dus geen enkel verwijt op ons vallen, indien wij dien raad volgen en zoo niet, dan zou smart en verdriet en misschien de dood ons kunnen verrassen. En daarom, wanneer het u goed dunkt, geloof ik, dat wij door onze bedienden mee te nemen en die met de benoodigdheden te laten volgen heden ginds, morgen elders en door die vroolijkheid en feestelijkheid te genieten, die deze tijd kan verschaffen, wel doen, wat goed is om gedaan te worden en door zoo te blijven handelen, tot wij zien (indien wij niet van te voren door den dood worden achterhaald), wat eindelijk de hemel na deze omstandigheden voor ons bewaart. Ik herinner U er aan, dat hij ons niet zoozeer verbiedt op eerzame wijze heen te gaan, als wel aan de anderen om voor een groot deel op schandelijke wijze hier te blijven.
Toen de andere donna’s Pampinea gehoord hadden, prezen zij niet alleen haar raad, maar verlangend dien te volgen waren zij al begonnen onder elkaar afzonderlijk op die wijze te praten, zoodat zij hierop van hun zetels zich verheffend als het ware hand in hand op weg wilden gaan. Maar Filomena, die de voorzichtigste was, zei: Dames, hoewel het betoog door Pampinea op uitstekende wijze is uiteengezet, is het toch niet goed heen te gaan gelijk zij beweert, dat gij moet doen. Ik herinner u er aan, dat wij alle vrouwen zijn en er is er geen hier zulk een kind, dat zij wel kan weten, hoe de vrouwen te samen verstandig zijn, en dat zij toch niet zonder het overleg van een enkelen man kunnen handelen. Wij zijn bewegelijk, weerbarstig, ergdenkend, kleingeestig en bangelijk; daarom betwijfel ik zeer of ons gezelschap niet te spoedig, indien wij geen anderen gids dan den onze nemen, uiteen gaat en met minder eer dan hier vereischte is. En daarom is het goed zich hierbij te bezinnen, voor wij beginnen. Toen sprak Elisa: Inderdaad zijn de mannen het hoofd der vrouwen en zonder hun leiding komt slechts zelden een werk van ons tot een lofwaardig einde; maar hoe kunnen wij ons die mannen verschaffen? Ieder onzer weet, dat de meesten dood zijn en dat de anderen, die zijn blijven leven, deze hier en gene daar in verschillende groepen—zonder dat wij weten waarheen—dat ontvlieden, wat ook wij ontwijken en het uitnoodigen van onbekenden zou niet eerbaar zijn. Daarom, als wij tot onze redding ze willen volgen, is het noodig een middel te vinden, waardoor wij zoo onze zaken regelen, dat ons, waar wij voor ons genoegen of onze rust heengaan, geen verdriet of schandaal volgt.
Terwijl de dames onder elkaar zoo redekavelden, kwamen drie jongelieden in de kerk, waaronder er geen minder dan vijfentwintig jaar oud was als de jongste en onder welken noch de boosheid des tijds, noch het verlies van vrienden of ouders, noch vrees voor zich zelf, de liefde had kunnen uitblusschen of afkoelen. Een van hen heette Pamfilo, de tweede Filostrato en de laatste Dioneo, elk heel aardig en welgemanierd en zij gingen tot hun besten troost in zooveel verwarring hun donna’s zoeken, die toevallig alle drie zich onder de genoemde zeven bevonden, terwijl de anderen allen daaraan verwant waren. En dezen vielen de anderen nog niet in het oog of genen waren ook door hen opgemerkt, zoodat Pampinea toen glimlachend begon: Kijk, de fortuin is voor ons begin gunstig en heeft hier bij voorbaat bescheiden en dappere jongelieden gebracht, die gaarne zoowel gids als dienaar willen zijn, als wij ze voor dien dienst niet zullen ontvluchten. Neifile, toen van schaamte over het geheele gelaat vuurrood, omdat elk van hun door een der jongelui bemind werd, zei: Pampinea, bij God, let op wat je zegt; ik weet zeker, dat men niets dan het beste van elk van hen kan zeggen en ik meen evenzeer, dat wij hun gezelschap en de eer daarvan moeten hooghouden, die niet voor ons, maar voor veel schooner en hooger geplaatste dames dan wij bestemd zijn. Maar omdat het duidelijk is, dat zij enkelen van ons, die hier zijn, beminnen, vrees ik, dat schande en verwijt hierop volgt buiten onze of hun schuld, indien wij ze meenemen.