Chapter 19
Zeer schoone donna’s. Er zijn heel wat mannen en vrouwen, die, dwaas genoeg gelooven, dat, als aan een jong meisje de witte kap op het hoofd is geplaatst en om haar lichaam de zwarte rok is gehangen, zij dan geen vrouw meer is en niet meer de vrouwelijke begeerten gevoelt, alsof door haar tot non te maken, men haar in steen veranderde. En als zij misschien iets hooren tegen hun geloof, worden zij zoo kwaad, dat het is of er een zeer groote en schelmsche misdaad tegen de Natuur is bedreven, en ze bedenken niet, en willen er ook niet op letten, dat zij zich zelf niet kunnen bevredigen, hoewel zij volle vrijheid hebben en evenmin op den grooten invloed van het niets doen en van de eenzaamheid. Zoo zijn er ook genoeg, die al te licht gelooven, dat het houweel, de spade, het slechte voedsel en de vermoeienissen geheel aan de landbouwers den lust tot den bijslaap ontnemen en hun verstand en oordeel zeer verstompen. Maar hoe bedriegen zich al diegenen, welke dit gelooven. Het behaagt mij, omdat de koningin het mij gelast, en omdat het niet van het door haar voorgestelde afwijkt, u dit duidelijk te maken met een kleine historie. In onze streek was en is nog een nonnenklooster genoegzaam bekend wegens zijn heiligheid (wat ik niet zal noemen om in geenen deele zijn roem te verminderen), waarin niet lang geleden, daar er niet meer dan acht vrouwen waren met een abdis en allen jong, een goed manneke was, gaardenier van hun zeer schoonen tuin, die niet tevreden met zijn loon, zijn rekening vereffende met den beheerder der donna’s en naar Lamporecchio, waar hij woonde, terug ging. Hier, onder de anderen, die hem blijde ontvingen, was een jonge, sterke en forsche boer en voor een dorper was hij een knappe kerel, die Masetto heette. Hij vroeg hem, hoe lang hij daar was geweest. De goede man, Nuto genaamd, vertelde het hem. Masetto vroeg hem, wat hij in het klooster uitvoerde. Nuto antwoordde: Ik bewerkte den mooien en grooten tuin en bovendien ging ik soms naar het bosch om hout te halen, putte water en verrichtte meer zulke diensten; maar de donna’s gaven mij zoo weinig loon, dat ik er ternauwernood mijn schoenen van betalen kon. Bovendien zijn ze allen jong en het schijnt mij, dat zij den duivel in het lijf hebben, omdat men ze niets naar den zin kan maken; integendeel, wanneer ik op een keer in den tuin werkte, zei de een: Breng dat hier en de ander: Breng dat daar; en een ander nam mij de spade uit de handen en zeide: Dat is niet goed. En zij gaven mij zooveel last, dat ik het werk er bij neer legde en uit den tuin wegging, zoodat ik zoowel door het een als het ander er niet langer wilde blijven en er vandaan ben gegaan. De beheerder vroeg mij, toen ik vertrok, of ik, als ik iemand wist, die dat werk kon doen, hem dien zou sturen en dat beloofde ik hem, maar God make hem sterk van ribben, als ik er iemand heenzend of ik stuur er niemand naar toe. Bij Masetto kwam, toen hij de woorden van Nuto hoorde zulk een groote begeerte op om bij die nonnen te wezen, dat hij er geheel van brandde en begreep door de woorden van Nuto, dat hij door hem moest bereiken, wat hij verlangde. Maar hij overlegde, dat hij niet zou slagen, als hij er Nuto niet van sprak, en zeide: Wel, daar hebt gij goed aan gedaan om hier te komen! Hoe kan een man bij vrouwen blijven. Hij zou beter met duivels kunnen samen zijn. Van de zeven keer weten ze zes maal niet, wat ze zelf willen. Maar toen hun gesprek ophield, begon Masetto er over te denken zich een middel te verschaffen om bij hen te kunnen zijn en daar hij wist, dat hij wel de diensten kon bewijzen, waarvan Nuto sprak, was hij er niet bang voor daarom niet te worden aangenomen, maar hij vreesde niet te worden ontvangen, omdat hij te jong en van te goed voorkomen was. Daarom na vele dingen in zich zelf te hebben overpeinsd, dacht hij: De plaats is hier vrij ver vandaan en niemand kent mij daar; indien ik net zal doen of ik stom ben, zal ik zeker welkom zijn.
En aan die list zich houdend, begaf hij zich met zijn bijl op den nek zonder aan iemand te zeggen, waar hij heen ging, naar het klooster als een arm man. Daar aangekomen trad hij binnen en vond bij toeval den beheerder in den hof. Tegenover hem maakte hij gebaren als een stomme en zette hem zoo uiteen, dat hij om eten vroeg uit barmhartigheid en dat hij, als het noodig was, hout voor hem zou kloven. De beheerder gaf hem gaarne te eten en gaf hem daarna zekere stammen, die Nuto niet had kunnen kloven, welke hij, die heel sterk was in korten tijd geheel had klein gehakt. De opzichter, die naar het bosch moest gaan, nam hem met zich mede en liet hem daar hout hakken; toen, nadat hij den ezel voor hem had gezet, beduidde hij hem door teekens, die naar zijn stal te brengen. Dat deed hij heel goed, en omdat de opzichter hem verschillende dingen wou laten verrichten, die hem te pas kwamen, hield hij hem nog verscheidene dagen. Aldus zag hem de abdis en vroeg aan den opzichter wie hij was. Hij zeide: Madonna, het is een arme, stomme man, die hier op een goeden dag om een aalmoes kwam, zoo dat ik hem goed heb gedaan en ik hem wat dingen heb laten verrichten, die noodig waren. Als hij den tuin kan bewerken en hier wil blijven, geloof ik, dat wij goeden dienst van hem kunnen hebben, omdat hij hier noodig is. Hij is sterk en men kan hem laten doen, wat verlangd wordt en bovendien gij behoeft niet te denken, dat hij tot Uw jonge nonnen zal spreken. Hierop antwoordde de abdis: Bij mijn geloof in God, ge spreekt juist. Onderzoek of hij kan werken en beproef hem hier te houden; geef hem een paar schoenen, een oude pij, spreek hem vriendelijk toe, verzorg hem en geef hem goed te eten. De opzichter zeide, dat hij het zou doen. Masetto was niet ver af, maar deed of hij den hof schoon veegde, terwiji hij dit alles hoorde en zeide verheugd tot zich zelf: Indien je mij daar binnen brengt, zal ik den tuin voor je bewerken, zooals het nog nooit gebeurd is. Toen nu de opzichter gezien had, dat hij heel goed kon arbeiden, en hem door teekens had gevraagd of hij daar wou blijven en deze aldus had geantwoord, dat hij zou doen, wat de ander verlangde, nam hij hem aan, gelastte hem den tuin te onderhouden, gaf hem nog meer in het klooster te doen en liet hem toen alleen. Terwijl hij het eene na het andere deed, begonnen de nonnen het hem lastig te maken en hem te bespotten gelijk anderen dikwijls doofstommen doen en ze voegden hem de gemeenste woorden toe, daar zij geloofden, dat hij het niet verstond. En de abdis, die misschien dacht, dat hij evenzeer zonder bloed als zonder woord was, bekommerde zich daar weinig om. Nu gebeurde het op een goeden dag, dat hij na hard gewerkt te hebben uitrustte en dat twee jonge nonnen, die door den tuin gingen, naderden, waar hij lag en welke hem, die deed of hij sliep, begonnen te bekijken. Daardoor zei er een, die brutaler was dan de andere: Als ik mag gelooven, dat gij het geheim houdt, had ik u meermalen al een gedachte toevertrouwd, die u ook misschien genoegen zou doen. De ander antwoordde: Zeg het maar gerust aan mij, die het zeker nooit aan een ander zal vertellen. Toen begon de stoutmoedige: Ik weet niet of gij er over hebt nagedacht, hoe wij opgesloten zijn en dat nooit een man hier durft binnen treden dan alleen die opzichter, die oud is en die doofstomme, en ik heb dikwijls door vele vrouwen, die tot ons kwamen, hooren zeggen, dat alle andere genietingen der wereld kinderspel zijn bij die, welke de vrouw bij den man heeft. Daarom heb ik mij dikwijls voorgenomen, omdat ik het met anderen niet kan, met dezen doofstomme te beproeven, of dat zoo is. Hij is er de geschikste ter wereld voor, want al zou hij het willen, hij zou het niet weten of kunnen over vertellen. Gij ziet, dat het een jonge dwaas is veeleer sterk dan verstandig; ik zou graag willen hooren, hoe u dat lijkt. Helaas! zei de ander, wat zegt gij daar? Weet gij niet, dat wij onze maagdelijkheid aan God hebben beloofd? O, hernam deze, men belooft den ganschen dag zooveel, dat men niet houdt. Als wij het Hem beloofd hebben, vindt men wel de een of de ander, die er zich aan zal houden. Daarop zeide de gezellin: En als wij zwanger worden, hoe zal het dan gaan! Toen voegde de ander er aan toe: Gij begint al gedachten te hebben over het kwaad, eer het u bereikt. Mocht dit voorkomen, dan zullen we er aan gaan denken. Er zijn duizend middelen om te maken, dat men het nooit zal weten, mits wij het zelf niet vertellen. Toen gene dit hoorde, die nog meer lust had om te ondervinden hoe dierlijk de mensch is, zeide zij: Welnu, hoe zullen wij doen? Waarop de ander antwoordde: Gij ziet, dat het het uur is van den noen, ik geloof, dat alle zusters goed slapen behalve wij; laten wij door den tuin kijken of er niemand is en zoo ja, dan hebben wij niets anders te doen dan hem bij de hand te nemen en hem in gindsche hut te brengen, waar hij voor den regen schuilt en daar zal de eene met hem zijn en de andere de wacht houden. Hij is zoo dwaas dat hij wel goed zal vinden, wat wij willen.
Masetto hoorde dit heele gesprek en tot gehoorzamen bereid, verwachtte hij niets anders dan door een van hen meegenomen te worden. Toen dezen goed overal hadden opgelet en ziende, dat zij nergens opgemerkt konden worden, naderde zij, die het woord had genomen, Masetto, riep hem op en deze hief zich dadelijk van den grond. Daarop nam zij hem met vleiende gebaren bij de hand; hij zette een dwaas lachend gezicht en zij leidde hem naar de hut, waar Masetto zonder zich te veel te laten uitnoodigen, dat deed, wat zij wilde. Deze, toen zij haar zin had, gaf als eerlijke vriendin aan de ander gelegenheid en Masetto nog altijd den onnoozele spelend, voldeed aan haar begeerte. Daarom eer zij er uit gingen, wilden zij elk nog eens ondervinden, wat de doofstomme kon. Daarna spraken zij er dikwijls over, en zeiden, dat het zulk een heerlijk genot was en grooter dan zij gehoord hadden. Zij namen er voortaan op het geschikte uur den tijd voor om met den doofstomme zich te verheugen.
Eens gebeurde het, dat een van hun gezellinnen, die het gemerkt had door het raam van haar cel, het aan twee anderen vertelde. Alle drie hadden eerst een onderhoud om het aan de abdis te gaan overbrengen, maar daarop veranderden zij van meening, werden het onder elkaar eens en werden deelgenooten van de kracht van Masetto. Door verschillende toevallen werden ook de andere drie op verschillende tijden gezellinnen. Ten slotte vond de abdis, die het nog niet gemerkt had, door den tuin alleen gaande, toen het zeer warm was, Masetto (die van weinig werk overdag maar te veel ruiterdienst bij nacht, vermoeid was) geheel in den schaduw uitgestrekt van een amandelboom en slapende en daar de wind de slip van zijn hemd naar voren oplichtte, lag hij geheel naakt. Toen de donna dit zag en zich alleen bespeurde, verviel zij tot dezelfde begeerte als hare kloosterlingen en na Masetto te hebben opgewekt, leidde zij hem naar haar kamer, waar zij hem verscheidene dagen tot groote teleurstelling van de nonnen, die den tuinman niet meer in den tuin zagen werken, hield en waar zij die zaligheid genoot en weer genoot, welke zij vroeger bij anderen gewoon was te misprijzen. Daar zij hem eindelijk van haar kamer dikwijls uit zijn vertrek riep en hem vaak weer zag en meer voor zich vroeg, dan Masetto bij zooveel anderen kon geven, dacht hij er over, of zijn doofstomheid hem van dienst kon zijn, als bij langer verblijf die hem te veel zou verzwakken. Daarom verbrak hij op een nacht met de abdis alleen het zwijgen en zeide: Madonna, ik heb gehoord, dat een haan voldoet voor tien kippen, maar dat tien mannen slecht en met moeite een vrouw kunnen voldoen, zoodat ik er geen negen kan bedienen, wat ik om alles ter wereld niet uithouden, kan. Integendeel ben ik door hetgeen ik tot nu toe heb gedaan, tot een toestand gekomen, waarin ik nog weinig nog veel meer verrichten kan, en daarom laat mij weg gaan met God of verzin er een ander middel op. Toen de donna hem hoorde spreken, dien zij voor doofstom hield, was zij geheel verbluft en zeide: Wat is dat? Ik dacht dat je doofstom was? Madonna, zei Masetto, ik ben dat, geweest maar niet van nature, slechts door een ziekte is mij de spraak ontnomen en pas hedennacht voel ik mij die voor het eerst terug gegeven, waarvoor ik God prijs zooveel ik kan. De abdis geloofde hem en vroeg hem wat hij met die negen vrouwen bedoelde, die hij had te bedienen. Masetto vertelde haar de geschiedenis. Toen de abdis die hoorde, en dat er geen non was wijzer dan zij, besloot zij daarom als stilzwijgende vrouw zonder Masetto te laten vertrekken zich met haar nonnen te verstaan over die gebeurtenissen, opdat het klooster niet door Masetto zou worden geschandvlekt. Daar een dier dagen de opzichter stierf, kwamen de nonnen wederkeerig dit overeen, nadat onderling ontdekt was, wat zij gedaan hadden: zij spraken met toestemming van Masetto af, opdat de omwonende lieden het zouden gelooven, dat door hun gebeden en dank zij den heilige, waarnaar het klooster was genoemd, aan Masetto, die lang stom was geweest, de spraak was terug geschonken en hem opzichter te maken. En zij verdeelden zijn taak zoo, dat hij die kon dragen. Hoewel hij heel wat nonnetjes had voortgebracht, bleef de zaak in ’t geheim bij hen voortgaan, zoodat niemand er iets van merkte behalve na den dood van de abdis, toen Masetto al oud was en verlangde rijk naar huis terug te keeren. Toen dit bekend werd, viel dit hem te lichter. Aldus kwam Masetto oud terug, rijk en als vader zonder de moeite te hebben zijn kinderen te voeden en ze te onderhouden en nadat hij door zijn overleg zijn jeugd wel had weten te besteden, waar hij heen was gegaan met een bijl op den schouder, beweerde hij, dat Christus aldus behandelde wie Hem Zijn bruiden ontnam.
TWEEDE VERTELLING.
Een stalknecht slaapt met de vrouw van koning Agilulf, wat deze in stilte bemerkt. Hij vindt hem en knipt hem een lok haar af; de geknipte doet het alle andere bedienden en ontkomt daardoor aan een boos lot. [45]
Toen het einde der geschiedenis van Filostrato gekomen was, welke de dames soms een weinig had doen blozen en die ze soms had doen lachen, behaagde het aan de koningin, dat Pampinea met verhalen voortging. Deze begon met lachend gelaat en zeide: Er zijn enkele menschen, die niet bescheiden genoeg zijn om te verbergen wat zij weten en kennen, en wat niet goed voor hen is te weten en dikwijls meenen zij, door de fouten te berispen, die zij bij anderen hebben opgemerkt, de hunnen te verminderen, waardoor zij die juist eindeloos vermeerderen. En dat dit waar is, zal ik tot tegenstelling, verliefde dames, u bewijzen door u in den geest van een dapper koning een sluwheid te toonen, die misschien voor minder moet worden gehouden dan die van Masetto.
Agilulf, koning der Longobarden [46] gelijk zijn voorgangers plaatste te Pavia, de hoofdstad van Lombardije, den zetel van zijn regeering na Teudelinga [47] tot vrouw te hebben genomen, welke als weduwe was achtergebleven van Autarius, insgelijks vroeger koning der Longobarden, die een zeer schoone, wijze en eerlijke vrouw was maar ongelukkig in de liefde. De zaken der Longobarden gingen dank zij de deugd en de wijsheid van dien koning Agilulf eenigen tijd goed en voorspoedig, tot een stalknecht van genoemde koningin, een man wat zijn afkomst betreft van gemeenen oorsprong, maar overigens veel slimmer dan zijn laag baantje eischte en even groot en knap als de koning, mateloos op de koningin verliefd werd. En daar zijn lagen rang hem niet had belet te begrijpen, dat zijn liefde zeer onwelvoegelijk was, bekende hij, dit wetend, die aan niemand noch had hij den moed die met zijn blikken aan de koningin te doen bemerken.
Hoewel hij zonder eenige hoop leefde haar ooit te kunnen behagen, beroemde hij er zich in zich zelf op zijn gedachten zoo hoogte hebben verheven en gelijk iemand, die geheel van liefdevuur gloeide, deed hij ijverig behalve bij zijn geleide, al wat aan de koningin behagen kon. Als de koningin moest paardrijden, ging zij liever door dien palfrenier bewaakt uit dan met eenig ander, wat hij, wanneer het gebeurde, als een zeer groote gunst beschouwde en nooit liet hij de teugels los, gelukkig als hij soms toch maar haar kleederen kon aanraken. Maar gelijk wij dikwijls elders zien, wanneer het verminderen van de hoop de liefde grooter doet worden, geschiedde het ook bij dien armen palfrenier, waarbij het voor hem zeer moeilijk was dit groote verlangen zoo verborgen te houden, daar hij door geen enkele hoop gesterkt werd. En meermalen besloot hij in stilte, daar hij zich van die liefde niet kon genezen, om te sterven. Terwijl hij dacht aan het middel, nam hij het besluit dien dood zoo te doen plaats hebben, dat men zou bemerken, dat hij gestorven was door de liefde, die hij de koningin had toegedragen en toedroeg. Hij stelde zich voor het zoo te doen, dat hij hiermee zijn fortuin beproefde om geheel of half zijn verlangen te bevredigen. Hij wilde er de koningin geen woord van zeggen noch door een brief zijn liefde doen gevoelen, daar hij wist dat het vergeefs was haar dit te zeggen of te schrijven, maar hij wilde door list beproeven met de koningin te slapen. Er was geen andere list noch een andere weg, als middel dan de persoon des konings zelf, van wien hij wist, dat die steeds bij haar sliep, om tot haar door te dringen en haar kamer binnen te treden. Daartoe, opdat hij zou zien op welke wijze en in welk kleed de koning liep, als hij zich tot haar begaf, verborg hij zich meermalen ’s nachts in een groote zaal van het paleis, welke in het midden was tusschen de kamer des konings en die van de koningin. En onder anderen zag hij op een nacht den koning uit zijn kamer komen gewikkeld in een grooten mantel, in de hand een aangestoken toorts houdend en in de andere een ring en naar het vertrek van de koningin gaan. Daar klopte hij zonder een woord te spreken een of twee keer aan de kamerdeur met dien ring en dadelijk werd hem open gedaan en de toorts uit de hand genomen. Toen hij dit gezien had en hij hem op dezelfde wijze had zien terugkeeren, dacht hij insgelijks zoo te moeten handelen. Nadat hij een middel had gevonden om een mantel te krijgen gelijk hij bij den koning had gezien en een toorts en een kleinen ring en na zich eerst in een warm bad goed te hebben gewasschen, opdat de reuk van den stal misschien de koningin niet zou hinderen of haar de list zou doen gewaar worden, verborg hij zich hiermee, gelijk hij gewoon was, in de groote zaal. En toen hij gewaar werd, dat men overal sliep en het hem tijd scheen aan zijn begeerte te voldoen, of stoutmoedig om die reden den weg te banen naar den verlangden dood, maakte hij met een steen en met een zwam, die hij bij zich droeg, wat vuur, stak zijn toorts aan en gehuld in en omwikkeld van zijn mantel, begaf hij zich naar de kamerdeur en klopte tweemaal met den ring. De kamer werd door een zeer slaperige kamenier geopend en hem het licht uit de handen genomen en gedoofd, waarop hij zonder een woord te spreken door het gordijn ging, den mantel aflegde en in het bed kwam, waar de koningin sliep. Hij sloot haar verlangend in zijn armen en deed of hij een kwade bui had (omdat hij de gewoonte des konings kende, die, als hij boos was, geen woord sprak) zonder een woord te uiten en zonder zich iets te laten zeggen en leerde meermalen de koningin kennen. Daar het heengaan hem zwaar viel, maar hij toch vreesde, dat een lang verblijf de oorzaak zou zijn, dat het ondervonden genoegen in verdriet zou veranderen, stond hij op en na zijn mantel te hebben opgezocht en het licht, ging hij zonder eenige reden weg en zoo gauw hij kon, sloop hij naar zijn bed terug. Hij kon er ternauwernood wezen, toen de koning opstond en naar de kamer der koningin ging, waarover zij zich zeer verwonderde. Toen hij in het bed was gekomen en haar blijmoedig had gegroet, vatte zij door zijn opgeruimdheid moed om hem te zeggen: Mijn heer, wat is dat vannacht voor nieuwigheid? Gij hebt mij ternauwernood verlaten en buiten Uw gewoonte hebt gij van mij genoten en gij komt zoo gauw terug? Let op wat gij doet. Toen de koning die woorden hoorde, vermoedde hij dadelijk, dat de koningin door gelijkenis van gewoonte en persoon bedrogen was geworden, maar als verstandig man vatte hij dadelijk het plan op, daar hij zag, dat de koningin er niets van gemerkt had, om haar niets daarvan te doen bespeuren. Vele dwazen zouden dit niet hebben gedaan, maar zouden gezegd hebben: Ik, ik was niet hier! Wie was het, die hier kwam? Hoe kwam hij? Wie is het? Waaruit verschillende dingen zouden ontstaan zijn, waardoor hij nutteloos de koningin verdriet zou hebben gedaan, en haar ten tweeden male zou hebben doen verlangen, wat zij al ondervonden had. Als hij er over zweeg, kon dit geen schande over hem brengen, maar als hij sprak, zou hij er oneer mee hebben behaald. De koning antwoordde haar dan ook meer innerlijk dan door gelaat en met woorden vertoornd: Vrouw, schijn ik U niet een man, die hier kan geweest zijn en die weer kort daarop kan terugkeeren? Daarop antwoordde de donna: Ja, mijn heer; maar in ieder geval bid ik U op Uw gezondheid te letten. Toen sprak de koning: Het behaagt mij Uw raad te volgen en ditmaal wil ik zonder U verder te verontrusten terugkeeren. Het hart vol toorn en van ongenoegen over hetgeen hem was aangedaan, nam hij zijn mantel weer op, ging de kamer uit, dacht, dat hij wel stil zou vinden, wie dat misdreven had en meende, dat die tot het paleis moest behooren. Wie het ook was, hij zou er niet levend uit komen. Hij zette een klein lichtje in een lantarentje en begaf zich in een zeer lange slaapzaal in zijn paleis boven de paardenstallen, waarin bijna zijn geheele personeel in verschillende bedden sliep. Hij dacht, dat bij wien dat gedaan had, wat de donna zeide, noch de pols noch het hart door de verduurde onrust alweer rustig kon slaan, en stil beginnend bij een der uiteinden van het logies begon hij bij allen de borst aan te raken, om te zien hoe die klopte. Hoewel ieder ander vast sliep, was dit niet het geval bij dengeen, die bij de koningin was geweest. Toen hij den koning zag naderen, en dacht, dat die aan het zoeken was, begon hij evenzeer te vreezen voor zijn hartslag als voor de doorgestane angst, zoodat hierdoor bij de benauwdheid een nog grootere kwam en hij meende beslist, dat, als de koning het zou gewaar worden, hij hem dadelijk zou doen sterven. Daar hem verschillende gedachten door het hoofd gingen van wat hij moest doen, maar hij den koning zonder wapens zag, had hij plan net te doen of hij sliep en af te wachten, wat de koning zou aanvangen. Nadat de vorst zeer had gezocht en niet dengeen vond, dien hij meende, dat de dader was, kwam hij bij dezen en daar hij voelde, dat diens hart sterk sloeg, zei hij tot zich zelf: Die is het. Maar omdat hij iemand was, die niets wilde doen wat men zou kunnen merken, deed hij hem niets anders dan hem met een schaar, die hij hij zich had, aan eenen kant de haren afsnijden, welke men destijds zeer lang droeg, opdat hij door dit merk hem den volgenden morgen zou herkennen. Toen dit gedaan was, ging hij heen en keerde naar zijn kamer terug.