Chapter 18
Messire de rechter, die jaloersch was en bang als een haas, was—wat men niet behoeft te vragen—treurig. Zonder gevolg beklaagde hij zich zoowel te Pisa als elders over de boosheid der zeeroovers. En hij wist niet, wie hem zijn vrouw had ontroofd of waar zij heen was gevoerd. Paganino vond haar zeer mooi; zij stond hem aan en daar hij geen vrouw had, wilde hij die altijd bij zich houden en zij, die eerst zeer schreide, begon zoetjes aan te bedaren. Toen de nacht aanbrak, viel de kalender uit haar gordel; al de feest- en rustdagen gingen haar uit het geheugen en hij begon haar met daden te troosten, omdat woorden hem dien dag weinig schenen te hebben geholpen. En hij verdreef haar smart zoo, dat zij, zoodra zij te Monaco waren aangekomen, den rechter en zijn wetten vergat en zij op de aangenaamste manier ter wereld met Paganino leefde. Nadat deze haar naar Monaco gebracht had, leefde hij, behalve dat hij haar dag en nacht troostte, met haar eervol als zijn echtgenoote. Toen het op zekeren dag messire Ricciardo ter ooren gekomen was, waar zijn vrouw zich bevond, overlegde, dat hij nooit beter doen kon dan naar haar toe gaan en met brandend verlangen besloot hij daartoe over te gaan, bereid elke som gelds te geven om haar terug te krijgen. Hij ging scheep, begaf zich naar Monaco en zag daar haar en zij ook hem. Zij vertelde het ’s avonds aan Paganino en onderrichtte dien van zijn plan. Den volgenden morgen zag messire Ricciardo Paganino, sprak hem aan en toonde hem in korten tijd een groote welwillendheid en vriendschap, terwijl Paganino veinsde hem niet te kennen en afwachtte, wat hij zou willen doen. Toen het messire Ricciardo den tijd scheen naar zijn beste weten en het meest geschikt, bekende hij hem de reden, waarom hij was gekomen en verzocht hem, dat hij zou eischen wat hem beviel, maar dat hij de donna terug gaf. Hierop antwoordde Paganino met een leuk gezicht: Messire, gij zijt welkom en om U in het kort te antwoorden, zal ik U dit zeggen: het is waar, dat ik een jonge vrouw in huis heb, waarvan ik niet weet of ze van U of van een ander is, omdat ik noch U ken noch haar dan voor zoover zij korten tijd bij mij heeft gewoond. Indien gij haar man zijt, gelijk gij zegt, zal ik, omdat gij mij een beminnelijk edelman schijnt, U bij haar brengen en ik ben er zeker van, dat zij, indien zij U goed kent en hetgeen gij zegt, waar is, met U wil meegaan, terwille van Uw beminnelijkheid, en dat gij mij als schadevergoeding wilt geven, wat gij zelf wilt. Mocht het niet zoo zijn, dan zoudt gij mij een schurkenstreek leveren door haar mij te ontnemen, daar ik een jonge man ben, die als ieder ander een vrouw kan bezitten en vooral deze, die de liefste is, welke ik ooit heb gezien. Daarop hernam messire Ricciardo: Zij is wel degelijk mijn vrouw en als gij mij brengt, waar zij is, zult gij het zien; zij zal mij dadelijk om den hals vallen en daarom vraag ik niet anders dan dat dit gebeurt, gelijk gij het zelf hebt voorgesteld. Laat ons dan gaan, zeide Paganino. Zij gingen dus naar het huis van Paganino en wachtend in een zijner zalen, liet Paganino haar roepen en zij gekleed en getooid kwam uit haar kamer en ging daarheen, waar messire Ricciardo met Paganino zich bevond, maar sprak dien niet anders toe dan zij een anderen vreemde zou hebben gedaan, die in Paganino’s huis zou zijn gekomen. Toen de rechter dit zag, die verwacht had, dat hij door haar met de grootste vreugde zou zijn ontvangen, verwonderde hij zich zeer en begon tot zich zelf te zeggen: Misschien hebben de neerslachtigheid en de langdurige smart, die ik heb doorstaan sinds ik haar verloor, mij zoo verouderd, dat zij mij niet herkent. Daarom zeide hij: Vrouw, het heeft mij duur gekost U ter vischvangst te hebben geleid, omdat ik nooit een smart heb gevoeld gelijk aan die ik heb verduurd, sinds ik U verloor en het schijnt, dat gij mij niet herkent, zoo koel ontvangt gij mij. Ziet gij niet, dat ik uw messire Ricciardo ben, hier gekomen om te betalen, wat deze edele heer wil en in wiens huis wij zijn, om U terug te hebben en U van hier te voeren; hij wil zoo goed wel zijn, omdat ik het wil, U aan mij terug te geven! De dame keerde zich tot hem en zeide met een lichte glimlach: Messire, spreekt U tot mij! Pas op, dat gij mij niet voor een ander houdt, daar ik, wat mij betreft, mij niet herinner U ooit te hebben gezien. Messire Ricciardo antwoordde: Let op wat gij zegt; zie mij goed aan, indien gij ’t U wel zult willen herinneren, zult gij wel zien, dat ik Uw Ricciardo van Chinzica ben. De donna zeide: Mijnheer, gij zult mij vergeven, misschien omdat het niet eerbaar voor mij is, gelijk gij denkt, om U lang aan te zien, maar ik heb U niettemin zoo goed beschouwd, dat ik wel weet U nooit te hebben gezien.
Messire Ricciardo verbeeldde zich, dat zij zoo deed uit vrees voor Paganino om niet in diens tegenwoordigheid te bekennen, dat zij hem kende, daarom vroeg hij na eenige oogenblikken als gunst van Paganino, dat hij haar alleen een oogenblik in de kamer mocht spreken. Paganino zeide, dat het hem beviel, op voorwaarde, dat hij haar niet tegen haar wil zou kussen en hij beval aan de donna, dat zij met hem in een kamer zou gaan aanhooren, wat hij haar wilde zeggen en antwoorden, wat zij verkoos. De donna en messire Ricciardo gingen dus alleen in een kamer en toen zij gezeten waren, zeide Ricciardo: Kijk, hart van mijn lichaam, mijn zoete ziel, mijn hoop, herkent gij uw Ricciardo niet, die u meer bemint dan zichzelf? Hoe kan dat zoo zijn? Ben ik zoo veranderd? Kijk, mijn mooi-oogje, beschouw mij nog een weinig. De donna begon te lachen en zonder hem te laten uitspreken, zeide zij: Gij weet wel, dat ik niet zoo kort van geheugen ben. Ik weet wel, dat gij messire Ricciardo van Chinzica zijt, mijn echtgenoot, maar gij, terwijl ik met u was, hebt getoond mij al zeer slecht te kennen, want als gij wijs waart geweest of zijt, waarvoor gij wilt gehouden worden, hadt gij wel zooveel besef gehad, dat gij hadt moeten begrijpen, dat ik jong en frisch en ondeugend was en bijgevolg moeten weten, wat voor jonge vrouwen behalve gekleed worden en eten, al schamen zij zich het te zeggen, vereischt wordt; hoe gij dat deed, weet gij. En als de studie der wetten u liever is dan de vrouw, hadt gij haar niet moeten nemen, hoewel het aan mij nooit scheen, dat gij een rechter waart, maar veeleer een stadsomroeper van heilige dagen en feesten, zoo goed kende gij die evenals de vastendagen en de vigilieën. En ik zeg u, dat, indien gij zooveel feestdagen hadt laten vieren door de boeren, die uw velden bearbeiden, als gij aan hem hebt laten doen, die mijn klein veld had te bewerken, gij geen korrel graan zoudt hebben geoogst. Ik heb hem getroffen, welken God, die welwillend mijn jeugd behoedde, heeft uitgekozen en met wien ik deze kamer bewoon, waarin geen sprake is van zulke feestdagen (ik meen van zulke feesten als gij, meer devoot voor God dan voor vrouwenvereering, zoo dikwijls hebt gevierd,) en nooit komt door dezen uitgang de Zaterdag of de Vrijdag of de vigilieën of de quatertempers of de vastentijd, die zoo lang is, maar dag en nacht wordt hier gewerkt en het linnen geslagen en van af, dat dien nacht de vroegmetten klonken, weet ik wel, hoe het bovendien van af den eersten keer gaat. En daarom wil ik bij hem blijven en werken zoolang ik jong ben. En de feesten, de boetedagen en de vasten zullen wij dienen, wanneer ik oud zal zijn. En maakt jij op goed geluk, zoo gauw je kunt, dat je weg komt en doe zonder mij, wat je bevalt.
Toen messire Ricciardo die woorden hoorde, ondervond hij een onduldbare smart en zeide, toen hij haar zag zwijgen: Kijk, mijn zoete ziel, wat spreekt gij daar voor taal! Let gij dan niet op de eer van uw ouders en de uwe? Wilt gij liever hier blijven als bijzit van deze en in doodzonde dan te Pisa als mijn vrouw? Hij zal u, zoodra gij hem zult vervelen, met groote schande door uw eigen schuld wegjagen; ik zal u altijd liefhebben en altijd zelfs als ik het niet zou willen, zult gij mijn huisvrouw zijn. Moet gij voor die bandelooze en schandelijke begeerte uw eer achter stellen en die van mij, die u meer bemin dan mijn leven? Kom, mijn schat, spreek zoo niet meer, maar ga met mij mee; van af heden, nu ik uw verlangen ken, zal ik mijn best doen dit te bevredigen en daarom, mijn zoetelief, verander Uw besluit en ga met mij mee, want ik heb mij nooit wel gevoeld, sinds gij mij zijt ontnomen. Hierop antwoordde de donna: Wat mijn eer betreft wil ik, dat, nu er niets aan te doen is, niemand anders dan ik er zorg voor draagt; jammer, dat mijn ouders er zich niet om bekommerd hebben, toen zij mij aan U afstonden. Maar daar ze op de mijne niet gelet hebben, ben ik nu niet van plan op de hunne acht te slaan. En als ik nu zondig met een vijzel, zal ik hier nog liever blijven, wanneer ik er zondig met een stamper er bij; geeft gij daarom niet meer om mij. Dit zeg ik U: hier—schijnt het mij—ben ik de vrouw van Paganino, terwijl het mij scheen, dat ik te Pisa Uw bijzit was, daar ik dacht, dat slechts door de standen van de maan en meetkundige berekeningen de planeten tusschen U en mij samen kwamen, terwijl hier Paganino mij den ganschen nacht in de armen sluit en mij omhelst en innig kust en hoe hij met mij omgaat, mag God U in mijn plaats zeggen. Gij belooft ook, dat gij Uw best zult doen. Met wat dan? Door het in drieën te doen en door je zelf er met stokslagen toe te drijven? Ik zie, dat gij een dappere held zijt geworden, sinds ik van U af ben. Ga heen en tracht te leven, hoewel het mij eerder schijnt, dat gij op deze wereld slechts als huurder van je leven en niet als eigenaar er van bestaat, zoo aamborstig en uitgemergeld ziet gij er uit. En dit zeg ik U nog bovendien: dat, als hij mij in den steek zou laten—wat hij mij niet van zins schijnt, zoolang ik bij hem wil blijven—, ik niet van plan ben bij U terug te keeren, want als men je heelemaal zou uitpersen als de druiven, zou je nog geen schoteltje vocht opleveren. Daar ik tot mijn groote schade en teleurstelling eens bij U geweest ben, zal ik mijn voordeel dan elders zoeken. En hierom zeg ik U nogmaals, dat er hier geen feesten zijn noch vigilieën; daarom wil ik hier ook blijven en gaat gij dus maar heen met God, anders zal ik schreeuwen, dat gij mij geweld wilt aandoen.
De heer Ricciardo zag zich in een kwaad parket en erkende nu de dwaasheid, een jonge vrouw te hebben genomen, ging treurig en neergeslagen de kamer uit en zei nog veel tot Paganino, wat hem voor niets hielp. Ten slotte zonder iets te hebben uitgericht, en de donna te hebben achtergelaten, ging hij naar Pisa terug en verviel door smart tot zulk een stompzinnigheid, dat hij, wanneer hij door die stad liep, aan ieder, die hem groette of hem iets vroeg, niets anders antwoordde dan: de gemeene dief verlangt geen rustdag en kort daarop stierf hij. Daar Paganino de liefde wist en kende, die de donna hem toedroeg, nam hij haar tot echtgenoote en zonder ooit feesten of vigilieën of vasten te houden, hielden zij elkaar bezig zoo veel ze konden en besteedden goed hun tijd. Daarom schijnt het mij, lieve donna’s, dat de heer Bernabo in twist met Ambrogiuolo de zaken averechts behandeld heeft.
Die geschiedenis liet het heele gezelschap zoo lachen, dat er geen een was, wien er de kaken niet pijn van deden en eenstemmig wisten al de donna’s, dat Dioneo de waarheid had gezegd en dat Bernabo een domoor was geweest. Maar toen de historie uit was en het lachen ophield, zag de koningin, dat het al laat was. Daar allen gesproken hadden en het einde van haar heerschappij was gekomen volgens den ingestelden regel, nam zij den krans van het hoofd, plaatste dien op het kopje van Neifile met blij gelaat en sprak: Voortaan, waarde gezellin, zal aan u de regeering zijn over dit kleine volk en zij ging zitten om te rusten. Neifile bloosde door de ontvangen hulde een weinig en op haar gelaat verscheen de rozige gloed van April of Mei, die zich toont bij den dageraad en de schoone oogen schitterend als de morgenster hield ze een weinig neergeslagen. Maar toen het jolige rumoer van de aanwezigen, waarmee zij vroolijk hun gezindheid jegens de koningin betuigden, ophield, kreeg zij weer moed, zette zich wat hooger dan gewoonlijk, en zeide:
Daar ik uw koningin ben en niet wil afwijken van de orde gevolgd door hen, die voor mij geweest zijn en waarvan gij door uwe gehoorzaamheid het gezag hebt goedgekeurd, zal ik u in weinig woorden mijn meening doen kennen en als die met u raad is goedgevonden, zullen wij die nakomen. Gelijk gij weet, is het morgen Vrijdag en overmorgen Zaterdag, vervelende dagen voor de meeste menschen, wegens de spijzen, die men dan pleegt te eten, zonder te rekenen, dat de Vrijdag onze eerbied waard is, omdat het de dag is, waarop Hij stierf, die voor ons leed. Daarom denk ik is het juist en geschikt tot Gods eere, dat wij ons dien dag eer met gebeden dan met vertellingen bezighouden. Bovendien hebben de dames op Zaterdag de gewoonte zich het hoofd te wasschen en zich van het stof te ontdoen en van de onreinheid, die zij hebben opgedaan door hun bezigheden in de afgeloopen week. Zij hebben insgelijks de gewoonte te vasten ter eere van de Moedermaagd van Gods Zoon en den geheelen volgenden Zondag geenerlei arbeid te verrichten. Daar wij dien dag onzen leefregel niet geheel kunnen volgen, acht ik het voegzamer ons dien dag van het verhalen van histories te onthouden. Daarna, omdat wij hier vier dagen gebleven zijn, geloof ik, indien wij willen vermijden, dat nieuwe gasten komen, dat het goed zal zijn van plaats te veranderen en elders heen te gaan en ik heb al bedacht en voorzien, waarheen wij ons zullen begeven. Wanneer wij ons dus op die nieuwe plaats zullen vereenigd hebben op Zondag na de siësta—daar wij heden genoeg gelegenheid gehad hebben om te spreken en van gedachten te wisselen—vermeen ik, zoowel omdat gij meer tijd zult hebben om na te denken als omdat het nog mooier zal zijn een weinig de ongebondenheid van de geschiedenissen te beperken, dat men zal moeten spreken van hen, die door hun ijver gekregen hebben, wat zij lang hadden begeerd, of die hebben weergevonden, wat zij hadden verloren. Dat hierover elkeen nadenke om iets te zeggen wat nuttig of althans aangenaam kan zijn voor het gezelschap, terwijl het voorrecht van Dioneo behouden blijft.
Ieder prees de taal der koningin en de door haar voorgestelde orde en zij beslisten, dat het zoo zou wezen. Nadat de koningin haar hofmeester had laten komen, wees zij hem nauwkeurig aan, waar hij ’s avonds de tafels moest zetten en wat hij daarna moest doen gedurende den geheelen tijd van haar bewind. Toen dit gedaan was, stond zij met het gansche gezelschap op en gaf aan ieder verlof te doen, wat hem het meest beviel. De dames en heeren begaven zich dientengevolge naar een kleinen tuin, en daar, nadat zij een weinig hadden gewandeld, hielden zij op het aangewezen uur het avondmaal met vreugd en genoegen. Nadat zij hiervan waren opgestaan, leidde, naar het de koningin behaagde, Emilia den dans en werd het volgende lied gezongen, waarop de ander antwoordde:
Welke donna zal zingen, als ik het niet doe, Die voldaan ben in al mijn begeerten!
Kom dan, Amor, oorzaak van al mijn vreugde Van al mijn hoop, van al mijn blij geluk; Laat ons samen wat zingen Niet van zuchten, noch van bittere pijnen, Die mij thans Uw vreugde zoeter maken Maar alleen van het heldere vuur, Waarvan ik brandend in blijdschap leef en mij verheug U aanbiddend als mijn god.
Gij hebt mij voor de oogen gesteld, o Amor, Den eersten dag, dat Uw vuur in mij gloeide Zulk een jongeling, Dat er aan schoonheid, aan hartstocht noch moed Ooit een betere zal zijn te vinden Noch aan hem gelijk. Ik ben zoo voor hem ontvlamd, dat ik Blij met U zing, o mijn heer.
En wat mij hierin het meest verheugt, Is, dat ik hem evenveel behaag als hij mij, Dank zij U, Amor. Ik hoop in deze wereld mijn verlangen Te bevredigen en in de andere vrede te vinden Door het volkomen vertrouwen, Dat ik hem toedroeg. God, die dit ziet, Zal er zich in zijn hemelrijk nog over erbarmen.
Hierna zong men er nog vele anderen, deed men nog verscheidene dansen en bespeelde men verschillende instrumenten. Maar toen de koningin het tijd achtte om te gaan rusten, ging elk, voorafgegaan door toortsen, naar zijn kamer en de twee volgende dagen vrij van de taak, waarvan de koningin had gesproken, verwachtten zij met verlangen den Zondag.
DERDE DAG.
De tweede dag van de Decamerone eindigt; de derde vangt aan, waarop men spreekt onder het bewind van Neifile van degenen, die een zaak, door hen zeer verlangd, weten te verkrijgen of een verlorene weten te herwinnen.
Reeds begon de dageraad bij het naderen van de zon van rozenrood oranje te worden, toen de koningin op Zondag opgestaan, haar heele gezelschap deed oprijzen. Reeds had de hofmeester een groote hoeveelheid der benoodigdheden vooruit gezonden naar de plaats, waar zij moesten heengaan en de bedienden, die er moesten gereed maken, wat men gebruiken zou, toen hij de koningin op weg zag en er al het andere haastig heen liet dragen, nu men het verblijf daar had opgeheven en er met de bagage heentoog gezamenlijk met het dienstpersoneel achter de donna’s en de heeren. De koningin met langzamen tred vergezeld en gevolgd door haar donna’s en de drie jongelingen en begeleid door den zang van misschien twintig nachtegalen en andere vogels, ging door een niet te veel gebruikt pad, maar vol groene kruiden en bloemen, welke zich bij het opgaan der zon allen begonnen te openen, nam den weg naar het westen en sprekend, schertsend en lachend met haar gezelschap, zonder meer dan tweeduizend schreden te hebben gedaan, leidde zij dat ruim, voor de zon anderhalf uur op was, [43] naar een zeer schoon en rijk verblijf, dat een weinig verheven uit de vlakte op een heuvel stond. Toen zij daar binnen waren getreden en overal rond waren gegaan, roemden zij het daar het een groote zaal had en geboende en versierde kamers, die vol waren van al wat in een vertrek noodig is, hoogelijk en beschouwden den bezitter als een groot heer. Toen zij naar beneden gegaan de zeer ruime en vroolijke binnenplaats er van hadden gezien, de gewelven vol van de beste wijnen en het zeer frissche water, dat er in groote massa opwelde, prezen zij het nog meer. Vervolgens verlangend een weinig te rusten, gingen zij op een galerij zitten, die den ganschen hof beheerschte en geheel gevuld was met bloemen, welke de tijd opleverde en met groen. Toen kwam de bescheiden hofmeester en ontving en versterkte hen met heerlijke meelspijzen en uitstekende wijnen. Hierna lieten zij zich een tuin openen naast het paleis, die rondom ommuurd was en waar zij binnen traden en daar die hen bij de eerste binnenkomst allen van een wonderbare schoonheid scheen, begonnen zij aandachtiger alle deelen er van te beschouwen. De tuin had rondom en in het midden vrij breede paden, allen recht als pijlen en bedekt met houtwerk voor wingerdranken, welke een grootschen aanblik vertoonden van veel druiven voor dat jaar. En de bloemen verspreidden door den tuin zulk een sterken geur, vermengd met die van vele andere planten, die in deze gaarde welriekendheid verbreidden, dat het hen toe scheen of zij zich daardoor bevonden tusschen alle specerijen, die ooit in het Oosten groeiden. De zoomen van die paden waren allen vol van witte en roode rozen en van jasmijnbloemen, zoodat men niet alleen in den morgen, maar wanneer de zon hooger was in geurige en aangename schaduw zonder door deze gehinderd te worden, overal kon rondgaan. Het zou lang duren om te vertellen hoeveel en hoedanige planten er waren en hoe men ze had gerangschikt; maar geen is er prijzenswaardig, welke ons klimaat verdraagt, van welke daar geen overvloed was. In het midden daarvan (wat niet minder maar nog meer prijzenswaardig is dan de voorafgaande dingen) was een weide met zeer kort gras en zoo groen, dat het haast zwart leek, geheel bezaaid met wel duizend soorten bloemen, rondom omsloten van zeer groene en krachtige oranjeboomen en ceders, die rijpe vruchten droegen en ook onrijpe en nog bloemen en die niet alleen heerlijke schaduw gaven voor de oogen maar ook den reuk streelden. In het midden van den tuin was een fontein van het blankste marmer en met wonderbaar beeldhouwwerk. Daar binnen wierp die—ik weet niet of het door een kunstmatige of een natuurlijke ader was—door een beeld heen, dat op een zuil in het midden daarvan overeind stond, zooveel water en zoo hoog ten hemel, dat het steeds met heerlijk gedruisch in den helderen spiegel terugviel en er zelfs minder van noodig zou zijn om een molen mee te bewegen. Dit water—dat de fontein deed overstroomen, als die vol was—verdween langs geheimen weg van de weide en ging door zeer schoone en kunstig gemaakte kanaaltjes. Eenmaal daarbuiten, in het daglicht gekomen, omringde het dien geheel en het liep vandaar in dezen door elk deel van den tuin heen en verzamelde zich eindelijk op een plek, waar de mooie tuin zijn uitgang had en daar stroomde het helder naar de vlakte neer, waar het, voor het daar neerstortte, met zeer groote kracht en tot niet weinig nut voor den heer twee molens deed draaien. Het gezicht van dien tuin, zijn schoone orde, de planten en de fontein met de kleine beken, die er uit neervloeiden, behaagde zoo aan elke donna en aan de drie jongelingen, dat alle begonnen te beweren, dat, indien er op aarde een Paradijs te maken was, zij geen andere gedaante er voor wisten te vinden, dan deze tuin geven kon, en dat zij ook niet dachten, dat zij buiten dezen een dergelijke schoonheid zouden aantreffen. Terwijl zij er zeer vergenoegd rondgingen en zich van verschillende bladeren zeer schoone kransen maakten, hoorden zij van alle kanten op wel twintig manieren vogels, die als om strijd zongen, en bespeurden zij een bekoorlijke schoonheid, welke zij, verrast door de andere, nog niet hadden opgemerkt. Zij zagen namelijk den tuin vol van wel honderd soorten schoone dieren, die zij elkaar aanwezen. Van den eenen kant kwamen konijnen te voorschijn, van de anderen liepen hazen voorbij; daar zagen zij geiten liggen en ginds jonge herten weiden. Bovendien gingen er verscheidene onschadelijke beesten gelijk huisdieren heen en weer. Al die dingen schonken hun na de andere bekoringen een nog veel grooter genoegen. Toen zij het een en het ander voldoende gezien hadden en naar hun verlangen hadden gewandeld, lieten zij rondom de schoone fontein de tafels zetten en nadat zij hier eerst zes liederen hadden gezongen en eenige dansen hadden gedaan, naar het de koningin beviel, begonnen zij te eten en werden zij in de grootste en schoonste en rustigste orde bediend. Door de goede en heerlijke spijzen vroolijker geworden stonden zij op en gaven zich weer over aan muziek, zang en dans, tot het de koningin bij de opkomende hitte tijd scheen, om aan wien het behaagde, te gaan slapen. Dezen gingen er toe over, genen door de schoonheid van dit oord overmeesterd, wilden niet heengaan maar bleven daar de een bezig was met het lezen van romans, de ander met schaakspelen of met dammen, terwijl de anderen siësta hielden. Maar toen de noen voorbij was, stond men op, waschte het hoofd met frisch water en kwam men op de weide, gelijk het de koningin behaagde, bijeen. Nadat men zich aldaar volgens gewoonte had neergezet, wachtte men het oogenblik af om geschiedenissen te gaan vertellen over het onderwerp door de koningin voorgesteld. De eerste onder hen, aan wien de koningin dien last opdroeg was Filostrato, die aldus begon:
EERSTE VERTELLING.
Masetto van Lamporecchio laat zich voor een doofstomme doorgaan, wordt tuinman van een nonnenklooster en allen eindigen met met hem te slapen. [44]