Chapter 17
Toen hij daar de kooplieden had bijeen geroepen, die tegenwoordig waren geweest bij het gesprek en het doen van de weddenschap, zeide hij in tegenwoordigheid van Bernabo, dat hij de weddenschap tusschen hen aangegaan, had gewonnen, omdat hij volvoerd had, waar hij zich op had beroemd. En om te bewijzen, dat dit waar was, beschreef hij eerst den vorm van de kamer en de schilderijen, toonde daarna de voorwerpen, die hij mee had gebracht en beweerde die van haar te hebben gekregen. Bernabo gaf toe, dat de kamer was zooals hij die beschreef en bovendien erkende hij ook, dat die voorwerpen aan zijn donna hadden behoord. Maar hij beweerde, dat hij van een der bedienden des huizes het voorkomen van de kamer kon weten en op gelijke wijze die voorwerpen kon hebben gekregen. Daarom, indien hij daartegen niets had in te brengen, scheen dit hem niet voldoende om zich overwonnen te verklaren. Daarom zeide Ambrogiuolo: Dit moet wel degelijk voldoende zijn, maar, daar gij wilt, dat ik nog meer zeg, zal ik dan ook meer zeggen. Ik weet, dat mevrouw Ginevra onder de linkerborst een tamelijk groote vlek heeft met misschien zes goudblonde haren er om heen. Toen Bernabo dit hoorde, leek het hem of hij een smart voelde als van een messteek in het hart, en daar hij geheel van kleur veranderde, hoewel hij geen woord had gesproken, gaf hij duidelijk genoeg blijk, dat het waar was, wat Ambrogiuolo vertelde en zeide: Heeren, wat Ambrogiuolo zegt, is waar, en omdat hij gewonnen heeft, mag hij om het geld komen, wanneer hij wil. Aldus werd Ambrogiuolo den volgenden dag volkomen bevredigd. Bernabo, van Parijs vertrokken, ging met zeer verbitterden geest naar de donna te Genua. Toen hij het naderde, wilde hij er niet binnen gaan maar bleef er wel twintig mijlen vandaan op een van zijn landgoederen en hij zond een knecht, waarin hij veel vertrouwen stelde, met twee paarden en met zijn brieven naar Genua, schreef aan de donna, dat hij was teruggekeerd en dat zij met den bediende tot hem zou komen. Hij gaf bovendien in het geheim aan den knecht last, dat die op een plaats, waar deze het het geschikst achtte zonder genade de donna moest vermoorden en dat hij dan naar hem moest terugkeeren. Toen de knecht te Genua aankwam en de brieven waren overhandigd en de boodschap was overgebracht, werd hij door de vrouw met groote vreugde ontvangen, welke den volgenden morgen met den knecht te paard steeg en den weg naar zijn landgoed insloeg. Terwijl zij samen voortreden en over allerlei dingen spraken, kwamen zij in een zeer diepe en eenzame vallei, afgesloten door hooge rotsen en boomen, die aan den knecht de plaats leek om veilig het bevel van zijn meester te volvoeren. Hij trok het mes, nam de donna bij den arm en zeide: Mevrouw, beveel uw ziel eerst aan God, daar gij zonder verder voort te reizen moet sterven. De donna zag het mes, hoorde de woorden en zeide geheel ontsteld: Bij God genade! Voor gij mij doodt, zeg mij, waarmee ik u kwaad heb gedaan, dat gij mij moet dooden? Mevrouw, zei de knecht, gij hebt mij met niets kwaad gedaan en waarmee ge het uw echtgenoot deed, weet ik niet, alleen dat hij mij beval zonder medelijden met u te hebben, u op dezen weg te dooden en als ik het niet zou doen, dreigde hij mij te laten ophangen. Gij weet wel, hoe ik gebonden ben en hoe ik, wat hij mij gelast, niet kan weigeren. God weet, hoe ik met u begaan ben, maar ik kan niet anders. Daarop hernam de donna weenend: In Gods naam wordt niet om anderen te dienen de moordenaar van iemand, die u nooit iets kwaads toevoegde. Aan God, die alles weet, is bekend, dat ik nooit iets deed waardoor ik van mijn man zulk een loon moest ontvangen. Maar laat ons dit nu ter zijde stellen: gij kunt wanneer gij wilt, tegelijkertijd aan God, aan mijn man en aan mij een dienst doen, doordat gij mijn kleederen aantrekt en gij mij alleen uw wambuis en een overrok geeft. Keer hiermee naar mijn en uw heer terug en zeg hem, dat gij mij hebt gedood en ik zweer u bij het leven, dat ik u schuldig ben, dat ik mij zal verwijderen en dat noch hij, noch gij, noch iemand in deze streken iets van mij zal hooren. De knecht, die haar ongaarne doodde, kreeg spoedig medelijden. Hij nam haar kleeren en na haar zijn wambuis en overrok te hebben gegeven en haar het weinige geld achter gelaten te hebben, dat zij bij zich had, verzocht hij haar, dat zij uit die streek wegging, liet haar in de vallei met een paard alleen en begaf zich naar haar heer, tot wien hij zeide, dat zijn bevel niet slechts was volvoerd, maar dat haar lichaam door de wolven was verslonden.
Bernabo ging na eenigen tijd naar Genua terug, waar hij, toen het feit bekend werd, zeer werd geminacht. De donna, alleen en troosteloos achter gelaten, ging, zoodra de nacht gekomen was en zoo goed mogelijk vermomd, naar een dorp daar in de buurt en hier kocht zij van een oude vrouw al wat ze noodig had, bracht het wambuis naar haar lichaamsmaat in orde door het te verkorten en maakte zich uit haar overrok een paar broeken. Zij knipte zich de haren en geheel vervormd in de gedaante van een zeeman ging zij naar de zeekant. Daar vond zij bij toeval een Catalonisch edelman, segnor Encararch genaamd, die van zijn schip, dat niet ver vandaar lag, te Alba was afgestapt om zich aan een fontein te verfrisschen. Zij trad met hem in onderhandeling, bood zich hem als dienaar aan, ging er scheep en liet zich Sicurano van Finale noemen. Hier trok hij betere kleeding aan in de liverei van den edelman en begon dien zoo goed en met zooveel toewijding te dienen, dat hij zeer in zijn gunst kwam. Niet lang daarna voer die Catalonieër met een lading naar Alexandrië, bracht eenige pelgrimsvalken aan den Sultan en bood hem die aan. De Sultan onthaalde hem een paar maal en nadat hij de manieren van Sicurano gezien had, die hem steeds bediende en welke hem behaagden, vroeg hij dien van den Catalonieër over te nemen. Hoewel het dien verdroot, stond hij hem dezen toch af.
Sicurano verwierf in korten tijd niet minder de genade en de liefde van den Sultan door zijn goede wijze van werken als hij het bij den Cataloniër had gedaan. Na verloop van tijd gebeurde het, dat er op zekeren datum van het jaar, bij wijze van kermis, een groote verzameling moest bijeenkomen van kooplieden zoowel Christenen als Mahomedanen te Acre, dat onder de heerschappij van den Sultan stond. Opdat de kooplieden er veilig waren, was de Sultan gewoon er behalve andere beambten, een van zijn grootwaardigheids-bekleeders heen te zenden met lieden, die als wacht dienst deden. Toen dat tijdstip naderde, had hij plan om er Sicurano heen te sturen, die uitstekend de taal kende en zoo deed hij. Toen Sicurano in Acre kwam als heer en kapitein van de garde der kooplieden en van den handel en daar goed en ijverig deed, wat tot den dienst behoorde en allen om zich heen beschouwde, zag hij er veel Siciliaansche, Pisaansche, Genueesche, Venetiaansche en andere Italiaansche kooplieden en onderhield zich met hen gaarne tot herinnering aan zijn land. Toen hij eens onder andere keeren was gekomen in een winkel van Venetiaansche kooplieden, zag hij onder meer kostbaarheden een beurs en een gordel, welke hij wel als de zijnen herkende en was daarover verwonderd, maar zonder een ander gezicht te trekken, vroeg hij vriendelijk van wie ze waren en of ze hem die wilden verkoopen. Nu was Ambrogiuolo van Piacenza hierheen gekomen met veel koopwaar op een Venetiaansch schip, dat hem behoorde. Hij vernam, dat de kapitein van de garde vroeg van wie ze waren, kwam naar voren en zei lachend: Heer, het zijn voorwerpen van mij en ik verkoop ze niet, maar als zij u bevallen, zal ik ze u gaarne schenken. Sicurano, die hem zag lachen, vermoedde, dat de koopman door een of ander gebaar hem had herkend, maar toch hield hij zich goed en zeide: Gij lacht misschien, omdat gij mij als krijgsman ziet vragen naar zulke vrouwenzaken. Ambrogiuolo zeide: Neen, daar lach ik niet om, maar ik lach om de manier, waarop ik ze verkreeg. Sicurano antwoordde hem: Kijk, als God U goed geluk geeft, en dit geen geheim is, zeg mij dan, hoe gij ze hebt gekregen. Neen, hernam Ambrogiuolo, dezen werden mij met iets anders geschonken door een edelvrouw van Genua, mevrouw Ginevra genaamd, echtgenoote van Bernabo Leomellin, een nacht, dat ik met haar sliep en zij mij vroeg, of ik ze van haar liefde wilde behouden. Nu lach ik, omdat ik mij de dwaasheid van Bernabo herinner, die gek genoeg was om vijfduizend goudguldens tegen duizend te verwedden, dat ik zijn vrouw niet zou kunnen verleiden naar mijn wil, wat ik deed, zoodat ik de weddenschap won. Hij, om haar zoo gauw mogelijk te straffen voor het misdrijf, dat alle vrouwen begaan, keerde van Parijs naar Genua terug, en liet haar, naar wat ik sinds gehoord heb, dooden. Toen Sicurano dit hoorde, begreep hij snel wat de reden was van den toorn van Bernabo jegens hem en begreep volkomen, dat dit de oorzaak was van zijn lijden en hij besloot in stilte ze hem niet ongestraft te laten houden. Sicurano deed dus of de geschiedenis hem zeer ter harte ging en verbond zich listig met hem tot een nauwe vriendschap, zoo, dat toen de jaarmarkt afgeloopen was, Ambrogiuolo door zijn aanmoediging met hem en met al wat hij had, zich naar Alexandrië begaf, waar Sicurano voor hem een winkel liet inrichten en hem daarvoor geld genoeg ter hand stelde. Deze ziende, dat er groot voordeel voor hem was te behalen, bleef er gaarne. Sicurano begeerig zijn onschuld te bewijzen aan Bernabo, rustte niet, eer hij door middel van eenige groote Genueesche kooplieden, die in Alexandrië waren, nieuwe listen vond om hem te doen overkomen. Bernabo kwam in armzalige omstandigheden aan en hij werd heimelijk door een van Sicurano’s vrienden ontvangen, tot het hem tijd scheen zijn plan uit te voeren.
Reeds had Sicurano de historie door Ambrogiuolo aan den Sultan doen vertellen, die er behagen in schepte. Maar toen hij Bernabo daar zag, dacht hij, dat uitstel niet goed was, koos het geschikte oogenblik, en verzocht den Sultan, dat die Ambrogiuolo en Bernabo voor zich deed verschijnen. Hij zou in tegenwoordigheid van Bernabo, indien het niet met zachtheid bij Ambrogiuolo kon gebeuren, met gestrengheid aan den dag brengen, hoe de zaak naar waarheid geschied was, waarop hij zich betreffende de vrouw van Bernabo beroemde. De Sultan beval, toen Ambrogiuolo en Bernabo verschenen waren in tegenwoordigheid van velen, met strengen blik, dat de eerste naar waarheid vertelde, hoe hij van Bernabo vijfduizend goudguldens had gewonnen. En hier was Sicurano bij, in welken Ambrogiuolo meer vertrouwen had en die met een nog boosaardiger gelaat hem met de vreeselijkste folteringen bedreigde, als hij het niet bekende. Ambrogiuolo dubbel verschrikt en zeer gedwongen verklaarde, daar hij geen andere straf er voor verwachtte dan de teruggaaf van de vijfduizend goudguldens en van de voorwerpen, in tegenwoordigheid van Bernabo en van vele anderen, duidelijk hoe het feit was gebeurd en verhaalde alles. Toen Ambrogiuolo gesproken had, zeide Sicurano als uitvoerder van des Sultans bevelen tot Bernabo gekeerd: En wat deedt gij uw vrouw naar aanleiding van dat bedrog? Hierop antwoordde Bernabo: Ik, overmand door den toorn over het verlies van mijn geld en over de blaam en de schande, die ik om mijn vrouw op mij scheen te hebben geworpen, deed haar door een van mijn knechts dooden en naar wat die mededeelde, is zij spoedig door de wolven verslonden.
Toen dat alles in tegenwoordigheid van den Sultan gezegd was en door hem gehoord en begrepen, zonder dat hij nog inzag, wat Sicurano, die zelf de vragen gesteld had, er mee voorhad, zeide deze: Heer, gij kunt wel begrijpen, hoezeer die goede dame zich kan beroemen op haar minnaar en haar echtgenoot, want de minnaar ontrooft haar de eer en tegelijk vernietigt hij haar goede naam met bedrog en maakt haar echtgenoot ongelukkig en de echtgenoot eerder geloovend aan de leugens van anderen dan aan de waarheid, die een langdurige ervaring hem had doen kennen, laat haar dooden en verslinden door de wolven. En behalve dit gaat de liefde zoowel van den minnaar als van den echtgenoot voor haar zoover, dat, terwijl beide lang met haar leven, geen van beide haar leert kennen. Maar opdat gij volkomen zult inzien, wat elk van hen heeft verdiend, waar gij mij de bijzondere gunst wilt toestaan den bedrieger te straffen en den bedrogene te vergeven, zal ik haar hier zoowel in Uw tegenwoordigheid als in de hunne doen verschijnen.
De Sultan geneigd om in deze zaak in alles Sicurano ter wille te zijn, zeide, dat hij het goed vond en dat hij de donna zou doen komen. Bernabo verwonderde zich hierover zeer, daar hij vast geloofde, dat zij dood was en Ambrogiuolo, die zijn ongeluk al vermoedde, had nu vrees voor erger dan alleen zijn geld terug te betalen en wist niet of hij meer te hopen dan te vreezen had, omdat de donna daar kwam en verwachtte met groote verwondering haar komst.
Toen de Sultan aan Sicurano dit had toegestaan, wierp die zich weenend aan de voeten van den vorst, liet tegelijk haar mannenstem varen en haar mannelijk voorkomen en zeide: Heer, ik ben de ongelukkige Ginevra; ik heb zes jaar in mansvermomming door de wereld gezworven door dien verrader van een Ambrogiuolo valsch en oneerlijk beschuldigd en door dezen wreeden en onrechtvaardigen man aan een knecht overgeleverd om te worden gedood en om verslonden te worden door de wolven. Zij rukte haar kleeren vaneen en toonde door haar boezem een vrouw te wezen en maakte dit aan den Sultan en ieder ander duidelijk en zich toen tot Ambrogiuolo wendend vroeg zij hem honend of hij ooit, gelijk hij blufte, met haar had geslapen. Deze herkende haar reeds en als door schaamte verstomd, zeide hij niets. De Sultan, die haar altijd voor een man had gehouden was, toen hij dit zag en hoorde, zoo verwonderd, dat, hoe meer hij er van vernam, hij des te meer geloofde, dat het eer een droom was dan werkelijkheid.
Maar toch, toen de verbazing ophield en hij de waarheid kende, prees hij met den grootsten lof het leven, de standvastigheid, het gedrag en de deugdzaamheid van Ginevra, die tot nu toe Sicurano was genoemd. Hij liet eerbare vrouwenkleederen voor haar komen en vrouwen, die haar gezelschap zouden houden op haar verzoek en schold Bernabo de verdiende doodstraf kwijt. Toen deze haar herkend had wierp hij zich schreiend aan haar voeten, en vroeg vergiffenis, die zij, hoe weinig hij het ook waard was, hem welwillend schonk, hief hem op en omhelsde hem innig als echtgenoot. Daarna beval de Sultan, dat Ambrogiuolo op een of andere plaats van de stad aan een paal zou worden gebonden en met honig zou worden ingewreven en er niet van zou worden losgemaakt, eer hij er van zelf afviel. Dit geschiedde. Daarna gaf hij last, dat, wat aan Ambrogiuolo behoord had, aan de donna zou worden gegeven, wat niet zoo weinig was, want het was een geldswaarde van meer dan tienduizend pistolen. Daarna gaf hij een prachtig feest, waarbij hij Bernabo als echtgenoot van mevrouw Ginevra en mevrouw Ginevra als zeer waardige vrouw eerde en schonk ze aan juweelen en gouden en zilveren vaatwerk en geld nogmaals voor een waarde van meer dan tienduizend pistolen. Na hem een schip te hebben geleend, gaf hij hun na het feest verlof, wanneer het hun aanstond, naar Genua terug te keeren, waar zij zeer rijk en met groote vreugde aankwamen en met groote eer werden ontvangen vooral mevrouw Ginevra, die door allen dood gewaand werd en die steeds bekend was geweest om haar groote eerbaarheid en hare vele deugden. Ambrogiuolo werd denzelfden dag aan den paal gebonden en met honing ingewreven en tot vreeselijke straf door muggen, wespen en horzels, waarvan dit land vol is, niet alleen gedood maar eindelijk tot op het gebeente verslonden. Zijn gebleekte beenderen, nog slechts samenhangend door pezen, gaven nog lang, zonder te worden weggenomen, aan iedereen getuigenis van zijn boosheid. Zoo bleef de bedrieger de slaaf van den bedrogene.
TIENDE VERTELLING.
Paganino van Monaco rooft de vrouw van signor Ricciardo van Chinzica. Deze, wetend, waar zij zich bevindt, reist weg, wordt de vriend van Paganino en eischt haar weer op. Hij staat haar, als zij het wenscht, aan hem af, maar zij wil niet met hem terugkeeren en als de heer Ricciardo sterft, wordt zij de echtgenoote van Paganino.
Ieder in het eerzaam gezelschap vond de geschiedenis door hun koningin verhaald schoon, en vooral Dioneo, die alleen nog dien dag moest vertellen. Hij zeide, nadat er vele loftuitingen waren uitgesproken: Schoone donna’s. Een deel der geschiedenis van de koningin heeft mij van besluit doen veranderen om in plaats van de geschiedenis, die ik in het hoofd had, U een andere te vertellen, dan die over de stompheid van Bernabo,—wat voor goeds er ook voor hem uit voortkwam—en van allen, die zich wijs maken, wat zij voor anderen veinzen te gelooven namelijk, dat, terwijl ze de wereld doortrekken en zich verheugen zoowel met deze als gene vrouw, op dit uur met die en op dat uur met een andere, zij zich verbeelden, dat de thuis gebleven echtgenooten de handen aan den gordel houden, alsof wij niet weten, die met hen geboren en getogen zijn, wat die begeeren. Wanneer ik U die historie vertel, zal ik U meteen bewijzen hoedanig de dwaasheid is van degenen, die zoo denken en hoe die nog grooter is van hen, die zich machtiger geloovend dan de Natuur, meenen door fabelachtige proefnemingen te vermogen wat dezen niet kunnen en zich inspannen daartoe aan anderen hun aard te ontnemen, terwijl het karakter van dezen er niet naar is aangelegd.
Er leefde dan eens te Pisa een rechter, meer geestelijk dan lichamelijk begaafd, die messire Ricciardo di Chinzica heette [39], welke geloofde met dezelfde middelen de vrouwen te kunnen voldoen, die hij gebruikte voor zijn studie en die als zeer rijk man, daarom niet minder zich beijverde een schoone en jonge vrouw tot echtgenoote te verkrijgen, hoewel hij het een als het ander had moeten vermijden, indien hij zich zelf raad had kunnen geven gelijk hij het anderen deed. De heer Lotto Gualandi [40] gaf hem een zijner dochters tot vrouw, Bartolomea genaamd, een der mooiste en begeerenswaardigste meisjes van Pisa, waar er maar heel weinig leven, die niet slimmer als de geschakeerde hagedissen zijn. Toen de rechter haar met zeer groote vreugde naar zijn woning had geleid en een schoone en schitterende bruiloft had gevierd, waagde hij het toch maar een keer gedurende den eersten nacht haar geheel te bezitten om het huwelijksteest te besluiten en het scheelde maar weinig of hij had de partij niet kunnen uitspelen. Daarom als een mager, droog en zwak man moest hij den volgenden morgen goeden wijn, versterkend voedsel en andere middelen gebruiken om in het leven terug te keeren. Nu begon die mijnheer de rechter, beter kenner van zijn krachten dan te voren, aan haar een kalender te verklaren goed voor kinderen om te leeren lezen en die misschien eertijds te Ravenna [41] was gemaakt, zoodat, naar wat hij haar aantoonde, er geen dag was, die niet één of zelfs méér dan een feestdag was, ter eere van welke hij aantoonde, dat man en vrouw zich moesten onthouden om verschillende redenen van echtelijke verbindingen, waarbij nog kwamen de vasten, de quatertempers, en de vigiliën der apostelen en van duizend andere heiligen, en dan zoowel de Vrijdag als de Zaterdag en de Zondag, de geheele vasten, zekere maanstanden en nog vele andere uitzonderingen. Hij dacht misschien, dat hij met de vrouwen kon doen wat hij dikwijls deed bij het bepleiten van een zaak.
Hij hield zich lang aan die gewoonte (niet zonder groote droefheid van de donna, van wie hij ternauwernood eens in de maand genoot), terwijl hij wel oppaste, dat een ander haar de werkdagen niet leerde gelijk hij haar de rustdagen had onderwezen. Toen het eens zeer warm was, kreeg messire Ricciardo lust om zich te gaan verpoozen op een mooie villa van hem, dicht bij Monte Nero, en daar eenigen tijd te blijven om met zijn schoone donna de buitenlucht te genieten. Terwijl hij daar verblijf hield, wilde hij, om haar eenig genoegen te verschaffen, haar eens laten visschen en in twee booten, waarvan hij in een was met de visschers en zij in een andere met andere donna’s, gingen zij toekijken. Het genoegen sleepte ze voort, zoodat ze zonder het te merken, verscheidene mijlen ver in zee dreven. Ze bleven daar aandachtiger toezien, tot opeens een galei opdaagde van Paganino Da Mare [42], een beroemd zeeroover uit dien tijd, welke, toen deze de booten had bespeurd, zich daarheen richtte. Dezen konden zoo spoedig niet vluchten als Paganino die bereikte, waarin de vrouwen waren. Toen hij daarin de schoone donna zag, begeerde hij niets anders meer en bracht haar op zijn schip over onder de oogen van messire Ricciardo, die al op het land was en ging weer heen.